Gorters Mei.

Gorters Mei.EERSTE ZANG.De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.TWEEDE ZANG.Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.DERDE ZANG.Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

Gorters Mei.EERSTE ZANG.De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.TWEEDE ZANG.Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.DERDE ZANG.Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

Gorters Mei.EERSTE ZANG.De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.TWEEDE ZANG.Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.DERDE ZANG.Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

Gorters Mei.EERSTE ZANG.De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.TWEEDE ZANG.Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.DERDE ZANG.Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

EERSTE ZANG.De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.

EERSTE ZANG.

De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.

De komst van Mei.Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar ’t strand brengt, een kind „louter, niets dan lieflijkheid”:Mei, de dochter van de zon en de maan. Op ’t rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. ’s Nachts begint het geklaag van de zee, ’t is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei:April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.

Haar tocht.Nu begint de wondere tocht van Mei door ’t land; eerst door de duinen, waar haar „roode voetjes ’t witte zand verstoren,” over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, „de lippen in ’t hol handje.” Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat „een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen.” En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in ’t weiland, de beekvoert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. „Heel Holland vat brand van die vlammetjes.”

Moe legt Mei zich neer in ’t weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.

Ontmoeting met de Stroomnimf.Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. ’t Is eenstroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken „als van herfstkou het water in den stroom rilt.” Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.

Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoortZefyrus, die z’n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op ’t veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in ’t dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. ’s Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.

TWEEDE ZANG.Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.

TWEEDE ZANG.

Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.

Ontmoeting met Balder.Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofdzwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het isBalder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schooneIdoenain Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aanWodanenFreya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan ’t strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, „zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent.”

Mei hoort niets dan de stem van Balder, ’t is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.

De Hemelvaart van Mei.Mijmerend, gebogen, „aan ’t strand van eigen leed”, zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon ’t lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar ’t paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, „de kudde mooie paarden”, ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar ’t godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan ende feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in ’t godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.

Mei en Balder.Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen:’t zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.

DERDE ZANG.Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

DERDE ZANG.

Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”

Mei en de dichter.De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij ’t droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. ’t Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is „bleek, als water is, beneê den mist der beek.”

De dichter keert terug naar Mei en thans—’t is al avond geworden—gaan ze naar de stad, waar ’t huis van dedichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: „te zien der menschen stad, wat die voor werke’ en wezens in zich had.” De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in ’t huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.

De dood van Mei.Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, „als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur” en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in ’t graf gelegd: „daar ligt bedolven mijn kleine Mei”.

De natuurbeschrijving in Mei.Meiis, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door ’t Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met ’t schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al ’t gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en ’t Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op ’t land, de uitgaande school, de smid in z’n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is ’t eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.

„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rookFijn wemelde om heen van schouwen; ookDat zag ze. Glans maakte de zon in blauweEn roode pannen, uit de straat was ’t flauweGerucht hoorbaar der zwarte smederij,Het ijzer blonk onder de hamers. ZijHamerden in cadans de spranken vuur.De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hondRondloopen. Onder groene linde stondEen oud man in de westerzon te zien,En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.Toen ging een schooldeur open en daaruitKwamen een stoet van kinderen, geruitDroegen de meisjes boezelaars, geklosVan klompen en jongensgeschreeuw brak los.Twee vochten er, de rest stond er om heen;Tot meester kwam, toen gingen ze bij tweenEn drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.Zij zag ze hier en daar over ’t landEn brugjes gaan en langs een lage heg.En door de dorpsstraat, waar ze plotseling wegDoken in huis, geborgen onder ’t dak.Toen was ’t weer stil behalve het klikklakVan staal en uit een stal dof koegeloei.”

„Ook lag een dorpje in dat dal, waar rook

Fijn wemelde om heen van schouwen; ook

Dat zag ze. Glans maakte de zon in blauwe

En roode pannen, uit de straat was ’t flauwe

Gerucht hoorbaar der zwarte smederij,

Het ijzer blonk onder de hamers. Zij

Hamerden in cadans de spranken vuur.

