Mathilde. Een sonnettenkrans.

Mathilde. Een sonnettenkrans.Ontstaan.In 1879 ontmoetteJacques PerkinLaroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.Evolutie in Perk.Hierdoor ontstaat in hem eenkunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde,de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hemde schoonheid in ’t algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en depersonifiëering van de onvergankelijkeSchoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans „Mathilde”, die in vier boeken verdeeld is.Wijze van uitgave.De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in ’t licht gezonden doorWillem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: „Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd.” Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: „Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is nietJacques Perkenkel, maar het is de vereeniging vanJacques PerkmetWillem Kloos.”In latere drukken van Perks gedichten—te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.Eerste Boek.Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken.Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, „de kindren van de rustige gedachte”, en in ’t slotcouplet lezen we wat hetDoel.doelis van den geheelen sonnettenkrans:„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als ’t ware een droppel van zijn liefde.Gewijd aan Mathilde.Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:Gij hebt dien met uw zonneblik geschapenIn ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van ’t minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. ’t Voornaamste is wel dit:Liefde voor Mathilde.1o.Perkvoelt voorMathildegewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet „Bekentenis”, waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammenTe morgen weêr in purper zullen vlammen,Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”Misschien is er hoop op wederliefde:„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—Toen sloot zij mij de lippen met de handen,En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”Men leze verder sonnet XII, „Zij komt”: alles in de natuur is liefde:„De lof van hare schoonheid klinke alom,Waar zon en zomer te beminnen leeren!”Ook het dertiende sonnet „Die Lach”: steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!Invloed van Mathilde.2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel,Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.Door Mathilde’s invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”Vooral in het sonnet XXI, „Ochtendbede”, komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”De Scheiding.3o.Oorzaak van de scheiding.De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, „O Noodlot”. Mathilde’s voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden,omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”Bovendien is erverschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, „Aanzoek”. Mathilde is Katholiek en vraagt hem„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil nietdereden van de scheiding.Tweede boek. Het zwerven.Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar,b.v.sonnet XXIX „Dorre bloemen”, de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX „De Maan verrijst”, als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”Ook XXXI „Gescheiden”: de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde’s invloed,b.v.sonnet XXXI „Ommekeer”, en XXXII „Mijmering”: vóor hij haar zag was alles „dof en koud”, eerst door zijn liefde ziet hij ’t schoone in de Natuur:„Voor ik haar had gezien, was dof en koudDe zomersche natuur, zoo warm en licht,—In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”Perk weet niet of zijn besluit—de scheiding van Mathilde—wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV „Mist”, het natuurverschijnsel wordt bij hem „de schemering der ziel”, maar:„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”De grotsonnetten.Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten(XXXVI–XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven,b.v.XXXVI „Intrede”, „zooals men voor een donkere toekomstbeeft, beef ik.” Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid („Nedervaart”). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. („Fakkelglans”). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen („Het rijk der tranen”):„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,En wilde minnen, daar ik dichter heet!”Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen „Hellevaart” ten einde, dedagkomt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar …. weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII „Verlangen”, hij „wil weer Mathilde aan ’t harte prangen”: XLVIII „Machtige aandrift”, waarin Mathilde’s beeld weer „ziel en zinnen komt streelen.”Zelf gevoelt hij heel goed ’t gevaarlijke van dien hartstocht, wato.a.blijkt uit sonnet XLVI „Een Adder”: het verlangen naar Mathilde’s bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI „Kupris”, waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden „een star, die leidt.” (LIV „Herdenking”).Derde boek.De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.We noemen enkele punten:Levensvraagstukken.1o.Hij denkt na over ’t mysterie van den dood.Sonnet LVIII „De grijsaard op den berg”, die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX „Opdelving”, dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI „Bij ’t Graf”); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werdgedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in ’t graan(sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”Geloof.2o.Hij peinst over de beperktheid van ’t menschelijk weten en over ’t geloof.Men leze bv. de beide sonnetten over „Kennis”(LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor ’t licht.Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV „Dorpsvesper”.„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. („Een Luwtje”, „Maneschijn”, „Bede in ’t Woud”).Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. („Storm”, sonnet LXXIX).„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,Spokend met steenen blik, de liefde dooft,Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”Eindelijk in sonnet LXXX „Het Lied des Storms” de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden „die zich zelf nooit wezen konden.”„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek „Hemelvaart”.Vierde boek. Het rustige weten.’t Boek van ’t rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij deSchoonheid, ze daalt op hem neer als „de Sluimer”, hij ziet haar in „de Stroomval”, in den „Dorpsdans”, en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide („De Scheper”). Hij verhaalt ons, hoe hij ’t leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. „Wilg en Popel”, „Idealen”, „Twee Rozeblaadjes” en „De Forel”.„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;Dat iets verrichten kàn het, want het moet,En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”Tevens vinden we hier „Rots en Water” (sonnet XCVI), waarin over ’t geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht „barst het geloof op ’s levens rots”, maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.Weerzien.Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde („Wederzien”). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt „Dat weerzien is, wat hij altijd ziet” („Laatste Aanblik”), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. „De liefde, vereend met schoonheid, werdtot poëzie”; hij zal Mathilde „loven onder duizend namen.” Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII „Aan Mathilde”.„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”Door Mathilde tot kunstenaar.Nu verschijnt weer de Muze, maar ’t is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde,die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

