Saartje Burgerhart.Doel.In de voorrede aan de „Nederlandsche Juffers” geven de schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, „dat een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen te storten.” Tevens zullen ze in ’t licht stellen, dat dergelijke meisjes de leiding noodig hebben van„vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden.” (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juistBetje Wolffeen dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen aan Betje’s eigen leven; ook zij was iemand met „een overmaat van levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!”Briefvorm.De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral hetinnerlijk levenvan de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde kan gezegd worden van den „dagboekvorm” die in de laatste jaren nogal eens gebruikt wordt.Oorspronkelijkheid.Bovendien wilden de schrijfsters eenecht Nederlandschen romanleveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat hij deeigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede blz. XXXII-XXXIII).Het „niet vertaalt” op ’t titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.Bespreking van de verschillende personen.Saartje.Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet, dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is: Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante, die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen, de voogdAbraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.Bijna niemand zou ’t bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje wel ’t allerminst. Haar voornaamste eigenschap islevenslust, ze is een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt, veel houdt van muziek, en van ’t leven wil genieten. Lief hebben wil ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt, dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven aan Anna Willis (13een 63ebrief).’t Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje ’t huis van haar tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandigeAnna Willis: „zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige opdissching daarvan, overladen?” Saartje zelf ziet er niet het minste kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van ’t leven te genieten; „als de kring afgeloopen is”, zal ze wel tot rustkomen. Maar dat is niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig, die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.Die les is ’t geval met den verleider. „Dat het meisje gelukkig ter plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval” (vgl.vooral de voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.De weduwe Spilgoed.Deweduwe Spilgoedwordt ons geschilderd als een „engelachtige vrouw”, van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt, waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het plan van R. voorloopigverijdeldwordt. Trouwens haar eigen vroeger leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig geworden.De weduwe Willis.Naast deze dame leeren we een andere verstandige vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. deweduwe Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoonWillem, die Saartje lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd ongelukkig maken.Anna Willis.De waardige dochter dezer verstandige moeder isAnna Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En dat niet zoozeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer ’t spreekwoord van den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje (58een 63ebrief). De „ontdekkende predikatiën” van Saartje hebben blijkbaar een goeden invloed op ’t hart van hare vriendin.Letje Bruinier.Een geheel ander meisje isLetje Bruinier, zij is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins „luchtig”, maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigenWillem Willisen later eene degelijke huismoeder.Abraham Blankaert.Abraham Blankaertis ’t type van den eerlijken, ronden koopman die ’t leven van den vroolijken kant opvat en met een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt, vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen, een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen: zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid; Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert, maar dat we toch gaarne over ’t hoofd zien: het te koop loopen met zijn eigen deugden.Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, ’t is meer een eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de „fijnen”, die den godsdienst gebruiken omallerlei leelijks te verbergen. Hij is dan ook „eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk bedrogen”. Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartjeb.v.: „Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen.” Men vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.Hendrik Edeling.Hendrik Edelingis „een onzer allerbeste jongelieden”, „een braaf, verstandig man”. Hij is juist de echtgenoot die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis, die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben ingewilligd, nooit haar man worden. EnJacob Bruinier(Cootje!) is goed als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan Abraham Blankaert schrijft: „Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord, die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt.”Suzanna Hofland.Tegenover al deze deugdzame menschen staanSuzanna Hofland,Cornelia Slimpslamp,Broeder Benjamin,Brecht, ende heer R.die de „gemeene” rollen vervullen.Suzanna Hoflandwas als oudere zuster van Saartje’s moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl „om haar geen liefhebbers kwamen”, misschien wel omdat ze „juist niet heel ooglijk was”. Zij voegde zich daarom bij de „fijnen”, niet uit innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien ook hoopte ze aan een der „broertjes” te behagen! In elk geval schijnt tante Suzanna in haar jeugd nog al „een rare schommel” geweest te zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een hoofdzonde bij:de gierigheid.Blankaert betitelt haar met den eerenaam „geveinsde inhalige feeks;” zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks voor Saartje betaald en ’t meisje „lijdt juist geen honger, maar ’t scheelt niet veel”. Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. ’t Is daarom goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die kwetsbare plek te treffen, „de Heere bezoekt haar om hare gierigheid.”Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.Cornelia Slimpslampenbroeder Benjaminzijn huichelaars, „die onder den dekmantel der godzaligheid” de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk, „dierbare” briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan „een zot dier, dat hen dient om de smul”. Blankaert waarschuwt tante genoeg: „Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier,” maar „Sanne” luistert niet. Vooral Benjamin trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal trouwen. Waarschijnlijk is ’t vooral Cornelia Slimpslamp geweest die dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn medeplichtige „den fijnen Filebout uithangt”. (Men vergelijke vooral den toon van brief 110 met dien van brief 111).Brecht.Brechteindelijk is een „oude, leelijke, zotte hottentot van een meid, een dronken todde”, die bij tante een lekker lui leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar „wijn hebben ingeperst”.De Heer R.De heer R.behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de wereld, voor ’t oog een gentleman, altijd even voorkomend—een wolf in schaapskleeren.Alleen in zijn brieven aan „den heer G.” toont hij zich in zijn ware gedaante.Hekelend karakter.Zooals we onder de hand reeds zagen treedt dikwijls in den roman ’t hekelend karakter naar voren. In dit opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op ’t vele goede in de maatschappij. Dat dit in den roman ’t geval is, is te minder te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen waarover gesproken wordt.1.Over den Godsdienst.De schrijfsters willen „geen lijdend, maar een werkend Christendom”, in ’t algemeen stellen ze eendeugdzaam levenop den voorgrond.Stijntje Doorzichtis voor haar ’t type van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133stenbrief over deze „fijnen” schrijft aan Suzanne Hofland.Gematigdheidstellen de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als domineeRedelijken den proponentSmit, daarom laten zeAbraham Blankaertden koppigenJan Edelingeens flink de les lezen.2.Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij concerten, (43ebrief).3.Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouwHartog. De schrijfsters vinden dat de eenvoudigeLotjenog „veel meer nut in de wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog, als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft.”4.Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van ’t eenvoudige volk, vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze ’t vermakelijke gesprek van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58ebrief).5.Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen(43ebrief). Men vergelijke het avondje dat in de „Familie Stastok” beschreven wordt.Bij ’t lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo is LotjeRien-du-Toutwerkelijk een „niemendal”, en behoort MejuffrouwBuigzaamtot „het geslacht der Buigzamen.” De namen zijn gekozen in verband met het karakter der personen, men denkeb.v.aanEdeling,Blankaert,Spilgoed,Redeling, broederBenjamin, CorneliaSlimpslampen StijntjeDoorzicht.
Saartje Burgerhart.Doel.In de voorrede aan de „Nederlandsche Juffers” geven de schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, „dat een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen te storten.” Tevens zullen ze in ’t licht stellen, dat dergelijke meisjes de leiding noodig hebben van„vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden.” (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juistBetje Wolffeen dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen aan Betje’s eigen leven; ook zij was iemand met „een overmaat van levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!”Briefvorm.De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral hetinnerlijk levenvan de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde kan gezegd worden van den „dagboekvorm” die in de laatste jaren nogal eens gebruikt wordt.Oorspronkelijkheid.Bovendien wilden de schrijfsters eenecht Nederlandschen romanleveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat hij deeigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede blz. XXXII-XXXIII).Het „niet vertaalt” op ’t titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.Bespreking van de verschillende personen.Saartje.Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet, dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is: Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante, die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen, de voogdAbraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.Bijna niemand zou ’t bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje wel ’t allerminst. Haar voornaamste eigenschap islevenslust, ze is een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt, veel houdt van muziek, en van ’t leven wil genieten. Lief hebben wil ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt, dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven aan Anna Willis (13een 63ebrief).’t Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje ’t huis van haar tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandigeAnna Willis: „zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige opdissching daarvan, overladen?” Saartje zelf ziet er niet het minste kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van ’t leven te genieten; „als de kring afgeloopen is”, zal ze wel tot rustkomen. Maar dat is niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig, die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.Die les is ’t geval met den verleider. „Dat het meisje gelukkig ter plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval” (vgl.vooral de voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.De weduwe Spilgoed.Deweduwe Spilgoedwordt ons geschilderd als een „engelachtige vrouw”, van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt, waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het plan van R. voorloopigverijdeldwordt. Trouwens haar eigen vroeger leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig geworden.De weduwe Willis.Naast deze dame leeren we een andere verstandige vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. deweduwe Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoonWillem, die