„Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden,Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”
„Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden,Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”
„Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden,
Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”
Ook de dichter Helmers gloeide van liefde voor het Oranjehuis.
In 1812 gaf hij een gedicht uit, getiteld: „De Hollandsche Natie” waarin hij zong:
„'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren;Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren;Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt;Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt.De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen;'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen;'t Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield,Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield.Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden;Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoelDe ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel.Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen!Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren.Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot;Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot;Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken;'t Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken;Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan.Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duisterGreep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister):„Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht,„De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht!„Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen:„De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen!„Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân,„En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”!— — — — — — — — — — — — — — — —Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”
„'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren;Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren;Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt;Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt.De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen;'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen;'t Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield,Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield.Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden;Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoelDe ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel.Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen!Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren.Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot;Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot;Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken;'t Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken;Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan.Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duisterGreep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister):„Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht,„De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht!„Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen:„De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen!„Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân,„En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”!— — — — — — — — — — — — — — — —Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”
„'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren;
Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren;
Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt;
Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt.
De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen;
'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen;
't Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield,
Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield.
Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden;
Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel
De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel.
Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen!
Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren.
Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot;
Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot;
Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken;
't Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken;
Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan.
Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duister
Greep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister):
„Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht,
„De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht!
„Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen:
„De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen!
„Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân,
„En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”!
— — — — — — — — — — — — — — — —
Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”
De Censuur schrapte het gedeelte, waar de dichter het verval van Amsterdam alzoo bezong:
'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaaldeDoor moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grondWaarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond!Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde,Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde;Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut,Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut,Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen,Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen!Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond,Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader.„Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader!„Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan!„Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”,Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen,„Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen!„En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt,„Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt,„Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd.„Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd,„Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond,„Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”
'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaaldeDoor moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grondWaarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond!Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde,Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde;Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut,Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut,Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen,Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen!Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond,Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader.„Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader!„Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan!„Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”,Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen,„Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen!„En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt,„Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt,„Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd.„Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd,„Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond,„Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”
'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaalde
Door moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,
Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grond
Waarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond!
Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde,
Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde;
Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut,
Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut,
Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen,
Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen!
Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond,
Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!
Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader.
„Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader!
„Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan!
„Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”,
Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen,
„Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen!
„En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt,
„Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt,
„Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd.
„Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd,
„Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond,
„Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”
In zijn zang beschreef Helmers den Rijn in zijn boven-en middenloop op verheven wijze, doch ging daarna verder:
„Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden.Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden;Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven,Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven,Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên,Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”
„Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden.Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden;Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven,Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven,Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên,Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”
„Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden.
Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden;
Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,
Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.
De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven,
Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven,
Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên,
Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”
En nu vraagt de dichter:
„Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekkenMijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken?Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond,Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond.Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen.Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen.Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht,En bliksemde op de zee met volle mannekracht.Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen!Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop?De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop?Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister;En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister.Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt,Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld.O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen,En aller volken glans verduisterd door uw stralen,Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt.Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”
„Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekkenMijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken?Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond,Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond.Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen.Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen.Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht,En bliksemde op de zee met volle mannekracht.Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen!Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop?De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop?Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister;En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister.Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt,Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld.O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen,En aller volken glans verduisterd door uw stralen,Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt.Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”
„Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekken
Mijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken?
Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond,
Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond.
Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen.
Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen.
Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht,
En bliksemde op de zee met volle mannekracht.
Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,
En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen!
Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop?
De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop?
Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister;
En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister.
Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt,
Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld.
O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen,
En aller volken glans verduisterd door uw stralen,
Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt.
Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”
In zijn „Fragment van een onuitgegeven Treurspel” zong Helmers:
„Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven!Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven.De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteeltWordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”
„Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven!Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven.De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteeltWordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”
„Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven!
Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven.
De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteelt
Wordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”
De Censuur verving echter „Bataven” door „Grieken”,„De Ruyter” door „Aristides” en „Trompen” door „Epaminondas”, waardoor het vers geheel van beteekenis veranderde, doch voor de Franschen zijn bitterheid verloor.
Napoleons bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een vuilnisman.—GeneraalKrayenhoffbij hem opaudiëntie.—Hoe Napoleon reisde.
In het jaar 1811 bracht Napoleon een bezoek aan Amsterdam. De Keizer kwam den 29 Sept. 1811 te Antwerpen aan, reisde over Breda, Hellevoetsluis, Gorinchem en Utrecht. Den 9 October 's middags half drie deden de Keizer en de Keizerin hunne plechtige intrede in Amsterdam. In het voorste gedeelte der stoet reed de Keizerin in een rijtuig, van 8 pages vergezeld; in hetlaatste gedeelte de Keizer te paard, gevolgd van de „officieren van hoogstdeszelfs huis, van de maarschalken, generaals, stafofficieren, rijdende vier aan vier.”
REISKOETS VAN NAPOLEON.
REISKOETS VAN NAPOLEON.