Mathilde. Een sonnettenkrans.Ontstaan.In 1879 ontmoetteJacques PerkinLaroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.Evolutie in Perk.Hierdoor ontstaat in hem eenkunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde,de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hemde schoonheid in ’t algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en depersonifiëering van de onvergankelijkeSchoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans „Mathilde”, die in vier boeken verdeeld is.Wijze van uitgave.De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in ’t licht gezonden doorWillem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: „Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd.” Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: „Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is nietJacques Perkenkel, maar het is de vereeniging vanJacques PerkmetWillem Kloos.”In latere drukken van Perks gedichten—te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.Eerste Boek.Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken.Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, „de kindren van de rustige gedachte”, en in ’t slotcouplet lezen we wat hetDoel.doelis van den geheelen sonnettenkrans:„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als ’t ware een droppel van zijn liefde.Gewijd aan Mathilde.Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:Gij hebt dien met uw zonneblik geschapenIn ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van ’t minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. ’t Voornaamste is wel dit:Liefde voor Mathilde.1o.Perkvoelt voorMathildegewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet „Bekentenis”, waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammenTe morgen weêr in purper zullen vlammen,Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”Misschien is er hoop op wederliefde:„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—Toen sloot zij mij de lippen met de handen,En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”Men leze verder sonnet XII, „Zij komt”: alles in de natuur is liefde:„De lof van hare schoonheid klinke alom,Waar zon en zomer te beminnen leeren!”Ook het dertiende sonnet „Die Lach”: steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!Invloed van Mathilde.2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel,Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.Door Mathilde’s invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”Vooral in het sonnet XXI, „Ochtendbede”, komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”De Scheiding.3o.Oorzaak van de scheiding.De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, „O Noodlot”. Mathilde’s voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden,omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”Bovendien is erverschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, „Aanzoek”. Mathilde is Katholiek en vraagt hem„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil nietdereden van de scheiding.Tweede boek. Het zwerven.Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar,b.v.sonnet XXIX „Dorre bloemen”, de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX „De Maan verrijst”, als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”Ook XXXI „Gescheiden”: de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde’s invloed,b.v.sonnet XXXI „Ommekeer”, en XXXII „Mijmering”: vóor hij haar zag was alles „dof en koud”, eerst door zijn liefde ziet hij ’t schoone in de Natuur:„Voor ik haar had gezien, was dof en koudDe zomersche natuur, zoo warm en licht,—In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”Perk weet niet of zijn besluit—de scheiding van Mathilde—wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV „Mist”, het natuurverschijnsel wordt bij hem „de schemering der ziel”, maar:„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”De grotsonnetten.Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten(XXXVI–XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven,b.v.XXXVI „Intrede”, „zooals men voor een donkere toekomstbeeft, beef ik.” Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid („Nedervaart”). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. („Fakkelglans”). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen („Het rijk der tranen”):„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,En wilde minnen, daar ik dichter heet!”Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen „Hellevaart” ten einde, dedagkomt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar …. weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII „Verlangen”, hij „wil weer Mathilde aan ’t harte prangen”: XLVIII „Machtige aandrift”, waarin Mathilde’s beeld weer „ziel en zinnen komt streelen.”Zelf gevoelt hij heel goed ’t gevaarlijke van dien hartstocht, wato.a.blijkt uit sonnet XLVI „Een Adder”: het verlangen naar Mathilde’s bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI „Kupris”, waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden „een star, die leidt.” (LIV „Herdenking”).Derde boek.De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.We noemen enkele punten:Levensvraagstukken.1o.Hij denkt na over ’t mysterie van den dood.Sonnet LVIII „De grijsaard op den berg”, die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX „Opdelving”, dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI „Bij ’t Graf”); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werdgedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in ’t graan(sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”Geloof.2o.Hij peinst over de beperktheid van ’t menschelijk weten en over ’t geloof.Men leze bv. de beide sonnetten over „Kennis”(LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor ’t licht.Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV „Dorpsvesper”.„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. („Een Luwtje”, „Maneschijn”, „Bede in ’t Woud”).Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. („Storm”, sonnet LXXIX).„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,Spokend met steenen blik, de liefde dooft,Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”Eindelijk in sonnet LXXX „Het Lied des Storms” de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden „die zich zelf nooit wezen konden.”„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek „Hemelvaart”.Vierde boek. Het rustige weten.’t Boek van ’t rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij deSchoonheid, ze daalt op hem neer als „de Sluimer”, hij ziet haar in „de Stroomval”, in den „Dorpsdans”, en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide („De Scheper”). Hij verhaalt ons, hoe hij ’t leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. „Wilg en Popel”, „Idealen”, „Twee Rozeblaadjes” en „De Forel”.„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;Dat iets verrichten kàn het, want het moet,En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”Tevens vinden we hier „Rots en Water” (sonnet XCVI), waarin over ’t geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht „barst het geloof op ’s levens rots”, maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.Weerzien.Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde („Wederzien”). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt „Dat weerzien is, wat hij altijd ziet” („Laatste Aanblik”), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. „De liefde, vereend met schoonheid, werdtot poëzie”; hij zal Mathilde „loven onder duizend namen.” Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII „Aan Mathilde”.„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”Door Mathilde tot kunstenaar.Nu verschijnt weer de Muze, maar ’t is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde,die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