Saartje lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd ongelukkig maken.Anna Willis.De waardige dochter dezer verstandige moeder isAnna Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En dat niet zoozeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer ’t spreekwoord van den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje (58een 63ebrief). De „ontdekkende predikatiën” van Saartje hebben blijkbaar een goeden invloed op ’t hart van hare vriendin.Letje Bruinier.Een geheel ander meisje isLetje Bruinier, zij is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins „luchtig”, maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigenWillem Willisen later eene degelijke huismoeder.Abraham Blankaert.Abraham Blankaertis ’t type van den eerlijken, ronden koopman die ’t leven van den vroolijken kant opvat en met een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt, vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen, een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen: zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid; Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert, maar dat we toch gaarne over ’t hoofd zien: het te koop loopen met zijn eigen deugden.Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, ’t is meer een eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de „fijnen”, die den godsdienst gebruiken omallerlei leelijks te verbergen. Hij is dan ook „eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk bedrogen”. Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartjeb.v.: „Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen.” Men vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.Hendrik Edeling.Hendrik Edelingis „een onzer allerbeste jongelieden”, „een braaf, verstandig man”. Hij is juist de echtgenoot die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis, die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben ingewilligd, nooit haar man worden. EnJacob Bruinier(Cootje!) is goed als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan Abraham Blankaert schrijft: „Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord, die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt.”Suzanna Hofland.Tegenover al deze deugdzame menschen staanSuzanna Hofland,Cornelia Slimpslamp,Broeder Benjamin,Brecht, ende heer R.die de „gemeene” rollen vervullen.Suzanna Hoflandwas als oudere zuster van Saartje’s moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl „om haar geen liefhebbers kwamen”, misschien wel omdat ze „juist niet heel ooglijk was”. Zij voegde zich daarom bij de „fijnen”, niet uit innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien ook hoopte ze aan een der „broertjes” te behagen! In elk geval schijnt tante Suzanna in haar jeugd nog al „een rare schommel” geweest te zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een hoofdzonde bij:de gierigheid.Blankaert betitelt haar met den eerenaam „geveinsde inhalige feeks;” zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks voor Saartje betaald en ’t meisje „lijdt juist geen honger, maar ’t scheelt niet veel”. Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. ’t Is daarom goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die kwetsbare plek te treffen, „de Heere bezoekt haar om hare gierigheid.”Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.Cornelia Slimpslampenbroeder Benjaminzijn huichelaars, „die onder den dekmantel der godzaligheid” de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk, „dierbare” briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan „een zot dier, dat hen dient om de smul”. Blankaert waarschuwt tante genoeg: „Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier,” maar „Sanne” luistert niet. Vooral Benjamin trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal trouwen. Waarschijnlijk is ’t vooral Cornelia Slimpslamp geweest die dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn medeplichtige „den fijnen Filebout uithangt”. (Men vergelijke vooral den toon van brief 110 met dien van brief 111).Brecht.Brechteindelijk is een „oude, leelijke, zotte hottentot van een meid, een dronken todde”, die bij tante een lekker lui leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar „wijn hebben ingeperst”.De Heer R.De heer R.behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de wereld, voor ’t oog een gentleman, altijd even voorkomend—een wolf in schaapskleeren.Alleen in zijn brieven aan „den heer G.” toont hij zich in zijn ware gedaante.Hekelend karakter.Zooals we onder de hand reeds zagen treedt dikwijls in den roman ’t hekelend karakter naar voren. In dit opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op ’t vele goede in de maatschappij. Dat dit in den roman ’t geval is, is te minder te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen waarover gesproken wordt.1.Over den Godsdienst.De schrijfsters willen „geen lijdend, maar een werkend Christendom”, in ’t algemeen stellen ze eendeugdzaam levenop den voorgrond.Stijntje Doorzichtis voor haar ’t type van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133stenbrief over deze „fijnen” schrijft aan Suzanne Hofland.Gematigdheidstellen de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als domineeRedelijken den proponentSmit, daarom laten zeAbraham Blankaertden koppigenJan Edelingeens flink de les lezen.2.Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij concerten, (43ebrief).3.Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouwHartog. De schrijfsters vinden dat de eenvoudigeLotjenog „veel meer nut in de wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog, als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft.”4.Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van ’t eenvoudige volk, vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze ’t vermakelijke gesprek van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58ebrief).5.Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen(43ebrief). Men vergelijke het avondje dat in de „Familie Stastok” beschreven wordt.Bij ’t lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo is LotjeRien-du-Toutwerkelijk een „niemendal”, en behoort MejuffrouwBuigzaamtot „het geslacht der Buigzamen.” De namen zijn gekozen in verband met het karakter der personen, men denkeb.v.aanEdeling,Blankaert,Spilgoed,Redeling, broederBenjamin, CorneliaSlimpslampen StijntjeDoorzicht.