Toen de stoet de stadspoorten was genaderd, werden Keizer en Keizerin onder het gebulder van het geschut en het luiden der klokken in de hoofdstad ontvangen. Een dubbele rij Nationale gardes bezette de straten, alwaarH. H. M. M.moesten doorgaan; alle huizen waren met bloem-festoenen en vaandels versierd, wat een prachtig gezicht opleverde. De geestelijken, wier kerkenZ. M.voorbij ging, bevonden zich in hun ambtsgewaad voor hunne bedehuizen geschaard. Orkesten, die van afstand tot afstand geplaatst waren, verlevendigden het belangrijkste tooneel, waarvan Amsterdam ooit getuige was. Een ontzaglijke menigte vulde de straten; alle vensters waren bezet. Het geroep van „Leve de Keizer! Leve de Keizerin!” hield haast niet op enH. H. M. M.toonden hunne gevoeligheid voor de talrijke huldebetuigingen door met vriendelijkheid te groeten.
Nauwelijks aan het paleis aangekomen, ontvingH. M.de ministers en de Staatslieden, waarna de prins-gouverneur de eer had,Z. M.de hooge beambten, de officieren der land- en zeemacht, de algemeene regeering, den algemeenen raad, de rechtbank der eerste instantie, de kamer van koophandel, de maire met diens adjuncten en den municipalen raad, den chef van degarde d'honneur, alsmede die der nationale garde en de dienaren der onderscheidene godsdiensten voor te stellen.
Het weder, dat den geheelen voormiddag betrokken geweest was, bleef des middags goed en niet dan nadatH. H. M. M.aan het paleis waren aangekomen begon het te regenen.
Des avonds was de geheele stad geïllumineerd. Denvolgenden dag bezocht Napoleon in een sloep de scheepstimmerwerf en verscheidene gedeelten van de haven.
INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.
INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.
Om één uur 's namiddags ontvingH. M.de Keizerin de complimenten der regeeringsmachten, die den vorigen dag aan den Keizer waren voorgesteld geworden. De Keizerin beantwoordde met de grootste minzaamheid de toespraken. Na de audiëntie begafH. M.zich mede in een sloep naar de werf.
Des avonds hadden de dames van de voornaamste beambten der stad de eer, voorgesteld te worden. Wat de verlichting betreft, muntten het paleis van den prins gouverneur-generaal en het hotel van den prefect uit. Al de voornaamste gebouwen, de voornaamste bruggen binnen de stad en verscheidene op de meest in het oog loopende plaatsen gestelde decoratiën hadden de aangenaamste uitwerking. Overal, waarH. H. M. M.verschenen, weerklonk uit tal van monden: „Leve onze doorluchtige Souvereinen!” als (naar een ooggetuige verhaalt) „het gevoelen van verknochtheid en de geestdrift der Hollanders.”
Te Amsterdam bezocht Napoleon ook in het Trippenhuis de verzameling van schilderijen van onze Hollandsche meesters. Op den terugtocht ging de Keizerlijke stoet door de Halssteeg, waar iemand van de stadsreiniging juist bezig was, het vuil op te halen en met zijn kar den weg versperde.
„De Keizer, de Keizer!” riep men den man toe en beduidde hem, dat hij maken moest, met zijn kar uit de steeg weg te komen.
Heel onnoozel vroeg de man, of er een dokter aankwam.
„Neen, geen dokter,” zei men, „maar Keizer Napoleon.”
De man antwoordde echter heel bedaard: „Ik heb order alleen voor een dokter uit den weg te gaan.” Enhij verwijderde zich eerst, toen hij zijn arbeid verricht had, zoodat Napoleon, die zich anders door niets liet tegenhouden, nu geruimen tijd wachten moest op—een stadsreiniger. Deze werd des avonds op het stadhuis ontboden. De man beriep zich terecht op zijne instructie. Toch werd hij bij wijze van straf zes weken in zijne bediening geschorst.
Te Amsterdam vroeg ook generaalKrayenhoffden Keizer te spreken.Krayenhoffhad in 1810 Neerlands hoofdstad op last van Koning Lodewijk Napoleon tegen den Keizer in staat van verdediging gebracht. Napoleon, die dit wist, vroeg toornig:
„Zijt gij dat, MijnheerKrayenhoff, die Amsterdam hadt willen verdedigen.” En moedig antwoordde de generaal:
„Ja, Sire, en het zou u niet gelukt zijn er in te komen, indien ik zulks niet gewild had!”
De Keizer, door dit onverschrokken antwoord getroffen, vroeg, hoe de generaal het zou aangelegd hebben, om Amsterdam tegen hem, Napoleon, te verdedigen.Krayenhoffontvouwde nu zijn verdedigingsplannen en de Keizer, die het vernuftige er van moest erkennen, hersteldeKrayenhoffin zijn vroegeren rang in den werkelijken dienst.
Den 11 October voer Napoleon in een sloep door de grachten van Amsterdam, terwijl de Keizerin in een open rijtuig een tocht door de stad maakte.