Mathilde. Een sonnettenkrans.Ontstaan.In 1879 ontmoetteJacques PerkinLaroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.Evolutie in Perk.Hierdoor ontstaat in hem eenkunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde,de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hemde schoonheid in ’t algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en depersonifiëering van de onvergankelijkeSchoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans „Mathilde”, die in vier boeken verdeeld is.Wijze van uitgave.De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in ’t licht gezonden doorWillem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: „Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd.” Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: „Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is nietJacques Perkenkel, maar het is de vereeniging vanJacques PerkmetWillem Kloos.”In latere drukken van Perks gedichten—te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.Eerste Boek.Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken.Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, „de kindren van de rustige gedachte”, en in ’t slotcouplet lezen we wat hetDoel.doelis van den geheelen sonnettenkrans:„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als ’t ware een droppel van zijn liefde.Gewijd aan Mathilde.Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:Gij hebt dien met uw zonneblik geschapenIn ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van ’t minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. ’t Voornaamste is wel dit:Liefde voor Mathilde.1o.Perkvoelt voorMathildegewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet „Bekentenis”, waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammenTe morgen weêr in purper zullen vlammen,Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”Misschien is er hoop op wederliefde:„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—Toen sloot zij mij de lippen met de handen,En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”Men leze verder sonnet XII, „Zij komt”: alles in de natuur is liefde:„De lof van hare schoonheid klinke alom,Waar zon en zomer te beminnen leeren!”Ook het dertiende sonnet „Die Lach”: steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!Invloed van Mathilde.2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel,Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.Door Mathilde’s invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”Vooral in het sonnet XXI, „Ochtendbede”, komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”De Scheiding.3o.Oorzaak van de scheiding.De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, „O Noodlot”. Mathilde’s voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden,omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”Bovendien is erverschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, „Aanzoek”. Mathilde is Katholiek en vraagt hem„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil nietdereden van de scheiding.Tweede boek. Het zwerven.Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar,b.v.sonnet XXIX „Dorre bloemen”, de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX „De Maan verrijst”, als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”Ook XXXI „Gescheiden”: de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde’s invloed,b.v.sonnet XXXI „Ommekeer”, en XXXII „Mijmering”: vóor hij haar zag was alles „dof en koud”, eerst door zijn liefde ziet hij ’t schoone in de Natuur:„Voor ik haar had gezien, was dof en koudDe zomersche natuur, zoo warm en licht,—In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”Perk weet niet of zijn besluit—de scheiding van Mathilde—wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV „Mist”, het natuurverschijnsel wordt bij hem „de schemering der ziel”, maar:„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”De grotsonnetten.Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten(XXXVI–XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven,b.v.XXXVI „Intrede”, „zooals men voor een donkere toekomstbeeft, beef ik.” Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid („Nedervaart”). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. („Fakkelglans”). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen („Het rijk der tranen”):„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,En wilde minnen, daar ik dichter heet!”Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen „Hellevaart” ten einde, dedagkomt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar …. weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII „Verlangen”, hij „wil weer Mathilde aan ’t harte prangen”: XLVIII „Machtige aandrift”, waarin Mathilde’s beeld weer „ziel en zinnen komt streelen.”Zelf gevoelt hij heel goed ’t gevaarlijke van dien hartstocht, wato.a.blijkt uit sonnet XLVI „Een Adder”: het verlangen naar Mathilde’s bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI „Kupris”, waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden „een star, die leidt.” (LIV „Herdenking”).Derde boek.De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.We noemen enkele punten:Levensvraagstukken.1o.Hij denkt na over ’t mysterie van den dood.Sonnet LVIII „De grijsaard op den berg”, die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX „Opdelving”, dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI „Bij ’t Graf”); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werdgedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in ’t graan(sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”Geloof.2o.Hij peinst over de beperktheid van ’t menschelijk weten en over ’t geloof.Men leze bv. de beide sonnetten over „Kennis”(LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor ’t licht.Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV „Dorpsvesper”.„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. („Een Luwtje”, „Maneschijn”, „Bede in ’t Woud”).Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. („Storm”, sonnet LXXIX).„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,Spokend met steenen blik, de liefde dooft,Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”Eindelijk in sonnet LXXX „Het Lied des Storms” de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden „die zich zelf nooit wezen konden.”„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek „Hemelvaart”.Vierde boek. Het rustige weten.’t Boek van ’t rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij deSchoonheid, ze daalt op hem neer als „de Sluimer”, hij ziet haar in „de Stroomval”, in den „Dorpsdans”, en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide („De Scheper”). Hij verhaalt ons, hoe hij ’t leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. „Wilg en Popel”, „Idealen”, „Twee Rozeblaadjes” en „De Forel”.„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;Dat iets verrichten kàn het, want het moet,En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”Tevens vinden we hier „Rots en Water” (sonnet XCVI), waarin over ’t geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht „barst het geloof op ’s levens rots”, maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.Weerzien.Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde („Wederzien”). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt „Dat weerzien is, wat hij altijd ziet” („Laatste Aanblik”), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. „De liefde, vereend met schoonheid, werdtot poëzie”; hij zal Mathilde „loven onder duizend namen.” Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII „Aan Mathilde”.„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”Door Mathilde tot kunstenaar.Nu verschijnt weer de Muze, maar ’t is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde,die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

