Op Hoop van Zegen.Tendenz-werk.Dit tooneelstuk is een echttendenzieuswerk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken vanHeyermansdikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in ’t werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. „Op Hoop van Zegen” echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.De strekking.De strekking van Heyermans’ werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in ’t derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: „de visch wordt duur betaald.” Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in ’t visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.Dat doel heeft hij trachten te bereiken door ’t visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op ’t tooneelweer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we ’t stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is ’t niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op ’t tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.Kniertje.Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis metKniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigenGeerten den 19-jarigenBarend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reederBos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nichtJo, een flinke meid.Barend.Barendheeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. „Bange Barend” wordt zijn naam.Geert.Geertwas bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door ’t „brani-pakje”—hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaargeworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.Jo.DaarnaastJo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.Cobus en Daantje.Verder een troostelooze omgeving:Cobus, een broer van Kniertje, enDaantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de „diakenie”. En ’t zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in ’t Huis. De moeder is „een kreng”. Hier voelen we al het thema dat in „Bloeimaand” later is uitgewerkt.Oude Jelle.Dan de oudeJelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in ’t diakeniehuis: „éen keer lange vingers gehad!”Bos.Daartegenover staatBos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en—niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw—een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij eenzaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al ’t geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die ’t pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de „Weldadige Landgenooten” helpt al heel wat! Men vergelijkeb.v.zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. „Zaken zijn zaken—als je gevoelig wordt, buitel je over den kop”, dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij ’t land aan de „ontevreje rakkers.” „Bij ons geen fratsen” zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.Intrige.En nu de „knoop”. Reeder Bos heeft een oude schuit, de „Op Hoop van Zegen”, die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknechtSimonheeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo’n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: ’t vorige jaar heeft men er nog voor ƒ 14000 haring mee gevangen. ’t Einde is te voorzien: ’t schip gaat in zee, er komt storm en de „Op Hoop van Zegen” vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is ’t eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.Tragische gedeelten.Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en ’t schip dreigde te vergaan. Dan ’t heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op ’t thema: „de visch wordt duur betaald.” Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op ’t kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt.Cobusdie weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent;Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor ’t eerst mee is, moet missen.Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschenJo,CobusenBos, als de dronkenSimonkomt binnenwaggelen en over ’t rotte schip spreekt. Het ontkennenvanBos, van den boekhouder „die niks hoort” en de strijd vanClémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht ’t schip was.Ten slotte de oudeKniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt:Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan;Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouwMathilde; er is een oproep geschreven aan de „Weldadige Landgenooten”, onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in ’t vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van ’t tooneel met een schotel koteletten!Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:1. De geschiedenis met de „Op Hoop van Zegen”.2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.5. Simon, die een dronkaard is geworden na ’t verdrinken van zijn zoontje.Pakkende tooneelen.We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in ’t schrijven van pakkende tooneelen. Zoob.v.telkensaan ’t einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als ’t gordijn zakt.Einde van ’t eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: „Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker …. Zes kindere!….”Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in ’t schip gezien heeft, die voeltdat de schuit vergaan zal—en dan zijn wegleiden door de veldwachters.Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend—Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om ’t huis joelt.Slot vierde bedrijf: ’t Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna ’t voorlezen van de advertentie aan de „Weldadige Landgenooten” door den boekhouder.Trucjes.Allerleikleine trucjesverhoogen den indruk dikwijlsb.v.de langzaam voorbij ’t raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, ’t huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral ’t plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op ’t oogenblik, dat op ’t kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.