Ook woonden de vorstelijke personen eene voorstelling in den Amsterdamschen Schouwburg bij; aan het verslag hiervan ontleenen wij het volgende:
„Een ontzaglijke toevloed had zich gisteren naar den schouwburg begeven; bij het verlangen, om de talenten van Talma en Mej.Duchesnoiste zien, voegde zich een veel vermogender, dan al de overige, dat, om hetgezicht van twee aanbiddelijke Souvereinen te genieten. De verwachting van het publiek is geenszins teleurgesteld geworden; om half negen zijnH. H. M. M.in de loge gekomen en nu bevond zich het schouwtooneel in de zaal; het leverde een uitmuntend gezicht op, een talloos gezelschap te zien, geheel opgerezen, lauriertakken in de hoogte schuddende en deze eenparige vreugdekreet herhalende: „Leve de Keizer!” „LeveMaria Louise!” Zoodra de geestdrift der aanschouwers toeliet, dat iets anders dan hunne stemmen gehoord werd, hief het orkest de aria aan: „Où peut on être mieux?”—Het gejuich van „Leve de Keizer!” barstte opnieuw los enZ. M.boog zich over zijn loge en scheen door zijn toegenegen glimlach te zeggen: „Voorwaar, ik ben te midden mijner kinderen!””
De couranten bevatten in ons land een paar dagen later het volgende bericht:
„Een Commissaris van Politie, heden bij het aanbreken van den dag de ronde doende, heeft bevonden, dat er verzen aan de deuren van het paleis aangeplakt waren; hij kon met grond vermoeden, dat deze in een kwalijk gezinden geest waren. De nacht is slechts aan heimelijke en misdadige verrichtingen gunstig, doch hoe groot was zijne verwondering te ontwaren, dat deze verzen een edele en verfijnde hulde aanZ. M.inhielden.
„Ziehier dezelve:
„Op het Keizerlijk paleis te Amsterdam. (Het paleis spreekt):
Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,Want in mijn luistervollen staatBen ik de zetel en de woningDes Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,Wiens hart voor de onderdanen slaat;Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”
Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,Want in mijn luistervollen staatBen ik de zetel en de woningDes Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,Wiens hart voor de onderdanen slaat;Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”
Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,
Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,
Want in mijn luistervollen staat
Ben ik de zetel en de woning
Des Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,
Wiens hart voor de onderdanen slaat;
Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!
En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”
Van uit Amsterdam maakten de vorstelijke personen verschillende uitstapjes naar omliggende plaatsen en vertrokken 24 October weder.
Als een bewijs, hoe overdreven sommigen over Napoleon dachten, besluiten wij hier met een uittreksel uit een brief uit Utrecht, den 9 Oct. 1811 geschreven:
„Voor het den grooten Napoleon behaagde zich binnen onze muren te houden, aanschouwden wij in hem, den eersten der helden, het verwonderingwekkendst genie, dat de wereld immer tot luister strekte; maar verre was het van ons, eenig juist denkbeeld van zijne goedheid te kunnen maken. Hij is onder ons verschenen als een vader te midden van zijne kinderen, zonder geleide, zonder wachten, omringd en gedrongen door de menigte, die onverzadelijk was, zijne gelaatstrekken te beschouwen en hem hare liefde te bewijzen. Men wedijverde, wien het gebeuren zou zijn rok, het dekkleed of wel de teugels van zijn paard aan te raken, terwijl hij, alleen groetende met die minzaamheid, welke hem zoo bijzonder eigen is, aldus de stad stapvoets doorreed, met niets bekommerd, dan met de zorg, om allen voor gevaar te behoeden, die in hunne geestvervoering zich voor hem nederwierpen en ofschoon zij hem reeds gezien hadden, hem nogmaals wilden zien.
„Ik ben ooggetuige geweest, mijn vriend, van dat verrukkend tooneel; dan, geen minder levendige aandoeningen hebben mijn ziel vervuld, toen ik, toegelaten ten gehoor bijZ. M., met al de publieke ambtenaren hem onze belangen heb hooren behandelen; geen der minste bijzonderheden van bestuur te gering achtende en meteen doorzicht, dat hem alleen eigen is, klem gevende aan elk antwoord, dat hem op zijne vragen werd gegeven.
„Ik had den vader van het volk, den wetgever van het rijk bewonderd, ik wilde ook den held volgen op de vlakte, waar zijne legerscharen verzameld waren, maar hoe zou ik u de nieuwe aandoeningen kunnen afmalen, die ik gevoelde: de geestdrift der soldaten, zoo dikwijls door hem ter overwinning geleid, de vervoering van alle aanwezenden, op de aankomst der Keizerin, vooral toen de troepen voorbij haar gedefileerd hadden en elk soldaat hare trekken heeft kunnen bewonderen, die mengeling van waardigheid en onveranderlijke welwillendheid, die haar de lust en de liefde doen zijn van een volk, welks geluk zij vereeuwigd heeft.”
En niet alleen in Nederland werd Napoleon zooveel eer bewezen, maar in geheel Europa, Engeland uitgezonderd. Rust kende hij niet. De helft van zijn tijd haast bracht hij op reis door.
