Huygens en zijn Zeestraet.

Huygens en zijn Zeestraet.Ontstaan van het gedicht.Huygens zag ’t groote gewicht in van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een heelen tijd door ’t zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener zijn voor beide plaatsen: „een eewigh man, diens salighe gedencken, Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken.” Huygens wilde zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653 ’t plan voor een „steenweg op Schevening”, waarin hij uitvoerig ’t voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij ’t middel aan dehand om de kosten te dekken: ’t instellen van een tol op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van ’t benoodigde kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304–306):„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor ’t kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens, die toen in Parijs was, geschreven aande Veer, baljuw van Den Haag, waarino.a.deze zinsnede voorkomt: …. „dat mij Luyden van conditie, van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt.”Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw, dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom niet aan den magistraat, want: „Geen dingh en werdt verkracht; daer hoort wat rijpens toe.”Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand meerderen ’t gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in 1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige toelichting in de Pantheon-uitgave vanSchuilingblz. 82–86 en de Zeestraet vers 35–42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens indertijd een plan had ontworpen, en dit „bewerp” wilde men graag inzien. ’t Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369–390 en den brief van Huygens aande Veer).’t Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in 1665 naar Den Haag terugkeerde, was ’t werk al voltooid. Huygens was opgetogen:„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?O edel onderwint, o eer van stadt en staet,Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van ’t werk, dat zijn „Geboort-stadt niewen glans” verleende, werd bezongen. Zoo ontstond dan in 1667 „de Zeestraet.”Overzicht.Bij ’t bestudeeren van Huygens’ werken is ’t zeer wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een eigenlijk „verhaal” geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo’n schema opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een overzicht maken.Eigenschappen van Huygens als dichter.Contact met de lezers.I.Huygens is in voortdurend contact met de lezers, ’t is net of hij met ons zit te praten.Deze eigenschap heeft hij metStaringgemeen, die ook voortdurend op zijn „keuvelstoel” zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653, maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft, en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed, maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door, dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijkeb.v.vers 277, waar Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goedeDaer viel geen houden aen: als ’t hert van onderenAen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:Genegenheit slaet door.”Zoo ook in vers 959–961:„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”Verstandspoëzie.II.Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens’ werk geen echte poëzie is, zooals ’t beste van Vondelb.v., maar meer redeneeren in versmaat.Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. „Daer zijn dichters”—zegt hij—„die selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte gesteken hebben.”Haer dicht behoefte wat vertolcks!dát is dus ’t criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig, gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen vatten van de „soete wijsheid” die er in neergelegd is. Deze zelfde gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogenVan syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,Het hadd in ’t witt gestaen.”Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen „waarachtige uitstortinge des gemoeds.” Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten kon schrijven: „Sy dunckenmy oneenparighende haer selven hier ende daer beschamende.” Verlaat Huygens een enkelen keer ’t gewone pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester, dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in ’t Costelijk Mall (vers 323–324):„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).