HET VERTREK DER „GARDE D'HONNEUR” VAN AMSTERDAM BUITEN DE WEESPERPOORT.
HET VERTREK DER „GARDE D'HONNEUR” VAN AMSTERDAM BUITEN DE WEESPERPOORT.
Weldra was de veldtocht weer geopend en behaalde Napoleon den 2 Mei 1813 bijLützende overwinning op de mogendheden. In dezen slag maakte de Hollandschekolonel Trip zich bijzonder verdienstelijk. Kolonel Trip, die reeds in Spanje beroemd was geworden door de wijze, waarop hij er de artillerie bestuurde, voerde teLützenbevel over twee batterijen, die hij ten westen van het dorp Kaja in een goed gekozen stelling had gebracht. Een stafofficier beval hem echter, een andere stelling te kiezen. „Goed,” antwoordde Trip, „maar vertel dan eerst, dat het mijn geschut is, die aan de vijandelijke ruiterij het oprukken belet.”—Trip bleef zijne stelling behouden en toen weldra de artillerie der Garde zich bij hem aansloot, vernielde hij de vijandelijke gelederen. De „Jonge Garde” (de nieuwe keurbende van Napoleon) rukte voort en de zegepraal werd bevochten door de ontzaglijke vuurlijn, waaraan de batterijen van Trip ten grondslag hadden gestrekt.
In dezen slag bijLützenstreed ook aan de zijde vanBlücherde 16-jarige Willem Frederik Karel mede, de zoon van onzen vroegeren stadhouder Willem V. Voor het eerst nam hij hier aan het krijgsgewoel deel. Weinig kon hij bijLützenvermoeden, dat hij bij Waterloo nog eens, en wel als hoofd der Nederlandsche Artillerie, onderBlücherzou strijden.
Den 21 Mei 1813 behaalde Napoleon ook de zege bijBautzen. Den 1 Juni stelde nu de Keizer van Oostenrijk aan beide partijen een wapenstilstand van twee maanden voor, ten einde tot een vergelijk tusschen de partijen te komen. Den 11 Juli bood de Oostenrijksche vorst te Praag nogmaals zijn gewapende bemiddeling aan; toen hij zag, dat zijne pogingen op den onwil van Napoleon afstuitten, verbond zich Oostenrijk met Rusland, Engeland en Pruisen en verklaarde aan Napoleon den oorlog.
In Spanje ging het den Franschen niet voorspoedig.Den 21 Juni werden zij door de Engelschen onderWellingtonbij Vittoria verslagen. Aan de zijde vanWellingtonstreed daar mede de Erfprins van Oranje met moed en doorzicht.
INTOCHT DER GEALLIEERDEN IN LEIPZIG, 15 OCT. 1813.
INTOCHT DER GEALLIEERDEN IN LEIPZIG, 15 OCT. 1813.
Nu Napoleon ook Oostenrijk tegen zich had, leed hij de eene nederlaag na de andere. Zijne legers werden den 23 Aug. bij Grootbeeren, den 30 Aug. bij Culm en den 6 Sept.bijDennewitz verslagen. Het hoofdtreffen had echter bij Leipzig plaats, waar van 15 tot 19 Oct. „deDrie-Keizersslag” geleverd werd. Napoleon deed hier met 170.000 man tegenover een 300.000 man sterken vijand wonderen van dapperheid en overdekte zich metroem. Toch leed hij een verpletterende nederlaag en kwam hij met slechts 70.000 man in Frankrijk terug. Beieren, Wurtemburg en Baden, die vroeger om zijn gunst gebedeld hadden, vielen nu Napoleon af; de verdreven vorstenhuizen van Hannover en Keur-Hessen werden hersteld. In Spanje hielden de Franschen nog slechts Barcelona en een paar forten bezet; overigens hadden ze dat geheele land moeten ontruimen, ja,Wellingtontrok met zijn leger de Pyreneën over, terwijl Russen, Duitschers en Oostenrijkers in het Oosten tegen Frankrijk optrokken.
Met groote verschooning behandelden de verbonden Mogendheden overigens Napoleon. Zij boden hem het behoud van zijn Keizerrijk aan, zoo hij den Rijn als grens van zijn rijk wilde erkennen. Napoleon weigerde, waarom de Verbondenen na lang weifelen 1 Januari 1814 den Rijn overtrokken. Weder herhaalden zij hun aanbod, doch nu onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat Frankrijk binnen de grenzen zou blijven, die het in 1792 bezat. Napoleon verwierp beide voorslagen. Hij wilde het Fransche Keizerrijk behouden, zooals hij het door list en geweld had gevormd.
De samenzwering van G. K. v. Hogendorp, de Graaf van Limburg Styrum en Van der Duyn v. Maasdam in den Haag.—Kozakken en Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip bij Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.
Na Napoleons nederlaag bij Leipzig ontwaakte bij velen in Nederland de hoop, dat ons land weer bevrijd kon worden van de Fransche heerschappij. Evenwel, men begreep, dat het niet gemakkelijk zou gaan, want niet alleen was Napoleons macht nog groot, maar hij hechtte ook groot gewicht aan het bezit van ons land;zelfshad hij aan Rutger Jan Schimmelpenninck verklaard, dat hij Holland liever aan de zee wilde prijsgeven, dan het weer af te staan.
GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP.
GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP.
De vroegere Patriotten waren door de gebeurtenissen der laatste jaren van hun revolutionaire beginselen vrijwel bekeerd. Toch waren het niet zij, maar de vroegere Prinsgezinden, die de bevrijding van het Fransche juk van ons land bewerkt hebben, al werden zij door de vroegere Patriotten flink gesteund. Reeds sinds geruimen tijd hadden aanzienlijke Prinsgezinden, zooals Gijsbert Karel van Hogendorp, F. v. d. Duyn van Maasdam,Leopold, Graaf van Limburg Styrum, O. Repelaar van Driel, F. I. de Jonge en F. D.Changuion, verschillendegeheime bijeenkomsten gehouden, ten einde te overleggen, hoe de prins van Oranje hier in zijne waardigheid kon hersteld en wij van de Fransche heerschappij bevrijd konden worden. Wat zij beoogden, deelden zij slechts aan hen mee, op wier medewerking zij rekenen konden, o. a. aan Mr. Joan Cornelis van der Hoop te Amsterdam, J. F. van Hogendorp te Rotterdam en Baron Bentinck van Buckhorst te Zwolle.
