Het Wederzijdsch Huwelijks Bedrog.Doel.Langendijk ging bij ’t schrijven van zijn blijspelen uit van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op ’t tooneelbespottelijkgemaakt worden, zoodat de menschen ook in ’t werkelijke leven er om gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding van ’t hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken behooren op ’t tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander „spelen van dat slag” dichtten. Aan ’t slot van de voorrede geeft Langendijk aan, welke ondeugd hij aan de kaak wil stellenn.l.„een gebrek, dat al veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.”Om nu een goed inzicht in den bouw van ’t werk te krijgen, moet men vooral dit doel goed in ’t oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk de strekking bizonder op den voorgrondis geschoven en al ’t andere daaraan ondergeschikt is gemaakt.Dehoofdpersonenzijn zeer zekerkaalengrootschen trachten het laatste door bedrog staande te houden.Karakterteekening. Lodewijk.Lodewijkis geboren in Utrecht en van „oud en ad’lijk bloed”, maar doodarm. Hij heeft vroeg uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd (’t is in den tijd van den Spaanschen Successie-oorlog,vgl.b.v.1091–1113, waar over de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die ’t paard van zijn kapitein heeft gestolen. ’t Gevolg is dan ook datJanheel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt uit zijn verzuchting:„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,Die niemand weten mag.”Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze menb.v.vers 126–128„— — — — — — wij zullen alles deelen,Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,En and’re kneepen.”’t Zijn dusvalsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel meedoen, hij is „hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal”, er moet geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt zijn trots niet.We weten dus in ’t begin van ’t stuk dadelijk al hoe ’t met Lodewijk gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat is het „huwelijksbedrog” van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in „den Gouden Muizenval” gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.a.Hij koopt juweelen voor Charlotte.b.Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op ’t oogenblik niet meer dan een bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.c.Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.d.De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.Charlotte.Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij ’t anderen tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:Charlotteis eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk ingelicht door ’t gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door ’t geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer „kaale grootsheid.” Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten, en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.’t Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel geld geërfd hebben vaneen oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer, om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.Wel kan dus gesproken worden van een „Wederzijdsch Huwelijksbedrog”!Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen, ’t andere is dan ook bijwerk.Konstance.Konstanceis volstrekt niet beter dan Charlotte, misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen op de eer van haar dochter op ’t spel te zetten, alleen opdat later geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.Klaar en Jan.VanKlaarenJanis in den loop der bespreking al een en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen, zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in ’t blijspel ’t geval is, voor een goed deel ’t komische elementb.v.hunne liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar iseenechte brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze, waarop ze tegen Karel spreekt in ’t bijzijn van hare meesteres. Slim is ze, dat bewijsthare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men lezeb.v.nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan: ’t is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is ’t dan ook barones van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk ook van adel!Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij ’t hoofd is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger, die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.Karel.Karelspeelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers ontmaskert de beide bedriegers, maar …. blijkt toch zelf ook een bedrieger te zijn, ook hij is door de „kale grootschheid” aangetast en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.’t Komische.We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor Langendijk het komische van ’t stuk tracht te verhoogen.1. Door ’t radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen gebeurt.2. ’t Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat (b.v.vers 8–23). In ’t begin van de „Wiskunstenaars” van Langendijk komt een dergelijk trucje voor.3. Allerlei opmerkingen worden ter zijde gezegdb.v.door Klaar.4. Door eigenaardige uitdrukkingen, die een bepaald persoon gebruikt,b.v.de zegswijze van den Waard: „dat je ’tvat,” wat dan direct door Jan nagebootst wordt. Een dergelijk middel gebruiktHildebrandin „De Familie Stastok” („Al zeg ik ’t zelf,” „heeremetijd,” „waratje”).5. Door komisch rijm.„En groet genadig uw koezijn,Den heer Baron van Schraalenstein;Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.Hans Yzerfresser,secretaris.”6. Door de traditioneele stokslagen (tooneel tusschen Jan en Hans).Satire.Evenals in vele andere blijspelen vinden we ook in ’t „Wederzijds Huwelijksbedrog” vele satirische opmerkingen over verschillende dingen,b.v.:1. De grootschheid van vele bewoners van Utrecht: ieder die van Utrecht komt is van adel.„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”vraagt Jan aan Klaar.2. ’t Bespottelijk maken van de herdersromans.„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,Een herder koning.”3. ’t Zelfde gebeurt met de rederijkerij door ’t prachtige minnedicht, dat Jan vervaardigd heeft.4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen voorstellen, dat volgens Klaartje, het „a. b. c. in grooten nood is.”5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn klanten „Snijen van de beurs,” „dat is te Utrecht zo de wijs.” ’t Is een waard als in de „Wiskunstenaars”; volgens den knecht Filippijn hangt voor diens logement „de schaar uit” en de Waard uit ons tooneelstuk is bezitter van „de Gouden Muizenval.” Een veelzeggende naam voor een herberg!