„….. een grijze DutterMet de schenen voor de vlam,Met de tanden in de butter,In de beulingh, in de hamIn de Nieuwe-jaersche weggen.”Duisterheid.III.Huygens’ gedichten zijn gewrongen, duister.Dit is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig, ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een goede eigenschap:pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats soms is, wordt Huygens nooit.Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking werd al dadelijk na ’t verschijnen van Huygens’ eerste gedichten geklaagd, zoodatCatsden jongen dichter zelfs heeft moeten verdedigen.Westerbaen, die Huygens’ werk hoog stelde, zegt heel juist: „Huygens gedichten vereischen een man, dien ’t niet en moet verdrieten dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hij in ’t eerst nog niet gemerckt en had.”Woord- en klankspelingen.IV.Kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.Ook dat vloeit weer voort uit Huygens’ opvatting van de poëzie, al die kunstjes verhoogden de waardevan een gedicht, ze gaven immers bewijs van ’t vernuft van den schrijver, ze maakten ’t geheel nog lastiger te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den auteur geheel te kunnen vatten. Zoo’n woordspeling maakt herkauwen vaak noodzakelijk. Leest menb.v.de twee regels (vers 191–192).„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”dan zijn juist de woordenbegaenenbestaen, die beide twee verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de bedoeling van den „dichter” niet dadelijk begrijpt. Maar dat is, van Huygens’ standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte poëzie. Ditzelfde geldt voor ’t spelen met klanken, zooals dadelijk in ’t begin al:Wer(r)reld,werren,gewerr,ontwerren,werregaren,twernen. Zoo zijn er weer massa’s voorbeelden. Allemaal bewijzen van vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd), maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerijb.v.vers 620:„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”Soms klankvolle verzen.V.Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven.Zoob.v.vers 442 en vlg.„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hoorenWat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”of vers 121 en vlg:Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden gevenAls ’t nu gegeven werdt?Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die nietszijn dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,b.v.vers 651:„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)Zoo ook regel 698–700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de woorden dikwijls veranderd is.Satiriek.VI.Huygens’ werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken worden door hem gehekeld.Het „Costelick Mall” is een doorloopende bespotting van de „kostbare malligheid”, de mode. Deze dwaasheid wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld, er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554–718) en in een ander gedeelte (361–368) wordt ’t zelfde thema aangeroerd. Maar ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten invloed van kaartspelen om grof geld (884–942), over ’t verspillen van den kostbaren tijd (843–882), over ’t onzinnige om de meisjes in zee te dragen (603–618), over ’t doellooze flaneeren van de jongelui in ’t Voorhout (531–541).Autobiografisch.VII.Heel kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t autobiografische: hij heeft ’t heel vaak over zich-zelf. In de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: ’t is in hoofdzaak een beschrijving vanzijnstraatweg, doorvlochten met allerlei mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van Frederik Hendrik en Willem II (28–33), zijn verhouding tot Willem III (34–35), zijn pogingen om ’t prinsdom Oranje terug te krijgen (35–42), de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47–52), zijn liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94–95), de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn (169–184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde voorgoede boeken (225–277) en vooral zijn geloof. Huygens is een oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt hem de „opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen.” Sommige van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën,b.v.:Dagh-werck,Cluys-wercken voor een goed deelHof-wijck.Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.