Mathilde. Een sonnettenkrans.

Ontstaan.In 1879 ontmoetteJacques PerkinLaroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.Evolutie in Perk.Hierdoor ontstaat in hem eenkunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde,de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hemde schoonheid in ’t algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en depersonifiëering van de onvergankelijkeSchoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans „Mathilde”, die in vier boeken verdeeld is.Wijze van uitgave.De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in ’t licht gezonden doorWillem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: „Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd.” Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: „Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is nietJacques Perkenkel, maar het is de vereeniging vanJacques PerkmetWillem Kloos.”In latere drukken van Perks gedichten—te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.Eerste Boek.Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken.Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, „de kindren van de rustige gedachte”, en in ’t slotcouplet lezen we wat hetDoel.doelis van den geheelen sonnettenkrans:„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als ’t ware een droppel van zijn liefde.Gewijd aan Mathilde.Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:Gij hebt dien met uw zonneblik geschapenIn ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van ’t minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. ’t Voornaamste is wel dit:Liefde voor Mathilde.1o.Perkvoelt voorMathildegewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet „Bekentenis”, waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammenTe morgen weêr in purper zullen vlammen,Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”Misschien is er hoop op wederliefde:„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—Toen sloot zij mij de lippen met de handen,En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”Men leze verder sonnet XII, „Zij komt”: alles in de natuur is liefde:„De lof van hare schoonheid klinke alom,Waar zon en zomer te beminnen leeren!”Ook het dertiende sonnet „Die Lach”: steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!Invloed van Mathilde.2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel,Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.Door Mathilde’s invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”Vooral in het sonnet XXI, „Ochtendbede”, komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”De Scheiding.3o.Oorzaak van de scheiding.De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, „O Noodlot”. Mathilde’s voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden,omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”Bovendien is erverschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, „Aanzoek”. Mathilde is Katholiek en vraagt hem„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil nietdereden van de scheiding.Tweede boek. Het zwerven.Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar,b.v.sonnet XXIX „Dorre bloemen”, de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX „De Maan verrijst”, als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”Ook XXXI „Gescheiden”: de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde’s invloed,b.v.sonnet XXXI „Ommekeer”, en XXXII „Mijmering”: vóor hij haar zag was alles „dof en koud”, eerst door zijn liefde ziet hij ’t schoone in de Natuur:„Voor ik haar had gezien, was dof en koudDe zomersche natuur, zoo warm en licht,—In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”Perk weet niet of zijn besluit—de scheiding van Mathilde—wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV „Mist”, het natuurverschijnsel wordt bij hem „de schemering der ziel”, maar:„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”De grotsonnetten.Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten(XXXVI–XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven,b.v.XXXVI „Intrede”, „zooals men voor een donkere toekomstbeeft, beef ik.” Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid („Nedervaart”). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. („Fakkelglans”). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen („Het rijk der tranen”):„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,En wilde minnen, daar ik dichter heet!”Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen „Hellevaart” ten einde, dedagkomt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar …. weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII „Verlangen”, hij „wil weer Mathilde aan ’t harte prangen”: XLVIII „Machtige aandrift”, waarin Mathilde’s beeld weer „ziel en zinnen komt streelen.”Zelf gevoelt hij heel goed ’t gevaarlijke van dien hartstocht, wato.a.blijkt uit sonnet XLVI „Een Adder”: het verlangen naar Mathilde’s bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI „Kupris”, waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden „een star, die leidt.” (LIV „Herdenking”).Derde boek.De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.We noemen enkele punten:Levensvraagstukken.1o.Hij denkt na over ’t mysterie van den dood.Sonnet LVIII „De grijsaard op den berg”, die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX „Opdelving”, dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI „Bij ’t Graf”); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werdgedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in ’t graan(sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”Geloof.2o.Hij peinst over de beperktheid van ’t menschelijk weten en over ’t geloof.Men leze bv. de beide sonnetten over „Kennis”(LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor ’t licht.Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV „Dorpsvesper”.„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. („Een Luwtje”, „Maneschijn”, „Bede in ’t Woud”).Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. („Storm”, sonnet LXXIX).„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,Spokend met steenen blik, de liefde dooft,Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”Eindelijk in sonnet LXXX „Het Lied des Storms” de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden „die zich zelf nooit wezen konden.”„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek „Hemelvaart”.Vierde boek. Het rustige weten.’t Boek van ’t rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij deSchoonheid, ze daalt op hem neer als „de Sluimer”, hij ziet haar in „de Stroomval”, in den „Dorpsdans”, en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide („De Scheper”). Hij verhaalt ons, hoe hij ’t leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. „Wilg en Popel”, „Idealen”, „Twee Rozeblaadjes” en „De Forel”.„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;Dat iets verrichten kàn het, want het moet,En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”Tevens vinden we hier „Rots en Water” (sonnet XCVI), waarin over ’t geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht „barst het geloof op ’s levens rots”, maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.Weerzien.Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde („Wederzien”). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt „Dat weerzien is, wat hij altijd ziet” („Laatste Aanblik”), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. „De liefde, vereend met schoonheid, werdtot poëzie”; hij zal Mathilde „loven onder duizend namen.” Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII „Aan Mathilde”.„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”Door Mathilde tot kunstenaar.Nu verschijnt weer de Muze, maar ’t is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde,die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

