HOOFDSTUK XV.

DE PRINS VAN ORANJE IN 1808.

DE PRINS VAN ORANJE IN 1808.

Den 21 November, een Zondag, waren Fagel en De Perponcher te Londen aangekomen. Toen zij er vertelden, wat in Holland plaats vond, ontstond er groote vreugde. Men tooide zich met Oranje en hield maaltijden ter eere der Hollandsche omwenteling. Gelukkig trof men er ook den prins van Oranje aan. Deze was terstond genegen, naar Holland over te steken, ten einde er zich aan het hoofd der beweging te stellen en de onafhankelijkheid van ons land tot een voldongen feit te maken. De Engelsche regeering stond hem voor zijn doel het fregat „The Warrior” met nog een oorlogsbodem af, waarmee de prins den 26 Nov. 1813 in zee stak. Ten gevolge van tegenwind duurde de reis vier dagen, zoodat de prins eerst den 30 Nov. 1813 voor Scheveningen kon ankeren. De Perponcher was reeds in het vaderland vooruit gereisd, ten einde zich op de hoogte te stellen van hetgeen na zijn vertrek naar Engeland in ons landwas voorgevallen en om tevens te vernemen, of het geraden was, dat de Prins te Scheveningen voet aan wal zette. Vol verlangen, om den vaderlandschen grond weer te betreden, wachtte de prins het rapport van de Perponcher niet af, maar liet zich, nog voor dezen teruggekeerdwas, door een visschersschuit aan wal zetten. Daar de schuit niet geheel aan wal kon komen, moest de Prins van de schuit op een wagen over stappen.

Aan het strand werd de vorst verwelkomd door de Leden van het Algemeen Bestuur en den Graaf van Limburg Styrum, terwijl de Engelsche oorlogsschepen ter eere dezer heuglijke gebeurtenis saluutschoten losten. Een talrijke schare uit Scheveningen, Den Haag en andere plaatsen van ons land stond aan het strand geschaard, om getuige te zijn van het zeldzame schouwspel.

Op de plaats, waar de Prins den 30 Nov. 1813 te Scheveningen aan wal stapte, is 50 jaar later een gedenknaald onthuld, waarop aan de eene zijde te lezen staat:

„GOD REDDE NEDERLAND”

en aan de drie andere zijden:

30 Nov. 1813.–24 Augs. 1865.„HET DANKBARE VOLK”.

Aan land gekomen, stapte de Prins in een open rijtuig, waarin Van Styrum gezeten was en reed onder het gejubel der menigte naar 's-Gravenhage, waar de vorst bij Van Styrum zijn intrek nam. Een ieder, die wilde, mocht daar den vorst verwelkomen en de hand drukken. Gelukkiger ontmoeting na jaren heeft wellicht nimmer plaats gehad, dan die van den Prins van Oranje en het Nederlandsche volk op 30 Nov. 1813.

LANDING VAN DEN PRINS TE SCHEVENINGEN.

LANDING VAN DEN PRINS TE SCHEVENINGEN.

De vorst wilde reeds den30Nov. naar Amsterdam vertrekken, doch hem werd dit afgeraden. De Russische generaal Benkendorf was met 2400 man en 6 kanonnen over de Zuiderzee naar Den Haag getrokken, na vooraf, gelijk wij zagen, Muiden bemachtigd te hebben.In Den Haag bevonden zich nu ook de Engelsche ministerLord Clancartyen de Pruisische generaalBulow. Den 1 Dec. hielden nu de Prins,LordClancarty,Von BulowenBenkendorfkrijgsraad, waarin de militaire operatiën werden vastgesteld en de Prins een proclamatie uitvaardigde, waarin hij verklaarde:

„Al het verledene te vergeten en te vergeven” en hij het Nederlandsche Volk opriep, „om zich met hem ter bevestiging der onafhankelijkheid te vereenigen.”

Toen deze proclamatie te Amsterdam werd bekend gemaakt, vaardigde Fannius Scholten er ook eene uit, waarin deze verklaarde, dat wij in den Prins van Oranje niet „Willem den zesden” huldigden, van wien wij niet wisten, wat wij van hem verwachten moesten, maar „Willem den Eersten”, die evenals de vroegere Willem I, ons volk bevrijden zou van vreemde heerschappij.

Napoleon toonde zich woedend, toen hij den afval van Holland vernam. Hij dreigde het land aan den Oceaan prijs te geven, zond den bekwamenCarnotnaar Antwerpen, om de belegering dier vesting te leiden en eischte van zijn troepen in België en de Nederlanden, om stand te houden.

