Querido en zijn Menschenwee.

Querido en zijn Menschenwee.Auto-didact. Jeugd.Queridois geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12ejaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo’n angst voor ’t vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder …. studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles „zelfonderricht.”Huwelijk.Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar …. bleef dat slechts kort.De zwarte tijd.De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien—als vele kunstenaars—geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn „Kunstenaarsleven.”Kunstenaarsleven.Kunstenaarslevenis voor een goed deel autobiografisch:Maurice FleuryisQuerido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen ’t leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na ’t bankroet. „’t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw.” „Bij iedere schel vrees voor ’n plebeïscheaanval van ’n straatcrediteurtje, ’n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, ’n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars.” Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op ’t bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. „Op ’t bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe ’t bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie ’s middags thuis, dan werd ’t wéér brood en ’s avonds wéér brood, soms met ’n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie ’t gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging.” Ook Querido kreeg een baantje aan ’n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor „De Amsterdammer”. Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de „Controleur” en „De Kunstwereld”. En daarna …. redacteur van een tappersblaadje „Vergunningsrecht”! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.Gedichten.En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs—welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie—productie. Al vroeger had Querido onder ’t pseudoniemTheo Reeder„Gedichten” uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van deallerindividueelsteemotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de „Meditaties over literatuur en leven”, uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.Levensgang.Eindelijk is ’t ergste voorbij; de „Meditaties” trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan ’t woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. „Levensgang” wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde „uitbeelden de verdierlijking,de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij ’t begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot ’t idealistisch levenssentiment van den arme.”Tendenzwerk.Men ziet, in „Levensgang” is een socialistische strekking—Querido werd in 1897 lid van deS. D. A. P.—en toch is ’t geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van „Levensgang” spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: „tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn totlevendevormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook”, hij wil niet geven „aangekleedeprincipen, maarleven, schuchter, weifelend, juichend of weenendleven. … den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dusgeheel tot het levende leven behooren.” De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van ’t werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van ’t vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf „veel geleden heeft” is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien „hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in ’t leven.”Ziekte.Toen Querido ’t eerste deel van „Levensgang” geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannendwerken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: „Zegepraal”. Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, ’t geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor ’t niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige „Pijp” niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido’s energie had niet geleden: het tweede deel van „Levensgang” was spoedig geschreven.Beroemd als schrijver.In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido’s naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was ’t ook ’n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een „roman van ’t land.” Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstondMenschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van „Op de Hoogte”, medewerker aan „De Gids” en „Groot-Nederland”,„letterkundig Croniqueur” van „Land en Volk”, later van „Het Handelsblad”. De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido’s talent in zijn meesterwerk „De Jordaan”.Menschenwee.Menschenweeverplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van ’t leven der tuinders in ’t dorpjeWiereland, speciaal van één familie, de familieHassel:ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis:Dirk,PietenGuurten dan vooral de oudste, al getrouwd,Kees de Strooper.Ouë Gerrit.Ouë Gerritis in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.Slechte financiën.Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar …. ’t is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat ’n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in ’t spel, want de rente van ’t geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als ’t noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z’n woede-uitbarsting, alsnotarisBeemstrahem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.