Toch was de hulde, die men den Keizer in ons land bracht, niet enkel geveinsdheid. Gelijk uit een versje onder een plaatje uit die dagen blijkt, was men niet blind voor het vele, dat Napoleon ook voor ons land heeft gedaan.
De krijgstochten van zijn leger voerden Napoleon door geheel Europa en bijna overal verscheen het Fransche leger als heerscher en niet als vreemde.
De meeste kasteelen waren hem bekend. Zijn staf, de officieren en lakeien van zijn hofstoet vertrokken een dag eerder dan hun heer. Als 's avonds dan de keizerlijke reiswagen in galop onder de poort doorreed, stonden de fakkeldragers reeds bij de trap gereed.
Zijn eigen dienaren openden de deuren en alsof hij thuis was, ging de kleine man in de grijze jas de trappen op, terwijl de werkelijke bedienden van het paleis verbluftop zijde bleven staan, met brandende kaarsen in de bevende handen. Door de lange rij van vertrekken ging hij dan dadelijk naar zijn eigen kamers; zijn kamerdienaar ontdeed hem van zijn kleeren en dadelijk sprong de Keizer in het wachtende, dampende bad. Alles, wat tot zijne reisbenoodigdheden behoorde, was van kostbare kwaliteit, en het moest netjes en precies op de bepaalde plaats liggen.
Zijn paarden waren uitstekende dieren, altijd zes, twee aan twee naast elkander gespannen, ieder paar voorzien van een even bekwamen menner.
Om een afstand van 20 K.M. af te leggen, werd vier keer halt gehouden om de paarden te verwisselen, zoodat hij met dezelfde paarden hoogstens 5 K.M. reed.
Het gewone rijtempo was een soort galop; men moet daarbij bedenken, dat de straten en wegen, die toen bestonden, groote bezwaren leverden voor het verkeer.
Van lezen of het bestudeeren der landkaarten kon gedurende den tocht geen sprake zijn. Toch moest iedere halte voorzien zijn van boeken, kaarten en schrijfmateriaal. Hij had echter gedurende zijn reis genoeg te denken.
Als hij naar het Oosten reed, was zijn geest vervuld met zijn veldtochten. Onderweg kwamen renboden hem tegemoet. Op bepaalde plaatsen werd hij reeds opgewacht door Maarschalken, die met hem wilden confereeren. Dag en nacht galoppeerde zijn wagen dan weder door steden en dorpen, door bosch en veld. Donderend ratelde het rijtuig, met slijk en modder bespat, soms midden in den nacht door de nauwe straatjes van Duitsche steden, de lichtjes van den wagen flikkerden spookachtig door de duisternis.
Frankrijk was voor Napoleon te eng; Europa was hem te eng; in de schaduw der Pyramiden heeft hij gevochten. Alles beefde voor dezen man; alles vleide hem; inderdaad werd hem afgodische eer bewezen.
Napoleons tocht naar Rusland.
Vroeger had Alexander, Keizer van Rusland, Napoleon bewonderd. Toen Napoleon Oldenburg bij zijn rijk inlijfde, zette dit echter bij Alexander kwaad bloed, daar de Groothertogin van Oldenburg eene zuster van den Russischen Keizer was. Alexander weigerde langer zich aan het Continentaal Stelsel te houden en begon weer handel te drijven met Engeland. De Fransche Keizer besloot nu Rusland te tuchtigen. Hij hoopte, na Rusland overwonnen te hebben, ook Turkije en Egypte aan zich te onderwerpen, om vervolgens in Azië door te dringen, ten einde daar Engeland in zijn koloniën aan te tasten.
Een ontzaglijke legermacht bracht Napoleon op de been, om zijn plannen uit te voeren. In ons land moesten niet alleen de jongelingen opkomen, die in 1811 aangeloot waren, maar ook de lichtingen der twee volgende jaren. Groot was de droefheid, die dit in tal van huisgezinnen te weeg bracht. Toen Napoleon den 9en Oct. 1811 met zijn echtgenoote een bezoek aan Amsterdam bracht, had men hem luide toegejuicht, doch thans, nu hij een driedubbele lichting onder de wapenen riep, werd hij hier nog meer dan vroeger verwenscht en vervloekt.
Het „Groote Leger”, gelijk Napoleon het gaarne noemde, telde 600.000 man en 150.000 paarden. Uit Nederland waren 15.000 man opgekomen, ingedeeld intwee regimenten. Het ééne regiment behoorde tot een keurbende van den Keizer, de „Oude Garde” genoemd, en bestond uit de meest geoefende soldaten, die in beslissende oogenblikken vaak den doorslag hadden gegeven. De helft der Hollandsche soldaten waren bij Fransche regimenten ingedeeld, terwijl de andere helft onder het bevel van eigen officieren stond. Onder de Hoofdofficieren bevonden zich twee Hollanders, n.l. Daendels, die als Divisie-generaal onder MaarschalkVictorstond en Matuschewitz, die als Generaal der Artillerie bij de afdeeling onder MaarschalkNeywas ingedeeld.