Saartje Burgerhart.Doel.In de voorrede aan de „Nederlandsche Juffers” geven de schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, „dat een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen te storten.” Tevens zullen ze in ’t licht stellen, dat dergelijke meisjes de leiding noodig hebben van„vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden.” (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juistBetje Wolffeen dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen aan Betje’s eigen leven; ook zij was iemand met „een overmaat van levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!”Briefvorm.De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral hetinnerlijk levenvan de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde kan gezegd worden van den „dagboekvorm” die in de laatste jaren nogal eens gebruikt wordt.Oorspronkelijkheid.Bovendien wilden de schrijfsters eenecht Nederlandschen romanleveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat hij deeigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede blz. XXXII-XXXIII).Het „niet vertaalt” op ’t titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.Bespreking van de verschillende personen.Saartje.Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet, dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is: Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante, die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen, de voogdAbraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.Bijna niemand zou ’t bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje wel ’t allerminst. Haar voornaamste eigenschap islevenslust, ze is een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt, veel houdt van muziek, en van ’t leven wil genieten. Lief hebben wil ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt, dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven aan Anna Willis (13een 63ebrief).’t Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje ’t huis van haar tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandigeAnna Willis: „zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige opdissching daarvan, overladen?” Saartje zelf ziet er niet het minste kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van ’t leven te genieten; „als de kring afgeloopen is”, zal ze wel tot rustkomen. Maar dat is niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig, die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.Die les is ’t geval met den verleider. „Dat het meisje gelukkig ter plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval” (vgl.vooral de voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.De weduwe Spilgoed.Deweduwe Spilgoedwordt ons geschilderd als een „engelachtige vrouw”, van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt, waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het plan van R. voorloopigverijdeldwordt. Trouwens haar eigen vroeger leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig geworden.De weduwe Willis.Naast deze dame leeren we een andere verstandige vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. deweduwe Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoonWillem, die Saartje lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd ongelukkig maken.Anna Willis.De waardige dochter dezer verstandige moeder isAnna Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En dat niet zoozeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer ’t spreekwoord van den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje (58een 63ebrief). De „ontdekkende predikatiën” van Saartje hebben blijkbaar een goeden invloed op ’t hart van hare vriendin.Letje Bruinier.Een geheel ander meisje isLetje Bruinier, zij is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins „luchtig”, maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigenWillem Willisen later eene degelijke huismoeder.Abraham Blankaert.Abraham Blankaertis ’t type van den eerlijken, ronden koopman die ’t leven van den vroolijken kant opvat en met een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt, vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen, een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen: zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid; Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert, maar dat we toch gaarne over ’t hoofd zien: het te koop loopen met zijn eigen deugden.Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, ’t is meer een eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de „fijnen”, die den godsdienst gebruiken omallerlei leelijks te verbergen. Hij is dan ook „eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk bedrogen”. Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartjeb.v.: „Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen.” Men vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.Hendrik Edeling.Hendrik Edelingis „een onzer allerbeste jongelieden”, „een braaf, verstandig man”. Hij is juist de echtgenoot die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis, die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben ingewilligd, nooit haar man worden. EnJacob Bruinier(Cootje!) is goed als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan Abraham Blankaert schrijft: „Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord, die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt.”Suzanna Hofland.Tegenover al deze deugdzame menschen staanSuzanna Hofland,Cornelia Slimpslamp,Broeder Benjamin,Brecht, ende heer R.die de „gemeene” rollen vervullen.Suzanna Hoflandwas als oudere zuster van Saartje’s moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl „om haar geen liefhebbers kwamen”, misschien wel omdat ze „juist niet heel ooglijk was”. Zij voegde zich daarom bij de „fijnen”, niet uit innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien ook hoopte ze aan een der „broertjes” te behagen! In elk geval schijnt tante Suzanna in haar jeugd nog al „een rare schommel” geweest te zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een hoofdzonde bij:de gierigheid.Blankaert betitelt haar met den eerenaam „geveinsde inhalige feeks;” zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks voor Saartje betaald en ’t meisje „lijdt juist geen honger, maar ’t scheelt niet veel”. Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. ’t Is daarom goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die kwetsbare plek te treffen, „de Heere bezoekt haar om hare gierigheid.”Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.Cornelia Slimpslampenbroeder Benjaminzijn huichelaars, „die onder den dekmantel der godzaligheid” de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk, „dierbare” briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan „een zot dier, dat hen dient om de smul”. Blankaert waarschuwt tante genoeg: „Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier,” maar „Sanne” luistert niet. Vooral Benjamin trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal trouwen. Waarschijnlijk is ’t vooral Cornelia Slimpslamp geweest die dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn medeplichtige „den fijnen Filebout uithangt”. (Men vergelijke vooral den toon van brief 110 met dien van brief 111).Brecht.Brechteindelijk is een „oude, leelijke, zotte hottentot van een meid, een dronken todde”, die bij tante een lekker lui leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar „wijn hebben ingeperst”.De Heer R.De heer R.behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de wereld, voor ’t oog een gentleman, altijd even voorkomend—een wolf in schaapskleeren.Alleen in zijn brieven aan „den heer G.” toont hij zich in zijn ware gedaante.Hekelend karakter.Zooals we onder de hand reeds zagen treedt dikwijls in den roman ’t hekelend karakter naar voren. In dit opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op ’t vele goede in de maatschappij. Dat dit in den roman ’t geval is, is te minder te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen waarover gesproken wordt.1.Over den Godsdienst.De schrijfsters willen „geen lijdend, maar een werkend Christendom”, in ’t algemeen stellen ze eendeugdzaam levenop den voorgrond.Stijntje Doorzichtis voor haar ’t type van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133stenbrief over deze „fijnen” schrijft aan Suzanne Hofland.Gematigdheidstellen de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als domineeRedelijken den proponentSmit, daarom laten zeAbraham Blankaertden koppigenJan Edelingeens flink de les lezen.2.Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij concerten, (43ebrief).3.Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouwHartog. De schrijfsters vinden dat de eenvoudigeLotjenog „veel meer nut in de wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog, als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft.”4.Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van ’t eenvoudige volk, vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze ’t vermakelijke gesprek van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58ebrief).5.Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen(43ebrief). Men vergelijke het avondje dat in de „Familie Stastok” beschreven wordt.Bij ’t lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo is LotjeRien-du-Toutwerkelijk een „niemendal”, en behoort MejuffrouwBuigzaamtot „het geslacht der Buigzamen.” De namen zijn gekozen in verband met het karakter der personen, men denkeb.v.aanEdeling,Blankaert,Spilgoed,Redeling, broederBenjamin, CorneliaSlimpslampen StijntjeDoorzicht.
Saartje Burgerhart.