Het Wederzijdsch Huwelijks Bedrog.Doel.Langendijk ging bij ’t schrijven van zijn blijspelen uit van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op ’t tooneelbespottelijkgemaakt worden, zoodat de menschen ook in ’t werkelijke leven er om gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding van ’t hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken behooren op ’t tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander „spelen van dat slag” dichtten. Aan ’t slot van de voorrede geeft Langendijk aan, welke ondeugd hij aan de kaak wil stellenn.l.„een gebrek, dat al veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.”Om nu een goed inzicht in den bouw van ’t werk te krijgen, moet men vooral dit doel goed in ’t oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk de strekking bizonder op den voorgrondis geschoven en al ’t andere daaraan ondergeschikt is gemaakt.Dehoofdpersonenzijn zeer zekerkaalengrootschen trachten het laatste door bedrog staande te houden.Karakterteekening. Lodewijk.Lodewijkis geboren in Utrecht en van „oud en ad’lijk bloed”, maar doodarm. Hij heeft vroeg uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd (’t is in den tijd van den Spaanschen Successie-oorlog,vgl.b.v.1091–1113, waar over de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die ’t paard van zijn kapitein heeft gestolen. ’t Gevolg is dan ook datJanheel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt uit zijn verzuchting:„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,Die niemand weten mag.”Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze menb.v.vers 126–128„— — — — — — wij zullen alles deelen,Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,En and’re kneepen.”’t Zijn dusvalsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel meedoen, hij is „hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal”, er moet geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt zijn trots niet.We weten dus in ’t begin van ’t stuk dadelijk al hoe ’t met Lodewijk gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat is het „huwelijksbedrog” van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in „den Gouden Muizenval” gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.a.Hij koopt juweelen voor Charlotte.b.Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op ’t oogenblik niet meer dan een bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.c.Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.d.De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.Charlotte.Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij ’t anderen tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:Charlotteis eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk ingelicht door ’t gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door ’t geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer „kaale grootsheid.” Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten, en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.’t Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel geld geërfd hebben vaneen oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer, om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.Wel kan dus gesproken worden van een „Wederzijdsch Huwelijksbedrog”!Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen, ’t andere is dan ook bijwerk.Konstance.Konstanceis volstrekt niet beter dan Charlotte, misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen op de eer van haar dochter op ’t spel te zetten, alleen opdat later geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.Klaar en Jan.VanKlaarenJanis in den loop der bespreking al een en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen, zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in ’t blijspel ’t geval is, voor een goed deel ’t komische elementb.v.hunne liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar iseenechte brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze, waarop ze tegen Karel spreekt in ’t bijzijn van hare meesteres. Slim is ze, dat bewijsthare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men lezeb.v.nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan: ’t is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is ’t dan ook barones van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk ook van adel!Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij ’t hoofd is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger, die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.Karel.Karelspeelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers ontmaskert de beide bedriegers, maar …. blijkt toch zelf ook een bedrieger te zijn, ook hij is door de „kale grootschheid” aangetast en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.’t Komische.We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor Langendijk het komische van ’t stuk tracht te verhoogen.1. Door ’t radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen gebeurt.2. ’t Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat (b.v.vers 8–23). In ’t begin van de „Wiskunstenaars” van Langendijk komt een dergelijk trucje voor.3. Allerlei opmerkingen worden ter zijde gezegdb.v.door Klaar.4. Door eigenaardige uitdrukkingen, die een bepaald persoon gebruikt,b.v.de zegswijze van den Waard: „dat je ’tvat,” wat dan direct door Jan nagebootst wordt. Een dergelijk middel gebruiktHildebrandin „De Familie Stastok” („Al zeg ik ’t zelf,” „heeremetijd,” „waratje”).5. Door komisch rijm.