Napoleon trok met het „Groote Leger” (uit Franschen, Italianen, Belgen, Hollanders, Zwitsers, Polen, Duitschers en Oostenrijkers samengesteld) den 23en Juni over de Njemen. Hevige plasregens belemmerden hem het voorttrekken. Later werd het weer buitengewoon heet en droog en daar de tocht ging door landstreken, waar bijna geen water was, werden de troepen zeer door dorst gekweld. Drie maanden later was het leger reeds tot op één derde versmolten en had dus al tweederde deel der krijgers verloren. Het was nu zwakker dan het Russische leger, waartegen het optrok. Aanvankelijk wilde de Czaar reeds bij de Duna aan de Franschen slag leveren, doch hij besloot later, dit niet te doen. Het Russische leger trok daarom dieper het binnenland in, alles achter zich verwoestende, zoodat de Franschen, waar zij ook kwamen overal allen voorraad uitgeput vonden. Van honger en gebrek kwamen hierdoor tal van Franschen om en terwijl Napoleons leger van dag tot dag verminderde, groeide dat der Russen voortdurend aan. Eindelijk, den 7 Sept. 1812, kwam het bij Borodino (aan de Moskwa) tot een treffen. De Russen werden verslagen en Napoleon won, doch zijn zegepraal was een Pyrrhusoverwinning.Indien hij nog zoo'n slag won, dan was hij verloren, want zijn gelederen waren door dezen slag zeer gedund. Van het Regiment Hollandsche huzaren, dat tegen de batterijen der Russische achterhoede moest inrijden, bleven slechts 46 man gespaard.
SLAG BIJ BORODINO OF MOSKWA, 7 SEPT. 1812.
SLAG BIJ BORODINO OF MOSKWA, 7 SEPT. 1812.
Door de overwinning aan de Moskwa lag de weg voor Napoleon naar Moskou open. Toen hij eindelijk in Ruslands hoofdstad aankwam, verscheen er geen Magistraat, om hem te verwelkomen en om hem de sleutels der oude Czarenstad aan te bieden. Niemand had zich bij zijn intocht in Moskou vertoond dan eenige burgers, vreemdelingen van afkomst, die hem aankondigden, dat Moskou door de Russen bestemd was, om voor de zaak des vaderlands opgeofferd te worden, om in de vlammen op te gaan. Napoleon wilde dit niet gelooven. En toch, hij had een zelfde schouwspel reeds gezien te Smolensko, te Moshaisk, op bijna iedere plaats, die zijn leger in Groot Rusland was doorgetrokken.
Spoedig ontdekte hij, dat het bericht van Moskou's aanstaande vernieling, waarheid behelsde. Reeds dienzelfden 15 September stegen vlammen in verschillende wijken ten hemel op en, ofschoon telkens gebluscht, braken elk oogenblik nieuwe branden uit, tot den zesden dag het werk der vernieling was volbracht. Negen tiende van Moskou lag in puin.
In onbegrijpelijke verblinding weigerde Napoleon de stad te verlaten: hij verwachtte dwaselijk, voorstellen van Keizer Alexander te zullen ontvangen. Dag op dag verliep, maar de Russische Keizer bewaarde het stilzwijgen. Een groote buit was door de Fransche soldaten in Moskou vergaderd, doch aan deksel, schoeisel en aan voedsel leden allen gebrek. Orde en tucht gingen verloren.
Eindelijk, den 19 Oct. 1812, gaf Napoleon bevel totden terugtocht. Doch na 18 dagen marsch vertoonde de Russische winter zich in al zijn verschrikkingen. Men had slechts weinig levensmiddelen kunnen medenemen: allen voorraad had de vijand zorgvuldig vernield. En nu maakten sneeuw en ijs alles verward en onkenbaar. Geheele compagnieën stortten in ondiepten, die zich tusschen de sneeuw onverwacht onder den voet openden. Verbijsterd door den storm, die hun het ijs in het aangezicht joeg, en de koude, die door gewaad en schoeisel drong, trokken de krijgers voort, zonder te weten waar zij waren: vlakte en heuvels, bosch en stroom, alles was in één witte lijkwâde getooid. Het was een onmetelijk lijkkleed, waarin de natuur het wegsmeltende leger en de gevallenen hulde. Van honderden bevroren de vingers aan geweer of sabelgreep. Man en wapen verstijfden tot een onbewegelijken klomp. Nog 1500 mijlen (bijna 300 uur) moest Napoleon afleggen, eer hij in Frankrijk terug was. Op zijn heenreis was Napoleon met 150.000 man Smolensko door getrokken en nu hij op zijnterugtochter wederkwam, beschikte hij nog over 25.000 weerbare mannen.
De krijgsbedrijven der Hollanders in Rusland.—Hollandsche pontonniers met hun bevelhebber Kapitein Benthien.