Op Hoop van Zegen.Tendenz-werk.Dit tooneelstuk is een echttendenzieuswerk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken vanHeyermansdikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in ’t werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. „Op Hoop van Zegen” echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.De strekking.De strekking van Heyermans’ werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in ’t derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: „de visch wordt duur betaald.” Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in ’t visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.Dat doel heeft hij trachten te bereiken door ’t visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op ’t tooneelweer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we ’t stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is ’t niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op ’t tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.Kniertje.Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis metKniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigenGeerten den 19-jarigenBarend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reederBos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nichtJo, een flinke meid.Barend.Barendheeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. „Bange Barend” wordt zijn naam.Geert.Geertwas bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door ’t „brani-pakje”—hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaargeworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.Jo.DaarnaastJo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.Cobus en Daantje.Verder een troostelooze omgeving:Cobus, een broer van Kniertje, enDaantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de „diakenie”. En ’t zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in ’t Huis. De moeder is „een kreng”. Hier voelen we al het thema dat in „Bloeimaand” later is uitgewerkt.Oude Jelle.Dan de oudeJelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in ’t diakeniehuis: „éen keer lange vingers gehad!”Bos.Daartegenover staatBos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en—niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw—een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij eenzaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al ’t geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die ’t pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de „Weldadige Landgenooten” helpt al heel wat! Men vergelijkeb.v.zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. „Zaken zijn zaken—als je gevoelig wordt, buitel je over den kop”, dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij ’t land aan de „ontevreje rakkers.” „Bij ons geen fratsen” zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.Intrige.En nu de „knoop”. Reeder Bos heeft een oude schuit, de „Op Hoop van Zegen”, die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknechtSimonheeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo’n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: ’t vorige jaar heeft men er nog voor ƒ 14000 haring mee gevangen. ’t Einde is te voorzien: ’t schip gaat in zee, er komt storm en de „Op Hoop van Zegen” vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is ’t eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.Tragische gedeelten.Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en ’t schip dreigde te vergaan. Dan ’t heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op ’t thema: „de visch wordt duur betaald.” Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op ’t kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt.Cobusdie weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent;Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor ’t eerst mee is, moet missen.Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschenJo,CobusenBos, als de dronkenSimonkomt binnenwaggelen en over ’t rotte schip spreekt. Het ontkennenvanBos, van den boekhouder „die niks hoort” en de strijd vanClémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht ’t schip was.Ten slotte de oudeKniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt:Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan;Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouwMathilde; er is een oproep geschreven aan de „Weldadige Landgenooten”, onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in ’t vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van ’t tooneel met een schotel koteletten!Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:1. De geschiedenis met de „Op Hoop van Zegen”.2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.5. Simon, die een dronkaard is geworden na ’t verdrinken van zijn zoontje.Pakkende tooneelen.We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in ’t schrijven van pakkende tooneelen. Zoob.v.telkensaan ’t einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als ’t gordijn zakt.Einde van ’t eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: „Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker …. Zes kindere!….”Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in ’t schip gezien heeft, die voeltdat de schuit vergaan zal—en dan zijn wegleiden door de veldwachters.Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend—Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om ’t huis joelt.Slot vierde bedrijf: ’t Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna ’t voorlezen van de advertentie aan de „Weldadige Landgenooten” door den boekhouder.Trucjes.Allerleikleine trucjesverhoogen den indruk dikwijlsb.v.de langzaam voorbij ’t raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, ’t huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral ’t plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op ’t oogenblik, dat op ’t kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.
Op Hoop van Zegen.Tendenz-werk.Dit tooneelstuk is een echttendenzieuswerk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken vanHeyermansdikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in ’t werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. „Op Hoop van Zegen” echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.De strekking.De strekking van Heyermans’ werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in ’t derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: „de visch wordt duur betaald.” Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in ’t visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.Dat doel heeft hij trachten te bereiken door ’t visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op ’t tooneelweer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we ’t stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is ’t niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op ’t tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.Kniertje.Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis metKniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigenGeerten den 19-jarigenBarend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reederBos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nichtJo, een flinke meid.Barend.Barendheeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. „Bange Barend” wordt zijn naam.Geert.Geertwas bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door ’t „brani-pakje”—hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaargeworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.Jo.DaarnaastJo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.Cobus en Daantje.Verder een troostelooze omgeving:Cobus, een broer van Kniertje, enDaantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de „diakenie”. En ’t zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in ’t Huis. De moeder is „een kreng”. Hier voelen we al het thema dat in „Bloeimaand” later is uitgewerkt.Oude Jelle.Dan de oudeJelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in ’t diakeniehuis: „éen keer lange vingers gehad!”Bos.Daartegenover staatBos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en—niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw—een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij eenzaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al ’t geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die ’t pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de „Weldadige Landgenooten” helpt al heel wat! Men vergelijkeb.v.zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. „Zaken zijn zaken—als je gevoelig wordt, buitel je over den kop”, dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij ’t land aan de „ontevreje rakkers.” „Bij ons geen fratsen” zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.Intrige.En nu de „knoop”. Reeder Bos heeft een oude schuit, de „Op Hoop van Zegen”, die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknechtSimonheeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo’n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: ’t vorige jaar heeft men er nog voor ƒ 14000 haring mee gevangen. ’t Einde is te voorzien: ’t schip gaat in zee, er komt storm en de „Op Hoop van Zegen” vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is ’t eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.Tragische gedeelten.Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en ’t schip dreigde te vergaan. Dan ’t heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op ’t thema: „de visch wordt duur betaald.” Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op ’t kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt.Cobusdie weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent;Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor ’t eerst mee is, moet missen.Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschenJo,CobusenBos, als de dronkenSimonkomt binnenwaggelen en over ’t rotte schip spreekt. Het ontkennenvanBos, van den boekhouder „die niks hoort” en de strijd vanClémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht ’t schip was.Ten slotte de oudeKniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt:Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan;Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouwMathilde; er is een oproep geschreven aan de „Weldadige Landgenooten”, onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in ’t vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van ’t tooneel met een schotel koteletten!Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:1. De geschiedenis met de „Op Hoop van Zegen”.2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.5. Simon, die een dronkaard is geworden na ’t verdrinken van zijn zoontje.Pakkende tooneelen.We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in ’t schrijven van pakkende tooneelen. Zoob.v.telkensaan ’t einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als ’t gordijn zakt.Einde van ’t eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: „Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker …. Zes kindere!….”Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in ’t schip gezien heeft, die voeltdat de schuit vergaan zal—en dan zijn wegleiden door de veldwachters.Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend—Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om ’t huis joelt.Slot vierde bedrijf: ’t Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna ’t voorlezen van de advertentie aan de „Weldadige Landgenooten” door den boekhouder.Trucjes.Allerleikleine trucjesverhoogen den indruk dikwijlsb.v.de langzaam voorbij ’t raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, ’t huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral ’t plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op ’t oogenblik, dat op ’t kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.
Op Hoop van Zegen.
Tendenz-werk.Dit tooneelstuk is een echttendenzieuswerk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken vanHeyermansdikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in ’t werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. „Op Hoop van Zegen” echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.De strekking.De strekking van Heyermans’ werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in ’t derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: „de visch wordt duur betaald.” Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in ’t visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.Dat doel heeft hij trachten te bereiken door ’t visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op ’t tooneelweer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we ’t stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is ’t niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op ’t tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.Kniertje.Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis metKniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigenGeerten den 19-jarigenBarend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reederBos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nichtJo, een flinke meid.Barend.Barendheeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. „Bange Barend” wordt zijn naam.Geert.Geertwas bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door ’t „brani-pakje”—hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaargeworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.Jo.DaarnaastJo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.Cobus en Daantje.Verder een troostelooze omgeving:Cobus, een broer van Kniertje, enDaantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de „diakenie”. En ’t zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in ’t Huis. De moeder is „een kreng”. Hier voelen we al het thema dat in „Bloeimaand” later is uitgewerkt.Oude Jelle.Dan de oudeJelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in ’t diakeniehuis: „éen keer lange vingers gehad!”Bos.Daartegenover staatBos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en—niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw—een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij eenzaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al ’t geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die ’t pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de „Weldadige Landgenooten” helpt al heel wat! Men vergelijkeb.v.zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. „Zaken zijn zaken—als je gevoelig wordt, buitel je over den kop”, dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij ’t land aan de „ontevreje rakkers.” „Bij ons geen fratsen” zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.Intrige.En nu de „knoop”. Reeder Bos heeft een oude schuit, de „Op Hoop van Zegen”, die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknechtSimonheeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo’n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: ’t vorige jaar heeft men er nog voor ƒ 14000 haring mee gevangen. ’t Einde is te voorzien: ’t schip gaat in zee, er komt storm en de „Op Hoop van Zegen” vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is ’t eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.Tragische gedeelten.Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en ’t schip dreigde te vergaan. Dan ’t heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op ’t thema: „de visch wordt duur betaald.” Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op ’t kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt.Cobusdie weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent;Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor ’t eerst mee is, moet missen.Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschenJo,CobusenBos, als de dronkenSimonkomt binnenwaggelen en over ’t rotte schip spreekt. Het ontkennenvanBos, van den boekhouder „die niks hoort” en de strijd vanClémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht ’t schip was.Ten slotte de oudeKniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt:Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan;Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouwMathilde; er is een oproep geschreven aan de „Weldadige Landgenooten”, onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in ’t vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van ’t tooneel met een schotel koteletten!Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:1. De geschiedenis met de „Op Hoop van Zegen”.2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.5. Simon, die een dronkaard is geworden na ’t verdrinken van zijn zoontje.Pakkende tooneelen.We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in ’t schrijven van pakkende tooneelen. Zoob.v.telkensaan ’t einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als ’t gordijn zakt.Einde van ’t eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: „Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker …. Zes kindere!….”Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in ’t schip gezien heeft, die voeltdat de schuit vergaan zal—en dan zijn wegleiden door de veldwachters.Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend—Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om ’t huis joelt.Slot vierde bedrijf: ’t Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna ’t voorlezen van de advertentie aan de „Weldadige Landgenooten” door den boekhouder.Trucjes.Allerleikleine trucjesverhoogen den indruk dikwijlsb.v.de langzaam voorbij ’t raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, ’t huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral ’t plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op ’t oogenblik, dat op ’t kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.
