Iets over Kloos als Criticus.

Iets over Kloos als Criticus.Zijn beteekenis.Van de mannen van ’80 isWillem Klooswel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.De „Veertien Jaar”.De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de „Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis”, welk werk dan ook voor ’t begrijpen van de „Beweging van ’80” onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de „Veertien Jaar”. Voor één artikel maken we een uitzondering,n.l.voor het in 1904 geschreven „Over kritiek”, dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de „Veertien Jaar”, omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.Eischen voor een goed criticus.De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:1o.hij moet een goed inzicht hebben in ’t wezen van de literatuur.2o.hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.3o.hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig ofgodsdienstig dogma.(Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).Wat is literatuur, wat is kunst?Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:„Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in ’s kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt.”„Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van ’t zij het leven in de ziel, ’t zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door.”Wijze van critiseeren.Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat ’t boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, ’t werk moet als ’t ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, „dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat.”De criticus moet zelf kunstenaar zijn.Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders ’t werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij „moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn.”Niet dogmatisch.Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou destrekkinghoofdzaak, deartistieke waardebijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen wordengeprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in depredikant-dichters(Ten Kate,Beetse. a.) en ook inHerman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur „niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart.”Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor ’80. Vooral zijn critieken over verschillendedichterszullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit ’t voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de „Beweging van ’80” is.Kenmerken van goede verzen.Volgens Kloosonderscheiden goede verzen zich slechte door:1o.de juistheid der klankexpressie.2o.de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.Over ’t eerste zegt Kloos dit:Rhythme.„De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, denrythmusvan het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat versintens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoonniet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef.”Intense verzen.Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bijVondel, „de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal”; bijHooftin mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17eeeuwers alsPootenHoogvliet.Bilderdijkdaarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica;Da Costaweet, vooral door ’t gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan;Potgieterbereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19eeeuwers voor ’80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na ’80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos „de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen” vanWinkler Prins;Verwey’seerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus,zijnmiddel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen.”Hélène Swarthis „het zingende hart in onze letterkunde”, de dichteres met „het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin.”Couperus’ poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de „Orchideeën” zegt Kloos: „Ik wensch den heerCouperusgaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van ’s dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. ’t Is of men een zangeres hoort, dietelkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,—hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid.”Een raad aan de lezers.En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. „Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij ’t niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.”Juiste beeldspraak.Het tweede kenmerk van een goed vers is:juiste beeldspraakd. w. z. de dichter moetwerkelijk gezienhebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.Rhetorica tegenover poëzie.Tegenover deze werkelijke poëzie staat derhetorica, die gebruik maakt van deoude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichterzietwerkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bijzijngedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijkde taal van een andergebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricusniet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij eendichternooit gevonden worden.Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeftHuet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voorpoëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek overTer Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:„Wat herdren zie ik eenzaam dwalenDe heuvlen langs, de velden door?De lach der blijdschap siert de dalen,De vrede graast de kudde voor.”den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: „Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben.”Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijkgezienwat daar gezegd wordt, ’t is voor beide niets danklankgeweest. Luister maar naar Kloos:„Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien „Vrede” (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!”Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wankenEn sloeg vandaar den angstig starren blikLangs alle wegen heen om vasten steun.”Schaepmanis voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: „oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen.” Daarom keurt Kloos de bekende „Zang der Zuilen” uit deAya Sofiaaf, dat is geen ware beeldspraak. „Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw opwacht staat, doch dat een zuil …. zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt.”Realisme.Kloos is dus watpoëziebetreft de strijder voorwaarheid: de dichter moet weergeven òfinnerlijk wezenòf de door hem gezienewerkelijkheid(buitenwereld). Datzelfde eischt hij van eenproza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moetwaar, dat isrealistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal „dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo’n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt.”Op die wijze werkteZola, en in ons landFrans Netscher,Cooplandt,Van Deyssel,Van Looy,Aletrino,Van Groeningen. DezelfdeCouperusdie wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver vanEline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. „Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist.”Overeenstemming tusschen leven en werken.Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. ’t Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr.Swart Abrahamsz.,waarinMultatulials type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken overDekker’sijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: „de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest.”