„Hoho! daa’s jokkes!” barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, „ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien …. hai waa’s d’r selfers main komme opzoeke!—Noü, noü dâ je ’t weute wil …. ik zeg moâr …. daa’s ’nkerel …. die help je nie van de wal in de sloot … die gaif je nie los geld niet sonder dâ …. dâ je ooit vraogt wort …. hoe of wâ van rinte …. moar oa’s je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil …. kraig je de raikening thuis …. juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ …. je da je …. niks hept!…. Nainet menair …. soo hew …. hew je d’r al veul van onster slag stroatarm maâkt …. jai gaif d’r losse …. duutjes …. mit vaif pèrsint …. Maàr soolang oploope …. tu je weut …. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord …. moar …. die kukkerint …. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou …. bai de boonestorm aa’s ’n engel! Enne wai …. wai kenne d’r van joù nie los …. wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai? jai haalt d’r ’t fel of ’r onster oore …. hoho! jai frai d’r de noagels van onster flees …. jullie bint bloedsuigers goàr, daa’s màin weut!”Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En ’t ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z’n hoop gevestigd was deden ’t goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al ’t gewas vernield,„vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien ’n paar honderd duizend halen.” ’t Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet ’t ook; nu is ’t tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.Kleptomanie.Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om ’t stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ookgebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en ’s nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. „Wà kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in … Wa genot! om te stikke!… Wâ spulle! Wâ’ kon die ’r mee doen …. Nee, toch niks doen d’r mee …. Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat ’t van sain was …. dat ie ’t kaapt had van andere …. andere …. kristis, wâ lol, wâ’ salig …. So maar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!…. ho …. ho …. Van g’n waif, van g’n man hield ie zoveul!…. Da gappe ….. puf!…. naar je toe …. En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder … En dan … aas de menschen je vrage en zegge …. Hai je al hoort?…. da’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine naam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self:…. en dan lol, brandend lollig van binne, dàa’ niemand je sien hep …. niemand, nooit niks!…. En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij ’t spreke der over …. en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,…. dà’ lait nou stikumpies op z’n rug, bai jou ….”Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familieBekkema, op villa Duinzicht. ’s Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had ’t toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, „dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken.” Wat had ie al meegepikt!Altijd loert deouërond, of er ook iets te gappen is. Allesis van z’n gading, vooral alles wat blinkt. „Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel uitgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter …. Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!” Dan ’t mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. „Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf had ie d’r rondgekuierd …. Dertien dingen meegepikt.” „Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, ’n nikkelen wekkertje, ’n mooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.”Ontdekking.Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij ’t hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograafVan Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk ƒ 86 uit een geldkistje en de lens van ’t fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. ’t Moest spaakloopen en ’t gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den bravenouëhalen, onder ’t geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar ’t hok gebracht.Vrouw Hassel.’t Gaat naar beneden met de familie Hassel.Vrouw Hasselis een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat ’t aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze ’t ontglippen en was er niets meer in ’t hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, eenscheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat ’t luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.De kinderen.DirkenPietzijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. „Stille zuipers”, zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie „twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf”, die een „meneer wou hebbe; ’n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande …. ’n faine hoed …. ’n faine jas”, die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: „Je foàder hep stole! jou foàder is d’r ’n laileke dief.” „D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen.”Kees de Strooper.Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z’n ziek jongetje, Wimpie. „Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger ….. Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd ’t manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch.”Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een„helhaak” van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral ’s winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z’n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, „iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien.”