Doel.In de voorrede aan de „Nederlandsche Juffers” geven de schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, „dat een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen te storten.” Tevens zullen ze in ’t licht stellen, dat dergelijke meisjes de leiding noodig hebben van„vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden.” (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juistBetje Wolffeen dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen aan Betje’s eigen leven; ook zij was iemand met „een overmaat van levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!”Briefvorm.De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral hetinnerlijk levenvan de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde kan gezegd worden van den „dagboekvorm” die in de laatste jaren nogal eens gebruikt wordt.Oorspronkelijkheid.Bovendien wilden de schrijfsters eenecht Nederlandschen romanleveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat hij deeigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede blz. XXXII-XXXIII).Het „niet vertaalt” op ’t titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.Bespreking van de verschillende personen.Saartje.Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet, dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is: Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante, die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen, de voogdAbraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.Bijna niemand zou ’t bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje wel ’t allerminst. Haar voornaamste eigenschap islevenslust, ze is een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt, veel houdt van muziek, en van ’t leven wil genieten. Lief hebben wil ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt, dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven aan Anna Willis (13een 63ebrief).’t Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje ’t huis van haar tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandigeAnna Willis: „zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige opdissching daarvan, overladen?” Saartje zelf ziet er niet het minste kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van ’t leven te genieten; „als de kring afgeloopen is”, zal ze wel tot rustkomen. Maar dat is niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig, die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.Die les is ’t geval met den verleider. „Dat het meisje gelukkig ter plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval” (vgl.vooral de voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.De weduwe Spilgoed.Deweduwe Spilgoedwordt ons geschilderd als een „engelachtige vrouw”, van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt, waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het plan van R. voorloopigverijdeldwordt. Trouwens haar eigen vroeger leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig geworden.De weduwe Willis.Naast deze dame leeren we een andere verstandige vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. deweduwe Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoonWillem, die Saartje lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd ongelukkig maken.Anna Willis.De waardige dochter dezer verstandige moeder isAnna Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En dat niet zoozeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer ’t spreekwoord van den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje (58een 63ebrief). De „ontdekkende predikatiën” van Saartje hebben blijkbaar een goeden invloed op ’t hart van hare vriendin.Letje Bruinier.Een geheel ander meisje isLetje Bruinier, zij is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins „luchtig”, maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigenWillem Willisen later eene degelijke huismoeder.Abraham Blankaert.Abraham Blankaertis ’t type van den eerlijken, ronden koopman die ’t leven van den vroolijken kant opvat en met een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt, vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen, een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen: zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid; Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert, maar dat we toch gaarne over ’t hoofd zien: het te koop loopen met zijn eigen deugden.Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, ’t is meer een eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de „fijnen”, die den godsdienst gebruiken omallerlei leelijks te verbergen. Hij is dan ook „eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk bedrogen”. Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartjeb.v.: „Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen.” Men vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.Hendrik Edeling.Hendrik Edelingis „een onzer allerbeste jongelieden”, „een braaf, verstandig man”. Hij is juist de echtgenoot die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis, die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben ingewilligd, nooit haar man worden. EnJacob Bruinier(Cootje!) is goed als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan Abraham Blankaert schrijft: „Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord, die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt.”Suzanna Hofland.Tegenover al deze deugdzame menschen staanSuzanna Hofland,Cornelia Slimpslamp,Broeder Benjamin,Brecht, ende heer R.die de „gemeene” rollen vervullen.Suzanna Hoflandwas als oudere zuster van Saartje’s moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl „om haar geen liefhebbers kwamen”, misschien wel omdat ze „juist niet heel ooglijk was”. Zij voegde zich daarom bij de „fijnen”, niet uit innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien ook hoopte ze aan een der „broertjes” te behagen! In elk geval schijnt tante Suzanna in haar jeugd nog al „een rare schommel” geweest te zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een hoofdzonde bij:de gierigheid.Blankaert betitelt haar met den eerenaam „geveinsde inhalige feeks;” zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks voor Saartje betaald en ’t meisje „lijdt juist geen honger, maar ’t scheelt niet veel”. Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. ’t Is daarom goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die kwetsbare plek te treffen, „de Heere bezoekt haar om hare gierigheid.”Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.Cornelia Slimpslampenbroeder Benjaminzijn huichelaars, „die onder den dekmantel der godzaligheid” de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk, „dierbare” briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan „een zot dier, dat hen dient om de smul”. Blankaert waarschuwt tante genoeg: „Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier,” maar „Sanne” luistert niet. Vooral Benjamin trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal trouwen. Waarschijnlijk is ’t vooral Cornelia Slimpslamp geweest die dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn medeplichtige „den fijnen Filebout uithangt”. (Men vergelijke vooral den toon van brief 110 met dien van brief 111).Brecht.Brechteindelijk is een „oude, leelijke, zotte hottentot van een meid, een dronken todde”, die bij tante een lekker lui leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar „wijn hebben ingeperst”.De Heer R.De heer R.behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de wereld, voor ’t oog een gentleman, altijd even voorkomend—een wolf in schaapskleeren.Alleen in zijn brieven aan „den heer G.” toont hij zich in zijn ware gedaante.Hekelend karakter.Zooals we onder de hand reeds zagen treedt dikwijls in den roman ’t hekelend karakter naar voren. In dit opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op ’t vele goede in de maatschappij. Dat dit in den roman ’t geval is, is te minder te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen waarover gesproken wordt.1.Over den Godsdienst.De schrijfsters willen „geen lijdend, maar een werkend Christendom”, in ’t algemeen stellen ze eendeugdzaam levenop den voorgrond.Stijntje Doorzichtis voor haar ’t type van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133stenbrief over deze „fijnen” schrijft aan Suzanne Hofland.Gematigdheidstellen de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als domineeRedelijken den proponentSmit, daarom laten zeAbraham Blankaertden koppigenJan Edelingeens flink de les lezen.2.Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij concerten, (43ebrief).3.Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouwHartog. De schrijfsters vinden dat de eenvoudigeLotjenog „veel meer nut in de wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog, als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft.”4.Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van ’t eenvoudige volk, vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze ’t vermakelijke gesprek van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58ebrief).5.Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen(43ebrief). Men vergelijke het avondje dat in de „Familie Stastok” beschreven wordt.Bij ’t lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo is LotjeRien-du-Toutwerkelijk een „niemendal”, en behoort MejuffrouwBuigzaamtot „het geslacht der Buigzamen.” De namen zijn gekozen in verband met het karakter der personen, men denkeb.v.aanEdeling,Blankaert,Spilgoed,Redeling, broederBenjamin, CorneliaSlimpslampen StijntjeDoorzicht.
Doel.In de voorrede aan de „Nederlandsche Juffers” geven de schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, „dat een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen te storten.” Tevens zullen ze in ’t licht stellen, dat dergelijke meisjes de leiding noodig hebben van„vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden.” (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juistBetje Wolffeen dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen aan Betje’s eigen leven; ook zij was iemand met „een overmaat van levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!”
Briefvorm.De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral hetinnerlijk levenvan de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde kan gezegd worden van den „dagboekvorm” die in de laatste jaren nogal eens gebruikt wordt.
Oorspronkelijkheid.Bovendien wilden de schrijfsters eenecht Nederlandschen romanleveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat hij deeigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede blz. XXXII-XXXIII).
Het „niet vertaalt” op ’t titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.
Bespreking van de verschillende personen.
Saartje.Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet, dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is: Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante, die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen, de voogdAbraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.
Bijna niemand zou ’t bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje wel ’t allerminst. Haar voornaamste eigenschap islevenslust, ze is een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt, veel houdt van muziek, en van ’t leven wil genieten. Lief hebben wil ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt, dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven aan Anna Willis (13een 63ebrief).
’t Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje ’t huis van haar tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandigeAnna Willis: „zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige opdissching daarvan, overladen?” Saartje zelf ziet er niet het minste kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van ’t leven te genieten; „als de kring afgeloopen is”, zal ze wel tot rustkomen. Maar dat is niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig, die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.
Die les is ’t geval met den verleider. „Dat het meisje gelukkig ter plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval” (vgl.vooral de voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.
De weduwe Spilgoed.Deweduwe Spilgoedwordt ons geschilderd als een „engelachtige vrouw”, van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt, waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het plan van R. voorloopigverijdeldwordt. Trouwens haar eigen vroeger leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig geworden.
De weduwe Willis.Naast deze dame leeren we een andere verstandige vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. deweduwe Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoonWillem, die Saartje lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd ongelukkig maken.
Anna Willis.De waardige dochter dezer verstandige moeder isAnna Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En dat niet zoozeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer ’t spreekwoord van den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje (58een 63ebrief). De „ontdekkende predikatiën” van Saartje hebben blijkbaar een goeden invloed op ’t hart van hare vriendin.
Letje Bruinier.Een geheel ander meisje isLetje Bruinier, zij is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins „luchtig”, maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigenWillem Willisen later eene degelijke huismoeder.
Abraham Blankaert.Abraham Blankaertis ’t type van den eerlijken, ronden koopman die ’t leven van den vroolijken kant opvat en met een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt, vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen, een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen: zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid; Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert, maar dat we toch gaarne over ’t hoofd zien: het te koop loopen met zijn eigen deugden.
Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, ’t is meer een eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de „fijnen”, die den godsdienst gebruiken omallerlei leelijks te verbergen. Hij is dan ook „eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk bedrogen”. Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartjeb.v.: „Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen.” Men vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.
Hendrik Edeling.Hendrik Edelingis „een onzer allerbeste jongelieden”, „een braaf, verstandig man”. Hij is juist de echtgenoot die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis, die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben ingewilligd, nooit haar man worden. EnJacob Bruinier(Cootje!) is goed als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan Abraham Blankaert schrijft: „Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord, die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt.”
Suzanna Hofland.Tegenover al deze deugdzame menschen staanSuzanna Hofland,Cornelia Slimpslamp,Broeder Benjamin,Brecht, ende heer R.die de „gemeene” rollen vervullen.Suzanna Hoflandwas als oudere zuster van Saartje’s moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl „om haar geen liefhebbers kwamen”, misschien wel omdat ze „juist niet heel ooglijk was”. Zij voegde zich daarom bij de „fijnen”, niet uit innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien ook hoopte ze aan een der „broertjes” te behagen! In elk geval schijnt tante Suzanna in haar jeugd nog al „een rare schommel” geweest te zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een hoofdzonde bij:de gierigheid.Blankaert betitelt haar met den eerenaam „geveinsde inhalige feeks;” zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks voor Saartje betaald en ’t meisje „lijdt juist geen honger, maar ’t scheelt niet veel”. Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. ’t Is daarom goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die kwetsbare plek te treffen, „de Heere bezoekt haar om hare gierigheid.”
Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.Cornelia Slimpslampenbroeder Benjaminzijn huichelaars, „die onder den dekmantel der godzaligheid” de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk, „dierbare” briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan „een zot dier, dat hen dient om de smul”. Blankaert waarschuwt tante genoeg: „Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo arm maken als een mier,” maar „Sanne” luistert niet. Vooral Benjamin trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal trouwen. Waarschijnlijk is ’t vooral Cornelia Slimpslamp geweest die dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn medeplichtige „den fijnen Filebout uithangt”. (Men vergelijke vooral den toon van brief 110 met dien van brief 111).
Brecht.Brechteindelijk is een „oude, leelijke, zotte hottentot van een meid, een dronken todde”, die bij tante een lekker lui leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar „wijn hebben ingeperst”.
De Heer R.De heer R.behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de wereld, voor ’t oog een gentleman, altijd even voorkomend—een wolf in schaapskleeren.Alleen in zijn brieven aan „den heer G.” toont hij zich in zijn ware gedaante.
Hekelend karakter.Zooals we onder de hand reeds zagen treedt dikwijls in den roman ’t hekelend karakter naar voren. In dit opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op ’t vele goede in de maatschappij. Dat dit in den roman ’t geval is, is te minder te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen waarover gesproken wordt.
1.Over den Godsdienst.De schrijfsters willen „geen lijdend, maar een werkend Christendom”, in ’t algemeen stellen ze eendeugdzaam levenop den voorgrond.Stijntje Doorzichtis voor haar ’t type van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133stenbrief over deze „fijnen” schrijft aan Suzanne Hofland.Gematigdheidstellen de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als domineeRedelijken den proponentSmit, daarom laten zeAbraham Blankaertden koppigenJan Edelingeens flink de les lezen.
2.Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij concerten, (43ebrief).
3.Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouwHartog. De schrijfsters vinden dat de eenvoudigeLotjenog „veel meer nut in de wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog, als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft.”
4.Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van ’t eenvoudige volk, vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze ’t vermakelijke gesprek van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58ebrief).
5.Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen(43ebrief). Men vergelijke het avondje dat in de „Familie Stastok” beschreven wordt.
Bij ’t lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo is LotjeRien-du-Toutwerkelijk een „niemendal”, en behoort MejuffrouwBuigzaamtot „het geslacht der Buigzamen.” De namen zijn gekozen in verband met het karakter der personen, men denkeb.v.aanEdeling,Blankaert,Spilgoed,Redeling, broederBenjamin, CorneliaSlimpslampen StijntjeDoorzicht.