Iets over Kloos als Criticus.Zijn beteekenis.Van de mannen van ’80 isWillem Klooswel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.De „Veertien Jaar”.De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de „Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis”, welk werk dan ook voor ’t begrijpen van de „Beweging van ’80” onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de „Veertien Jaar”. Voor één artikel maken we een uitzondering,n.l.voor het in 1904 geschreven „Over kritiek”, dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de „Veertien Jaar”, omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.Eischen voor een goed criticus.De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:1o.hij moet een goed inzicht hebben in ’t wezen van de literatuur.2o.hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.3o.hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig ofgodsdienstig dogma.(Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).Wat is literatuur, wat is kunst?Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:„Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in ’s kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt.”„Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van ’t zij het leven in de ziel, ’t zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door.”Wijze van critiseeren.Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat ’t boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, ’t werk moet als ’t ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, „dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat.”De criticus moet zelf kunstenaar zijn.Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders ’t werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij „moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn.”Niet dogmatisch.Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou destrekkinghoofdzaak, deartistieke waardebijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen wordengeprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in depredikant-dichters(Ten Kate,Beetse. a.) en ook inHerman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur „niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart.”Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor ’80. Vooral zijn critieken over verschillendedichterszullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit ’t voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de „Beweging van ’80” is.Kenmerken van goede verzen.Volgens Kloosonderscheiden goede verzen zich slechte door:1o.de juistheid der klankexpressie.2o.de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.Over ’t eerste zegt Kloos dit:Rhythme.„De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, denrythmusvan het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat versintens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoonniet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef.”Intense verzen.Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bijVondel, „de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal”; bijHooftin mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17eeeuwers alsPootenHoogvliet.Bilderdijkdaarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica;Da Costaweet, vooral door ’t gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan;Potgieterbereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19eeeuwers voor ’80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na ’80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos „de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen” vanWinkler Prins;Verwey’seerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus,zijnmiddel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen.”Hélène Swarthis „het zingende hart in onze letterkunde”, de dichteres met „het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin.”Couperus’ poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de „Orchideeën” zegt Kloos: „Ik wensch den heerCouperusgaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van ’s dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. ’t Is of men een zangeres hoort, dietelkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,—hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid.”Een raad aan de lezers.En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. „Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij ’t niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.”Juiste beeldspraak.Het tweede kenmerk van een goed vers is:juiste beeldspraakd. w. z. de dichter moetwerkelijk gezienhebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.Rhetorica tegenover poëzie.Tegenover deze werkelijke poëzie staat derhetorica, die gebruik maakt van deoude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichterzietwerkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bijzijngedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijkde taal van een andergebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricusniet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij eendichternooit gevonden worden.Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeftHuet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voorpoëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek overTer Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:„Wat herdren zie ik eenzaam dwalenDe heuvlen langs, de velden door?De lach der blijdschap siert de dalen,De vrede graast de kudde voor.”den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: „Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben.”Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijkgezienwat daar gezegd wordt, ’t is voor beide niets danklankgeweest. Luister maar naar Kloos:„Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien „Vrede” (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!”Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wankenEn sloeg vandaar den angstig starren blikLangs alle wegen heen om vasten steun.”Schaepmanis voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: „oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen.” Daarom keurt Kloos de bekende „Zang der Zuilen” uit deAya Sofiaaf, dat is geen ware beeldspraak. „Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw opwacht staat, doch dat een zuil …. zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt.”Realisme.Kloos is dus watpoëziebetreft de strijder voorwaarheid: de dichter moet weergeven òfinnerlijk wezenòf de door hem gezienewerkelijkheid(buitenwereld). Datzelfde eischt hij van eenproza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moetwaar, dat isrealistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal „dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo’n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt.”Op die wijze werkteZola, en in ons landFrans Netscher,Cooplandt,Van Deyssel,Van Looy,Aletrino,Van Groeningen. DezelfdeCouperusdie wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver vanEline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. „Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist.”Overeenstemming tusschen leven en werken.Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. ’t Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr.Swart Abrahamsz.,waarinMultatulials type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken overDekker’sijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: „de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest.”