Querido en zijn Menschenwee.Auto-didact. Jeugd.Queridois geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12ejaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo’n angst voor ’t vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder …. studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles „zelfonderricht.”Huwelijk.Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar …. bleef dat slechts kort.De zwarte tijd.De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien—als vele kunstenaars—geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn „Kunstenaarsleven.”Kunstenaarsleven.Kunstenaarslevenis voor een goed deel autobiografisch:Maurice FleuryisQuerido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen ’t leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na ’t bankroet. „’t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw.” „Bij iedere schel vrees voor ’n plebeïscheaanval van ’n straatcrediteurtje, ’n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, ’n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars.” Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op ’t bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. „Op ’t bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe ’t bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie ’s middags thuis, dan werd ’t wéér brood en ’s avonds wéér brood, soms met ’n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie ’t gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging.” Ook Querido kreeg een baantje aan ’n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor „De Amsterdammer”. Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de „Controleur” en „De Kunstwereld”. En daarna …. redacteur van een tappersblaadje „Vergunningsrecht”! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.Gedichten.En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs—welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie—productie. Al vroeger had Querido onder ’t pseudoniemTheo Reeder„Gedichten” uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van deallerindividueelsteemotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de „Meditaties over literatuur en leven”, uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.Levensgang.Eindelijk is ’t ergste voorbij; de „Meditaties” trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan ’t woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. „Levensgang” wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde „uitbeelden de verdierlijking,de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij ’t begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot ’t idealistisch levenssentiment van den arme.”Tendenzwerk.Men ziet, in „Levensgang” is een socialistische strekking—Querido werd in 1897 lid van deS. D. A. P.—en toch is ’t geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van „Levensgang” spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: „tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn totlevendevormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook”, hij wil niet geven „aangekleedeprincipen, maarleven, schuchter, weifelend, juichend of weenendleven. … den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dusgeheel tot het levende leven behooren.” De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van ’t werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van ’t vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf „veel geleden heeft” is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien „hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in ’t leven.”Ziekte.Toen Querido ’t eerste deel van „Levensgang” geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannendwerken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: „Zegepraal”. Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, ’t geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor ’t niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige „Pijp” niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido’s energie had niet geleden: het tweede deel van „Levensgang” was spoedig geschreven.Beroemd als schrijver.In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido’s naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was ’t ook ’n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een „roman van ’t land.” Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstondMenschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van „Op de Hoogte”, medewerker aan „De Gids” en „Groot-Nederland”,„letterkundig Croniqueur” van „Land en Volk”, later van „Het Handelsblad”. De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido’s talent in zijn meesterwerk „De Jordaan”.Menschenwee.Menschenweeverplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van ’t leven der tuinders in ’t dorpjeWiereland, speciaal van één familie, de familieHassel:ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis:Dirk,PietenGuurten dan vooral de oudste, al getrouwd,Kees de Strooper.Ouë Gerrit.Ouë Gerritis in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.Slechte financiën.Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar …. ’t is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat ’n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in ’t spel, want de rente van ’t geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als ’t noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z’n woede-uitbarsting, alsnotarisBeemstrahem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.„Hoho! daa’s jokkes!” barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, „ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien …. hai waa’s d’r selfers main komme opzoeke!—Noü, noü dâ je ’t weute wil …. ik zeg moâr …. daa’s ’nkerel …. die help je nie van de wal in de sloot … die gaif je nie los geld niet sonder dâ …. dâ je ooit vraogt wort …. hoe of wâ van rinte …. moar oa’s je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil …. kraig je de raikening thuis …. juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ …. je da je …. niks hept!…. Nainet menair …. soo hew …. hew je d’r al veul van onster slag stroatarm maâkt …. jai gaif d’r losse …. duutjes …. mit vaif pèrsint …. Maàr soolang oploope …. tu je weut …. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord …. moar …. die kukkerint …. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou …. bai de boonestorm aa’s ’n engel! Enne wai …. wai kenne d’r van joù nie los …. wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai? jai haalt d’r ’t fel of ’r onster oore …. hoho! jai frai d’r de noagels van onster flees …. jullie bint bloedsuigers goàr, daa’s màin weut!”Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En ’t ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z’n hoop gevestigd was deden ’t goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al ’t gewas vernield,„vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien ’n paar honderd duizend halen.” ’t Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet ’t ook; nu is ’t tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.Kleptomanie.Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om ’t stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ookgebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en ’s nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. „Wà kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in … Wa genot! om te stikke!… Wâ spulle! Wâ’ kon die ’r mee doen …. Nee, toch niks doen d’r mee …. Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat ’t van sain was …. dat ie ’t kaapt had van andere …. andere …. kristis, wâ lol, wâ’ salig …. So maar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!…. ho …. ho …. Van g’n waif, van g’n man hield ie zoveul!…. Da gappe ….. puf!…. naar je toe …. En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder … En dan … aas de menschen je vrage en zegge …. Hai je al hoort?…. da’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine naam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self:…. en dan lol, brandend lollig van binne, dàa’ niemand je sien hep …. niemand, nooit niks!…. En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij ’t spreke der over …. en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,…. dà’ lait nou stikumpies op z’n rug, bai jou ….”Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familieBekkema, op villa Duinzicht. ’s Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had ’t toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, „dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken.” Wat had ie al meegepikt!Altijd loert deouërond, of er ook iets te gappen is. Allesis van z’n gading, vooral alles wat blinkt. „Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel uitgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter …. Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!” Dan ’t mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. „Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf had ie d’r rondgekuierd …. Dertien dingen meegepikt.” „Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, ’n nikkelen wekkertje, ’n mooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.”Ontdekking.Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij ’t hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograafVan Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk ƒ 86 uit een geldkistje en de lens van ’t fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. ’t Moest spaakloopen en ’t gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den bravenouëhalen, onder ’t geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar ’t hok gebracht.Vrouw Hassel.’t Gaat naar beneden met de familie Hassel.Vrouw Hasselis een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat ’t aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze ’t ontglippen en was er niets meer in ’t hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, eenscheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat ’t luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.De kinderen.DirkenPietzijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. „Stille zuipers”, zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie „twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf”, die een „meneer wou hebbe; ’n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande …. ’n faine hoed …. ’n faine jas”, die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: „Je foàder hep stole! jou foàder is d’r ’n laileke dief.” „D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen.”Kees de Strooper.Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z’n ziek jongetje, Wimpie. „Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger ….. Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd ’t manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch.”Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een„helhaak” van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral ’s winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z’n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, „iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien.”