Ontstaan.In 1879 ontmoetteJacques PerkinLaroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.

Evolutie in Perk.Hierdoor ontstaat in hem eenkunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde,de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hemde schoonheid in ’t algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en depersonifiëering van de onvergankelijkeSchoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.

Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans „Mathilde”, die in vier boeken verdeeld is.

Wijze van uitgave.De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in ’t licht gezonden doorWillem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: „Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd.” Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: „Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is nietJacques Perkenkel, maar het is de vereeniging vanJacques PerkmetWillem Kloos.”

In latere drukken van Perks gedichten—te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.

Eerste Boek.Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken.Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, „de kindren van de rustige gedachte”, en in ’t slotcouplet lezen we wat hetDoel.doelis van den geheelen sonnettenkrans:

„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”

„Een zee van liefde is droppen uit te gieten,

Zacht, éen voor éen—ziedaar mijn heerlijk pogen.”

Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als ’t ware een droppel van zijn liefde.

Gewijd aan Mathilde.Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:

„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:Gij hebt dien met uw zonneblik geschapenIn ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”

„Gij zijt de moeder van deez’ liederkrans:

Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen

In ’t zwarte hart; zoo ’t glanst, ’t is door úw glans.”

Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van ’t minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:

„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”

„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

„Een hooge liefde zal uw hart doordringen;

Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,

Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,En mijmrend leven van herinneringen.”

En peinzend zult gij ’t wederzien verbeiden,

En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,

En mijmrend leven van herinneringen.”

Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. ’t Voornaamste is wel dit:

Liefde voor Mathilde.1o.Perkvoelt voorMathildegewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet „Bekentenis”, waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:

„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammenTe morgen weêr in purper zullen vlammen,Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”

„Mathilde, ik heb u lief …. Zoo waar die kammen

Te morgen weêr in purper zullen vlammen,

Wordt gij bemind …. Gij zijt zoo godlijk-schoon!”

Misschien is er hoop op wederliefde:

„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—Toen sloot zij mij de lippen met de handen,En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”

„Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden—

Toen sloot zij mij de lippen met de handen,

En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?”

Men leze verder sonnet XII, „Zij komt”: alles in de natuur is liefde:

„De lof van hare schoonheid klinke alom,Waar zon en zomer te beminnen leeren!”

„De lof van hare schoonheid klinke alom,

Waar zon en zomer te beminnen leeren!”

Ook het dertiende sonnet „Die Lach”: steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!

Invloed van Mathilde.2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel,Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.

Door Mathilde’s invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).

„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”

„Ik min Natuur in u, ù in Natuur!”

Vooral in het sonnet XXI, „Ochtendbede”, komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!

„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”

„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:

„Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,

En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen,—

Haar boezem is de berg en ’t golvend woud:

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,

Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,—

Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!”

De Scheiding.3o.Oorzaak van de scheiding.

De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, „O Noodlot”. Mathilde’s voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden,omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.

„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”

„Ik leef in ú, en denk en doe als gij,

Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten—

Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij …!”

Bovendien is erverschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, „Aanzoek”. Mathilde is Katholiek en vraagt hem

„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”

„Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,

En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.”

Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil nietdereden van de scheiding.

Tweede boek. Het zwerven.Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.

Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar,b.v.sonnet XXIX „Dorre bloemen”, de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX „De Maan verrijst”, als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:

„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”

„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—

„Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:

Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden …

Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.—

Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”

Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?….

Dáar is de maan in al haar glans verrezen ….

Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!”