Iets over Kloos als Criticus.Zijn beteekenis.Van de mannen van ’80 isWillem Klooswel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.De „Veertien Jaar”.De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de „Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis”, welk werk dan ook voor ’t begrijpen van de „Beweging van ’80” onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de „Veertien Jaar”. Voor één artikel maken we een uitzondering,n.l.voor het in 1904 geschreven „Over kritiek”, dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de „Veertien Jaar”, omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.Eischen voor een goed criticus.De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:1o.hij moet een goed inzicht hebben in ’t wezen van de literatuur.2o.hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.3o.hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig ofgodsdienstig dogma.(Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).Wat is literatuur, wat is kunst?Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:„Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in ’s kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt.”„Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van ’t zij het leven in de ziel, ’t zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door.”Wijze van critiseeren.Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat ’t boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, ’t werk moet als ’t ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, „dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat.”De criticus moet zelf kunstenaar zijn.Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders ’t werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij „moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn.”Niet dogmatisch.Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou destrekkinghoofdzaak, deartistieke waardebijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen wordengeprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in depredikant-dichters(Ten Kate,Beetse. a.) en ook inHerman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur „niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart.”Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor ’80. Vooral zijn critieken over verschillendedichterszullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit ’t voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de „Beweging van ’80” is.Kenmerken van goede verzen.Volgens Kloosonderscheiden goede verzen zich slechte door:1o.de juistheid der klankexpressie.2o.de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.Over ’t eerste zegt Kloos dit:Rhythme.„De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, denrythmusvan het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat versintens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoonniet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef.”Intense verzen.Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bijVondel, „de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal”; bijHooftin mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17eeeuwers alsPootenHoogvliet.Bilderdijkdaarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica;Da Costaweet, vooral door ’t gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan;Potgieterbereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19eeeuwers voor ’80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na ’80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos „de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen” vanWinkler Prins;Verwey’seerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus,zijnmiddel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen.”Hélène Swarthis „het zingende hart in onze letterkunde”, de dichteres met „het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin.”Couperus’ poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de „Orchideeën” zegt Kloos: „Ik wensch den heerCouperusgaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van ’s dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. ’t Is of men een zangeres hoort, dietelkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,—hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid.”Een raad aan de lezers.En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. „Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij ’t niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.”Juiste beeldspraak.Het tweede kenmerk van een goed vers is:juiste beeldspraakd. w. z. de dichter moetwerkelijk gezienhebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.Rhetorica tegenover poëzie.Tegenover deze werkelijke poëzie staat derhetorica, die gebruik maakt van deoude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichterzietwerkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bijzijngedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijkde taal van een andergebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricusniet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij eendichternooit gevonden worden.Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeftHuet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voorpoëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek overTer Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:„Wat herdren zie ik eenzaam dwalenDe heuvlen langs, de velden door?De lach der blijdschap siert de dalen,De vrede graast de kudde voor.”den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: „Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben.”Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijkgezienwat daar gezegd wordt, ’t is voor beide niets danklankgeweest. Luister maar naar Kloos:„Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien „Vrede” (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!”Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wankenEn sloeg vandaar den angstig starren blikLangs alle wegen heen om vasten steun.”Schaepmanis voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: „oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen.” Daarom keurt Kloos de bekende „Zang der Zuilen” uit deAya Sofiaaf, dat is geen ware beeldspraak. „Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw opwacht staat, doch dat een zuil …. zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt.”Realisme.Kloos is dus watpoëziebetreft de strijder voorwaarheid: de dichter moet weergeven òfinnerlijk wezenòf de door hem gezienewerkelijkheid(buitenwereld). Datzelfde eischt hij van eenproza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moetwaar, dat isrealistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal „dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo’n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt.”Op die wijze werkteZola, en in ons landFrans Netscher,Cooplandt,Van Deyssel,Van Looy,Aletrino,Van Groeningen. DezelfdeCouperusdie wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver vanEline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. „Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist.”Overeenstemming tusschen leven en werken.Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. ’t Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr.Swart Abrahamsz.,waarinMultatulials type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken overDekker’sijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: „de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest.”

Iets over Kloos als Criticus.