Napoleon trok van Smolensko terug naar Krasnoi, steeds vervolgd door de hoofdmacht der Russen onder Kutusow. Hij verwachtte nog drie legercorpsen en daar hij vreesde, dat die door den vijand zouden worden afgesneden, trachtte hij eene door hem genomen stelling te behouden. Eén dier afdeelingen wist zich door den vijand heen te slaan, doch de tweede, die onder bevel vanDavouststond, werd door de Russen zoodanig bestookt, datLefèbreaan het Hollandsche regiment, hoewel dat reeds tot op 500 man verminderd was, bevel gaf, de benarde afdeeling te hulp te komen. Het Hollandsche regiment, aangevoerd door den overste George, tastte nu de Russen moedig aan en wist ze zoolang bezig te houden, datDavoustzich bij de hoofdarmee kon aansluiten. George keerde nu terug, doch van de 500 Hollanders waren er slechts 40 overgebleven. Het Hollandsche regiment, vroeger door Napoleon „Hollands roem” genoemd,had opgehouden te bestaan. Evenals dat bij den slag bij Borodino met het Regiment Hollandsche Huzaren was geschied, werden de overgebleven soldaten bij de andere regimenten ingedeeld.
TERUGTOCHT DER „GROOTE ARMEE” UIT RUSLAND.
TERUGTOCHT DER „GROOTE ARMEE” UIT RUSLAND.
Eenigen tijd later werd het 33e regiment Lichte Infanterie(vroeger het derde Regiment Hollandsche jagers) onophoudelijk door de Russische ruiters aangevallen.Door zich telkens inquarréte vormen, wisten de Hollanders steeds de aanvallen der Russen af te slaan. Ten laatste werden ze ook door het vijandelijke voetvolk met geschut bestookt, zoodat eindelijk slechts 78 van de onzen overbleven, waarvan 53 nog gewond waren.
Het Hollandsche regiment „Garde te paard” van Koning Lodewijk (bij het „Groote Leger” als Regiment „Lanciers van de Garde” ingedeeld) werd versterkt door 200 geharde strijders, die reeds in Spanje met roem gestreden hadden. Telkens door de Russen bestookt, was te Wilna van dit Regiment Lanciers nog een enkelpelotonover onder bevel van een luitenant.
Van de vier Hollandsche Corpsen, bij het „Groote Leger” ingedeeld, heeft slechts één, tenminste in naam, den veldtocht doorstaan. Van het Hollandsche voetvolk waren de meeste officieren en manschappen reeds omgekomen, vóór Moskou bereikt was. Dat er nog iets van het „Groote Leger” gered is, is hoofdzakelijk te danken aan de Hollandsche pontonniers, inzonderheid aan hun aanvoerder Kapitein George Diederik Benthien. Te Moskou reeds werd deze Kapitein wegens de belangrijke diensten, aan het leger bewezen, door Napoleon vereerd met de Ridderorde van het Legioen van eer. Den 19 Oct. 1812 werd in de straten van Polotzk het legercorps vanOudinotdoor de Russen onderWittgensteinaangevallen. Aan Benthien werd opgedragen, de brug over de Duna, waarover de Franschen zich terug moesten trekken, niet slechts te verdedigen, maar ook af te breken, zoo spoedig de Franschen er over waren, opdat de Russen hen niet konden volgen. Dit laatste was niet best te volvoeren, daar het laatste regiment dat zich aande brug vertoonde en uit Zwitsers bestond, de Russische voorhoede onmiddellijk op de hielen zat. Benthien had echter de brug zoo gemaakt, dat de deelen los aan elkander zaten en telkens uit elkander konden genomen worden. Toen dan ook de Zwitsers de sterk golvende en slingerende brug over gestormd waren, rukteBenthiende brug los en een oogenblik later voerden de snelvlietende wateren van de Duna de planken en ribben der brug met zich mee, terwijl de Franschen zich veilig aan den linkeroever der rivier konden verschansen.
DE OVERTOCHT OVER DE BEREZINA.
DE OVERTOCHT OVER DE BEREZINA.
