Sinjeur Semeyns.

Sinjeur Semeyns.Karakteristiek van de hoofdpersonen.Karakterteekening van Otto en Zweder.Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die vanDeodaatenReinout van Veronain „de Roos van Dekama”. ’t Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en ’t meer koude noordelijke.Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, watindolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen:zelfbeheerschingenvastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan ’t licht in zijn strijd met Zweder in ’t eerste hoofdstuk van den roman (’t dooden van den hond!).Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem bovenalles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus ’t hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: „Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!” Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijnliefde voorGeertruidweet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluitOdilde van Bronkhorstte huwen.Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door ’t leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van ’t karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.Zweder van Lindenis het type van dendriftigen, hoogmoedigen Italiaan. ’t Goede in hem is: deuitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkelingen zijn oorspronkelijkegoedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij ishaatdragend, driftig, en voeltzich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:1.jaloerschheid, het besef, datOttolater rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.2.minnenijd.Hij houdt vanGeertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord—„wees niet laf, stoot niet weer mis!” voegt ze hem toe—en door den demonischen invloed van de heksHannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in ’t huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan ’t been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van ’t Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op ’t dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.Reinout van Linden.Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17eeeuw waren als Reinout, dan is ’t wel een gedegenereerd ras geweest.Giulia de Padua.De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is ’t een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.Dat ze eenlistige intriganteis, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen.Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.Van Arkesteyn.Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw.Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:hoogmoeden egoïsme.Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooalsb.v.blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van ’t kasteel.Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.Arkesteyn en Prins Willem.Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist inPrins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als „Kind van Staat”, hij minacht „Willem Willemsz.” „De Prins is een kind,” zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft—zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet—zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!Slechte eigenschappen.Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan ’t licht: wij zien in dat Van Arkesteynmoetvallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is,dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons ’t volgende:1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoonHendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.2. hij is de verleider vanBella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorvenDries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.InOranjeheeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.Zijn creatuurSemeynsstaat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.Hij moet een verbond aangaan metZweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem ’t hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.Karel Semeyns.Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. „Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had deeerzuchtzijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfdezelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfdezelfzucht, maar ze had hem totzelfverloocheninggevoerd.”Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als ’t ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij welschrander, scherpzinnig en moedig(ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijnbitterheid, zijnsarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.Twee personen hebben veel invloed op zijn leven:ArkesteynenGeertruid.Zijn verhouding tot Arkesteyn.Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen,b.v.in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als ’t zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van ’t Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordtvanzijn voetstuk geschopt: hijhaathem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. „Edele man,” zegt Geertruid!Geertruid Perseyn.Ook zij wordt door ’t leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op ’t admiraalschap van haarvader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.Hoogmoed.De liefde van Geertruid voorOttois niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haarhoogmoedwordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap metArkesteyn, uit de wijze waarop zeSemeyns—een vroegeren speelmakker!—doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.Hoogmoedig is ze, als ze komt bijJillisenGeerte Gevaertsen deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepinkHendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in ’t ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!Wijziging in haar karakter.Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te AbkouBrechtjekennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.Verhouding tot Karel.Vooral echter is hetKarelzelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. ’t Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op ’t oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèten vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.Dries de Leeuw.Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; deRoode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur metVan de Pauwert.En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namenMaarten HarpensenGerrit Plempwordt hij spion, speelt de Franschen bij ’t bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.Hendrik van Arkesteyn.Hendrik van Arkesteynis de voorlooper van ’t gedegenereerd geslacht der 18eeeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.Deugden van den roman.Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls ’t geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.Historische waarde.Alshistorisch werkstaat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: ’t is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.1.Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóogzoo’n edelman zich stelde, hoeweinig ontwikkelinghij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.2.Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.3.De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.4.Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaalsb.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.5.Het eigenlijke volk.De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.6.Toestand in 1672.Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens ’t water aftappen en eindelijk ’t verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen ’t reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.7. Hiertegenoverde macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist—het optreden van den „roi soleil”, die door iedereen als een godheid wordt aangebeden—de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.’t Bovennatuurlijke.Merkwaardig is de groote rol, die ’tbovennatuurlijke, spookachtigeengeheimzinnigein dezen roman speelt. We wijzen hier in ’t bijzonder op de heks,Hannekemeu.1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, „die haar tot schaterend lachen aanspoort.” Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en ’t kasteel in brand te steken. De demon isFatmé, de vroegere bewoonster van ’t slot, „die ’t kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld.” Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.De heks is ’t,die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,Hanneken geeft je ’t flerecijn!”Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in ’t feit, dat als de Oostersche vrouwverschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: „Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen.”Brechtje.In verband hiermee wijzen we nog opBrechtje, die de gave van ’t tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op ’t voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en ’t geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de „Studies” vanFrederik vanEeden.