Zijn beteekenis.Van de mannen van ’80 isWillem Klooswel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.De „Veertien Jaar”.De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de „Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis”, welk werk dan ook voor ’t begrijpen van de „Beweging van ’80” onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de „Veertien Jaar”. Voor één artikel maken we een uitzondering,n.l.voor het in 1904 geschreven „Over kritiek”, dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de „Veertien Jaar”, omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.Eischen voor een goed criticus.De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:1o.hij moet een goed inzicht hebben in ’t wezen van de literatuur.2o.hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.3o.hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig ofgodsdienstig dogma.(Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).Wat is literatuur, wat is kunst?Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:„Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in ’s kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt.”„Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van ’t zij het leven in de ziel, ’t zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door.”Wijze van critiseeren.Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat ’t boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, ’t werk moet als ’t ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, „dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat.”De criticus moet zelf kunstenaar zijn.Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders ’t werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij „moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn.”Niet dogmatisch.Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou destrekkinghoofdzaak, deartistieke waardebijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen wordengeprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in depredikant-dichters(Ten Kate,Beetse. a.) en ook inHerman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur „niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart.”Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor ’80. Vooral zijn critieken over verschillendedichterszullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit ’t voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de „Beweging van ’80” is.Kenmerken van goede verzen.Volgens Kloosonderscheiden goede verzen zich slechte door:1o.de juistheid der klankexpressie.2o.de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.Over ’t eerste zegt Kloos dit:Rhythme.„De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, denrythmusvan het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat versintens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoonniet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef.”Intense verzen.Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bijVondel, „de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal”; bijHooftin mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17eeeuwers alsPootenHoogvliet.Bilderdijkdaarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica;Da Costaweet, vooral door ’t gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan;Potgieterbereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19eeeuwers voor ’80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na ’80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos „de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen” vanWinkler Prins;Verwey’seerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus,zijnmiddel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen.”Hélène Swarthis „het zingende hart in onze letterkunde”, de dichteres met „het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin.”Couperus’ poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de „Orchideeën” zegt Kloos: „Ik wensch den heerCouperusgaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van ’s dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. ’t Is of men een zangeres hoort, dietelkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,—hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid.”Een raad aan de lezers.En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. „Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij ’t niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.”Juiste beeldspraak.Het tweede kenmerk van een goed vers is:juiste beeldspraakd. w. z. de dichter moetwerkelijk gezienhebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.Rhetorica tegenover poëzie.Tegenover deze werkelijke poëzie staat derhetorica, die gebruik maakt van deoude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichterzietwerkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bijzijngedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijkde taal van een andergebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricusniet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij eendichternooit gevonden worden.Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeftHuet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voorpoëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek overTer Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:„Wat herdren zie ik eenzaam dwalenDe heuvlen langs, de velden door?De lach der blijdschap siert de dalen,De vrede graast de kudde voor.”den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: „Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben.”Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijkgezienwat daar gezegd wordt, ’t is voor beide niets danklankgeweest. Luister maar naar Kloos:„Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien „Vrede” (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!”Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wankenEn sloeg vandaar den angstig starren blikLangs alle wegen heen om vasten steun.”Schaepmanis voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: „oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen.” Daarom keurt Kloos de bekende „Zang der Zuilen” uit deAya Sofiaaf, dat is geen ware beeldspraak. „Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw opwacht staat, doch dat een zuil …. zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt.”Realisme.Kloos is dus watpoëziebetreft de strijder voorwaarheid: de dichter moet weergeven òfinnerlijk wezenòf de door hem gezienewerkelijkheid(buitenwereld). Datzelfde eischt hij van eenproza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moetwaar, dat isrealistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal „dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo’n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt.”Op die wijze werkteZola, en in ons landFrans Netscher,Cooplandt,Van Deyssel,Van Looy,Aletrino,Van Groeningen. DezelfdeCouperusdie wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver vanEline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. „Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist.”Overeenstemming tusschen leven en werken.Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. ’t Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr.Swart Abrahamsz.,waarinMultatulials type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken overDekker’sijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: „de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest.”

Zijn beteekenis.Van de mannen van ’80 isWillem Klooswel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.

De „Veertien Jaar”.De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de „Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis”, welk werk dan ook voor ’t begrijpen van de „Beweging van ’80” onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de „Veertien Jaar”. Voor één artikel maken we een uitzondering,n.l.voor het in 1904 geschreven „Over kritiek”, dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de „Veertien Jaar”, omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.