Ook XXXI „Gescheiden”: de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde’s invloed,b.v.sonnet XXXI „Ommekeer”, en XXXII „Mijmering”: vóor hij haar zag was alles „dof en koud”, eerst door zijn liefde ziet hij ’t schoone in de Natuur:

„Voor ik haar had gezien, was dof en koudDe zomersche natuur, zoo warm en licht,—In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”

„Voor ik haar had gezien, was dof en koud

De zomersche natuur, zoo warm en licht,—

In ’t beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,

Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht.”

Perk weet niet of zijn besluit—de scheiding van Mathilde—wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV „Mist”, het natuurverschijnsel wordt bij hem „de schemering der ziel”, maar:

„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”

„Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!”

De grotsonnetten.Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten(XXXVI–XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven,b.v.XXXVI „Intrede”, „zooals men voor een donkere toekomstbeeft, beef ik.” Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid („Nedervaart”). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. („Fakkelglans”). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen („Het rijk der tranen”):

„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,En wilde minnen, daar ik dichter heet!”

„Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:

Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,

En wilde minnen, daar ik dichter heet!”

Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen „Hellevaart” ten einde, dedagkomt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar …. weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII „Verlangen”, hij „wil weer Mathilde aan ’t harte prangen”: XLVIII „Machtige aandrift”, waarin Mathilde’s beeld weer „ziel en zinnen komt streelen.”

Zelf gevoelt hij heel goed ’t gevaarlijke van dien hartstocht, wato.a.blijkt uit sonnet XLVI „Een Adder”: het verlangen naar Mathilde’s bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI „Kupris”, waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden „een star, die leidt.” (LIV „Herdenking”).

Derde boek.De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.

We noemen enkele punten:

Levensvraagstukken.1o.Hij denkt na over ’t mysterie van den dood.Sonnet LVIII „De grijsaard op den berg”, die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX „Opdelving”, dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI „Bij ’t Graf”); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werdgedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in ’t graan(sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:

„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”

„O, blonde als ’t graan—o, zachte koren-bloesem!

Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld ….”

Geloof.2o.Hij peinst over de beperktheid van ’t menschelijk weten en over ’t geloof.

Men leze bv. de beide sonnetten over „Kennis”(LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor ’t licht.

Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV „Dorpsvesper”.

„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”

„De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:

Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,

Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.”

Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. („Een Luwtje”, „Maneschijn”, „Bede in ’t Woud”).

Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. („Storm”, sonnet LXXIX).

„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,Spokend met steenen blik, de liefde dooft,Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”

„Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,

Spokend met steenen blik, de liefde dooft,

Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.”

Eindelijk in sonnet LXXX „Het Lied des Storms” de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden „die zich zelf nooit wezen konden.”

„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”

„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;

„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,

Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:

Hùn is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,

Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,

En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”

Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek „Hemelvaart”.

Vierde boek. Het rustige weten.’t Boek van ’t rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.

De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij deSchoonheid, ze daalt op hem neer als „de Sluimer”, hij ziet haar in „de Stroomval”, in den „Dorpsdans”, en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide („De Scheper”). Hij verhaalt ons, hoe hij ’t leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. „Wilg en Popel”, „Idealen”, „Twee Rozeblaadjes” en „De Forel”.

„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;Dat iets verrichten kàn het, want het moet,En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”

„Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;

Dat iets verrichten kàn het, want het moet,

En voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet.”

Tevens vinden we hier „Rots en Water” (sonnet XCVI), waarin over ’t geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht „barst het geloof op ’s levens rots”, maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.

Weerzien.Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde („Wederzien”). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt „Dat weerzien is, wat hij altijd ziet” („Laatste Aanblik”), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. „De liefde, vereend met schoonheid, werdtot poëzie”; hij zal Mathilde „loven onder duizend namen.” Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII „Aan Mathilde”.

„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”

„Ik drukte in u een ideaal aan ’t hart.”

Door Mathilde tot kunstenaar.Nu verschijnt weer de Muze, maar ’t is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde,die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.

„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:U daagde een schoonheidsideaal in haar.

„Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!

Ge aanzaagt … ge aanbadt—u trok, wat is verheven:

U daagde een schoonheidsideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”

Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:

Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;

’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”


Back to IndexNext