Querido en zijn Menschenwee.Auto-didact. Jeugd.Queridois geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12ejaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo’n angst voor ’t vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder …. studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles „zelfonderricht.”Huwelijk.Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar …. bleef dat slechts kort.De zwarte tijd.De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien—als vele kunstenaars—geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn „Kunstenaarsleven.”Kunstenaarsleven.Kunstenaarslevenis voor een goed deel autobiografisch:Maurice FleuryisQuerido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen ’t leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na ’t bankroet. „’t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw.” „Bij iedere schel vrees voor ’n plebeïscheaanval van ’n straatcrediteurtje, ’n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, ’n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars.” Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op ’t bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. „Op ’t bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe ’t bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie ’s middags thuis, dan werd ’t wéér brood en ’s avonds wéér brood, soms met ’n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie ’t gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging.” Ook Querido kreeg een baantje aan ’n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor „De Amsterdammer”. Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de „Controleur” en „De Kunstwereld”. En daarna …. redacteur van een tappersblaadje „Vergunningsrecht”! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.Gedichten.En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs—welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie—productie. Al vroeger had Querido onder ’t pseudoniemTheo Reeder„Gedichten” uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van deallerindividueelsteemotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de „Meditaties over literatuur en leven”, uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.Levensgang.Eindelijk is ’t ergste voorbij; de „Meditaties” trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan ’t woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. „Levensgang” wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde „uitbeelden de verdierlijking,de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij ’t begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot ’t idealistisch levenssentiment van den arme.”Tendenzwerk.Men ziet, in „Levensgang” is een socialistische strekking—Querido werd in 1897 lid van deS. D. A. P.—en toch is ’t geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van „Levensgang” spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: „tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn totlevendevormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook”, hij wil niet geven „aangekleedeprincipen, maarleven, schuchter, weifelend, juichend of weenendleven. … den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dusgeheel tot het levende leven behooren.” De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van ’t werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van ’t vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf „veel geleden heeft” is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien „hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in ’t leven.”Ziekte.Toen Querido ’t eerste deel van „Levensgang” geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannendwerken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: „Zegepraal”. Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, ’t geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor ’t niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige „Pijp” niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido’s energie had niet geleden: het tweede deel van „Levensgang” was spoedig geschreven.Beroemd als schrijver.In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido’s naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was ’t ook ’n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een „roman van ’t land.” Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstondMenschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van „Op de Hoogte”, medewerker aan „De Gids” en „Groot-Nederland”,„letterkundig Croniqueur” van „Land en Volk”, later van „Het Handelsblad”. De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido’s talent in zijn meesterwerk „De Jordaan”.Menschenwee.Menschenweeverplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van ’t leven der tuinders in ’t dorpjeWiereland, speciaal van één familie, de familieHassel:ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis:Dirk,PietenGuurten dan vooral de oudste, al getrouwd,Kees de Strooper.Ouë Gerrit.Ouë Gerritis in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.Slechte financiën.Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar …. ’t is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat ’n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in ’t spel, want de rente van ’t geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als ’t noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z’n woede-uitbarsting, alsnotarisBeemstrahem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.„Hoho! daa’s jokkes!” barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, „ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien …. hai waa’s d’r selfers main komme opzoeke!—Noü, noü dâ je ’t weute wil …. ik zeg moâr …. daa’s ’nkerel …. die help je nie van de wal in de sloot … die gaif je nie los geld niet sonder dâ …. dâ je ooit vraogt wort …. hoe of wâ van rinte …. moar oa’s je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil …. kraig je de raikening thuis …. juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ …. je da je …. niks hept!…. Nainet menair …. soo hew …. hew je d’r al veul van onster slag stroatarm maâkt …. jai gaif d’r losse …. duutjes …. mit vaif pèrsint …. Maàr soolang oploope …. tu je weut …. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord …. moar …. die kukkerint …. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou …. bai de boonestorm aa’s ’n engel! Enne wai …. wai kenne d’r van joù nie los …. wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai? jai haalt d’r ’t fel of ’r onster oore …. hoho! jai frai d’r de noagels van onster flees …. jullie bint bloedsuigers goàr, daa’s màin weut!”Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En ’t ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z’n hoop gevestigd was deden ’t goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al ’t gewas vernield,„vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien ’n paar honderd duizend halen.” ’t Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet ’t ook; nu is ’t tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.Kleptomanie.Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om ’t stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ookgebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en ’s nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. „Wà kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in … Wa genot! om te stikke!… Wâ spulle! Wâ’ kon die ’r mee doen …. Nee, toch niks doen d’r mee …. Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat ’t van sain was …. dat ie ’t kaapt had van andere …. andere …. kristis, wâ lol, wâ’ salig …. So maar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!…. ho …. ho …. Van g’n waif, van g’n man hield ie zoveul!…. Da gappe ….. puf!…. naar je toe …. En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder … En dan … aas de menschen je vrage en zegge …. Hai je al hoort?…. da’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine naam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self:…. en dan lol, brandend lollig van binne, dàa’ niemand je sien hep …. niemand, nooit niks!…. En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij ’t spreke der over …. en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,…. dà’ lait nou stikumpies op z’n rug, bai jou ….”Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familieBekkema, op villa Duinzicht. ’s Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had ’t toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, „dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken.” Wat had ie al meegepikt!Altijd loert deouërond, of er ook iets te gappen is. Allesis van z’n gading, vooral alles wat blinkt. „Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel uitgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter …. Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!” Dan ’t mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. „Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf had ie d’r rondgekuierd …. Dertien dingen meegepikt.” „Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, ’n nikkelen wekkertje, ’n mooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.”Ontdekking.Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij ’t hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograafVan Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk ƒ 86 uit een geldkistje en de lens van ’t fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. ’t Moest spaakloopen en ’t gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den bravenouëhalen, onder ’t geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar ’t hok gebracht.Vrouw Hassel.’t Gaat naar beneden met de familie Hassel.Vrouw Hasselis een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat ’t aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze ’t ontglippen en was er niets meer in ’t hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, eenscheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat ’t luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.De kinderen.DirkenPietzijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. „Stille zuipers”, zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie „twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf”, die een „meneer wou hebbe; ’n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande …. ’n faine hoed …. ’n faine jas”, die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: „Je foàder hep stole! jou foàder is d’r ’n laileke dief.” „D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen.”Kees de Strooper.Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z’n ziek jongetje, Wimpie. „Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger ….. Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd ’t manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch.”Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een„helhaak” van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral ’s winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z’n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, „iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien.”