Tendenz-werk.Dit tooneelstuk is een echttendenzieuswerk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken vanHeyermansdikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in ’t werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. „Op Hoop van Zegen” echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.
De strekking.De strekking van Heyermans’ werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in ’t derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: „de visch wordt duur betaald.” Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in ’t visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.
Dat doel heeft hij trachten te bereiken door ’t visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op ’t tooneelweer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we ’t stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is ’t niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op ’t tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.
Kniertje.Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis metKniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigenGeerten den 19-jarigenBarend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reederBos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nichtJo, een flinke meid.
Barend.Barendheeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. „Bange Barend” wordt zijn naam.
Geert.Geertwas bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door ’t „brani-pakje”—hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaargeworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.
Jo.DaarnaastJo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.
Cobus en Daantje.Verder een troostelooze omgeving:Cobus, een broer van Kniertje, enDaantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de „diakenie”. En ’t zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in ’t Huis. De moeder is „een kreng”. Hier voelen we al het thema dat in „Bloeimaand” later is uitgewerkt.
Oude Jelle.Dan de oudeJelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in ’t diakeniehuis: „éen keer lange vingers gehad!”
Bos.Daartegenover staatBos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en—niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw—een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij eenzaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al ’t geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die ’t pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de „Weldadige Landgenooten” helpt al heel wat! Men vergelijkeb.v.zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. „Zaken zijn zaken—als je gevoelig wordt, buitel je over den kop”, dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij ’t land aan de „ontevreje rakkers.” „Bij ons geen fratsen” zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.
Intrige.En nu de „knoop”. Reeder Bos heeft een oude schuit, de „Op Hoop van Zegen”, die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknechtSimonheeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo’n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: ’t vorige jaar heeft men er nog voor ƒ 14000 haring mee gevangen. ’t Einde is te voorzien: ’t schip gaat in zee, er komt storm en de „Op Hoop van Zegen” vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is ’t eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.
Tragische gedeelten.Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en ’t schip dreigde te vergaan. Dan ’t heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op ’t thema: „de visch wordt duur betaald.” Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.
En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op ’t kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt.Cobusdie weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent;Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor ’t eerst mee is, moet missen.Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschenJo,CobusenBos, als de dronkenSimonkomt binnenwaggelen en over ’t rotte schip spreekt. Het ontkennenvanBos, van den boekhouder „die niks hoort” en de strijd vanClémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht ’t schip was.
Ten slotte de oudeKniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt:Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan;Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouwMathilde; er is een oproep geschreven aan de „Weldadige Landgenooten”, onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in ’t vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van ’t tooneel met een schotel koteletten!
Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:
1. De geschiedenis met de „Op Hoop van Zegen”.
2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.
3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.
4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.
5. Simon, die een dronkaard is geworden na ’t verdrinken van zijn zoontje.
Pakkende tooneelen.We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in ’t schrijven van pakkende tooneelen. Zoob.v.telkensaan ’t einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als ’t gordijn zakt.
Einde van ’t eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: „Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker …. Zes kindere!….”
Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in ’t schip gezien heeft, die voeltdat de schuit vergaan zal—en dan zijn wegleiden door de veldwachters.
Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend—Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om ’t huis joelt.
Slot vierde bedrijf: ’t Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna ’t voorlezen van de advertentie aan de „Weldadige Landgenooten” door den boekhouder.
Trucjes.Allerleikleine trucjesverhoogen den indruk dikwijlsb.v.de langzaam voorbij ’t raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, ’t huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral ’t plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op ’t oogenblik, dat op ’t kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.