Huygens en zijn Zeestraet.Ontstaan van het gedicht.Huygens zag ’t groote gewicht in van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een heelen tijd door ’t zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener zijn voor beide plaatsen: „een eewigh man, diens salighe gedencken, Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken.” Huygens wilde zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653 ’t plan voor een „steenweg op Schevening”, waarin hij uitvoerig ’t voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij ’t middel aan dehand om de kosten te dekken: ’t instellen van een tol op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van ’t benoodigde kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304–306):„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor ’t kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens, die toen in Parijs was, geschreven aande Veer, baljuw van Den Haag, waarino.a.deze zinsnede voorkomt: …. „dat mij Luyden van conditie, van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt.”Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw, dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom niet aan den magistraat, want: „Geen dingh en werdt verkracht; daer hoort wat rijpens toe.”Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand meerderen ’t gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in 1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige toelichting in de Pantheon-uitgave vanSchuilingblz. 82–86 en de Zeestraet vers 35–42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens indertijd een plan had ontworpen, en dit „bewerp” wilde men graag inzien. ’t Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369–390 en den brief van Huygens aande Veer).’t Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in 1665 naar Den Haag terugkeerde, was ’t werk al voltooid. Huygens was opgetogen:„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?O edel onderwint, o eer van stadt en staet,Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van ’t werk, dat zijn „Geboort-stadt niewen glans” verleende, werd bezongen. Zoo ontstond dan in 1667 „de Zeestraet.”Overzicht.Bij ’t bestudeeren van Huygens’ werken is ’t zeer wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een eigenlijk „verhaal” geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo’n schema opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een overzicht maken.Eigenschappen van Huygens als dichter.Contact met de lezers.I.Huygens is in voortdurend contact met de lezers, ’t is net of hij met ons zit te praten.Deze eigenschap heeft hij metStaringgemeen, die ook voortdurend op zijn „keuvelstoel” zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653, maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft, en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed, maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door, dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijkeb.v.vers 277, waar Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goedeDaer viel geen houden aen: als ’t hert van onderenAen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:Genegenheit slaet door.”Zoo ook in vers 959–961:„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”Verstandspoëzie.II.Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens’ werk geen echte poëzie is, zooals ’t beste van Vondelb.v., maar meer redeneeren in versmaat.Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. „Daer zijn dichters”—zegt hij—„die selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte gesteken hebben.”Haer dicht behoefte wat vertolcks!dát is dus ’t criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig, gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen vatten van de „soete wijsheid” die er in neergelegd is. Deze zelfde gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogenVan syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,Het hadd in ’t witt gestaen.”Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen „waarachtige uitstortinge des gemoeds.” Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten kon schrijven: „Sy dunckenmy oneenparighende haer selven hier ende daer beschamende.” Verlaat Huygens een enkelen keer ’t gewone pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester, dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in ’t Costelijk Mall (vers 323–324):„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).„….. een grijze DutterMet de schenen voor de vlam,Met de tanden in de butter,In de beulingh, in de hamIn de Nieuwe-jaersche weggen.”Duisterheid.III.Huygens’ gedichten zijn gewrongen, duister.Dit is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig, ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een goede eigenschap:pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats soms is, wordt Huygens nooit.Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking werd al dadelijk na ’t verschijnen van Huygens’ eerste gedichten geklaagd, zoodatCatsden jongen dichter zelfs heeft moeten verdedigen.Westerbaen, die Huygens’ werk hoog stelde, zegt heel juist: „Huygens gedichten vereischen een man, dien ’t niet en moet verdrieten dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hij in ’t eerst nog niet gemerckt en had.”Woord- en klankspelingen.IV.Kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.Ook dat vloeit weer voort uit Huygens’ opvatting van de poëzie, al die kunstjes verhoogden de waardevan een gedicht, ze gaven immers bewijs van ’t vernuft van den schrijver, ze maakten ’t geheel nog lastiger te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den auteur geheel te kunnen vatten. Zoo’n woordspeling maakt herkauwen vaak noodzakelijk. Leest menb.v.de twee regels (vers 191–192).„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”dan zijn juist de woordenbegaenenbestaen, die beide twee verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de bedoeling van den „dichter” niet dadelijk begrijpt. Maar dat is, van Huygens’ standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte poëzie. Ditzelfde geldt voor ’t spelen met klanken, zooals dadelijk in ’t begin al:Wer(r)reld,werren,gewerr,ontwerren,werregaren,twernen. Zoo zijn er weer massa’s voorbeelden. Allemaal bewijzen van vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd), maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerijb.v.vers 620:„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”Soms klankvolle verzen.V.Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven.Zoob.v.vers 442 en vlg.„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hoorenWat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”of vers 121 en vlg:Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden gevenAls ’t nu gegeven werdt?Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die nietszijn dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,b.v.vers 651:„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)Zoo ook regel 698–700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de woorden dikwijls veranderd is.Satiriek.VI.Huygens’ werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken worden door hem gehekeld.Het „Costelick Mall” is een doorloopende bespotting van de „kostbare malligheid”, de mode. Deze dwaasheid wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld, er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554–718) en in een ander gedeelte (361–368) wordt ’t zelfde thema aangeroerd. Maar ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten invloed van kaartspelen om grof geld (884–942), over ’t verspillen van den kostbaren tijd (843–882), over ’t onzinnige om de meisjes in zee te dragen (603–618), over ’t doellooze flaneeren van de jongelui in ’t Voorhout (531–541).Autobiografisch.VII.Heel kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t autobiografische: hij heeft ’t heel vaak over zich-zelf. In de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: ’t is in hoofdzaak een beschrijving vanzijnstraatweg, doorvlochten met allerlei mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van Frederik Hendrik en Willem II (28–33), zijn verhouding tot Willem III (34–35), zijn pogingen om ’t prinsdom Oranje terug te krijgen (35–42), de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47–52), zijn liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94–95), de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn (169–184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde voorgoede boeken (225–277) en vooral zijn geloof. Huygens is een oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt hem de „opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen.” Sommige van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën,b.v.:Dagh-werck,Cluys-wercken voor een goed deelHof-wijck.Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.

