De Spaansche Brabander.

De Spaansche Brabander.Doel.In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegtBrederodat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren,maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”HetdoelvanBrederois dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,En niet om dien wegh in te slaan.”Hekeling der oplichters.’tHoofddoelwas in zijn blijspel te hekelende oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarinJan Knolzijn hart uitstort.„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”En verder:Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.Jerolimo als oplichter.Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend inJerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komthij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden;Jaspertapijten en goudleer; de schilderOtjezendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurmanJoostzilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurtGierighe Geraerthem een huis, en ook aan de slimmeByateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.’t Wijzen op andere verkeerde toestanden.Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. InGeeraerthekelt hij de dwaze gierigheid,Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t syoudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje:Doetet u seer, wachtet u meer.”Geen satire op Rodenburg.Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstanderTheodoor Rodenburgheeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.Tijd waarin ’t stuk speelt.Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levendesoude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lustMet haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”en klaagt hij„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hijb.v.Tryn SnapsaanJut Jansvragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.Bespreking der verschillende personen.Jerolimo.De twee hoofdpersonen,JerolimoenRobbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,Dament niet gheseggen en kan.”Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier vanoptredenen zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft.En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.Robbeknol.Robbeknolvormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.Geeraert.Geeraertis het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt metHoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrekWillem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.Byateris.Byaterisstaat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur alsReymin denWarenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.Notaris en Schout.Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfigurenb.v.denotarisen deschout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.Bijpersonen.Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoob.v.de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.Geen eenheid.Eenheidis er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist indeze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.Ontstaan.Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongenLazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspelJerolimo, de bedeljongenRobbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.

De Spaansche Brabander.Doel.In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegtBrederodat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren,maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”HetdoelvanBrederois dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,En niet om dien wegh in te slaan.”Hekeling der oplichters.’tHoofddoelwas in zijn blijspel te hekelende oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarinJan Knolzijn hart uitstort.„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”En verder:Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.Jerolimo als oplichter.Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend inJerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komthij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden;Jaspertapijten en goudleer; de schilderOtjezendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurmanJoostzilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurtGierighe Geraerthem een huis, en ook aan de slimmeByateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.’t Wijzen op andere verkeerde toestanden.Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. InGeeraerthekelt hij de dwaze gierigheid,Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t syoudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje:Doetet u seer, wachtet u meer.”Geen satire op Rodenburg.Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstanderTheodoor Rodenburgheeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.Tijd waarin ’t stuk speelt.Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levendesoude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lustMet haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”en klaagt hij„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hijb.v.Tryn SnapsaanJut Jansvragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.Bespreking der verschillende personen.Jerolimo.De twee hoofdpersonen,JerolimoenRobbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,Dament niet gheseggen en kan.”Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier vanoptredenen zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft.En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.Robbeknol.Robbeknolvormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.Geeraert.Geeraertis het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt metHoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrekWillem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.Byateris.Byaterisstaat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur alsReymin denWarenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.Notaris en Schout.Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfigurenb.v.denotarisen deschout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.Bijpersonen.Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoob.v.de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.Geen eenheid.Eenheidis er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist indeze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.Ontstaan.Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongenLazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspelJerolimo, de bedeljongenRobbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.

De Spaansche Brabander.Doel.In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegtBrederodat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren,maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”HetdoelvanBrederois dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,En niet om dien wegh in te slaan.”Hekeling der oplichters.’tHoofddoelwas in zijn blijspel te hekelende oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarinJan Knolzijn hart uitstort.„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”En verder:Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.Jerolimo als oplichter.Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend inJerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komthij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden;Jaspertapijten en goudleer; de schilderOtjezendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurmanJoostzilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurtGierighe Geraerthem een huis, en ook aan de slimmeByateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.’t Wijzen op andere verkeerde toestanden.Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. InGeeraerthekelt hij de dwaze gierigheid,Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t syoudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje:Doetet u seer, wachtet u meer.”Geen satire op Rodenburg.Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstanderTheodoor Rodenburgheeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.Tijd waarin ’t stuk speelt.Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levendesoude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lustMet haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”en klaagt hij„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hijb.v.Tryn SnapsaanJut Jansvragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.Bespreking der verschillende personen.Jerolimo.De twee hoofdpersonen,JerolimoenRobbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,Dament niet gheseggen en kan.”Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier vanoptredenen zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft.En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.Robbeknol.Robbeknolvormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.Geeraert.Geeraertis het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt metHoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrekWillem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.Byateris.Byaterisstaat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur alsReymin denWarenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.Notaris en Schout.Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfigurenb.v.denotarisen deschout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.Bijpersonen.Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoob.v.de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.Geen eenheid.Eenheidis er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist indeze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.Ontstaan.Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongenLazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspelJerolimo, de bedeljongenRobbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.