Querido en zijn Menschenwee.

Auto-didact. Jeugd.Queridois geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12ejaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo’n angst voor ’t vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder …. studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles „zelfonderricht.”Huwelijk.Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar …. bleef dat slechts kort.De zwarte tijd.De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien—als vele kunstenaars—geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn „Kunstenaarsleven.”Kunstenaarsleven.Kunstenaarslevenis voor een goed deel autobiografisch:Maurice FleuryisQuerido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen ’t leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na ’t bankroet. „’t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw.” „Bij iedere schel vrees voor ’n plebeïscheaanval van ’n straatcrediteurtje, ’n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, ’n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars.” Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op ’t bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. „Op ’t bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe ’t bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie ’s middags thuis, dan werd ’t wéér brood en ’s avonds wéér brood, soms met ’n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie ’t gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging.” Ook Querido kreeg een baantje aan ’n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor „De Amsterdammer”. Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de „Controleur” en „De Kunstwereld”. En daarna …. redacteur van een tappersblaadje „Vergunningsrecht”! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.Gedichten.En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs—welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie—productie. Al vroeger had Querido onder ’t pseudoniemTheo Reeder„Gedichten” uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van deallerindividueelsteemotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de „Meditaties over literatuur en leven”, uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.Levensgang.Eindelijk is ’t ergste voorbij; de „Meditaties” trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan ’t woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. „Levensgang” wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde „uitbeelden de verdierlijking,de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij ’t begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot ’t idealistisch levenssentiment van den arme.”Tendenzwerk.Men ziet, in „Levensgang” is een socialistische strekking—Querido werd in 1897 lid van deS. D. A. P.—en toch is ’t geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van „Levensgang” spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: „tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn totlevendevormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook”, hij wil niet geven „aangekleedeprincipen, maarleven, schuchter, weifelend, juichend of weenendleven. … den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dusgeheel tot het levende leven behooren.” De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van ’t werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van ’t vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf „veel geleden heeft” is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien „hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in ’t leven.”Ziekte.Toen Querido ’t eerste deel van „Levensgang” geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannendwerken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: „Zegepraal”. Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, ’t geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor ’t niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige „Pijp” niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido’s energie had niet geleden: het tweede deel van „Levensgang” was spoedig geschreven.Beroemd als schrijver.In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido’s naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was ’t ook ’n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een „roman van ’t land.” Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstondMenschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van „Op de Hoogte”, medewerker aan „De Gids” en „Groot-Nederland”,„letterkundig Croniqueur” van „Land en Volk”, later van „Het Handelsblad”. De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido’s talent in zijn meesterwerk „De Jordaan”.Menschenwee.Menschenweeverplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van ’t leven der tuinders in ’t dorpjeWiereland, speciaal van één familie, de familieHassel:ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis:Dirk,PietenGuurten dan vooral de oudste, al getrouwd,Kees de Strooper.Ouë Gerrit.Ouë Gerritis in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.Slechte financiën.Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar …. ’t is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat ’n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in ’t spel, want de rente van ’t geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als ’t noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z’n woede-uitbarsting, alsnotarisBeemstrahem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.