Huygens en zijn Zeestraet.Ontstaan van het gedicht.Huygens zag ’t groote gewicht in van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een heelen tijd door ’t zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener zijn voor beide plaatsen: „een eewigh man, diens salighe gedencken, Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken.” Huygens wilde zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653 ’t plan voor een „steenweg op Schevening”, waarin hij uitvoerig ’t voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij ’t middel aan dehand om de kosten te dekken: ’t instellen van een tol op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van ’t benoodigde kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304–306):„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor ’t kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens, die toen in Parijs was, geschreven aande Veer, baljuw van Den Haag, waarino.a.deze zinsnede voorkomt: …. „dat mij Luyden van conditie, van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt.”Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw, dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom niet aan den magistraat, want: „Geen dingh en werdt verkracht; daer hoort wat rijpens toe.”Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand meerderen ’t gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in 1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige toelichting in de Pantheon-uitgave vanSchuilingblz. 82–86 en de Zeestraet vers 35–42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens indertijd een plan had ontworpen, en dit „bewerp” wilde men graag inzien. ’t Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369–390 en den brief van Huygens aande Veer).’t Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in 1665 naar Den Haag terugkeerde, was ’t werk al voltooid. Huygens was opgetogen:„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?O edel onderwint, o eer van stadt en staet,Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van ’t werk, dat zijn „Geboort-stadt niewen glans” verleende, werd bezongen. Zoo ontstond dan in 1667 „de Zeestraet.”Overzicht.Bij ’t bestudeeren van Huygens’ werken is ’t zeer wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een eigenlijk „verhaal” geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo’n schema opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een overzicht maken.Eigenschappen van Huygens als dichter.Contact met de lezers.I.Huygens is in voortdurend contact met de lezers, ’t is net of hij met ons zit te praten.Deze eigenschap heeft hij metStaringgemeen, die ook voortdurend op zijn „keuvelstoel” zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653, maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft, en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed, maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door, dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijkeb.v.vers 277, waar Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goedeDaer viel geen houden aen: als ’t hert van onderenAen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:Genegenheit slaet door.”Zoo ook in vers 959–961:„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”Verstandspoëzie.II.Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens’ werk geen echte poëzie is, zooals ’t beste van Vondelb.v., maar meer redeneeren in versmaat.Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. „Daer zijn dichters”—zegt hij—„die selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte gesteken hebben.”Haer dicht behoefte wat vertolcks!dát is dus ’t criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig, gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen vatten van de „soete wijsheid” die er in neergelegd is. Deze zelfde gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogenVan syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,Het hadd in ’t witt gestaen.”Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen „waarachtige uitstortinge des gemoeds.” Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten kon schrijven: „Sy dunckenmy oneenparighende haer selven hier ende daer beschamende.” Verlaat Huygens een enkelen keer ’t gewone pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester, dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in ’t Costelijk Mall (vers 323–324):„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).„….. een grijze DutterMet de schenen voor de vlam,Met de tanden in de butter,In de beulingh, in de hamIn de Nieuwe-jaersche weggen.”Duisterheid.III.Huygens’ gedichten zijn gewrongen, duister.Dit is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig, ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een goede eigenschap:pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats soms is, wordt Huygens nooit.Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking werd al dadelijk na ’t verschijnen van Huygens’ eerste gedichten geklaagd, zoodatCatsden jongen dichter zelfs heeft moeten verdedigen.Westerbaen, die Huygens’ werk hoog stelde, zegt heel juist: „Huygens gedichten vereischen een man, dien ’t niet en moet verdrieten dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hij in ’t eerst nog niet gemerckt en had.”Woord- en klankspelingen.IV.Kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.Ook dat vloeit weer voort uit Huygens’ opvatting van de poëzie, al die kunstjes verhoogden de waardevan een gedicht, ze gaven immers bewijs van ’t vernuft van den schrijver, ze maakten ’t geheel nog lastiger te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den auteur geheel te kunnen vatten. Zoo’n woordspeling maakt herkauwen vaak noodzakelijk. Leest menb.v.de twee regels (vers 191–192).„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”dan zijn juist de woordenbegaenenbestaen, die beide twee verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de bedoeling van den „dichter” niet dadelijk begrijpt. Maar dat is, van Huygens’ standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte poëzie. Ditzelfde geldt voor ’t spelen met klanken, zooals dadelijk in ’t begin al:Wer(r)reld,werren,gewerr,ontwerren,werregaren,twernen. Zoo zijn er weer massa’s voorbeelden. Allemaal bewijzen van vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd), maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerijb.v.vers 620:„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”Soms klankvolle verzen.V.Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven.Zoob.v.vers 442 en vlg.„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hoorenWat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”of vers 121 en vlg:Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden gevenAls ’t nu gegeven werdt?Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die nietszijn dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,b.v.vers 651:„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)Zoo ook regel 698–700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de woorden dikwijls veranderd is.Satiriek.VI.Huygens’ werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken worden door hem gehekeld.Het „Costelick Mall” is een doorloopende bespotting van de „kostbare malligheid”, de mode. Deze dwaasheid wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld, er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554–718) en in een ander gedeelte (361–368) wordt ’t zelfde thema aangeroerd. Maar ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten invloed van kaartspelen om grof geld (884–942), over ’t verspillen van den kostbaren tijd (843–882), over ’t onzinnige om de meisjes in zee te dragen (603–618), over ’t doellooze flaneeren van de jongelui in ’t Voorhout (531–541).Autobiografisch.VII.Heel kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t autobiografische: hij heeft ’t heel vaak over zich-zelf. In de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: ’t is in hoofdzaak een beschrijving vanzijnstraatweg, doorvlochten met allerlei mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van Frederik Hendrik en Willem II (28–33), zijn verhouding tot Willem III (34–35), zijn pogingen om ’t prinsdom Oranje terug te krijgen (35–42), de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47–52), zijn liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94–95), de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn (169–184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde voorgoede boeken (225–277) en vooral zijn geloof. Huygens is een oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt hem de „opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen.” Sommige van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën,b.v.:Dagh-werck,Cluys-wercken voor een goed deelHof-wijck.Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.