Nog verdienstelijker maakte Benthien zich bij den overtocht over de Berezina. Daar de oevers dezer rivier zeer moerassig zijn, was het moeilijk, een geschikte plaats voor den overtocht te vinden. Bij het dorp Studianka meenden de Franschen den overtocht te moeten wagen. Ze telden 30.000 strijdbare mannen en bovendien nog 60.000 ongewapenden, terwijl ze voorzien waren van een groot aantal vaartuigen. Ongelukkig hadden ze tegen den raad van Benthien in, de laatste pontons verbrand, wijl ze de daarvoor gespannen paarden noodig hadden, om de kanonnen te trekken. Benthien liet daarom de houten huizen van Studianka afbreken, waarvan hij schragen en twee houten bruggen maakte. Twee dagen van ongeloofelijke inspanning gingen daarmee heen. Om de schragen in de rivier te bevestigen moesten de pontonniers in het water en daarbij zakten zij soms tot den hals toe in den modder, terwijl de scherpe ijsschotsen, die de rivier afdreven, den arbeid zeer belemmerden. Tot overmaat van ramp kon men geen balken en planken krijgen, die de vereischte lengte hadden, om voor het bouwen der brug te dienen, terwijl men de deelen met hennep, hooi en boomschors aan elkander moest hechten. Toch waren de twee bruggen in twee uren tijds voltooid.Terstond liet Napoleon er 7000 man overtrekken, teneinde de Russen onder Tschitschakou, die hem van de overzijde bestookten, terug te drijven. De Franschen behaalden de overwinning, hoofdzakelijk tengevolge der heftige wijze, waarop de Hollandsche kurassiers onder kolonel A. D. Trip den vijand aanvielen. Nu de weg hierdoor vrij geworden was, trokken de overige Franschen ook over de bruggen. Alleen bleef MaarschalkVictormet 4300 weerbare strijders aan den linkeroever, teneinde een talrijke menigte van ongewapenden, zieken, gewonden, paarden, kanonnen en voertuigen te beschermen en den overtocht over de Berezina mogelijk te maken. DaarWittgensteinmet driedubbele overmacht MaarschalkVictorbestookte, beval Napoleon aan Daendels, naar den linkeroever terug te keeren, teneinde den overtocht te dekken.Victor, nu door Daendels ondersteund, wist den geheelen dag den vijand tegen te houden, terwijl intusschen de weerlooze hoop de bruggen overtrok. Het was een schrikkelijk schouwspel, die ordelooze en onafzienbare menigte vluchtelingen, zieken, gewonden, vrouwen, kinderen, gedrongen tusschen paarden, wagens en kanonnen, elkander verdringend, terugstootend, vertrappend, om maar het eerst buiten het bereik van den vijand te zijn, terwijl de Russen niet ophielden kogels en granaten in die vluchtende menigte te schieten. Tegen den avond eindigde van beide zijden het schieten. Opdat nu ookVictoren zijne manschappen de brug bereiken konden, legden 160 pontonniers en sapeurs een loopgraaf van opgestapelde lijken aan, waartusschen de soldaten voor de aanvallen van den vijand beveiligd waren. Toen zij den overkant bereikt hadden, werd de brug in brand gestoken. Toch bleven er nog 5000 man aan den linkeroever, die niet in staat waren te vluchten of nietde wagens met levensmiddelen wilden verlaten. Voor zoover zij niet door de speren der Kozakken van het leven werden beroofd, werden ze door de Russen in harde krijgsgevangenschap gevoerd.
Van de 160 pontonniers waren ten laatste slechts 40 overgebleven en van dezen hebben niet meer dan 7 het vaderland terug gezien.
Bij het overtrekken van één der bruggen, door de genie over de Berezina geslagen, bezweek de brug. Vruchteloos schreeuwden de voorsten aan hunne achter hen opdringende makkers toe, om terug te keeren. Niemand luisterde naar die stemmen. Men drong vooruit en stortte zijne voorgangers in de diepte, tusschen de bulderende ijsschotsen, om een oogenblik later in denzelfden afgrond gedrongen te worden.
Van de 15000 man, waarmee Napoleon Wilna binnentrok, droegen nog slechts 600 de wapens.
Krijgsbedrijven der Hollanders in Spanje. (De Kapiteins Everts en Schindler.—Generaal Chassé en Prins Willem van Oranje.)—De zoon van Willem V bijLützen.—Napoleons veldtocht in Duitschland en zijn nederlaag bij Leipzig.
Van de 15000 Hollanders, die met Napoleon naar Rusland waren getrokken, kwamen slechts 600 in het vaderland terug. Was daarom de droefheid in ons land groot bij de gedachte aan zoovele landgenooten, die zulk een droevigen dood in de sneeuwvelden van Rusland gevonden hadden, toch was er ook blijdschap bij het vernemen van de geweldige nederlaag, die de dwingeland in Rusland geleden had. En niet alleen in het Noorden was het hem tegengeloopen, ook in het Zuiden, in Spanje, keerde de krijgskans zich tegen hem. Reeds in het begin van 1812 hadden de Engelschen in SpanjeCiudad-Rodrigovermeesterd, terwijl zij later den slag bij Salamanka wonnen, waardoor geheel Zuidelijk Spanje van de Franschen bevrijd werd en Koning Jozef (broeder van Napoleon) uit Madrid moest vluchten.
Evenals in Rusland gedroegen de Hollanders zich ook in Spanje dapper. Zoo b.v. werd Kapitein Everts opgedragen, om met 100 manVoltigeursop de grenzen van Portugal levensmiddelen en gijzelaars in ontvangst tenemen. Op het kerkhof van het dorpMaganezwerd hij echter aangevallen door 1000 Spanjaarden (waaronder 300 ruiters). Den geheelen dag wederstond hij dezen aanval en eerst nadat hij 300 zijner vijanden had doen vallen en van zijn eigen mannen 33 waren gesneuveld, aanvaardde hij den terugtocht, dien hij behouden volbracht.
Kapitein Schindler werd bijCelada del Camenomet 120 man voetvolk door een 7 keer sterkere ruiterbende aangevallen. Na een hevig gevecht van drie uur kwam hij behouden weer inCeladaterug.
