Eline Vere.

Eline Vere.Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel „een Haagsche roman” is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in ’t oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren—heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor ’t goed begrijpen best weggelaten kunnen worden—maar toch zijn ze noodig om ’tmilieute schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op ’t karakter van de hoofdpersoon.Eline.Elineis een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingtb.v.buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor ’t geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:Karakter.1. De meest in ’t oog vallende karaktertrek is:gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, denschilderVere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij ’t onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z’n vrouw!2. Als gevolg van ’t bovenstaande is er in Elineiets loomsenkwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.3. Ze heeft een eventeer zenuwgestel(„fijn-besnaard”) als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking,b.v.van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen,als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zusterBetsy, die met den rijkenHenk van Raetgetrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. VooralOuida(pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen dieelkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en ’t onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.Liefde voor Fabrice.Haar eerste dwaasheid isde liefde van den operazangerFabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op ’t tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (vanOtto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door ’t bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op ’t tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op ’t tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij ’t tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. „Leelijke dikke bas”, hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.Engagement met Otto.Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: hetengagement metOtto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in ’t spel komen.En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto’s invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar ’t beste komt dit uit tijdenshet verblijf op de Horze, ’t buitengoed van Otto’s broerThéodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer „gewone” menschen. „Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb”, zegt de practische huisvrouwTruus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk:eenvoudigzijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was—het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ookTruusen zelfsFrédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.Invloed van Vincent.Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdater nu iemand is, die Otto’s goeden invloed geheel te niet doet. Dit isVincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere’s heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is ’t een gewetenloozeklaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die ’t liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om ƒ 500, later Paul om ƒ 200, ten slotte Henk weer om ƒ 50. Dit „serpent” komt nu in huis bijHenk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en ’t later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreestBetsyzich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in ’t bizonder ’t geval bij Eline.Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: „het leven is een keten van toevalligheidjes”, zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type alsBertiein „Noodlot” ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan denoodlotstheorieënvan haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline’s boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt eenmartelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.Breuk met Otto.’t Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haarvinnige wijze, dat ze ’t heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. ’t Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.Achteruitgang.Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hijonwaargeworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door ’t breken met Otto al beslist was.Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist metBetsyop een diner, dan de vlucht vanElinenaar deFérelijns, haar verblijf bij haar oomDaniël Verete Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. ’t Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.Eindelijk komt ze inDen Haagterug, waar ze bij de oude mevrouwVan Raetgaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in ’t mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de „rage” al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokterReyer’spogingen zijn vruchteloos.Daarom weer terug naarBrussel, naar haar oomDaniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan ’t licht: ze voeltzich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van ’t leven in de zonderlinge omgeving der Vere’s.Invloed van St. Clare.Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leertLawrence St. Clarekennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.Ondergang.Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in ’t eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.Omgeving van Eline. Betsy.Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijkenHenk van Raet. Typeerend voor haar is ’t den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, ’t zingen zelf is geblèr.Henk.Henkwordt ’t best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij „oogen had, als een goedige, domme New-foundlander”. Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.’t Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.Otto.Ottois een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet derechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.Georges en Lili.De andere personen vormen meer ’t bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline’s karakter te doen kennen. Zoob.v.:Georges de WoudeenLili Verstraeten, „het baby-paartje”. Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, „dat pedant-être”, dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van ’t buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.Paul en Frédérique.Paul van RaetenFrédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi isb.v.geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.St. Clare.Eenigszins zonderling is de figuur vanSt. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, danVincentte verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk;was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuurvan St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.Determinisme.Een enkel woord nog over hetdeterminismein den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen vanVincent Vereen ook vanBertiein Couperus’ romanNoodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinismevoor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel ’t zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is ’t bij hem een „vooruitbestudeerd-pessimisme” en eigenaardig is ’t, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen omFrankenEvavan elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is ’t ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van ’t „leege leven”.Vreemde woorden.Een enkele opmerking moet ons nog van ’t hart:’t onmatig gebruik van vreemde woorden: ’t is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we ’t Robbeknol in den „Spaanschen Brabander” nazeggen:„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden—we denken hierbij aan degesprekkenin het werk—terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om denklanksoms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar …. „mate es tallen spele goet!”