Voor 1795 was Mr. J. C. van der Hoop advocaat Fiscaal bij de admiraliteit van Amsterdam geweest. In 1795 was hij niet slechts als zoodanig afgezet, maar ook uit Amsterdam naar den Haag gevoerd en daar 4 maanden gevangen gehouden. Na zijne invrijheidsstelling mocht hij zich gedurende drie jaren niet buiten Amsterdam begeven. Tot 1813 leidde hij een ambteloos leven.
Bentinck stond na 1795 in briefwisseling met onzen vroegeren stadhouder Willem V. De Fransche politie onderschepte echter een brief, zoodat hij gevangen werdgezet en alleen door tusschenkomst van Schimmelpenninck zijn vrijheid terug kreeg.
Mr.JOAN CORNELIS v. d. HOOP.
Mr.JOAN CORNELIS v. d. HOOP.
Na den slag bij Leipzig besloten de verbondenen hun kring uit te breiden. Ieder van hen nam op zich vier vrienden te zoeken, die, zonder wederzijdsche afspraak, ja zonder elkander te kennen, beloofden bij de eerste oproeping op te komen en blindelings de aanwijzingen van den leider te volgen. Ieder dezer vier vrienden moest zich op gelijke wijze de medewerking van andere vier personen verzekeren. Teneinde de achterdochtige politie niet op het spoor der samenzwering te brengen, werd aan geen der nieuw aangeworvenen meer meegedeeld dan het groote doel der verbintenis. Men noemde geen naam en deed niets schriftelijks. Mocht er dus een verrader onder de bondgenooten schuilen, dan kon hij alleen den man, die hem tot het bondgenootschap bewogen had, verraden. Weldra omvatte het bondgenootschap 400 leden, die in oprechtheid de zaak van den prins waren toegedaan.
De Graaf van Limburg Styrum had zich bovendien de medewerking verzekerd van den heer Pronk te Scheveningen, die aldaar zeer veel invloed onder de visschersbevolking had. Hij nam aan, bij de eerste oproeping 50 man te leveren.
VAN DER DUYN VAN MAASDAM.
VAN DER DUYN VAN MAASDAM.
Ook gelukte het den Graaf van Limburg Styrum de geheele Nationale Garde in den Haag, 300 man sterk, voor de zaak des lands te winnen. Kolonel J.van Oldenbarneveld (Witte Tullingh bijgenaamd), bevelhebber dier Garde, ging met zooveel beleid te werk, dat hij tot op het laatst het vertrouwen van den prefect wist te behouden. Een Detachement vreemde Jagers, meest uit Pruisen bestaande, en in Franschen dienst zijnde, beloofde den opstand, zoo die mocht uitbreken, niet tegen te werken, doch wilde zich verder tot niets verbinden.
Intusschen nam de Pruisische GeneraalBulowMunster in, terwijl de Kozakken Aurich in Oost-Friesland bezetten. De Russische GeneraalWintzingerodetrok tegen Bremen op, terwijl hij prins Narischkin met een afdeeling Kozakken naar ons land zond. Weldra vertoonden deKozakken zich te Meppel en Hoogeveen. De Fransche ambtenaren verlieten nu Groningen en de Prefect in die stad met de aldaar liggende Zwitsers volgden dat voorbeeld, terwijl er de kantoren der Douanen gesloten werden. De orde te Groningen werd nu gehandhaafd door den Maire Jullens en de kolonel Busch van de Gewapende Burgerwacht, terwijl de Nationale Garde er de Fransche kokarde aflei. Den 16 Nov. 1813 trok nu eene afdeeling Kozakken onder Baron Rosin Groningerland binnen. Hij vaardigde een proclamatie uit, waarbij hij de Raden der Prefectuur aanmaande, het bestuur van het Departement op zich te nemen en allen ambtenaren gelastte, hun functiën op den ouden voet te blijven waarnemen.
L. GRAAF VAN LIMBURGSTYRUM.
L. GRAAF VAN LIMBURGSTYRUM.
Toen de Franschen Groningen verlieten, hadden ze alle in de kassen aanwezige gelden in een schip gebracht, waarmee zij door het Reitdiep naar zee trachtten te ontkomen. Eene afdeeling Russen zette hen achterna, om hun de buit afhandig te maken, doch zonder resultaat.Een negental schippersgasten wisten echter in een sloep nabij den „Rooden Haan” (drie uren van Groningen) het Fransche schip te achterhalen, dat bemand was met 32 gewapende douanen, die 28 vrouwen en kinderen bij zich hadden. Ze hadden 80.000 gld. bij zich. De schippers zetten de Franschen tot bij Zoutkamp achterna, doch waagden niet zulk een overmacht aan te vallen. Zij hoopten echter bij Zoutkamp hulp van Kozakken te vinden. Toen ze hierin teleurgesteld werden, besloten ze toch tot den aanval over te gaan. Terwijl de douanen in het ruim van het schip waren, sprong Roelof Schenkel op hun schip over. Met het pistool in de eene en een zwaard in de andere hand, opende hij het luik en eischte de overgave der douanen. Dezen, door schrik overmand en niet wetende, hoe talrijk de aanvallers waren, voldeden aan dezen eisch, gaven hunne wapenen en geld over en lieten zich als weerlooze lammeren naar Groningen brengen. Schenkel en zijn gezellen, inplaats, dat zij met geld en schip er vandoor gingen, gaven echter alles belangeloos aan Rosin, den aanvoerder der Kozakken te Groningen, over.
Den 18 Nov. verlieten de Franschen Appingedam. Zij namen er een grooten voorraad uit mee en vestigden zich te Delfzijl. Bij de nadering der Kozakken trokken de Franschen zich onverwijld uit Friesland terug.
Toen de Prefect der Monden van den IJsel de nadering der Bondgenooten vernam, stuurde hij de in de kassen aanwezige gelden naar Amsterdam, doch zelf bleef hij op zijn post. Den 12 Nov. 1813 namen de Kozakken te Zwolle twee poorten, terwijl zij Kampen, dat verdedigd werd door een honderdtal Franschen, beschoten. De burgerij van Kampen koos de zijde der Russen, maakte zich meester van den Franschen Commandant,nam de wacht aan de Vischpoort gevangen en liet de Kozakken binnen, door de brug over den IJsel neder te laten. De Fransche bezetting werd nu gevangen genomen.
Midden December hadden de Franschen in de vier provinciën Groningen, Friesland, Overijsel en Drente nog slechts drie vestingen bezet, n.l. Delfzijl, Koevorden en Deventer. Het Noorden verwachtte echter uit Holland waarborgen der pas herkregen vrijheid.