Sinjeur Semeyns.Karakteristiek van de hoofdpersonen.Karakterteekening van Otto en Zweder.Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die vanDeodaatenReinout van Veronain „de Roos van Dekama”. ’t Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en ’t meer koude noordelijke.Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, watindolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen:zelfbeheerschingenvastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan ’t licht in zijn strijd met Zweder in ’t eerste hoofdstuk van den roman (’t dooden van den hond!).Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem bovenalles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus ’t hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: „Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!” Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijnliefde voorGeertruidweet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluitOdilde van Bronkhorstte huwen.Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door ’t leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van ’t karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.Zweder van Lindenis het type van dendriftigen, hoogmoedigen Italiaan. ’t Goede in hem is: deuitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkelingen zijn oorspronkelijkegoedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij ishaatdragend, driftig, en voeltzich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:1.jaloerschheid, het besef, datOttolater rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.2.minnenijd.Hij houdt vanGeertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord—„wees niet laf, stoot niet weer mis!” voegt ze hem toe—en door den demonischen invloed van de heksHannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in ’t huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan ’t been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van ’t Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op ’t dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.Reinout van Linden.Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17eeeuw waren als Reinout, dan is ’t wel een gedegenereerd ras geweest.Giulia de Padua.De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is ’t een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.Dat ze eenlistige intriganteis, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen.Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.Van Arkesteyn.Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw.Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:hoogmoeden egoïsme.Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooalsb.v.blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van ’t kasteel.Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.Arkesteyn en Prins Willem.Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist inPrins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als „Kind van Staat”, hij minacht „Willem Willemsz.” „De Prins is een kind,” zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft—zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet—zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!Slechte eigenschappen.Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan ’t licht: wij zien in dat Van Arkesteynmoetvallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is,dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons ’t volgende:1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoonHendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.2. hij is de verleider vanBella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorvenDries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.InOranjeheeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.Zijn creatuurSemeynsstaat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.Hij moet een verbond aangaan metZweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem ’t hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.Karel Semeyns.Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. „Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had deeerzuchtzijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfdezelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfdezelfzucht, maar ze had hem totzelfverloocheninggevoerd.”Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als ’t ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij welschrander, scherpzinnig en moedig(ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijnbitterheid, zijnsarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.Twee personen hebben veel invloed op zijn leven:ArkesteynenGeertruid.Zijn verhouding tot Arkesteyn.Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen,b.v.in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als ’t zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van ’t Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordtvanzijn voetstuk geschopt: hijhaathem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. „Edele man,” zegt Geertruid!Geertruid Perseyn.Ook zij wordt door ’t leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op ’t admiraalschap van haarvader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.Hoogmoed.De liefde van Geertruid voorOttois niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haarhoogmoedwordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap metArkesteyn, uit de wijze waarop zeSemeyns—een vroegeren speelmakker!—doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.Hoogmoedig is ze, als ze komt bijJillisenGeerte Gevaertsen deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepinkHendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in ’t ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!Wijziging in haar karakter.Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te AbkouBrechtjekennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.Verhouding tot Karel.Vooral echter is hetKarelzelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. ’t Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op ’t oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèten vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.Dries de Leeuw.Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; deRoode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur metVan de Pauwert.En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namenMaarten HarpensenGerrit Plempwordt hij spion, speelt de Franschen bij ’t bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.Hendrik van Arkesteyn.Hendrik van Arkesteynis de voorlooper van ’t gedegenereerd geslacht der 18eeeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.Deugden van den roman.Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls ’t geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.Historische waarde.Alshistorisch werkstaat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: ’t is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.1.Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóogzoo’n edelman zich stelde, hoeweinig ontwikkelinghij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.2.Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.3.De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.4.Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaalsb.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.5.Het eigenlijke volk.De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.6.Toestand in 1672.Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens ’t water aftappen en eindelijk ’t verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen ’t reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.7. Hiertegenoverde macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist—het optreden van den „roi soleil”, die door iedereen als een godheid wordt aangebeden—de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.’t Bovennatuurlijke.Merkwaardig is de groote rol, die ’tbovennatuurlijke, spookachtigeengeheimzinnigein dezen roman speelt. We wijzen hier in ’t bijzonder op de heks,Hannekemeu.1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, „die haar tot schaterend lachen aanspoort.” Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en ’t kasteel in brand te steken. De demon isFatmé, de vroegere bewoonster van ’t slot, „die ’t kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld.” Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.De heks is ’t,die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,Hanneken geeft je ’t flerecijn!”Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in ’t feit, dat als de Oostersche vrouwverschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: „Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen.”Brechtje.In verband hiermee wijzen we nog opBrechtje, die de gave van ’t tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op ’t voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en ’t geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de „Studies” vanFrederik vanEeden.