„Hoho! daa’s jokkes!” barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, „ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien …. hai waa’s d’r selfers main komme opzoeke!—Noü, noü dâ je ’t weute wil …. ik zeg moâr …. daa’s ’nkerel …. die help je nie van de wal in de sloot … die gaif je nie los geld niet sonder dâ …. dâ je ooit vraogt wort …. hoe of wâ van rinte …. moar oa’s je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil …. kraig je de raikening thuis …. juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ …. je da je …. niks hept!…. Nainet menair …. soo hew …. hew je d’r al veul van onster slag stroatarm maâkt …. jai gaif d’r losse …. duutjes …. mit vaif pèrsint …. Maàr soolang oploope …. tu je weut …. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord …. moar …. die kukkerint …. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou …. bai de boonestorm aa’s ’n engel! Enne wai …. wai kenne d’r van joù nie los …. wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai? jai haalt d’r ’t fel of ’r onster oore …. hoho! jai frai d’r de noagels van onster flees …. jullie bint bloedsuigers goàr, daa’s màin weut!”Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En ’t ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z’n hoop gevestigd was deden ’t goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al ’t gewas vernield,„vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien ’n paar honderd duizend halen.” ’t Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet ’t ook; nu is ’t tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.Kleptomanie.Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om ’t stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ookgebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en ’s nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. „Wà kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in … Wa genot! om te stikke!… Wâ spulle! Wâ’ kon die ’r mee doen …. Nee, toch niks doen d’r mee …. Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat ’t van sain was …. dat ie ’t kaapt had van andere …. andere …. kristis, wâ lol, wâ’ salig …. So maar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!…. ho …. ho …. Van g’n waif, van g’n man hield ie zoveul!…. Da gappe ….. puf!…. naar je toe …. En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder … En dan … aas de menschen je vrage en zegge …. Hai je al hoort?…. da’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine naam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self:…. en dan lol, brandend lollig van binne, dàa’ niemand je sien hep …. niemand, nooit niks!…. En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij ’t spreke der over …. en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,…. dà’ lait nou stikumpies op z’n rug, bai jou ….”Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familieBekkema, op villa Duinzicht. ’s Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had ’t toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, „dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken.” Wat had ie al meegepikt!Altijd loert deouërond, of er ook iets te gappen is. Allesis van z’n gading, vooral alles wat blinkt. „Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel uitgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter …. Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!” Dan ’t mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. „Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf had ie d’r rondgekuierd …. Dertien dingen meegepikt.” „Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, ’n nikkelen wekkertje, ’n mooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.”Ontdekking.Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij ’t hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograafVan Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk ƒ 86 uit een geldkistje en de lens van ’t fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. ’t Moest spaakloopen en ’t gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den bravenouëhalen, onder ’t geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar ’t hok gebracht.Vrouw Hassel.’t Gaat naar beneden met de familie Hassel.Vrouw Hasselis een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat ’t aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze ’t ontglippen en was er niets meer in ’t hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, eenscheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat ’t luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.De kinderen.DirkenPietzijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. „Stille zuipers”, zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie „twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf”, die een „meneer wou hebbe; ’n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande …. ’n faine hoed …. ’n faine jas”, die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: „Je foàder hep stole! jou foàder is d’r ’n laileke dief.” „D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen.”Kees de Strooper.Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z’n ziek jongetje, Wimpie. „Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger ….. Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd ’t manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch.”Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een„helhaak” van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral ’s winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z’n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, „iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien.”