Eischen voor een goed criticus.De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:

1o.hij moet een goed inzicht hebben in ’t wezen van de literatuur.

2o.hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.

3o.hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig ofgodsdienstig dogma.(Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).

Wat is literatuur, wat is kunst?Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:

„Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in ’s kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt.”

„Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van ’t zij het leven in de ziel, ’t zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door.”

Wijze van critiseeren.Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat ’t boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, ’t werk moet als ’t ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, „dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat.”

De criticus moet zelf kunstenaar zijn.Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders ’t werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij „moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn.”

Niet dogmatisch.Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou destrekkinghoofdzaak, deartistieke waardebijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen wordengeprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in depredikant-dichters(Ten Kate,Beetse. a.) en ook inHerman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur „niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart.”

Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor ’80. Vooral zijn critieken over verschillendedichterszullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit ’t voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de „Beweging van ’80” is.

Kenmerken van goede verzen.Volgens Kloosonderscheiden goede verzen zich slechte door:

1o.de juistheid der klankexpressie.

2o.de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.

Over ’t eerste zegt Kloos dit:

Rhythme.„De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, denrythmusvan het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat versintens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoonniet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef.”

Intense verzen.Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bijVondel, „de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal”; bijHooftin mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17eeeuwers alsPootenHoogvliet.Bilderdijkdaarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica;Da Costaweet, vooral door ’t gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan;Potgieterbereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19eeeuwers voor ’80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na ’80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos „de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen” vanWinkler Prins;Verwey’seerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus,zijnmiddel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen.”Hélène Swarthis „het zingende hart in onze letterkunde”, de dichteres met „het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin.”Couperus’ poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de „Orchideeën” zegt Kloos: „Ik wensch den heerCouperusgaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van ’s dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. ’t Is of men een zangeres hoort, dietelkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,—hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid.”

Een raad aan de lezers.En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. „Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij ’t niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen.”

Juiste beeldspraak.Het tweede kenmerk van een goed vers is:juiste beeldspraakd. w. z. de dichter moetwerkelijk gezienhebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.

Rhetorica tegenover poëzie.Tegenover deze werkelijke poëzie staat derhetorica, die gebruik maakt van deoude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.

Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichterzietwerkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bijzijngedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijkde taal van een andergebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricusniet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij eendichternooit gevonden worden.

Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeftHuet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voorpoëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek overTer Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:

„Wat herdren zie ik eenzaam dwalenDe heuvlen langs, de velden door?De lach der blijdschap siert de dalen,De vrede graast de kudde voor.”

„Wat herdren zie ik eenzaam dwalen

De heuvlen langs, de velden door?

De lach der blijdschap siert de dalen,

De vrede graast de kudde voor.”

den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: „Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben.”

Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijkgezienwat daar gezegd wordt, ’t is voor beide niets danklankgeweest. Luister maar naar Kloos:

„Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien „Vrede” (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!”

Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:

„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wankenEn sloeg vandaar den angstig starren blikLangs alle wegen heen om vasten steun.”

„En de onrust bleef op ’tbrandendvraagpunt wanken

En sloeg vandaar den angstig starren blik

Langs alle wegen heen om vasten steun.”

Schaepmanis voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: „oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen.” Daarom keurt Kloos de bekende „Zang der Zuilen” uit deAya Sofiaaf, dat is geen ware beeldspraak. „Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw opwacht staat, doch dat een zuil …. zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt.”

Realisme.Kloos is dus watpoëziebetreft de strijder voorwaarheid: de dichter moet weergeven òfinnerlijk wezenòf de door hem gezienewerkelijkheid(buitenwereld). Datzelfde eischt hij van eenproza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moetwaar, dat isrealistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal „dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo’n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt.”

Op die wijze werkteZola, en in ons landFrans Netscher,Cooplandt,Van Deyssel,Van Looy,Aletrino,Van Groeningen. DezelfdeCouperusdie wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver vanEline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. „Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist.”

Overeenstemming tusschen leven en werken.Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. ’t Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr.Swart Abrahamsz.,waarinMultatulials type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken overDekker’sijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: „de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest.”


Back to IndexNext