In Den Haag werd het gerucht verspreid, dat Napoleon was gevangen genomen. De leiders van het verbond vertrouwden echter het gerucht niet, en dit was ook maar goed, want het bleek weldra, dat het valsch was. Later begeerde het volk in Den Haag, dat de bekende vroegere BurgemeesterSlicher, een vurig Oranjegezinde, weer aan het hoofd der Gemeente zou worden geplaatst, doch daar de leiders der samenverbondenen het oogenblik nog niet rijp achtten, werd aan de begeerte van het volk niet voldaan.
De Stassart, de gisting onder het volk bespeurende en wel inziende, dat hij een opstand niet kon bedwingen, verzocht zelf eenige Haagsche ingezetenen, een Provisioneel Bestuur te vormen, dat de gemeenschap met het Fransche bewind moest onderhouden. In zoover hij bij de verbondenen aanklopte, ontving hij overal een weigerend antwoord. Hij begon nu te vermoeden, wat men van plan was en hij was van zin, hen gevangen te nemen, doch hij liet dit voornemen varen, uit vrees, dat hij daardoor den opstand zou verhaasten.
Den 13 Nov. werden in verschillende winkels te Rotterdam reeds Oranjestrikken te koop aangeboden, die echter door de politie werden in beslag genomen. De tooneelspeler Rozenveld waagde het zelfs met een roodlint om den hoed op het tooneel te verschijnen. Het volk juichte hem toe, doch des nachts werd hij door de politie opgelicht en naar Breda gevoerd, hoewel hij bewees, datzelfde roode lint steeds in de toen door hem vervulde rol gedragen te hebben. Ook vond men te Rotterdam op zekeren morgen het Erasmusbeeld versierd met een Oranjestrik en het navolgende tweeregelig versje:
Durft niemand nog Oranje dragen.Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.
Durft niemand nog Oranje dragen.Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.
Durft niemand nog Oranje dragen.
Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.
Barend Ponstijn en Anton Reinhard Falck te Amsterdam.—Omwenteling aldaar.—Omwenteling in Den Haag.
De bezetting te Amsterdam bestond uit een strafbataillon van 800 man, eenige veteranen, benevens de gewapende douanen. Den 15 Nov. trok GeneraalMolitormet zijn troepen uit Amsterdam naar Utrecht, om zich bij het hoofdleger in Gelderland te voegen. Pas waren de Franschen Amsterdam uit of Barend Ponstijn ontplooide op de Nieuwe Brug te Amsterdam de Oranjevlag, vroolijk omstuwd door honderden burgers, die zich allen in een oogwenk met de geliefde Oranjekleur tooiden. Het volk liep te hoop en plunderde, onder het geroep van: „Oranje Boven!” de wachthuizen der gehate Douanen, terwijl men spotprenten op de Douanen uitgaf. Vervolgens rukte men de uithangborden, die met den Keizerlijken adelaar voorzien waren, naar beneden en wilde men de pakhuizen der Douanen en de rijkstabakfabriek plunderen en vernielen. De Nationale Garde, in allerijl onder de wapenen gekomen, wist echter door het beleid van Anton Reinhard Falck, één harer kapiteins, dit laatste te verhinderen.
zoek maar uit, zoek maar uit zes Douanen voor een duitANONIEME SPOTPRENT OP DE DOUANEN.
ANONIEME SPOTPRENT OP DE DOUANEN.
Deze Anton Reinhard Falck was onder het Staatsbewind Gezantschaps-Secretaris te Madrid geweest, terwijl hij onder Koning Lodewijk de betrekking bekleedhad van Secretaris-Generaal bij het Departement van Marine. Toen Holland bij Frankrijk werd ingelijfd, weigerde hij eenig ambt te bekleeden, ja wilde hij de ridderorde derReünieniet aannemen. Nadat hij zich bij de verbondenen had aangesloten, begreep hij, dat hij het vaderland nog van dienst kon zijn, en liet hij zich in den zomer van 1813 eene benoeming tot Kapitein der Nationale Garde welgevallen. Nog voorMolitorvertrokken was, wist hij zijn mede-officieren en zelfs Kolonel van Brienen voor de zaak der verbondenen te winnen. Doch vooral op den genoemden 15 November maakte hij zich verdienstelijk. Hij ried den Prins van Plaisance, den prefect en velen der overige achtergebleven Franscheambtenaren aan, de stad te verlaten, daar hij voor de veiligheid van hun persoon en goederen niet kon instaan. Men volgde zijn raad op en toen ook zij Amsterdam ontvluchtwaren, kreeg de volksbeweging nieuwe kracht. Den 16 Nov. begon het volk de wachthuizen, o.a. dat op de Nieuwe Brug te Amsterdam, te verbranden en plunderde het 't huis van den Ontvanger der personeele belasting op de Prinsengracht, en de huizen van den Wapencommandant en der Politie op de oude Turfmarkt. De Nationale Garde kon verdere baldadigheden slechts voorkomen, door krachtig op te treden, zoodat ze zelfs ten laatste op de menigte moest schieten. Het was een toestand van verwarring en regeeringloosheid, die in Amsterdam heerschte. De Maire was te Parijs, om daar opnieuw in naam der derde hoofdstad van het rijk, trouw aan Napoleon tezweren; de politie had weinig gezag en om dat weinige gezag te handhaven, beschikte zij over te weinig hulpmiddelen, vooral doordat het Hoofdbestuur de stad verlaten had. Falck begreep, zou er een eind aan de verwarring komen, dat er een voorloopig bewind moest zijn. Hij trachtte de leden der Municipaliteit te bewegen met nog eenige andere aanzienlijken zich voor Oranje te verklaren, doch dezen durfden dat nog niet aan uit vrees voor een mogelijken terugkeer der Franschen. Eindelijk wist hij van kolonel Van Brienen gedaan te krijgen, dat deze 24 der aanzienlijkste burgers opriep, om een voorloopig Bestuur te vormen. Van deze 24 gaven 20 aan de oproeping gehoor. In de Vroedschapskamer wees Falck de opgekomenen op een verzoek, door den prins van Plaisance aan den gewezen Hoofdofficier David Willem Elias en door den prefect aan Van Brienen gedaan, om te zorgen voor de handhaving der orde in Amsterdam. 17 personen verklaarden zich nu bereid, in het Bestuur zitting te nemen, dat ten slotte aldus was samengesteld:
HET VERBRANDEN DER DOUANENHUISJES BIJ DE NIEUWE BRUG TE AMSTERDAM.
HET VERBRANDEN DER DOUANENHUISJES BIJ DE NIEUWE BRUG TE AMSTERDAM.