Huygens en zijn Zeestraet.

Ontstaan van het gedicht.Huygens zag ’t groote gewicht in van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een heelen tijd door ’t zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener zijn voor beide plaatsen: „een eewigh man, diens salighe gedencken, Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken.” Huygens wilde zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653 ’t plan voor een „steenweg op Schevening”, waarin hij uitvoerig ’t voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij ’t middel aan dehand om de kosten te dekken: ’t instellen van een tol op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van ’t benoodigde kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304–306):„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor ’t kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens, die toen in Parijs was, geschreven aande Veer, baljuw van Den Haag, waarino.a.deze zinsnede voorkomt: …. „dat mij Luyden van conditie, van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt.”Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw, dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom niet aan den magistraat, want: „Geen dingh en werdt verkracht; daer hoort wat rijpens toe.”Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand meerderen ’t gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in 1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige toelichting in de Pantheon-uitgave vanSchuilingblz. 82–86 en de Zeestraet vers 35–42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens indertijd een plan had ontworpen, en dit „bewerp” wilde men graag inzien. ’t Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369–390 en den brief van Huygens aande Veer).’t Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in 1665 naar Den Haag terugkeerde, was ’t werk al voltooid. Huygens was opgetogen:„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?O edel onderwint, o eer van stadt en staet,Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van ’t werk, dat zijn „Geboort-stadt niewen glans” verleende, werd bezongen. Zoo ontstond dan in 1667 „de Zeestraet.”Overzicht.Bij ’t bestudeeren van Huygens’ werken is ’t zeer wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een eigenlijk „verhaal” geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo’n schema opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een overzicht maken.Eigenschappen van Huygens als dichter.Contact met de lezers.I.Huygens is in voortdurend contact met de lezers, ’t is net of hij met ons zit te praten.Deze eigenschap heeft hij metStaringgemeen, die ook voortdurend op zijn „keuvelstoel” zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653, maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft, en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed, maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door, dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijkeb.v.vers 277, waar Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goedeDaer viel geen houden aen: als ’t hert van onderenAen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:Genegenheit slaet door.”Zoo ook in vers 959–961:„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”Verstandspoëzie.II.Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens’ werk geen echte poëzie is, zooals ’t beste van Vondelb.v., maar meer redeneeren in versmaat.Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. „Daer zijn dichters”—zegt hij—„die selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte gesteken hebben.”Haer dicht behoefte wat vertolcks!dát is dus ’t criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig, gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen vatten van de „soete wijsheid” die er in neergelegd is. Deze zelfde gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogenVan syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,Het hadd in ’t witt gestaen.”Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen „waarachtige uitstortinge des gemoeds.” Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten kon schrijven: „Sy dunckenmy oneenparighende haer selven hier ende daer beschamende.” Verlaat Huygens een enkelen keer ’t gewone pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester, dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in ’t Costelijk Mall (vers 323–324):„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).