De Spaansche Brabander.

Doel.In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegtBrederodat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren,maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”HetdoelvanBrederois dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,En niet om dien wegh in te slaan.”Hekeling der oplichters.’tHoofddoelwas in zijn blijspel te hekelende oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarinJan Knolzijn hart uitstort.„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”En verder:Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.Jerolimo als oplichter.Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend inJerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komthij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden;Jaspertapijten en goudleer; de schilderOtjezendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurmanJoostzilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurtGierighe Geraerthem een huis, en ook aan de slimmeByateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.’t Wijzen op andere verkeerde toestanden.Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. InGeeraerthekelt hij de dwaze gierigheid,Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t syoudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje:Doetet u seer, wachtet u meer.”Geen satire op Rodenburg.Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstanderTheodoor Rodenburgheeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.Tijd waarin ’t stuk speelt.Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levendesoude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lustMet haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”en klaagt hij„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hijb.v.Tryn SnapsaanJut Jansvragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.Bespreking der verschillende personen.Jerolimo.De twee hoofdpersonen,JerolimoenRobbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,Dament niet gheseggen en kan.”Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier vanoptredenen zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft.En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.Robbeknol.Robbeknolvormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.Geeraert.Geeraertis het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt metHoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrekWillem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.Byateris.Byaterisstaat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur alsReymin denWarenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.Notaris en Schout.Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfigurenb.v.denotarisen deschout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.Bijpersonen.Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoob.v.de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.Geen eenheid.Eenheidis er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist indeze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.Ontstaan.Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongenLazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspelJerolimo, de bedeljongenRobbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.

Doel.In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegtBrederodat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren,maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”

HetdoelvanBrederois dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.

Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:

„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,En niet om dien wegh in te slaan.”

„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,

Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.

Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,

En niet om dien wegh in te slaan.”

Hekeling der oplichters.’tHoofddoelwas in zijn blijspel te hekelende oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”

Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarinJan Knolzijn hart uitstort.

„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”

„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,

Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,

En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.

Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,

En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”

En verder:

Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”

Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,

Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,

Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”

Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.

Jerolimo als oplichter.Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend inJerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komthij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.

Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden;Jaspertapijten en goudleer; de schilderOtjezendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurmanJoostzilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurtGierighe Geraerthem een huis, en ook aan de slimmeByateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.

’t Wijzen op andere verkeerde toestanden.Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. InGeeraerthekelt hij de dwaze gierigheid,Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t syoudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!

Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.

„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”

„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,

Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”

Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje:Doetet u seer, wachtet u meer.”

Geen satire op Rodenburg.Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstanderTheodoor Rodenburgheeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.

Tijd waarin ’t stuk speelt.Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levendesoude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over

„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lustMet haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”

„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lust

Met haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,

Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”

en klaagt hij

„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”

„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,

Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”

Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hijb.v.Tryn SnapsaanJut Jansvragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.

Bespreking der verschillende personen.

Jerolimo.De twee hoofdpersonen,JerolimoenRobbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!

„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,Dament niet gheseggen en kan.”

„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,

Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,

Dament niet gheseggen en kan.”

Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier vanoptredenen zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft.En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.

Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.

Robbeknol.Robbeknolvormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.

Geeraert.Geeraertis het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt metHoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrekWillem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.

Byateris.Byaterisstaat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur alsReymin denWarenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.

Notaris en Schout.Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfigurenb.v.denotarisen deschout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.

Bijpersonen.Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoob.v.de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.

Geen eenheid.Eenheidis er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist indeze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.

Ontstaan.Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongenLazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspelJerolimo, de bedeljongenRobbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.


Back to IndexNext