Auto-didact. Jeugd.Queridois geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12ejaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo’n angst voor ’t vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder …. studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles „zelfonderricht.”

Huwelijk.Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar …. bleef dat slechts kort.De zwarte tijd.De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien—als vele kunstenaars—geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn „Kunstenaarsleven.”

Kunstenaarsleven.Kunstenaarslevenis voor een goed deel autobiografisch:Maurice FleuryisQuerido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen ’t leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na ’t bankroet. „’t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw.” „Bij iedere schel vrees voor ’n plebeïscheaanval van ’n straatcrediteurtje, ’n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, ’n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars.” Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op ’t bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. „Op ’t bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe ’t bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie ’s middags thuis, dan werd ’t wéér brood en ’s avonds wéér brood, soms met ’n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie ’t gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging.” Ook Querido kreeg een baantje aan ’n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor „De Amsterdammer”. Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de „Controleur” en „De Kunstwereld”. En daarna …. redacteur van een tappersblaadje „Vergunningsrecht”! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.

Gedichten.En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs—welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie—productie. Al vroeger had Querido onder ’t pseudoniemTheo Reeder„Gedichten” uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van deallerindividueelsteemotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de „Meditaties over literatuur en leven”, uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.

Levensgang.Eindelijk is ’t ergste voorbij; de „Meditaties” trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan ’t woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. „Levensgang” wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde „uitbeelden de verdierlijking,de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij ’t begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot ’t idealistisch levenssentiment van den arme.”

Tendenzwerk.Men ziet, in „Levensgang” is een socialistische strekking—Querido werd in 1897 lid van deS. D. A. P.—en toch is ’t geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van „Levensgang” spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: „tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn totlevendevormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook”, hij wil niet geven „aangekleedeprincipen, maarleven, schuchter, weifelend, juichend of weenendleven. … den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dusgeheel tot het levende leven behooren.” De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van ’t werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van ’t vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf „veel geleden heeft” is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien „hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in ’t leven.”

Ziekte.Toen Querido ’t eerste deel van „Levensgang” geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannendwerken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: „Zegepraal”. Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, ’t geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor ’t niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige „Pijp” niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido’s energie had niet geleden: het tweede deel van „Levensgang” was spoedig geschreven.

Beroemd als schrijver.In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido’s naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was ’t ook ’n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een „roman van ’t land.” Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstondMenschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van „Op de Hoogte”, medewerker aan „De Gids” en „Groot-Nederland”,„letterkundig Croniqueur” van „Land en Volk”, later van „Het Handelsblad”. De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido’s talent in zijn meesterwerk „De Jordaan”.