Eline Vere.Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel „een Haagsche roman” is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in ’t oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren—heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor ’t goed begrijpen best weggelaten kunnen worden—maar toch zijn ze noodig om ’tmilieute schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op ’t karakter van de hoofdpersoon.Eline.Elineis een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingtb.v.buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor ’t geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:Karakter.1. De meest in ’t oog vallende karaktertrek is:gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, denschilderVere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij ’t onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z’n vrouw!2. Als gevolg van ’t bovenstaande is er in Elineiets loomsenkwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.3. Ze heeft een eventeer zenuwgestel(„fijn-besnaard”) als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking,b.v.van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen,als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zusterBetsy, die met den rijkenHenk van Raetgetrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. VooralOuida(pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen dieelkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en ’t onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.Liefde voor Fabrice.Haar eerste dwaasheid isde liefde van den operazangerFabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op ’t tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (vanOtto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door ’t bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op ’t tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op ’t tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij ’t tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. „Leelijke dikke bas”, hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.Engagement met Otto.Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: hetengagement metOtto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in ’t spel komen.En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto’s invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar ’t beste komt dit uit tijdenshet verblijf op de Horze, ’t buitengoed van Otto’s broerThéodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer „gewone” menschen. „Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb”, zegt de practische huisvrouwTruus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk:eenvoudigzijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was—het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ookTruusen zelfsFrédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.Invloed van Vincent.Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdater nu iemand is, die Otto’s goeden invloed geheel te niet doet. Dit isVincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere’s heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is ’t een gewetenloozeklaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die ’t liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om ƒ 500, later Paul om ƒ 200, ten slotte Henk weer om ƒ 50. Dit „serpent” komt nu in huis bijHenk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en ’t later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreestBetsyzich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in ’t bizonder ’t geval bij Eline.Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: „het leven is een keten van toevalligheidjes”, zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type alsBertiein „Noodlot” ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan denoodlotstheorieënvan haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline’s boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt eenmartelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.Breuk met Otto.’t Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haarvinnige wijze, dat ze ’t heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. ’t Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.Achteruitgang.Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hijonwaargeworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door ’t breken met Otto al beslist was.Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist metBetsyop een diner, dan de vlucht vanElinenaar deFérelijns, haar verblijf bij haar oomDaniël Verete Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. ’t Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.Eindelijk komt ze inDen Haagterug, waar ze bij de oude mevrouwVan Raetgaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in ’t mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de „rage” al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokterReyer’spogingen zijn vruchteloos.Daarom weer terug naarBrussel, naar haar oomDaniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan ’t licht: ze voeltzich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van ’t leven in de zonderlinge omgeving der Vere’s.Invloed van St. Clare.Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leertLawrence St. Clarekennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.Ondergang.Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in ’t eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.Omgeving van Eline. Betsy.Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijkenHenk van Raet. Typeerend voor haar is ’t den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, ’t zingen zelf is geblèr.Henk.Henkwordt ’t best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij „oogen had, als een goedige, domme New-foundlander”. Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.’t Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.Otto.Ottois een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet derechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.Georges en Lili.De andere personen vormen meer ’t bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline’s karakter te doen kennen. Zoob.v.:Georges de WoudeenLili Verstraeten, „het baby-paartje”. Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, „dat pedant-être”, dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van ’t buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.Paul en Frédérique.Paul van RaetenFrédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi isb.v.geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.St. Clare.Eenigszins zonderling is de figuur vanSt. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, danVincentte verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk;was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuurvan St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.Determinisme.Een enkel woord nog over hetdeterminismein den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen vanVincent Vereen ook vanBertiein Couperus’ romanNoodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinismevoor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel ’t zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is ’t bij hem een „vooruitbestudeerd-pessimisme” en eigenaardig is ’t, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen omFrankenEvavan elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is ’t ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van ’t „leege leven”.Vreemde woorden.Een enkele opmerking moet ons nog van ’t hart:’t onmatig gebruik van vreemde woorden: ’t is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we ’t Robbeknol in den „Spaanschen Brabander” nazeggen:„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden—we denken hierbij aan degesprekkenin het werk—terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om denklanksoms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar …. „mate es tallen spele goet!”