Mr. J. C. v. der Hoop, Voorzitter, Mr. P. A. van Boetzelaer, Mr. D. W. Elias, P. P.Charlé, W. Boreel, Mr. C. van der Oudermeulen, Mr. J. van Loon Jansz., Mr. D. J. van Lennep, H. van Slingelandt, G. ten Sande, A. Mendes de Leon, J. A. Willink, J. J. Moy, Mr. P. A. Brugmans, Mr. J. D. Meyer, Mr. J. S. van de Poll en Mr. A. A. Deutz van Assendelft, allen vurige Oranjegezinden, die ook vroeger deel van het Stads- of Staatsbestuur hadden uitgemaakt.
Op verzoek van Falck had de Adjunct-Maire Charlé, die zich met het eigenlijk bestuur der stad had belast, afstand van dit bestuur gedaan. Hij begeerde echter en verkreeg dan ook een schriftelijk bewijs, door Van Brienen en eenige andere Officieren geteekend, datde Officieren der Nationale Garde hem voor ontslagen hielden.
Het nieuwe Bestuur werd te Amsterdam met ingenomenheid begroet, vooral, omdat de leden er van gunstig bij het volk bekend stonden en men er mannen onder vond, van verschillende godsdienstige belijdenis. Bij fakkellicht, door een gedeelte der Burgerwacht begeleid, deed het nieuwe Bestuur een rondgang door de stad, door het volk overal luide toegejuicht. Onder bevel van W. Willink werd een vrijwillige ruiterbende van 300 man opgericht en deze, geholpen door vele patrouilles van gewapende burgers, deden nu alles, om de rust te herstellen. Vooral Van der Hoop werkte kalmeerend op de menigte. Hij ging des nachts de wijnhuizen rond en sprak tot het aldaar samengeschoolde volk: „Wat wilt gij meer, mannen! De oude regeering is immers hersteld.” En op zijne aanmaning gingen allen naar huis.
Wat te Amsterdam had plaats gevonden, werd al spoedig in Den Haag bekend gemaakt. Toen aldaar de verbondenen hoorden, datDe Stassartvoornemens was, Den Haag te verlaten, begrepen zij, dat het tijdstip daar was, om handelend op te treden. Den 17 Nov. 1813 ging de Graaf van Limburg Styrum met de Oranje-kokarde op den hoed van het huis van Van Hogendorp naar dat van Slicher, waarop deze eveneens de Oranje-kokarde op den hoed deed en met Van Styrum naar den Adjunct-Maire Faber van Riemsdijk ging, om te trachten een voorloopig stadsbestuur te verkrijgen. Toen nu ook de zonen van Van Hogendorp met de Oranje-kokarde op den hoed zich op straat vertoonden, geraakte het volk in beweging en hield het geroep van „Oranje boven!” haast niet op. Ten huize van Van Styrum kwamen nog dienzelfden dag de verbondenen te zamen,die twee proclamatie's vaststelden, beide door Van derDuynvan Maasdam, Repelaer enChanguionen de Graven G. K. en J. F. van Hogendorp geteekend en welnamens de oude Regenten. Bij de eene proclamatie werd Van Styrum gemachtigd, als voorloopig (provisioneel) Gouverneur van den Haag voor den prins van Oranje op te treden. De andere proclamatie riep op 18 Nov. eene vergadering der Regenten van 1794 bijeen.
't Hoen en Bachman, die vóór 1795 Burgemeesters van den Haag geweest waren, begaven zich nu met Slicher naar het Stadhuis, waar zij hun vroegere ambten wederaanvaardden. De Oranjevlag werd op den toren geplaatst, en bij proclamatie van den nieuwen Gouverneur werd het optreden van het voorloopig Bestuur aan het volk bekend gemaakt. De Nationale Garde, die zich ook voor den prins verklaarde, trok nu met vliegende vaandels, slaande trom en onder het spelen van het Wilhelmus door de stad.
En dit alles geschiedde, terwijl in den Haag zich nog een Regiment vreemde Jagers en 100 Douaniers, allen goed gewapend en twee achtponders tot hun beschikking hebbende, bevonden. De bevelhebber dezer troepen, GeneraalBouvier, door schrik als verlamd, deed niets om den opstand te onderdrukken en verschanste zich met zijne krijgslieden op het Binnenhof. Hier liet hij zelfs toe, dat de Nationale Garde uit het daar aanwezige depôt en dus als het ware onder zijne oogen, zich van wapenen voorzag.
In Den Haag had men hoop, dat men hulp van de verbonden Mogendheden zou ontvangen. Het was dus met groote teleurstelling, dat men het bericht ontving, dat GeneraalBulowbevel had ontvangen, den IJsel niet over te steken. Baron Bentinck, die dit bericht inDen Haag overbracht, ried er daarom den bondgenooten aan, nog geen beslissende stappen te doen. Evenwel, die raad kwam te laat, want de beslissende stap was reeds gedaan. Van Styrum deed daarom al het mogelijke, om den moed der burgers aan te wakkeren en den Franschen schrik aan te jagen. Hij liet het Binnenhof door de burgerwacht omzetten, terwijl hij gewapende ruiters onophoudelijk er om heen liet draven. De meeste burgers brachten den nacht op de straat door, terwijl de straten verlicht bleven. Door al deze maatregelen bevreesd geworden, vroeg GeneraalBouvieraan Van Styrum den volgenden dag vrijen aftocht voor zich zelf en zijn troepen, wat hem gaarne werd toegestaan. Vele vrijwilligers boden zich nu aan, die bij gebrek aan andere wapenen met pieken werden gewapend. De heer Pronk te Scheveningen zond een aantal pinken in zee, ten einde de Engelsche vloot op te zoeken, om die met de omwenteling in kennis te stellen.
Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om Papendrecht en Dordrecht.
Den 18 Nov. 1813 werden zij, die vóór 1793 Lid der Staten geweest waren, uitgenoodigd, ten huize van Van Hogendorp in Den Haag te komen. Daar vergaderd zijnde, werd hun verzocht, het Bestuur van het land op zich te nemen. Zij durfden aan dit verzoek niet voldoen, daar zij òf bevreesd waren voor een mogelijken terugkeer der Franschen, òf omdat zij niet in het Bestuur wilden zitten, zonder daartoe door den Prins uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, òf omdat zij meenden, dat het Bestuur niet eenzijdig uit Prinsgezinden moest zijn samengesteld, maar ook enkele der vroegere Patriotten onder zijn leden moest tellen.
SAMENKOMST VAN VAN HOGENDORP, VAN DERDUYNVAN MAASDAM, J. M. KEMPER,F. D.CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURGSTYRUMEN FANNIUS SCHOLTEN OP 20 NOV. 1813.