Menschenwee.Menschenweeverplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van ’t leven der tuinders in ’t dorpjeWiereland, speciaal van één familie, de familieHassel:ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis:Dirk,PietenGuurten dan vooral de oudste, al getrouwd,Kees de Strooper.

Ouë Gerrit.Ouë Gerritis in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.

Slechte financiën.Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar …. ’t is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat ’n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in ’t spel, want de rente van ’t geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als ’t noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z’n woede-uitbarsting, alsnotarisBeemstrahem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.

„Hoho! daa’s jokkes!” barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, „ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien …. hai waa’s d’r selfers main komme opzoeke!—Noü, noü dâ je ’t weute wil …. ik zeg moâr …. daa’s ’nkerel …. die help je nie van de wal in de sloot … die gaif je nie los geld niet sonder dâ …. dâ je ooit vraogt wort …. hoe of wâ van rinte …. moar oa’s je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil …. kraig je de raikening thuis …. juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ …. je da je …. niks hept!…. Nainet menair …. soo hew …. hew je d’r al veul van onster slag stroatarm maâkt …. jai gaif d’r losse …. duutjes …. mit vaif pèrsint …. Maàr soolang oploope …. tu je weut …. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord …. moar …. die kukkerint …. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou …. bai de boonestorm aa’s ’n engel! Enne wai …. wai kenne d’r van joù nie los …. wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai? jai haalt d’r ’t fel of ’r onster oore …. hoho! jai frai d’r de noagels van onster flees …. jullie bint bloedsuigers goàr, daa’s màin weut!”

Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En ’t ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z’n hoop gevestigd was deden ’t goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al ’t gewas vernield,„vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien ’n paar honderd duizend halen.” ’t Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet ’t ook; nu is ’t tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.

Kleptomanie.Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om ’t stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ookgebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en ’s nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. „Wà kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in … Wa genot! om te stikke!… Wâ spulle! Wâ’ kon die ’r mee doen …. Nee, toch niks doen d’r mee …. Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat ’t van sain was …. dat ie ’t kaapt had van andere …. andere …. kristis, wâ lol, wâ’ salig …. So maar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!…. ho …. ho …. Van g’n waif, van g’n man hield ie zoveul!…. Da gappe ….. puf!…. naar je toe …. En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder … En dan … aas de menschen je vrage en zegge …. Hai je al hoort?…. da’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine naam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self:…. en dan lol, brandend lollig van binne, dàa’ niemand je sien hep …. niemand, nooit niks!…. En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij ’t spreke der over …. en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,…. dà’ lait nou stikumpies op z’n rug, bai jou ….”

Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familieBekkema, op villa Duinzicht. ’s Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had ’t toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, „dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken.” Wat had ie al meegepikt!

Altijd loert deouërond, of er ook iets te gappen is. Allesis van z’n gading, vooral alles wat blinkt. „Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel uitgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter …. Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!” Dan ’t mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. „Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf had ie d’r rondgekuierd …. Dertien dingen meegepikt.” „Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, ’n nikkelen wekkertje, ’n mooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes.”

Ontdekking.Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij ’t hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograafVan Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk ƒ 86 uit een geldkistje en de lens van ’t fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. ’t Moest spaakloopen en ’t gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den bravenouëhalen, onder ’t geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar ’t hok gebracht.

Vrouw Hassel.’t Gaat naar beneden met de familie Hassel.Vrouw Hasselis een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat ’t aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze ’t ontglippen en was er niets meer in ’t hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, eenscheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat ’t luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.

De kinderen.DirkenPietzijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. „Stille zuipers”, zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie „twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf”, die een „meneer wou hebbe; ’n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande …. ’n faine hoed …. ’n faine jas”, die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: „Je foàder hep stole! jou foàder is d’r ’n laileke dief.” „D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen.”

Kees de Strooper.Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon,Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z’n ziek jongetje, Wimpie. „Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger ….. Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd ’t manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch.”

Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een„helhaak” van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral ’s winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z’n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, „iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien.”


Back to IndexNext