Eline Vere.Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel „een Haagsche roman” is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in ’t oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren—heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor ’t goed begrijpen best weggelaten kunnen worden—maar toch zijn ze noodig om ’tmilieute schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op ’t karakter van de hoofdpersoon.Eline.Elineis een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingtb.v.buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor ’t geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:Karakter.1. De meest in ’t oog vallende karaktertrek is:gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, denschilderVere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij ’t onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z’n vrouw!2. Als gevolg van ’t bovenstaande is er in Elineiets loomsenkwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.3. Ze heeft een eventeer zenuwgestel(„fijn-besnaard”) als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking,b.v.van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen,als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zusterBetsy, die met den rijkenHenk van Raetgetrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. VooralOuida(pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen dieelkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en ’t onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.Liefde voor Fabrice.Haar eerste dwaasheid isde liefde van den operazangerFabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op ’t tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (vanOtto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door ’t bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op ’t tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op ’t tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij ’t tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. „Leelijke dikke bas”, hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.Engagement met Otto.Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: hetengagement metOtto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in ’t spel komen.En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto’s invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar ’t beste komt dit uit tijdenshet verblijf op de Horze, ’t buitengoed van Otto’s broerThéodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer „gewone” menschen. „Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb”, zegt de practische huisvrouwTruus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk:eenvoudigzijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was—het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ookTruusen zelfsFrédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.Invloed van Vincent.Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdater nu iemand is, die Otto’s goeden invloed geheel te niet doet. Dit isVincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere’s heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is ’t een gewetenloozeklaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die ’t liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om ƒ 500, later Paul om ƒ 200, ten slotte Henk weer om ƒ 50. Dit „serpent” komt nu in huis bijHenk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en ’t later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreestBetsyzich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in ’t bizonder ’t geval bij Eline.Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: „het leven is een keten van toevalligheidjes”, zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type alsBertiein „Noodlot” ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan denoodlotstheorieënvan haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline’s boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt eenmartelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.Breuk met Otto.’t Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haarvinnige wijze, dat ze ’t heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. ’t Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.Achteruitgang.Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hijonwaargeworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door ’t breken met Otto al beslist was.Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist metBetsyop een diner, dan de vlucht vanElinenaar deFérelijns, haar verblijf bij haar oomDaniël Verete Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. ’t Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.Eindelijk komt ze inDen Haagterug, waar ze bij de oude mevrouwVan Raetgaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in ’t mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de „rage” al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokterReyer’spogingen zijn vruchteloos.Daarom weer terug naarBrussel, naar haar oomDaniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan ’t licht: ze voeltzich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van ’t leven in de zonderlinge omgeving der Vere’s.Invloed van St. Clare.Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leertLawrence St. Clarekennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.Ondergang.Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in ’t eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.Omgeving van Eline. Betsy.Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijkenHenk van Raet. Typeerend voor haar is ’t den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, ’t zingen zelf is geblèr.Henk.Henkwordt ’t best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij „oogen had, als een goedige, domme New-foundlander”. Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.’t Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.Otto.Ottois een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet derechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.Georges en Lili.De andere personen vormen meer ’t bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline’s karakter te doen kennen. Zoob.v.:Georges de WoudeenLili Verstraeten, „het baby-paartje”. Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, „dat pedant-être”, dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van ’t buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.Paul en Frédérique.Paul van RaetenFrédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi isb.v.geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.St. Clare.Eenigszins zonderling is de figuur vanSt. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, danVincentte verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk;was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuurvan St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.Determinisme.Een enkel woord nog over hetdeterminismein den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen vanVincent Vereen ook vanBertiein Couperus’ romanNoodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinismevoor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel ’t zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is ’t bij hem een „vooruitbestudeerd-pessimisme” en eigenaardig is ’t, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen omFrankenEvavan elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is ’t ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van ’t „leege leven”.Vreemde woorden.Een enkele opmerking moet ons nog van ’t hart:’t onmatig gebruik van vreemde woorden: ’t is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we ’t Robbeknol in den „Spaanschen Brabander” nazeggen:„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden—we denken hierbij aan degesprekkenin het werk—terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om denklanksoms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar …. „mate es tallen spele goet!”

Eline Vere.

Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel „een Haagsche roman” is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in ’t oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren—heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor ’t goed begrijpen best weggelaten kunnen worden—maar toch zijn ze noodig om ’tmilieute schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op ’t karakter van de hoofdpersoon.Eline.Elineis een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingtb.v.buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor ’t geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:Karakter.1. De meest in ’t oog vallende karaktertrek is:gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, denschilderVere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij ’t onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z’n vrouw!2. Als gevolg van ’t bovenstaande is er in Elineiets loomsenkwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.3. Ze heeft een eventeer zenuwgestel(„fijn-besnaard”) als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking,b.v.van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen,als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zusterBetsy, die met den rijkenHenk van Raetgetrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. VooralOuida(pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen dieelkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en ’t onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.Liefde voor Fabrice.Haar eerste dwaasheid isde liefde van den operazangerFabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op ’t tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (vanOtto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door ’t bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op ’t tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op ’t tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij ’t tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. „Leelijke dikke bas”, hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.Engagement met Otto.Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: hetengagement metOtto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in ’t spel komen.En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto’s invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar ’t beste komt dit uit tijdenshet verblijf op de Horze, ’t buitengoed van Otto’s broerThéodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer „gewone” menschen. „Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb”, zegt de practische huisvrouwTruus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk:eenvoudigzijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was—het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ookTruusen zelfsFrédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.Invloed van Vincent.Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdater nu iemand is, die Otto’s goeden invloed geheel te niet doet. Dit isVincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere’s heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is ’t een gewetenloozeklaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die ’t liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om ƒ 500, later Paul om ƒ 200, ten slotte Henk weer om ƒ 50. Dit „serpent” komt nu in huis bijHenk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en ’t later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreestBetsyzich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in ’t bizonder ’t geval bij Eline.Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: „het leven is een keten van toevalligheidjes”, zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type alsBertiein „Noodlot” ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan denoodlotstheorieënvan haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline’s boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt eenmartelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.Breuk met Otto.’t Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haarvinnige wijze, dat ze ’t heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. ’t Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.Achteruitgang.Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hijonwaargeworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door ’t breken met Otto al beslist was.Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist metBetsyop een diner, dan de vlucht vanElinenaar deFérelijns, haar verblijf bij haar oomDaniël Verete Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. ’t Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.Eindelijk komt ze inDen Haagterug, waar ze bij de oude mevrouwVan Raetgaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in ’t mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de „rage” al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokterReyer’spogingen zijn vruchteloos.Daarom weer terug naarBrussel, naar haar oomDaniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan ’t licht: ze voeltzich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van ’t leven in de zonderlinge omgeving der Vere’s.Invloed van St. Clare.Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leertLawrence St. Clarekennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.Ondergang.Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in ’t eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.Omgeving van Eline. Betsy.Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijkenHenk van Raet. Typeerend voor haar is ’t den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, ’t zingen zelf is geblèr.Henk.Henkwordt ’t best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij „oogen had, als een goedige, domme New-foundlander”. Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.’t Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.Otto.Ottois een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet derechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.Georges en Lili.De andere personen vormen meer ’t bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline’s karakter te doen kennen. Zoob.v.:Georges de WoudeenLili Verstraeten, „het baby-paartje”. Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, „dat pedant-être”, dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van ’t buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.Paul en Frédérique.Paul van RaetenFrédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi isb.v.geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.St. Clare.Eenigszins zonderling is de figuur vanSt. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, danVincentte verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk;was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuurvan St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.Determinisme.Een enkel woord nog over hetdeterminismein den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen vanVincent Vereen ook vanBertiein Couperus’ romanNoodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinismevoor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel ’t zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is ’t bij hem een „vooruitbestudeerd-pessimisme” en eigenaardig is ’t, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen omFrankenEvavan elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is ’t ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van ’t „leege leven”.Vreemde woorden.Een enkele opmerking moet ons nog van ’t hart:’t onmatig gebruik van vreemde woorden: ’t is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we ’t Robbeknol in den „Spaanschen Brabander” nazeggen:„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden—we denken hierbij aan degesprekkenin het werk—terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om denklanksoms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar …. „mate es tallen spele goet!”

Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel „een Haagsche roman” is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in ’t oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren—heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor ’t goed begrijpen best weggelaten kunnen worden—maar toch zijn ze noodig om ’tmilieute schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op ’t karakter van de hoofdpersoon.

Eline.Elineis een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingtb.v.buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor ’t geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:

Karakter.1. De meest in ’t oog vallende karaktertrek is:gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, denschilderVere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij ’t onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z’n vrouw!

2. Als gevolg van ’t bovenstaande is er in Elineiets loomsenkwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.

3. Ze heeft een eventeer zenuwgestel(„fijn-besnaard”) als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking,b.v.van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.

Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen,als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zusterBetsy, die met den rijkenHenk van Raetgetrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.

Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. VooralOuida(pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen dieelkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en ’t onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.

Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.

Liefde voor Fabrice.Haar eerste dwaasheid isde liefde van den operazangerFabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op ’t tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (vanOtto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door ’t bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op ’t tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op ’t tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij ’t tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. „Leelijke dikke bas”, hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.

Engagement met Otto.Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: hetengagement metOtto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in ’t spel komen.

En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto’s invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar ’t beste komt dit uit tijdenshet verblijf op de Horze, ’t buitengoed van Otto’s broerThéodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer „gewone” menschen. „Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb”, zegt de practische huisvrouwTruus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk:eenvoudigzijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was—het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ookTruusen zelfsFrédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.

Invloed van Vincent.Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdater nu iemand is, die Otto’s goeden invloed geheel te niet doet. Dit isVincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere’s heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is ’t een gewetenloozeklaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die ’t liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om ƒ 500, later Paul om ƒ 200, ten slotte Henk weer om ƒ 50. Dit „serpent” komt nu in huis bijHenk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en ’t later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreestBetsyzich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in ’t bizonder ’t geval bij Eline.

Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: „het leven is een keten van toevalligheidjes”, zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type alsBertiein „Noodlot” ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan denoodlotstheorieënvan haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline’s boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt eenmartelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.

Breuk met Otto.’t Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haarvinnige wijze, dat ze ’t heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. ’t Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.

Achteruitgang.Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hijonwaargeworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door ’t breken met Otto al beslist was.

Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist metBetsyop een diner, dan de vlucht vanElinenaar deFérelijns, haar verblijf bij haar oomDaniël Verete Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. ’t Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.

Eindelijk komt ze inDen Haagterug, waar ze bij de oude mevrouwVan Raetgaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in ’t mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de „rage” al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokterReyer’spogingen zijn vruchteloos.

Daarom weer terug naarBrussel, naar haar oomDaniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan ’t licht: ze voeltzich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van ’t leven in de zonderlinge omgeving der Vere’s.

Invloed van St. Clare.Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leertLawrence St. Clarekennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.

Ondergang.Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in ’t eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.

Omgeving van Eline. Betsy.Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijkenHenk van Raet. Typeerend voor haar is ’t den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, ’t zingen zelf is geblèr.

Henk.Henkwordt ’t best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij „oogen had, als een goedige, domme New-foundlander”. Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.

’t Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.

Otto.Ottois een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet derechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.

Georges en Lili.De andere personen vormen meer ’t bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline’s karakter te doen kennen. Zoob.v.:Georges de WoudeenLili Verstraeten, „het baby-paartje”. Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, „dat pedant-être”, dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van ’t buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.

Paul en Frédérique.Paul van RaetenFrédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi isb.v.geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.

St. Clare.Eenigszins zonderling is de figuur vanSt. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, danVincentte verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk;was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuurvan St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.

Determinisme.Een enkel woord nog over hetdeterminismein den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen vanVincent Vereen ook vanBertiein Couperus’ romanNoodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinismevoor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel ’t zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is ’t bij hem een „vooruitbestudeerd-pessimisme” en eigenaardig is ’t, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen omFrankenEvavan elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is ’t ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van ’t „leege leven”.

Vreemde woorden.Een enkele opmerking moet ons nog van ’t hart:’t onmatig gebruik van vreemde woorden: ’t is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we ’t Robbeknol in den „Spaanschen Brabander” nazeggen:

„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”

„Ja, ’t is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,

Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken.”

Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden—we denken hierbij aan degesprekkenin het werk—terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om denklanksoms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar …. „mate es tallen spele goet!”


Back to IndexNext