SAMENKOMST VAN VAN HOGENDORP, VAN DERDUYNVAN MAASDAM, J. M. KEMPER,F. D.CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURGSTYRUMEN FANNIUS SCHOLTEN OP 20 NOV. 1813.
Dat de oude Statenleden weigerden, in het Bestuur van het land zitting te nemen, werkte op het volk ontmoedigend, wijl dat er uit opmaakte, dat de oude Regenten zelf weinig hoop koesterden op een volledig herstel van onze onafhankelijkheid. Ook gingen door deze weigering twee dagen verloren, die men zoo nuttig had kunnen gebruiken. Toch gaven de gebeurtenissen aan de verbondenen weldra nieuwen moed. Het werd toch in den Haag bekend, dat Luitenant Ampt, die met zijn kanonneerboot te Rotterdam lag, de zaak van Oranje had omhelsd. Hij wilde zelfs met behulp der matrozenen van het werkvolk, de werf te Rotterdam in het bezit nemen. En den 19 Nov. waren de Pruisische jagers, onder bevel vanBouvierin Den Haag teruggekeerd, om de zaak der verbondenen te steunen. Met de Franschen uit Den Haag vertrokken, waren ze tegen dezen in verzet gekomen, hadden kanonnen vernageld en vele douanen gewond en waren thans in Den Haag een onwaardeerbare steun voor de verbondenen. Ook wekte het in Den Haag zeer den moed op, dat in Rotterdam een voorloopig Bestuur gevormd was met J. F. Hogendorp aan het hoofd, dat dit te Leiden was gebeurd onder den Maire Heldewier, terwijl ook Haarlem en Edam het Fransche juk hadden afgeschud.
Zou echter de onafhankelijkheid van ons land verzekerd worden, dan was het noodzakelijk, dat een Prins uit het Stamhuis van Oranje zich aan het hoofd der beweging zette. Daar men niet wist, waar de Prins zich bevond, reisden Jacob Fagel (broeder van den vroegeren Griffier) en de Perponcher (vroeger de trouwe strijdmakker van wijlen Prins Frederik) naar Engeland en Kapitein Wauthier naar Duitschland, teneinde den Prins te zoeken.
AANVAARDING VAN HET HOOG BEWIND IN NAAM V. D. PRINS VAN ORANJE, 21 NOV. 1813, TEN HUIZE VAN GIJSB. KAREL V. HOGENDORP.
AANVAARDING VAN HET HOOG BEWIND IN NAAM V. D. PRINS VAN ORANJE, 21 NOV. 1813, TEN HUIZE VAN GIJSB. KAREL V. HOGENDORP.
Teneinde tot een voorloopig Bestuur van het land te komen, werd er den 20 Nov. 1813 bij Van Hogendorp wederom een vergadering gehouden. Er werd een brief voorgelezen vanDe Stassart, door dezen uit Gorinchem geschreven, waarin hij meldde, dat hij met een sterke strijdmacht in Den Haag terug zou komen, en dan straffen zou, die zich bleef verzetten, doch vergiffenis beloofde aan wie zich nu nog onderwierp. In plaats, dat dit schrijven ontmoedigend werkte, zag men er een bewijs van zwakheid in vanDe Stassarten werd er de moed door verlevendigd. Dit was evenzoo het gevalmet het bericht, dat de Franschen Gouda hadden ontruimd en ook daar een voorloopig bestuur was ingesteld. Men besloot daarom tot krachtig optreden. Van derDuynvan Maasdam en G. K. van Hogendorp aanvaardden het voorloopig Bestuur van het land; Falck wilde men de betrekking van Algemeen Secretaris toevertrouwen, doch daar hij te Amsterdam niet kon gemist worden, lietChanguionzich deze functie welgevallen. Prof. Kemper, die in Leiden reeds veel voor de zaak des lands had gedaan en Fannius Scholten wilden trachten, de besturen der overige Hollandsche steden voor de zaak des lands te winnen.
FRANÇOIS DANIELCHANGUION.
FRANÇOIS DANIELCHANGUION.
Bij proclamatie van 21 Nov. werd aan het volk van de samenstelling van dit voorloopig Bestuur mededeeling gedaan, terwijl bij proclamatie van 22 Nov. het volk ontslagen werd van den eed, aan Napoleon gedaan, en elk een muiter werd genoemd, die nog aan het Fransche Bestuur gehoorzaamde en ieder weerbaar man te wapen werd geroepen, om de Franschen te bestrijden. Eene afdeeling krijgslieden onderbevel van Baron Sweertz de Landas moest de Franschen, die in Gorinchem gelegerd waren, in het oog houden, terwijl eene andere afdeeling onder bevel van generaal C. F. de Jonge Zuid-Holland beschermen moest tegen een aanval der Franschen uit Utrecht. Beide afdeelingen te zamen waren echter nog geen 1000 man sterk. Gelukkig werd de afdeeling Sweertz de Landas te Rotterdam met 300 vrijwilligers versterkt. Ook had ondertusschen Ampt te Rotterdam de werf genomen. Hij zond nu twee kanonneerbooten de Maas op, die een vaartuig wisten te bemachtigen, voor het Fransche garnizoen in Gorinchem bestemd en beladen met 80.000 pond buskruit en 40.000 patronen, welke voorraad terstond naar Den Haag werd gezonden.
HET BESCHIETEN VAN DORDT DOOR DE FRANSCHEN.
HET BESCHIETEN VAN DORDT DOOR DE FRANSCHEN.
De Franschen hadden Dordrecht verlaten, waarna er de burgers terstond de Hollandsche vlag op den toren zetten. 400 Douanen, met een zesponder en een mortier gewapend, bezetten echter Papendrecht en eischten nu ook Dordrecht weer voor Frankrijk op. Toen ze deze stad met houwitsers en kanonskogels beschoten, lieten de Dordrechtenaars de Franschen binnen, die terstond 200.000 gld. eischten voor levensmiddelen ten behoeve der Fransche bezetting in Gorinchem, doch zich niet aan wanordelijkheden schuldig maakten. Toen de Franschen echter hoorden, dat de Hollandsche bezetting van Rotterdam zou pogen, Dordrecht te hernemen, verlieten de Franschen de stad weder. Werkelijk namen den 23 Nov. 100 vrijwilligers van de afdeeling onderSweertzde Landas te Rotterdam Papendrecht en trokken toen voor een deel Dordrecht in. Twee kanonneerbooten onder bevel van Van Ampt legerden zich des nachts tusschen Dordrecht en Papendrecht. Den 24 Nov. verdreef echter een Fransche bende de vrijwilligers uit Papendrecht en begon toenmet haar geschut Dordrecht te beschieten. Eén der kanonneerbooten zocht weldra haar heil in de vlucht, doch de andere hield twee uren lang den strijd vol, tot eindelijk al het kruit en de kogels op waren. Toen men het laatste schot zou doen, vroeg iemand, in het bedienen van het geschut zeer bekwaam, om dit laatste schot te mogen richten. Na bekomen verlof deed hij met de laatste kardoes een koevoet in het kanon en richtte toen het schot zoo juist, dat hij zeven Franschen deed sneuvelen. De vijand, door schrik overmand, sloeg op de vlucht en—Dordrecht bleef voor ons behouden. De Dordrechtenaars, in vereeniging met de Rotterdammers, zetten nu gewapend de Franschen na en namen eenigen dezer gevangen. Toen de gemeenschap tusschen Rotterdam en Dordrecht was hersteld, kwamen er van alle zijden zooveel vrijwilligers opdagen, dat de vijand het niet waagde, zich weer in deze streken te vertoonen.
Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.
Generaal De Jonge wist Leiden en Bodegraven voor den Prins te bewaren, terwijl een 100-tal vrijwilligers Donderdam beveiligden. Een Haagsch vrijwilliger, Adams geheeten, stelde zich aan 't hoofd van een bende boeren en wist de batterij van de Buitensluis aan het Hollandsch diep te bemachtigen. Deze batterij bestond uit twaalf achttienponders, meer geschut, dan de verbondenen tot dusver bezeten hadden.
MR. FANNIUS SCHOLTEN.
MR. FANNIUS SCHOLTEN.
In Amsterdam vreesde men nog, datMolitormet zijne troepen terug zou keeren, waarom Van Brienen altijd nog metMolitorin briefwisseling stond en het provisioneel Bestuur van die stad nog niet openlijk de zijde van Oranje durfde kiezen, hoewel Van der Duyn, Kemper en Fannius Scholten alle moeite hadden gedaan, om dat Bestuur tot een meer beslist optreden te bewegen.
De Bondgenooten hadden Van Assen naar Friesland en Groningen gezonden, teneinde die gewesten over te halen, de zijde van den Prins te kiezen. Zij bevonden, dat de inwoners dier gewesten Prinsgezind genoeg waren, doch dat de Besturen er nog niet met beslistheid tegen de Franschen durfden optreden, wijl ze op de hulp van slechts 400 à 500 Kozakken konden rekenen. Van Assenverzocht den aanvoerder der Russen, prins Lapupkin,om hulp voor de omwenteling in Holland en deze beloofde onmiddellijk eenige ruiters naar Holland te zenden.
Den 24 Nov. zond prins Lapupkin MajoorMarklaymet 200 Kozakken naar Amsterdam. Daar Naarden en Utrecht nog in de macht der Franschen waren, trok deze afdeeling Russen over Hilversum, 's-Graveland, Weesp, de Uitermeersche Schans (die door de Franschen verlaten was) en verscheen eindelijk voor de Muiderpoort te Amsterdam.
Te Amsterdam wekten de Kozakken de nieuwsgierigheid in hooge mate op. En waarlijk, deze zonen van Tartarije en de Krim boden een bont en zonderling schouwspel aan.
„De een b.v. droeg, bij een Chineesche muts, een overjas met kragen, die misschien aan dezen of genen Franschen overste behoord had; een ander was in een buitgemaakte huzaren-monteering uitgedost, waarover een witte mantel golfde; een derde had een Poolsche jas en een grenadiersmuts op het hoofd; sommigen waren met sabels, anderen met degens of dolkengewapend, doch allen met pistolen en ellenlange speeren.”
KOZAKKENWACHT.
KOZAKKENWACHT.
In het gebruiken van voedsel waren de Russen niet kieskeurig; smeerkaarsen en klare boter aten ze alsof het niets was. In ons land kon men ze het best trakteeren met pannekoeken en brandewijn. De Amsterdammers zagen hoog tegen deze woeste strijders op en geloofden, dat één Kozak wel tien Franschen kon staan. Een gevolg hiervan was, dat Amsterdam zijn weifelende houding liet varen. Door invloed van Falck werd nog den 24 Nov. van de pui van het paleis op den Dam aan het volk bekend gemaakt, dat Amsterdam de zijde der Franschen verlaten en die van den Prins gekozen had, terwijl mende Hollandsche vlag van de torens liet wapperen.Krayenhoff, die voor 19 jaar door de Patriotten te Amsterdam aan het hoofd van het Bestuur werd geplaatst, teneinde het gezag der Franschen er te vestigen, werd nu tot Gouverneur van Amsterdam aangesteld, teneinde het gezag van den Prins er te vestigen, terwijl aan Verdooren de regeling der zeezaken werd opgedragen.
BARON KRAYENHOFF.
BARON KRAYENHOFF.
De Franschen te Gorinchem hadden 1500 man versterking uit Antwerpen ontvangen en dit gafDe Stassartden moed, een brief naar Den Haag te zenden, waarin hij de „rebellen” in die stad en te Rotterdam aanried, een deputatie naar hem te sturen, teneinde Napoleons wraak af te wenden. Natuurlijk werd het schrijven van den prefect in Den Haag met verachting ontvangen en hooghartig beantwoord, zoodatDe Stassartde gedachte moest krijgen, dat men in Den Haag over een grootere macht beschikte, dan werkelijk het geval was.
De Fransche bezetting van Woerden bestond uit slechts28 man. Dit gaf generaal de Jonge en Kolonel Tullingh den moed, aan het hoofd der Nationale (nu Oranje) Garde derwaarts te trekken en de stad voor den Prins te bezetten. De 28 Franschen trokken zich in Utrecht terug. Terstond werd in Woerden de Hollandsche vlag op den toren gezet, doch de vrijwilligers verzuimden, de bruggen op te halen, de poorten te sluiten en verder Woerden in staat van tegenweer te stellen.
De Franschen, te Utrecht de Hollandsche vlag van den toren te Woerden ziende wapperen, besloten Woerden te overvallen. Midden in den nacht verschenen ze voor Woerden. Ze verdreven LuitenantMirandolleuit het fort Oranje, die zich nu met zijn 24 vrijwilligers bij de bezetting van Woerden aansloot. De Franschen waren ondertusschen in de stad gedrongen en de Hagenaars, nu van binnen en van buiten aangevallen, kozen de vlucht. Kolonel Tullingh werd door bajonetsteken en sabelhouwen gewond en als krijgsgevangene naar Parijs gevoerd. Na den val van Napoleon mocht hij naar ons land terugkeeren.