Sinjeur Semeyns.Karakteristiek van de hoofdpersonen.Karakterteekening van Otto en Zweder.Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die vanDeodaatenReinout van Veronain „de Roos van Dekama”. ’t Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en ’t meer koude noordelijke.Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, watindolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen:zelfbeheerschingenvastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan ’t licht in zijn strijd met Zweder in ’t eerste hoofdstuk van den roman (’t dooden van den hond!).Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem bovenalles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus ’t hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: „Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!” Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijnliefde voorGeertruidweet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluitOdilde van Bronkhorstte huwen.Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door ’t leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van ’t karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.Zweder van Lindenis het type van dendriftigen, hoogmoedigen Italiaan. ’t Goede in hem is: deuitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkelingen zijn oorspronkelijkegoedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij ishaatdragend, driftig, en voeltzich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:1.jaloerschheid, het besef, datOttolater rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.2.minnenijd.Hij houdt vanGeertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord—„wees niet laf, stoot niet weer mis!” voegt ze hem toe—en door den demonischen invloed van de heksHannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in ’t huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan ’t been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van ’t Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op ’t dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.Reinout van Linden.Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17eeeuw waren als Reinout, dan is ’t wel een gedegenereerd ras geweest.Giulia de Padua.De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is ’t een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.Dat ze eenlistige intriganteis, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen.Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.Van Arkesteyn.Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw.Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:hoogmoeden egoïsme.Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooalsb.v.blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van ’t kasteel.Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.Arkesteyn en Prins Willem.Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist inPrins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als „Kind van Staat”, hij minacht „Willem Willemsz.” „De Prins is een kind,” zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft—zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet—zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!Slechte eigenschappen.Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan ’t licht: wij zien in dat Van Arkesteynmoetvallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is,dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons ’t volgende:1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoonHendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.2. hij is de verleider vanBella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorvenDries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.InOranjeheeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.Zijn creatuurSemeynsstaat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.Hij moet een verbond aangaan metZweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem ’t hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.Karel Semeyns.Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. „Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had deeerzuchtzijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfdezelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfdezelfzucht, maar ze had hem totzelfverloocheninggevoerd.”Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als ’t ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij welschrander, scherpzinnig en moedig(ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijnbitterheid, zijnsarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.Twee personen hebben veel invloed op zijn leven:ArkesteynenGeertruid.Zijn verhouding tot Arkesteyn.Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen,b.v.in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als ’t zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van ’t Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordtvanzijn voetstuk geschopt: hijhaathem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. „Edele man,” zegt Geertruid!Geertruid Perseyn.Ook zij wordt door ’t leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op ’t admiraalschap van haarvader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.Hoogmoed.De liefde van Geertruid voorOttois niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haarhoogmoedwordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap metArkesteyn, uit de wijze waarop zeSemeyns—een vroegeren speelmakker!—doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.Hoogmoedig is ze, als ze komt bijJillisenGeerte Gevaertsen deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepinkHendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in ’t ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!Wijziging in haar karakter.Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te AbkouBrechtjekennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.Verhouding tot Karel.Vooral echter is hetKarelzelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. ’t Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op ’t oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèten vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.Dries de Leeuw.Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; deRoode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur metVan de Pauwert.En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namenMaarten HarpensenGerrit Plempwordt hij spion, speelt de Franschen bij ’t bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.Hendrik van Arkesteyn.Hendrik van Arkesteynis de voorlooper van ’t gedegenereerd geslacht der 18eeeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.Deugden van den roman.Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls ’t geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.Historische waarde.Alshistorisch werkstaat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: ’t is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.1.Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóogzoo’n edelman zich stelde, hoeweinig ontwikkelinghij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.2.Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.3.De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.4.Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaalsb.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.5.Het eigenlijke volk.De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.6.Toestand in 1672.Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens ’t water aftappen en eindelijk ’t verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen ’t reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.7. Hiertegenoverde macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist—het optreden van den „roi soleil”, die door iedereen als een godheid wordt aangebeden—de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.’t Bovennatuurlijke.Merkwaardig is de groote rol, die ’tbovennatuurlijke, spookachtigeengeheimzinnigein dezen roman speelt. We wijzen hier in ’t bijzonder op de heks,Hannekemeu.1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, „die haar tot schaterend lachen aanspoort.” Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en ’t kasteel in brand te steken. De demon isFatmé, de vroegere bewoonster van ’t slot, „die ’t kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld.” Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.De heks is ’t,die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,Hanneken geeft je ’t flerecijn!”Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in ’t feit, dat als de Oostersche vrouwverschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: „Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen.”Brechtje.In verband hiermee wijzen we nog opBrechtje, die de gave van ’t tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op ’t voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en ’t geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de „Studies” vanFrederik vanEeden.