„En groet genadig uw koezijn,Den heer Baron van Schraalenstein;Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.Hans Yzerfresser,secretaris.”6. Door de traditioneele stokslagen (tooneel tusschen Jan en Hans).Satire.Evenals in vele andere blijspelen vinden we ook in ’t „Wederzijds Huwelijksbedrog” vele satirische opmerkingen over verschillende dingen,b.v.:1. De grootschheid van vele bewoners van Utrecht: ieder die van Utrecht komt is van adel.„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”vraagt Jan aan Klaar.2. ’t Bespottelijk maken van de herdersromans.„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,Een herder koning.”3. ’t Zelfde gebeurt met de rederijkerij door ’t prachtige minnedicht, dat Jan vervaardigd heeft.4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen voorstellen, dat volgens Klaartje, het „a. b. c. in grooten nood is.”5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn klanten „Snijen van de beurs,” „dat is te Utrecht zo de wijs.” ’t Is een waard als in de „Wiskunstenaars”; volgens den knecht Filippijn hangt voor diens logement „de schaar uit” en de Waard uit ons tooneelstuk is bezitter van „de Gouden Muizenval.” Een veelzeggende naam voor een herberg!
Het Wederzijdsch Huwelijks Bedrog.Doel.Langendijk ging bij ’t schrijven van zijn blijspelen uit van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op ’t tooneelbespottelijkgemaakt worden, zoodat de menschen ook in ’t werkelijke leven er om gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding van ’t hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken behooren op ’t tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander „spelen van dat slag” dichtten. Aan ’t slot van de voorrede geeft Langendijk aan, welke ondeugd hij aan de kaak wil stellenn.l.„een gebrek, dat al veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.”Om nu een goed inzicht in den bouw van ’t werk te krijgen, moet men vooral dit doel goed in ’t oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk de strekking bizonder op den voorgrondis geschoven en al ’t andere daaraan ondergeschikt is gemaakt.Dehoofdpersonenzijn zeer zekerkaalengrootschen trachten het laatste door bedrog staande te houden.Karakterteekening. Lodewijk.Lodewijkis geboren in Utrecht en van „oud en ad’lijk bloed”, maar doodarm. Hij heeft vroeg uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd (’t is in den tijd van den Spaanschen Successie-oorlog,vgl.b.v.1091–1113, waar over de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die ’t paard van zijn kapitein heeft gestolen. ’t Gevolg is dan ook datJanheel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt uit zijn verzuchting:„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,Die niemand weten mag.”Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze menb.v.vers 126–128„— — — — — — wij zullen alles deelen,Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,En and’re kneepen.”’t Zijn dusvalsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel meedoen, hij is „hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal”, er moet geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt zijn trots niet.We weten dus in ’t begin van ’t stuk dadelijk al hoe ’t met Lodewijk gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat is het „huwelijksbedrog” van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in „den Gouden Muizenval” gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.a.Hij koopt juweelen voor Charlotte.b.Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op ’t oogenblik niet meer dan een bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.c.Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.d.De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.Charlotte.Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij ’t anderen tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:Charlotteis eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk ingelicht door ’t gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door ’t geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer „kaale grootsheid.” Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten, en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.’t Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel geld geërfd hebben vaneen oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer, om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.Wel kan dus gesproken worden van een „Wederzijdsch Huwelijksbedrog”!Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen, ’t andere is dan ook bijwerk.Konstance.Konstanceis volstrekt niet beter dan Charlotte, misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen op de eer van haar dochter op ’t spel te zetten, alleen opdat later geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.Klaar en Jan.VanKlaarenJanis in den loop der bespreking al een en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen, zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in ’t blijspel ’t geval is, voor een goed deel ’t komische elementb.v.hunne liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar iseenechte brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze, waarop ze tegen Karel spreekt in ’t bijzijn van hare meesteres. Slim is ze, dat bewijsthare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men lezeb.v.nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan: ’t is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is ’t dan ook barones van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk ook van adel!Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij ’t hoofd is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger, die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.Karel.Karelspeelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers ontmaskert de beide bedriegers, maar …. blijkt toch zelf ook een bedrieger te zijn, ook hij is door de „kale grootschheid” aangetast en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.’t Komische.We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor Langendijk het komische van ’t stuk tracht te verhoogen.1. Door ’t radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen gebeurt.2. ’t Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat (b.v.vers 8–23). In ’t begin van de „Wiskunstenaars” van Langendijk komt een dergelijk trucje voor.3. Allerlei opmerkingen worden ter zijde gezegdb.v.door Klaar.4. Door eigenaardige uitdrukkingen, die een bepaald persoon gebruikt,b.v.de zegswijze van den Waard: „dat je ’tvat,” wat dan direct door Jan nagebootst wordt. Een dergelijk middel gebruiktHildebrandin „De Familie Stastok” („Al zeg ik ’t zelf,” „heeremetijd,” „waratje”).5. Door komisch rijm.„En groet genadig uw koezijn,Den heer Baron van Schraalenstein;Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.Hans Yzerfresser,secretaris.”6. Door de traditioneele stokslagen (tooneel tusschen Jan en Hans).Satire.Evenals in vele andere blijspelen vinden we ook in ’t „Wederzijds Huwelijksbedrog” vele satirische opmerkingen over verschillende dingen,b.v.:1. De grootschheid van vele bewoners van Utrecht: ieder die van Utrecht komt is van adel.„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”vraagt Jan aan Klaar.2. ’t Bespottelijk maken van de herdersromans.„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,Een herder koning.”3. ’t Zelfde gebeurt met de rederijkerij door ’t prachtige minnedicht, dat Jan vervaardigd heeft.4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen voorstellen, dat volgens Klaartje, het „a. b. c. in grooten nood is.”5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn klanten „Snijen van de beurs,” „dat is te Utrecht zo de wijs.” ’t Is een waard als in de „Wiskunstenaars”; volgens den knecht Filippijn hangt voor diens logement „de schaar uit” en de Waard uit ons tooneelstuk is bezitter van „de Gouden Muizenval.” Een veelzeggende naam voor een herberg!
Het Wederzijdsch Huwelijks Bedrog.
Doel.Langendijk ging bij ’t schrijven van zijn blijspelen uit van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op ’t tooneelbespottelijkgemaakt worden, zoodat de menschen ook in ’t werkelijke leven er om gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding van ’t hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken behooren op ’t tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander „spelen van dat slag” dichtten. Aan ’t slot van de voorrede geeft Langendijk aan, welke ondeugd hij aan de kaak wil stellenn.l.„een gebrek, dat al veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.”Om nu een goed inzicht in den bouw van ’t werk te krijgen, moet men vooral dit doel goed in ’t oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk de strekking bizonder op den voorgrondis geschoven en al ’t andere daaraan ondergeschikt is gemaakt.Dehoofdpersonenzijn zeer zekerkaalengrootschen trachten het laatste door bedrog staande te houden.Karakterteekening. Lodewijk.Lodewijkis geboren in Utrecht en van „oud en ad’lijk bloed”, maar doodarm. Hij heeft vroeg uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd (’t is in den tijd van den Spaanschen Successie-oorlog,vgl.b.v.1091–1113, waar over de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die ’t paard van zijn kapitein heeft gestolen. ’t Gevolg is dan ook datJanheel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt uit zijn verzuchting:„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,Die niemand weten mag.”Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze menb.v.vers 126–128„— — — — — — wij zullen alles deelen,Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,En and’re kneepen.”’t Zijn dusvalsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel meedoen, hij is „hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal”, er moet geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt zijn trots niet.We weten dus in ’t begin van ’t stuk dadelijk al hoe ’t met Lodewijk gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat is het „huwelijksbedrog” van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in „den Gouden Muizenval” gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.a.Hij koopt juweelen voor Charlotte.b.Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op ’t oogenblik niet meer dan een bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.c.Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.d.De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.Charlotte.Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij ’t anderen tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:Charlotteis eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk ingelicht door ’t gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door ’t geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer „kaale grootsheid.” Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten, en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.’t Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel geld geërfd hebben vaneen oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer, om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.Wel kan dus gesproken worden van een „Wederzijdsch Huwelijksbedrog”!Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen, ’t andere is dan ook bijwerk.Konstance.Konstanceis volstrekt niet beter dan Charlotte, misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen op de eer van haar dochter op ’t spel te zetten, alleen opdat later geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.Klaar en Jan.VanKlaarenJanis in den loop der bespreking al een en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen, zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in ’t blijspel ’t geval is, voor een goed deel ’t komische elementb.v.hunne liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar iseenechte brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze, waarop ze tegen Karel spreekt in ’t bijzijn van hare meesteres. Slim is ze, dat bewijsthare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men lezeb.v.nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan: ’t is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is ’t dan ook barones van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk ook van adel!Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij ’t hoofd is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger, die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.Karel.Karelspeelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers ontmaskert de beide bedriegers, maar …. blijkt toch zelf ook een bedrieger te zijn, ook hij is door de „kale grootschheid” aangetast en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.’t Komische.We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor Langendijk het komische van ’t stuk tracht te verhoogen.1. Door ’t radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen gebeurt.2. ’t Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat (b.v.vers 8–23). In ’t begin van de „Wiskunstenaars” van Langendijk komt een dergelijk trucje voor.3. Allerlei opmerkingen worden ter zijde gezegdb.v.door Klaar.4. Door eigenaardige uitdrukkingen, die een bepaald persoon gebruikt,b.v.de zegswijze van den Waard: „dat je ’tvat,” wat dan direct door Jan nagebootst wordt. Een dergelijk middel gebruiktHildebrandin „De Familie Stastok” („Al zeg ik ’t zelf,” „heeremetijd,” „waratje”).5. Door komisch rijm.„En groet genadig uw koezijn,Den heer Baron van Schraalenstein;Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.Hans Yzerfresser,secretaris.”6. Door de traditioneele stokslagen (tooneel tusschen Jan en Hans).Satire.Evenals in vele andere blijspelen vinden we ook in ’t „Wederzijds Huwelijksbedrog” vele satirische opmerkingen over verschillende dingen,b.v.:1. De grootschheid van vele bewoners van Utrecht: ieder die van Utrecht komt is van adel.„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”vraagt Jan aan Klaar.2. ’t Bespottelijk maken van de herdersromans.„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,Een herder koning.”3. ’t Zelfde gebeurt met de rederijkerij door ’t prachtige minnedicht, dat Jan vervaardigd heeft.4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen voorstellen, dat volgens Klaartje, het „a. b. c. in grooten nood is.”5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn klanten „Snijen van de beurs,” „dat is te Utrecht zo de wijs.” ’t Is een waard als in de „Wiskunstenaars”; volgens den knecht Filippijn hangt voor diens logement „de schaar uit” en de Waard uit ons tooneelstuk is bezitter van „de Gouden Muizenval.” Een veelzeggende naam voor een herberg!
Doel.Langendijk ging bij ’t schrijven van zijn blijspelen uit van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op ’t tooneelbespottelijkgemaakt worden, zoodat de menschen ook in ’t werkelijke leven er om gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding van ’t hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken behooren op ’t tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander „spelen van dat slag” dichtten. Aan ’t slot van de voorrede geeft Langendijk aan, welke ondeugd hij aan de kaak wil stellenn.l.„een gebrek, dat al veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn, en het laatste door bedrog staande te houden.”
Om nu een goed inzicht in den bouw van ’t werk te krijgen, moet men vooral dit doel goed in ’t oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk de strekking bizonder op den voorgrondis geschoven en al ’t andere daaraan ondergeschikt is gemaakt.
Dehoofdpersonenzijn zeer zekerkaalengrootschen trachten het laatste door bedrog staande te houden.
Karakterteekening. Lodewijk.Lodewijkis geboren in Utrecht en van „oud en ad’lijk bloed”, maar doodarm. Hij heeft vroeg uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd (’t is in den tijd van den Spaanschen Successie-oorlog,vgl.b.v.1091–1113, waar over de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die ’t paard van zijn kapitein heeft gestolen. ’t Gevolg is dan ook datJanheel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:
„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”
„Wat zou ’t je helpen, heer? je beurs is plat en schraal.”
Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt uit zijn verzuchting:
„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,Die niemand weten mag.”
„Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,
En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,
Die niemand weten mag.”
Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze menb.v.vers 126–128
„— — — — — — wij zullen alles deelen,Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,En and’re kneepen.”
„— — — — — — wij zullen alles deelen,
Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,
En and’re kneepen.”
’t Zijn dusvalsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel meedoen, hij is „hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal”, er moet geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt zijn trots niet.
We weten dus in ’t begin van ’t stuk dadelijk al hoe ’t met Lodewijk gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat is het „huwelijksbedrog” van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in „den Gouden Muizenval” gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.
a.Hij koopt juweelen voor Charlotte.
b.Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op ’t oogenblik niet meer dan een bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.
c.Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.
d.De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.
Charlotte.Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij ’t anderen tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:Charlotteis eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk ingelicht door ’t gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door ’t geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer „kaale grootsheid.” Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten, en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.
’t Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel geld geërfd hebben vaneen oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer, om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.
Wel kan dus gesproken worden van een „Wederzijdsch Huwelijksbedrog”!
Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen, ’t andere is dan ook bijwerk.
Konstance.Konstanceis volstrekt niet beter dan Charlotte, misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen op de eer van haar dochter op ’t spel te zetten, alleen opdat later geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.
Klaar en Jan.VanKlaarenJanis in den loop der bespreking al een en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen, zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in ’t blijspel ’t geval is, voor een goed deel ’t komische elementb.v.hunne liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar iseenechte brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze, waarop ze tegen Karel spreekt in ’t bijzijn van hare meesteres. Slim is ze, dat bewijsthare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men lezeb.v.nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan: ’t is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is ’t dan ook barones van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk ook van adel!
Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij ’t hoofd is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger, die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.
Karel.Karelspeelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers ontmaskert de beide bedriegers, maar …. blijkt toch zelf ook een bedrieger te zijn, ook hij is door de „kale grootschheid” aangetast en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.
’t Komische.We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor Langendijk het komische van ’t stuk tracht te verhoogen.
1. Door ’t radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen gebeurt.
2. ’t Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat (b.v.vers 8–23). In ’t begin van de „Wiskunstenaars” van Langendijk komt een dergelijk trucje voor.
3. Allerlei opmerkingen worden ter zijde gezegdb.v.door Klaar.
4. Door eigenaardige uitdrukkingen, die een bepaald persoon gebruikt,b.v.de zegswijze van den Waard: „dat je ’tvat,” wat dan direct door Jan nagebootst wordt. Een dergelijk middel gebruiktHildebrandin „De Familie Stastok” („Al zeg ik ’t zelf,” „heeremetijd,” „waratje”).
5. Door komisch rijm.
„En groet genadig uw koezijn,Den heer Baron van Schraalenstein;Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.Hans Yzerfresser,secretaris.”
„En groet genadig uw koezijn,
Den heer Baron van Schraalenstein;
Wiens quaal ik hoop dat nu nietzwaar is.
Hans Yzerfresser,secretaris.”
6. Door de traditioneele stokslagen (tooneel tusschen Jan en Hans).
Satire.Evenals in vele andere blijspelen vinden we ook in ’t „Wederzijds Huwelijksbedrog” vele satirische opmerkingen over verschillende dingen,b.v.:
1. De grootschheid van vele bewoners van Utrecht: ieder die van Utrecht komt is van adel.
„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”
„Je woont in Utrecht, zou je niet van adel weezen?”
vraagt Jan aan Klaar.
2. ’t Bespottelijk maken van de herdersromans.
„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,Een herder koning.”
„’t Is ’t ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;
Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,
Een herder koning.”
3. ’t Zelfde gebeurt met de rederijkerij door ’t prachtige minnedicht, dat Jan vervaardigd heeft.
4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen voorstellen, dat volgens Klaartje, het „a. b. c. in grooten nood is.”
5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn klanten „Snijen van de beurs,” „dat is te Utrecht zo de wijs.” ’t Is een waard als in de „Wiskunstenaars”; volgens den knecht Filippijn hangt voor diens logement „de schaar uit” en de Waard uit ons tooneelstuk is bezitter van „de Gouden Muizenval.” Een veelzeggende naam voor een herberg!