De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur-

Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hond

Rondloopen. Onder groene linde stond

Een oud man in de westerzon te zien,

En achter een huis ’n vrouw onkruid te wiên.

Toen ging een schooldeur open en daaruit

Kwamen een stoet van kinderen, geruit

Droegen de meisjes boezelaars, geklos

Van klompen en jongensgeschreeuw brak los.

Twee vochten er, de rest stond er om heen;

Tot meester kwam, toen gingen ze bij tween

En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand.

Zij zag ze hier en daar over ’t land

En brugjes gaan en langs een lage heg.

En door de dorpsstraat, waar ze plotseling weg

Doken in huis, geborgen onder ’t dak.

Toen was ’t weer stil behalve het klikklak

Van staal en uit een stal dof koegeloei.”

Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als ’t ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die ’t geen hij ziet op hem maakt. ’t Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van ’t geheel weergeven.

Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden.Meiis geen forsch gedicht alsEmants’Godenschemering, maar—zooalsKlooshet uitdrukt—„een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid.”

De Balder-figuur.Belangrijk is in Mei de figuur vanBalder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozenLokiverraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenisis in Emants’ Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefdeIdoena(volgens de godenleer was niet Idoena, maarNannaBalders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als ’t ware afgesloten van ’t geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in ’t vervolg niet meer òm zich,maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:

Henen isHeugenisVan lust en droefheid die ik immer droeg,—

Henen is

Heugenis

Van lust en droefheid die ik immer droeg,—

en daartegenover bloeit steeds meer op ’t leven van zijn eigen ziel.

Invloed der muziek.Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: alsmuziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.

— — — Muziek heeft met alle dingenNiets meer gemeen, en alle vreemde zinnenZijn blind voor haar, geen vormen en geen kleurHeeft zij, zij is de lucht gelijk in heurAfwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,Zij is de liefste, allerliefste; moedenDie zich moe leefden aan het zien en smakenDer volle wereld, drinken haar en rakenHaar soms met lippen, willen haar altijd—Zij geeft van alles hun vergetelheid.Zielsleven is muziek.— — — — — —”

— — — Muziek heeft met alle dingen

Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen

Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur

Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur

Afwezigheid voor ’t oog en schijnarmoede,

Zij is de liefste, allerliefste; moeden

Die zich moe leefden aan het zien en smaken

Der volle wereld, drinken haar en raken

Haar soms met lippen, willen haar altijd—

Zij geeft van alles hun vergetelheid.

Zielsleven is muziek.— — — — — —”

Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z’n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.

„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemandDan zij, mag met mij wonen in dit land.”

„Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand

Dan zij, mag met mij wonen in dit land.”

Verhouding tusschen Balder en Mei.Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:

„— — — — wordt nu een kind geborenUit u en mij, dat zal ons toebehoorenGelijkelijk, omdat wij beide zijnElkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”

„— — — — wordt nu een kind geboren

Uit u en mij, dat zal ons toebehooren

Gelijkelijk, omdat wij beide zijn

Elkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.”

Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. ’t Antwoord kon niet anders zijn dan dit:

„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”

„Nooit kan dit zijn, Mei, dat ’k een ander hoore,

Ik Balder, aan een ander; zie ’k ben blind,

’k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”

Balder als symbool van den dichter.Zooals Balder is, is de waredichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.

„Mannen zijn zoo die men dichters heet.Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeetEen uur, een dag lang, en zich zelven hoortEn naar zich luistert, wat geboren wordtAan leven in zich en de wondre dadenDie ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladenWinden met klanke’ en woorden ongehoord.”

„Mannen zijn zoo die men dichters heet.

Een jong man zoo, die ’t slaafsch leven vergeet

Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort

En naar zich luistert, wat geboren wordt

Aan leven in zich en de wondre daden

Die ’t dieper zelf bedrijft, en naar beladen

Winden met klanke’ en woorden ongehoord.”

Gorters taal.Nog een enkele opmerking over detaalvan den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z’n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees ’t gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in ’t begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat vanKloos: „Ja, ’t isals een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. ’t Gaat hèm als ’t meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft—er vielen er reeds vele—als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie.”


Back to IndexNext