De Franschen, die Woerden overvielen, waren zoogenaamde Pupillen, zijnde weezen, die men voor den krijgsdienst had opgeleid. Zonder ouders of nastaande familie, dus zonder met de maatschappij in nauwe betrekking te staan, gaven ze om hun leven weinig of niets en was medelijden met hun slachtoffers hun vreemd. Toen zij zagen, dat zij van Woerden meester waren, begonnen zij er op barbaarsche wijze te rooven, te plunderen en te moorden. Vijf en twintig inwoners van het stadje, waaronder vrouwen en kinderen, beroofden zij van het leven, terwijl vijftig anderen min of meer zwaar gewond werden. En het treurigste was, dat deze moordtooneelen geheel doelloos plaats hadden, want driedagen later ontruimden de bandieten uit eigen beweging Woerden, met medeneming van een grooten buit.
HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.
HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.
De berichten van hetgeen te Woerden was gebeurd, werden overal in ons land met schrik en ontzetting ontvangen. Te Leiden durfden de burgers de stad, uit vrees, dat de Franschen hun dit euvel zouden duiden, niet in staat van verdediging stellen, en wilden geen geschut of vrijwilligers binnenlaten. Velen wilden zelfs de stad verlaten, doch Mevrouw Kemper, wier man niet te huis was, ried hun dit af en zei: „Ware er gevaar, zoude ik hier gerust met mijne kinderen blijven?”—Haar moedige houding boezemde den burgers weer moed in. Gelukkig werd de gezonken moed door twee betere tijdingen weer opgebeurd.
Tusschen Amsterdam en Haarlem lag een fort, dat door de Franschen bezet was en dat de verbinding tusschen die steden belemmerde. Het gelukte den Kozakken, de Franschen uit dit fort te verdrijven en het voor den Prins in bezit te nemen.
De Kozakken hadden reeds een paar keer gepoogd, doch tevergeefs, de Fransche bezetting, meest uit Douanen bestaande, uit Zutphen te verdrijven. Den 24 Nov. werd Zutphen belegerd door 4000 Pruisische ruiters en jagers. De Duitschers werden door de inwoners van Zutphen geholpen en de Maire Op ten Noort wist den Franschen bevelhebber te bewegen, Zutphen aan de Pruisen over te geven. Terstond werd nu de Hollandsche vlag op den toren geplaatst, een bal aan de Pruisische officieren gegeven en in de straten geïllumineerd. Een Algemeen Bestuur werd ingesteld, dat Zutphen voor den prins moest bewaren.
In weerwil van deze twee moedgevende gebeurtenissen, bleef men toch in Holland nog met zorg de toekomsttegemoet zien, daarMolitorte Utrecht nog 4 à 5000 man, allen goed gewapend, tot zijn beschikking had.Molitorwas echter zelf te zeer op zijn hoede, dan dat hij aanvallend durfde optreden. Een tuinier toch te Oudshoorn, Mens genaamd, had brieven laten schrijven en aan verschillende personen bezorgen, waarin hij vermeldde, dat de Engelschen te Scheveningen geland waren en dat 3000 Russen aanrukten, om ons te hulp te komen. Deze brieven, te Woerden in handen der Franschen gevallen, hebben niet weinig er toe bijgedragen, dat dezen de stad verlieten. En ookMolitorliet er zich door bang maken. Ook meendeMolitor, toen hij hoorde, dat een bekwaam krijgsoverste als Krayenhoff de verdediging van Amsterdam op zich had genomen, dat Amsterdam over meer middelen ter verdediging kon beschikken, dan werkelijk het geval was. Bovendien wist hij niet, wat de verbonden Mogendhedenbeoogden, zoodat hij Gelderland, dat hij beschermen moest, niet durfde verlaten.
Wat het meest in ons land den moed verlevendigde, was het heuglijke feit, dat Van Hogendorp den 27 Nov. een eigenhandigen brief van den Prins van Oranje ontving, waarin de Prins beloofde, spoedig over te komen en dat Engeland hulp zou verleenen. Terstond liet men dezen brief drukken en door het geheele land verspreiden, waardoor ook Friesland en Groningen moed vatten en zich voor den Prins verklaarden.
Kapitein Wauthier, die in Duitschland den Prins moest zoeken, ontmoette den 22 Nov. te Munster den Pruisischen Generaal VanBulow, dien hij op de hoogte bracht van hetgeen in Holland plaats greep. Vervolgens bezocht Wauthier het hoofdkwartier derGealliëerdente Frankfort, waar hij bemerkte, dat de verbonden mogendhedende provinciën ten Westen van den IJsel als bevriende mogendheid beschouwden.
De verbondenden in Den Haag zonden hun agent Van der Hoeven naar het Oosten van ons land. Te Nijkerk wist hij den KozakkenhoofdmanMarklayte bewegen, zich naar Amsterdam te begeven. Prins Narischkin, opperbevelhebber der Russische voorhoede, die zich te Zwolle bevond, had Bentinck reeds tot Gouverneur van Overijsel aangesteld. Hij gaf aan Van der Hoeven paspoorten, teneinde het hoofdkwartier van den kroonprins van Zweden te kunnen bezoeken, en beloofde ook naar Amsterdam te zullen trekken.
Van der Hoeven zocht ook den kroonprins van Zweden op, die aan de omwenteling in Holland zooveel waarde hechtte, dat hij van der Hoeven een officier mede gaf met last aan Generaal Wintzingerode, om den IJsel over te rukken. Gelukkig behoefde deze last niet meer uitgevoerd te worden, wantMolitorhad Utrecht reeds verlaten. Hij had vier aanzienlijke ingezetenen van Utrecht als gijzelaars mee naar Parijs genomen, en wel de heeren Ram, Singendonck, Buddingh, ende Perponchervan Wolphaartsdijk. Dezen werden te Parijs in een gewone gevangenis geworpen. Op voorspraak van Lodewijk Napoleon herkregen ze in het begin van 1814 hun vrijheid en mochten ze naar hunne woningen terugkeeren.
Molitorhad Utrecht in de beste orde verlaten en geen gewelddadigheden gepleegd. Terstond na zijn vertrek verklaarde de stad zich voor den Prins. Den 29 Nov. trok prins Narischkin met 2000 Kozakken Utrecht binnen met Kolonel v. d. Bosch, den Adjudant van Krayenhoff, die, met toestemming van den Russischen bevelhebber, Utrecht voor den Prins in bezit nam.