„….. een grijze DutterMet de schenen voor de vlam,Met de tanden in de butter,In de beulingh, in de hamIn de Nieuwe-jaersche weggen.”Duisterheid.III.Huygens’ gedichten zijn gewrongen, duister.Dit is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig, ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een goede eigenschap:pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats soms is, wordt Huygens nooit.Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking werd al dadelijk na ’t verschijnen van Huygens’ eerste gedichten geklaagd, zoodatCatsden jongen dichter zelfs heeft moeten verdedigen.Westerbaen, die Huygens’ werk hoog stelde, zegt heel juist: „Huygens gedichten vereischen een man, dien ’t niet en moet verdrieten dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hij in ’t eerst nog niet gemerckt en had.”Woord- en klankspelingen.IV.Kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.Ook dat vloeit weer voort uit Huygens’ opvatting van de poëzie, al die kunstjes verhoogden de waardevan een gedicht, ze gaven immers bewijs van ’t vernuft van den schrijver, ze maakten ’t geheel nog lastiger te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den auteur geheel te kunnen vatten. Zoo’n woordspeling maakt herkauwen vaak noodzakelijk. Leest menb.v.de twee regels (vers 191–192).„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”dan zijn juist de woordenbegaenenbestaen, die beide twee verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de bedoeling van den „dichter” niet dadelijk begrijpt. Maar dat is, van Huygens’ standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte poëzie. Ditzelfde geldt voor ’t spelen met klanken, zooals dadelijk in ’t begin al:Wer(r)reld,werren,gewerr,ontwerren,werregaren,twernen. Zoo zijn er weer massa’s voorbeelden. Allemaal bewijzen van vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd), maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerijb.v.vers 620:„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”Soms klankvolle verzen.V.Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven.Zoob.v.vers 442 en vlg.„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hoorenWat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”of vers 121 en vlg:Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden gevenAls ’t nu gegeven werdt?Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die nietszijn dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,b.v.vers 651:„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)Zoo ook regel 698–700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de woorden dikwijls veranderd is.Satiriek.VI.Huygens’ werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken worden door hem gehekeld.Het „Costelick Mall” is een doorloopende bespotting van de „kostbare malligheid”, de mode. Deze dwaasheid wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld, er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554–718) en in een ander gedeelte (361–368) wordt ’t zelfde thema aangeroerd. Maar ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten invloed van kaartspelen om grof geld (884–942), over ’t verspillen van den kostbaren tijd (843–882), over ’t onzinnige om de meisjes in zee te dragen (603–618), over ’t doellooze flaneeren van de jongelui in ’t Voorhout (531–541).Autobiografisch.VII.Heel kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t autobiografische: hij heeft ’t heel vaak over zich-zelf. In de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: ’t is in hoofdzaak een beschrijving vanzijnstraatweg, doorvlochten met allerlei mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van Frederik Hendrik en Willem II (28–33), zijn verhouding tot Willem III (34–35), zijn pogingen om ’t prinsdom Oranje terug te krijgen (35–42), de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47–52), zijn liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94–95), de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn (169–184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde voorgoede boeken (225–277) en vooral zijn geloof. Huygens is een oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt hem de „opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen.” Sommige van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën,b.v.:Dagh-werck,Cluys-wercken voor een goed deelHof-wijck.Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.