Generaal Chassé wist zich in Spanje vooral geducht en roemrijk te maken door zijne aanvallen met het bajonet, zoodat hij den bijnaam ontving van „Generaal Bajonet”.
Doch vooral een andere Hollander, die in de gelederen der Franschen in Spanje streed, werd met roem aldaar overladen; wij bedoelen Prins Willem van Oranje, de oudste kleinzoon van Stadhouder Willem V. Toen hij in 1795 met zijn grootvader Holland verliet, was hij een kind van twee jaren. Hij genoot in Engeland zijne opvoeding en oefende zich nu in Spanje onderWellingtonin de krijgskunst. Al spoedig bleek, dat hij zich zijner voorvaderen Willem van Oranje, Maurits en Frederik Hendrik waardig maakte. Vele waren de diensten, die hij den hertog vanWellingtonbewees en bij de inneming vanCiudad-Rodrigotrok hij aan het hoofd der bestormers de vesting binnen.
Te Smorgonie, in Litthauen, verliet Napoleon den 5 Dec. 1811 de overblijfselen van zijn leger en bezorgd, om bij een gevreesden afval van Pruisen, teruggehouden te worden, liet hij zich door een Poolschen Jood in een slede door Polen, Silezië en Saksen naar den Rijn brengen. Uit dankbaarheid voor de bewezen dienstenliet hij den Jood, die hem in de slede gevaren had, doodschieten. Van den Rijn trok hij naar Parijs, waar hij in den nacht van 18 op 19 Dec. 1812 als een vluchteling aankwam.
Pruisen, dat de eerste bondgenoot van Napoleon geweest was, keerde zich, gelijk Napoleon al gevreesd had, om en verbond zich met Rusland. Koning Frederik Wilhelm III van Pruisen sloot zich in Februari 1813 bij Keizer Alexander van Rusland aan en begon een strijd op leven en dood. 's Konings wapenroep vond weerklank bij alle Duitsche stammen. Weldra voegde een nieuwe bondgenoot zich bij hen. Napoleons vroegere krijgsmakkerBernadotte, nu, onder den naam van Karel Jan, Kroonprins van Zweden, had zijn oude betrekking met den Keizer verbroken. Zweden sloot nu met Rusland en Engeland een verbond, waardoor de Russische krijgsmacht met 30.000 man versterkt werd. Van den Njemen tot den Rijn greep nu alles naar de wapenen, terwijl de Engelschen de Franschen uit Spanje drongen.
Napoleon eischte intusschen van den Senaat opnieuw 500.000 man, „om de eer der groote natie te redden”. En de Senaat gehoorzaamde. Weldra kwamen weer 180.000 Fransche jongelingen onder de wapenen, n.l. 10.000 mangarde d'honneurte paard, 80.000 man uit den eersten ban der nationale garde en 90.000 man uit de conscriptie van 1814.
Het decreet betreffende degardes d'honneursbehelsde, dat tot hunne regimenten zoudentoegelatenworden jongelieden van 18, 19 tot 30 jaar, zonen, kleinzonen, of neven van leden van het legioen van eer, ridders, baronnen, graven, municipale raden, voorname ambtenaren en eigenerfden van elk departement. Hettoelatenwerd in werkelijkheid eene op afschuwelijke wijze uitgevoerdedwang. O. a. werden de ouders, die weigerden hunne zonen af te staan, onder militair geleide als gevangenen naar Parijs gevoerd.
Napoleon stond weldra weer met een leger van 166.000 soldaten en 350 kanonnen aan de oevers der Elbe. Drie maanden later was deze krijgsmacht reeds aangegroeid tot een leger van 311.000 man, waaronder 45.000 ruiters en 1000 kanonnen. Niet meer ter verdediging, maar tot den aanval was hij gereed.
Ook ons vaderland had weder scharen jongelingen aan den dwingeland moeten afstaan. Zelfs een deel der schutterijen (toen „nationale garde” genoemd) moest mee, omtegende verbonden mogendheden te strijden. Den 5 April 1813 werd bij Decreet ook de vorming van een „garde d'honneur” of eerewacht van 10.000 man in ons land gelast. Nevenbedoeling van Napoleon met dit decreet was, om in de jongelingen, die deze eerewacht vormden, gijzelaars te hebben voor de trouw hunner ouders en familie. Deze maatregel wekte hier echter groote verbittering en verontwaardiging, daar deze jongelingen reeds voor groote sommen plaatsvervangers hadden gesteld, toen ze vroeger aangeloot waren, zoodat zij geacht konden worden reeds aan den dienstplicht te hebben voldaan. Op wreede wijze werd het decreet ten uitvoer gelegd, vooral te Amsterdam door den hardvochtigenDe Celles. Er waren echter jongelingen, die niet wilden opkomen en met geweld uit hunne woningen moesten worden gevoerd. Ja, sommigen hunner bleven in den vreemde elken krijgsdienst weigeren en verkozen de gevangenis boven het vechten voor den dwingeland.