Sinjeur Semeyns.

Karakteristiek van de hoofdpersonen.Karakterteekening van Otto en Zweder.Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die vanDeodaatenReinout van Veronain „de Roos van Dekama”. ’t Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en ’t meer koude noordelijke.Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, watindolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen:zelfbeheerschingenvastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan ’t licht in zijn strijd met Zweder in ’t eerste hoofdstuk van den roman (’t dooden van den hond!).Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem bovenalles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus ’t hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: „Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!” Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijnliefde voorGeertruidweet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluitOdilde van Bronkhorstte huwen.Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door ’t leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van ’t karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.Zweder van Lindenis het type van dendriftigen, hoogmoedigen Italiaan. ’t Goede in hem is: deuitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkelingen zijn oorspronkelijkegoedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij ishaatdragend, driftig, en voeltzich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:1.jaloerschheid, het besef, datOttolater rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.2.minnenijd.Hij houdt vanGeertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord—„wees niet laf, stoot niet weer mis!” voegt ze hem toe—en door den demonischen invloed van de heksHannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in ’t huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan ’t been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van ’t Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op ’t dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.Reinout van Linden.Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17eeeuw waren als Reinout, dan is ’t wel een gedegenereerd ras geweest.Giulia de Padua.De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is ’t een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.Dat ze eenlistige intriganteis, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen.Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.Van Arkesteyn.Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw.Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:hoogmoeden egoïsme.Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooalsb.v.blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van ’t kasteel.Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.Arkesteyn en Prins Willem.Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist inPrins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als „Kind van Staat”, hij minacht „Willem Willemsz.” „De Prins is een kind,” zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft—zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet—zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!Slechte eigenschappen.Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan ’t licht: wij zien in dat Van Arkesteynmoetvallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is,dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons ’t volgende:1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoonHendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.2. hij is de verleider vanBella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorvenDries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.InOranjeheeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.Zijn creatuurSemeynsstaat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.Hij moet een verbond aangaan metZweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem ’t hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.Karel Semeyns.Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. „Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had deeerzuchtzijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfdezelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfdezelfzucht, maar ze had hem totzelfverloocheninggevoerd.”Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als ’t ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij welschrander, scherpzinnig en moedig(ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijnbitterheid, zijnsarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.Twee personen hebben veel invloed op zijn leven:ArkesteynenGeertruid.Zijn verhouding tot Arkesteyn.Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen,b.v.in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als ’t zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van ’t Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordtvanzijn voetstuk geschopt: hijhaathem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. „Edele man,” zegt Geertruid!Geertruid Perseyn.Ook zij wordt door ’t leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op ’t admiraalschap van haarvader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.Hoogmoed.De liefde van Geertruid voorOttois niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haarhoogmoedwordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap metArkesteyn, uit de wijze waarop zeSemeyns—een vroegeren speelmakker!—doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.Hoogmoedig is ze, als ze komt bijJillisenGeerte Gevaertsen deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepinkHendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in ’t ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!Wijziging in haar karakter.Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te AbkouBrechtjekennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.Verhouding tot Karel.Vooral echter is hetKarelzelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. ’t Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op ’t oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèten vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.Dries de Leeuw.Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; deRoode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur metVan de Pauwert.En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namenMaarten HarpensenGerrit Plempwordt hij spion, speelt de Franschen bij ’t bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.Hendrik van Arkesteyn.Hendrik van Arkesteynis de voorlooper van ’t gedegenereerd geslacht der 18eeeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.Deugden van den roman.Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls ’t geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.Historische waarde.Alshistorisch werkstaat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: ’t is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.1.Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóogzoo’n edelman zich stelde, hoeweinig ontwikkelinghij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.2.Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.3.De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.4.Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaalsb.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.5.Het eigenlijke volk.De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.6.Toestand in 1672.Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens ’t water aftappen en eindelijk ’t verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen ’t reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.7. Hiertegenoverde macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist—het optreden van den „roi soleil”, die door iedereen als een godheid wordt aangebeden—de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.’t Bovennatuurlijke.Merkwaardig is de groote rol, die ’tbovennatuurlijke, spookachtigeengeheimzinnigein dezen roman speelt. We wijzen hier in ’t bijzonder op de heks,Hannekemeu.1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, „die haar tot schaterend lachen aanspoort.” Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en ’t kasteel in brand te steken. De demon isFatmé, de vroegere bewoonster van ’t slot, „die ’t kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld.” Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.De heks is ’t,die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,Hanneken geeft je ’t flerecijn!”Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in ’t feit, dat als de Oostersche vrouwverschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: „Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen.”Brechtje.In verband hiermee wijzen we nog opBrechtje, die de gave van ’t tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op ’t voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en ’t geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de „Studies” vanFrederik vanEeden.

Karakteristiek van de hoofdpersonen.

Karakterteekening van Otto en Zweder.Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die vanDeodaatenReinout van Veronain „de Roos van Dekama”. ’t Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en ’t meer koude noordelijke.Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, watindolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen:zelfbeheerschingenvastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan ’t licht in zijn strijd met Zweder in ’t eerste hoofdstuk van den roman (’t dooden van den hond!).

Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem bovenalles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus ’t hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: „Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!” Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.

Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijnliefde voorGeertruidweet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluitOdilde van Bronkhorstte huwen.

Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door ’t leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van ’t karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.

Zweder van Lindenis het type van dendriftigen, hoogmoedigen Italiaan. ’t Goede in hem is: deuitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkelingen zijn oorspronkelijkegoedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.

Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij ishaatdragend, driftig, en voeltzich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:

1.jaloerschheid, het besef, datOttolater rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.

2.minnenijd.Hij houdt vanGeertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.

Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord—„wees niet laf, stoot niet weer mis!” voegt ze hem toe—en door den demonischen invloed van de heksHannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in ’t huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.

Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan ’t been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van ’t Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op ’t dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.

Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.

Reinout van Linden.Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17eeeuw waren als Reinout, dan is ’t wel een gedegenereerd ras geweest.

Giulia de Padua.De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is ’t een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.

Dat ze eenlistige intriganteis, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen.Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.

Van Arkesteyn.Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw.Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:hoogmoeden egoïsme.

Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooalsb.v.blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van ’t kasteel.

Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.

Arkesteyn en Prins Willem.Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist inPrins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als „Kind van Staat”, hij minacht „Willem Willemsz.” „De Prins is een kind,” zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft—zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet—zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!

Slechte eigenschappen.Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan ’t licht: wij zien in dat Van Arkesteynmoetvallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is,dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons ’t volgende:

1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoonHendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.

2. hij is de verleider vanBella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorvenDries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.

De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.

InOranjeheeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.

Zijn creatuurSemeynsstaat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.

Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.

Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.

Hij moet een verbond aangaan metZweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.

Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem ’t hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.

Karel Semeyns.Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. „Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had deeerzuchtzijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfdezelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfdezelfzucht, maar ze had hem totzelfverloocheninggevoerd.”

Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als ’t ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij welschrander, scherpzinnig en moedig(ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijnbitterheid, zijnsarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.

Twee personen hebben veel invloed op zijn leven:ArkesteynenGeertruid.

Zijn verhouding tot Arkesteyn.Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen,b.v.in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als ’t zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van ’t Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordtvanzijn voetstuk geschopt: hijhaathem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. „Edele man,” zegt Geertruid!

Geertruid Perseyn.Ook zij wordt door ’t leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op ’t admiraalschap van haarvader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.

Hoogmoed.De liefde van Geertruid voorOttois niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haarhoogmoedwordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap metArkesteyn, uit de wijze waarop zeSemeyns—een vroegeren speelmakker!—doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.

Hoogmoedig is ze, als ze komt bijJillisenGeerte Gevaertsen deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepinkHendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in ’t ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!

Wijziging in haar karakter.Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te AbkouBrechtjekennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.

Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.

Verhouding tot Karel.Vooral echter is hetKarelzelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. ’t Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op ’t oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèten vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.

Dries de Leeuw.Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; deRoode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur metVan de Pauwert.

En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namenMaarten HarpensenGerrit Plempwordt hij spion, speelt de Franschen bij ’t bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.

Hendrik van Arkesteyn.Hendrik van Arkesteynis de voorlooper van ’t gedegenereerd geslacht der 18eeeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.

Deugden van den roman.Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls ’t geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.

Historische waarde.Alshistorisch werkstaat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: ’t is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.

1.Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóogzoo’n edelman zich stelde, hoeweinig ontwikkelinghij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.

2.Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.

3.De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.

4.Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaalsb.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.

5.Het eigenlijke volk.De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.

6.Toestand in 1672.Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens ’t water aftappen en eindelijk ’t verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen ’t reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.

7. Hiertegenoverde macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist—het optreden van den „roi soleil”, die door iedereen als een godheid wordt aangebeden—de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.

’t Bovennatuurlijke.Merkwaardig is de groote rol, die ’tbovennatuurlijke, spookachtigeengeheimzinnigein dezen roman speelt. We wijzen hier in ’t bijzonder op de heks,Hannekemeu.

1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.

2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.

3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.

Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, „die haar tot schaterend lachen aanspoort.” Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en ’t kasteel in brand te steken. De demon isFatmé, de vroegere bewoonster van ’t slot, „die ’t kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld.” Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.

De heks is ’t,die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:

„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,Hanneken geeft je ’t flerecijn!”

„Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn,

Hanneken geeft je ’t flerecijn!”

Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in ’t feit, dat als de Oostersche vrouwverschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: „Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen.”

Brechtje.In verband hiermee wijzen we nog opBrechtje, die de gave van ’t tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op ’t voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.

Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).

Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en ’t geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.

Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de „Studies” vanFrederik vanEeden.


Back to IndexNext