Ontstaan van het gedicht.Huygens zag ’t groote gewicht in van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een heelen tijd door ’t zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener zijn voor beide plaatsen: „een eewigh man, diens salighe gedencken, Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken.” Huygens wilde zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653 ’t plan voor een „steenweg op Schevening”, waarin hij uitvoerig ’t voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij ’t middel aan dehand om de kosten te dekken: ’t instellen van een tol op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van ’t benoodigde kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304–306):

„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”

„Soo geen’ Bors op en wou, men socht het inde mijn’,

Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,

En doen mij schad’ ontgaen, en noch wat oversparen.”

Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor ’t kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens, die toen in Parijs was, geschreven aande Veer, baljuw van Den Haag, waarino.a.deze zinsnede voorkomt: …. „dat mij Luyden van conditie, van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt.”

Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw, dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom niet aan den magistraat, want: „Geen dingh en werdt verkracht; daer hoort wat rijpens toe.”

Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand meerderen ’t gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in 1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige toelichting in de Pantheon-uitgave vanSchuilingblz. 82–86 en de Zeestraet vers 35–42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens indertijd een plan had ontworpen, en dit „bewerp” wilde men graag inzien. ’t Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369–390 en den brief van Huygens aande Veer).

’t Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in 1665 naar Den Haag terugkeerde, was ’t werk al voltooid. Huygens was opgetogen:

„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?O edel onderwint, o eer van stadt en staet,Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”

„En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,

En sien ick ’t door een’ laen ten einde van syn’ Straet?

O edel onderwint, o eer van stadt en staet,

Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?”

Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van ’t werk, dat zijn „Geboort-stadt niewen glans” verleende, werd bezongen. Zoo ontstond dan in 1667 „de Zeestraet.”

Overzicht.Bij ’t bestudeeren van Huygens’ werken is ’t zeer wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een eigenlijk „verhaal” geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo’n schema opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een overzicht maken.

Eigenschappen van Huygens als dichter.

Contact met de lezers.I.Huygens is in voortdurend contact met de lezers, ’t is net of hij met ons zit te praten.Deze eigenschap heeft hij metStaringgemeen, die ook voortdurend op zijn „keuvelstoel” zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653, maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft, en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed, maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door, dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijkeb.v.vers 277, waar Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:

„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goedeDaer viel geen houden aen: als ’t hert van onderenAen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:Genegenheit slaet door.”

„Mijn leser is ’t hier bey (quaet en moe), soo ’ck lichtelick vermoede:

Oock voeld’ ick ’t komen; maar men houd’ mij te goede

Daer viel geen houden aen: als ’t hert van onderen

Aen ’tblixemen geraekt, wil ’t boven donderen:

Genegenheit slaet door.”

Zoo ook in vers 959–961:

„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”

„Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,

En voelt ghij noch uw’ pols in dit gedrang van rijmen,

En wenscht ghij ’tspel niet uyt en ’tLiedjen op een end?”

Verstandspoëzie.II.Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens’ werk geen echte poëzie is, zooals ’t beste van Vondelb.v., maar meer redeneeren in versmaat.

Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. „Daer zijn dichters”—zegt hij—„die selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte gesteken hebben.”Haer dicht behoefte wat vertolcks!dát is dus ’t criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig, gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen vatten van de „soete wijsheid” die er in neergelegd is. Deze zelfde gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:

„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogenVan syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,Het hadd in ’t witt gestaen.”

„Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,

Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,

Die schrijver satt ’er toe, en waer het in ’t vermogen

Van syn vernuft geweest sijn selven t’ overpoogen,

En doen meer dan hij deed’ en beter dan hij schreef,

Het hadd in ’t witt gestaen.”

Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen „waarachtige uitstortinge des gemoeds.” Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten kon schrijven: „Sy dunckenmy oneenparighende haer selven hier ende daer beschamende.” Verlaat Huygens een enkelen keer ’t gewone pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester, dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in ’t Costelijk Mall (vers 323–324):

„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”

„Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?

Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?”

Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).

„….. een grijze DutterMet de schenen voor de vlam,Met de tanden in de butter,In de beulingh, in de hamIn de Nieuwe-jaersche weggen.”

„….. een grijze Dutter

Met de schenen voor de vlam,

Met de tanden in de butter,

In de beulingh, in de ham

In de Nieuwe-jaersche weggen.”

Duisterheid.III.Huygens’ gedichten zijn gewrongen, duister.Dit is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig, ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een goede eigenschap:pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats soms is, wordt Huygens nooit.

Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking werd al dadelijk na ’t verschijnen van Huygens’ eerste gedichten geklaagd, zoodatCatsden jongen dichter zelfs heeft moeten verdedigen.Westerbaen, die Huygens’ werk hoog stelde, zegt heel juist: „Huygens gedichten vereischen een man, dien ’t niet en moet verdrieten dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hij in ’t eerst nog niet gemerckt en had.”

Woord- en klankspelingen.IV.Kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.

Ook dat vloeit weer voort uit Huygens’ opvatting van de poëzie, al die kunstjes verhoogden de waardevan een gedicht, ze gaven immers bewijs van ’t vernuft van den schrijver, ze maakten ’t geheel nog lastiger te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den auteur geheel te kunnen vatten. Zoo’n woordspeling maakt herkauwen vaak noodzakelijk. Leest menb.v.de twee regels (vers 191–192).

„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”

„Het sand vermeesteren met een’ gebacken baen,

Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,”

dan zijn juist de woordenbegaenenbestaen, die beide twee verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de bedoeling van den „dichter” niet dadelijk begrijpt. Maar dat is, van Huygens’ standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte poëzie. Ditzelfde geldt voor ’t spelen met klanken, zooals dadelijk in ’t begin al:Wer(r)reld,werren,gewerr,ontwerren,werregaren,twernen. Zoo zijn er weer massa’s voorbeelden. Allemaal bewijzen van vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd), maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.

Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerijb.v.vers 620:

„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”

„Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, ’T sijn maer schelpen:

Neemt eene letter uyt, ’tzijn Schepen.”

Soms klankvolle verzen.V.Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven.Zoob.v.vers 442 en vlg.

„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hoorenWat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”

„Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,

Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hooren

Wat ick in ernst verhael en u te hooren staet ….”

of vers 121 en vlg:

Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden gevenAls ’t nu gegeven werdt?

Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,

Sijn’ wel en qualick-vaert, soo te beleiden geven

Als ’t nu gegeven werdt?

Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.

Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die nietszijn dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,b.v.vers 651:

„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)

„Waer ick een sprekend Beest (’t scheelt weinigh, sult ghij seggen.”)

Zoo ook regel 698–700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de woorden dikwijls veranderd is.

Satiriek.VI.Huygens’ werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken worden door hem gehekeld.Het „Costelick Mall” is een doorloopende bespotting van de „kostbare malligheid”, de mode. Deze dwaasheid wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld, er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554–718) en in een ander gedeelte (361–368) wordt ’t zelfde thema aangeroerd. Maar ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten invloed van kaartspelen om grof geld (884–942), over ’t verspillen van den kostbaren tijd (843–882), over ’t onzinnige om de meisjes in zee te dragen (603–618), over ’t doellooze flaneeren van de jongelui in ’t Voorhout (531–541).

Autobiografisch.VII.Heel kenmerkend voor Huygens’ gedichten is ’t autobiografische: hij heeft ’t heel vaak over zich-zelf. In de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: ’t is in hoofdzaak een beschrijving vanzijnstraatweg, doorvlochten met allerlei mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van Frederik Hendrik en Willem II (28–33), zijn verhouding tot Willem III (34–35), zijn pogingen om ’t prinsdom Oranje terug te krijgen (35–42), de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47–52), zijn liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94–95), de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn (169–184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde voorgoede boeken (225–277) en vooral zijn geloof. Huygens is een oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt hem de „opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen.” Sommige van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën,b.v.:Dagh-werck,Cluys-wercken voor een goed deelHof-wijck.

Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.


Back to IndexNext