Den 28 Nov., toenMolitorUtrecht verliet, had Schwartsman,vroeger consul van Spanje, die op last van Graaf van Styrum met een visscherspink op de Noordzee kruiste, om de Engelsche vloot te zoeken, eindelijk deze gevonden op de banken vanHollesley-baai. Op Schwartsmans verzoek zond de Engelsche Vice-admiraal Ferrier terstond drie oorlogsschepen naar Scheveningen, die daar een aantal zeesoldaten aan wal zetten. De tijding hiervan werd door het geheele land met blijdschap vernomen en werkte vooral in Amsterdam zeer geruststellend. Ook ontving men de verzekering, dat behalve de 1200 Kozakken, die Utrecht binnen getrokken waren, nog meer Russisch krijgsvolk te wachten was.
Aan VanBulowhad men een onderschepten brief van den prefect van Coblenz aanDe Cellesgezonden, waarin de treurige toestand van het Fransche leger in ons land werd geschilderd. Dit deed VanBulowbesluiten, tegen zijn last in, den IJsel over te steken.
Den 18 Nov. had de bezetting van Doesburg, uit Jagers bestaande, deze stad aan de Pruisen overgeleverd. Den 22 Nov. wisten de Franschen de stad te hernemen, doch denzelfden dag werd hun Doesburg weer ontnomen, helaas ten koste van een vrij groot aantal mannen. De Fransche GeneraalAmeyte Arnhem deed nogmaals een poging, om Doesburg in zijn macht te krijgen, doch den 24 Nov. werden zijne krijgslieden reeds te Velp door de Pruisen met zwaar verlies teruggeslagen.
Wij beproefden nu Arnhem onze zijde te doen kiezen. De Fransche bezetting in die stad werd echter door den MaarschalkMacdonald, hertog van Tarente, die te Nijmegen zijn hoofdkwartier had, met eene afdeeling krijgslieden versterkt, zoodat ze nu 3400 man telde. Den 30 Nov. waagden deGealliëerdendestad te bestormen en het gelukte hun, na een hevig gevecht, Arnhem in hun macht te krijgen.
Den 19 Nov. was Den Briel door de aldaar gelegerde Fransche bezetting in staat van beleg verklaard. De Gemeenteraad zond nu in stilte vier zijner leden naar Den Haag, om te vernemen, of verlossing aanstaande was en op hulp kon gerekend worden. In Den Haag kon men den Brielschen afgevaardigden voor het oogenblik weinig moed geven, waarom men in Den Briel besloot, zich aan het Fransche Bestuur te onderwerpen. Voor de dorpen om Den Briel, die reeds de Oranjevlag van den toren lieten wapperen, was dit mede een groote teleurstelling. De Franschen haalden overal die vlaggen naar beneden en legden al deze dorpen een brandschatting op. Ze namen overal den Maire en andere notabelen als gijzelaars mee. Gelukkig deserteerden er vele soldaten van de Fransche bezetting, die uit zoogenaamde „Etrangers” bestond. Toen er in één nacht weer 50 soldaten verdwenen, vatte de Maire Heeneman weer moed en zond den predikant Pauw in stilte naar Den Haag. Dominé Pauw kreeg van Van Hogendorp de schriftelijke machtiging, om in Den Briel de omwenteling door te zetten. Voor dat doel kon men er over krijgsvolk, magazijnen en geld beschikken. In Den Briel wist men nuHolssourt,KapiteinderEtrangers, voor de zaak van Oranje te winnen.Holssourtbeloofde, te zullen trachten, ook de onder hem staande officieren onze zijde te doen kiezen. Besloten werd, om te pogen den volgenden dag de bezetting in opstand te brengen. Ongelukkig werd de samenzwering verraden.Holssourtwerd gevangen naar Antwerpen gevoerd, de MaireHeenemanmoest Den Briel verlaten, terwijl het huis van Dominé Pauw omsingeld werd. Gelukkig wist hij door de tuinente ontvluchten en zich twee dagen bij een bakker schuil te houden, tot hij veilig uit Den Briel wist te ontkomen. Toch gaf men in de stad den moed niet op. Dokter de Lang plakte eene proclamatie van den Pruisischen GeneraalBlücheraan de Kazerne der Etrangers (die meest Pruisen waren) aan, waarin alle Pruisische soldaten met zware straffen werden bedreigd, die in dienst der Franschen bleven. Zoo zij zich in Den Haag bij de verbondenen aansloten, werden hun allerlei beloften gedaan.
Deze proclamatie werkte. Toen de Onder-prefect met een paar Fransche Officieren naar Hellevoetsluis was, om een 50-tal marine-soldaten van daar naar Den Briel te geleiden, overweldigden de Etrangers de wacht en kozen de zijde der verbondenen. De Onder-prefect, uit Hellevoetsluis teruggekeerd, liet de trouw gebleven bezetting op de markt voor de hoofdwacht aan 't stadhuis post vatten, waar hij terstond de kanonnen liet laden en zoo de stad in bedwang hield. Een Nationale Garde, die een brief moest overbrengen, werd helaas het slachtoffer van deze verdediging. Een uur lang duurde deze toestand, toen Nikolaas den Broeder, die in een der dorpjes bij Den Briel woonde, den raad gaf, zich tegen de Franschen te verdedigen. De Magazijnmeester Lux, die nog altijd met den vroegeren Maire Heeneman correspondeerde, stelde zich aan de spits van eenige manschappen, waarmee hij naar de kazerne der kustkanonniers trok, die, allen Hollanders zijnde, zich ook allen bij hem voegden. Nadat men nu de poorten overrompeld had, trok men met twee stukken geschut naar de markt. Bij het gevecht, dat nu volgde, werden eenige burgers gekwetst. Lux wist echter het stadhuis van achteren binnen te rukken, waarna hij de Franschen uit de vensters van den voorgevel beschoot. Dezen moesten nuhun geschut verlaten en een schuilplaats in de hoofdwacht zoeken, waarna ze zich weldra aan de Hollanders moesten overgeven. Twee Franschen en drie burgers waren gesneuveld en vele anderen waren gewond. De Onder-prefect en de Franschen werden gevangen naar Den Haag gevoerd, terwijl de Mariniers, die aan de Zuidpoort aanklopten, weer naar Hellevoetsluis terugkeerden, toen ze vernamen, dat de stad de zijde van den Prins gekozen had.
Fagel en De Perponcher naar Londen.—De Prins van Oranje stapt te Scheveningen aan wal.
Den 1 Dec. 1813 bemachtigde Benkendorf met zijn Kozakken, door Amsterdamsche vrijwilligers geholpen, het stadje Muiden. Men hoopte, dat nu ook Naarden kon genomen worden, doch hierin werd men teleurgesteld. Eerst eenige maanden later kon men Naarden voor Oranje herwinnen.