Intusschen verklaarde Prins Willem van Oranje te Amsterdam de hem aangeboden Souvereiniteit aan te nemen onder den waarborg eener Constitutie, die de volksvrijheid tegen misbruik van gezag in toekomende tijden zou beveiligen. Den 1en December 1813 werd de Prins nu te Amsterdam tot Souverein vorst van Nederland uitgeroepen.

In weerwil van de lijdelijke houding van verschillende stedelijke en gewestelijke besturen was dan toch, dank zij het kloeke en doortastende optreden van enkelemoedige mannen, de omwenteling in ons land tot stand gekomen en daardoor aan de verbonden mogendheden een veldslag uitgewonnen. Ook was daardoor de gemeenschap met Engeland hersteld en aan de Gealliëerden de toegang tot Frankrijk aan de vlakke en dus minst verdedigbare zijde gebaand.

De vroegere lotgevallen van Koning Willem I.—De strijd in Zeeland, om Breda, den Helder (Verhuell), Deventer, Coevorden en Delfzijl.—België aan de Franschen ontrukt.

De Prins van Oranje, den 30 Nov. 1813 te Scheveningen geland, was de zoon van Stadhouder Willem V. In 1795 had hij met zijn vader de wijk moeten nemen naar Engeland. In 1799 landde de Prins met de Engelschen en Russen bij Den Helder, doch moestmet dezenspoedig ons land weer verlaten. In 1806 stierf zijn vader, Willem V, en kort daarop ontnam Napoleon hem zijn erflanden in Duitschland en voegde ze bij het Groot-Hertogdom Berg. Toen de Prins nog in 1806 als Generaal in Pruisischen dienst trad, verklaarde Napoleon hem tot vijand van het Fransche rijk en ontnam hem ook het vorstendom Fulda. Na een tijdlang in Fransche krijgsgevangenschap doorgebracht te hebben, trok hij zich in Engeland in afzondering terug.

In ons land wist men, dat de Prins leefde, doch waar, en welk karakter en geaardheid hij bezat, daarvan wist men hier niets. Zelfs wist men niet, hoe hij zich in de veldslagen bijLandreciesenFleuresroemrijk onderscheiden had, hoewel men wel op de hoogte was van de heldendaden door zijn zoon, den Erfprins, in Spanje verricht.

Nog maar weinige uren had de Prins in Den Haag vertoefd, of de aanzienlijke mannen, die hem omringden, verklaarden, dat zij in den Prins den man zagen, die het vervallen vaderland weer tot eer en aanzien kon brengen. Een ander klopte den vorst goedmoedig op den schouder, zeggende: „Wees maar niet bekommerd, Uwe Hoogheid; als de taak u te zwaar is, dan zijn wij er ook nog, om het werk voor u te doen.” De Prins was er echter de man niet naar, om het werk aan anderen over te laten. Hij was begaafd met een sterk geheugen, bovendien werkzaam, onvermoeid en van een zelfstandig karakter, zoodat, als hij omtrent iets eene meening of overtuiging had, hij daaromtrent niet spoedig tot andere gedachten kon gebracht worden. Hij was echter vriendelijk, mild en altijd bereid, hulp te verleenen, waar die noodig bleek te zijn.

De Prins was alleen gekomen, doch den 8 Dec. 1813 voegde zich zijn zoon prins Frederik bij hem en den 19 Dec. zijn andere zoon, de erfprins van Oranje, die in Spanje onderWellingtondiende, doch terstond besloot, naar ons land over te komen, toen hij hoorde, wat hier gebeurd was. De Erfprins werd terstond door zijn vader tot Generaal der Infanterie en tot Inspecteur-Generaal van het leger aangesteld, terwijl Prins Frederik zich bij het leger onder GeneraalBulowvoegde.

Ondertusschen bleven de Franschen nog verschillende plaatsen van ons land bezet houden en de eerste zorg der nieuwe regeering was, ze vandaar te verdrijven.

Gelijk wij zagen, bevrijdde Den Briel zichzelf. Hiermede niet tevreden, sloegen de Brielenaren zelfs het beleg om Hellevoetsluis. Na drie dagen kregen ze hulp van 50 Engelsche mariniers. De Fransche bezetting verliet nu Hellevoetsluis en trok naar Willemstad. De eilandenVoorne en Putten waren hiermee van de Franschen bevrijd.

Korporaal Lorenz lag met een aantal kustkanonniers op Goeree. Hij trok met zijne mannen naar Ooltgensplaat, waar hij den Franschen Generaal Rostolan bij de borst vatte en gevangen nam, waarop de Fransche bezetting de wapens nederlegde. De Franschen te Willemstad poogden de plaats te hernemen, doch de Luitenant-Ingenieur Van Ingen sloeg hen met verlies terug en wist Ooltgensplaat voor den prins te behouden.

De Franschen konden zich echter ook niet te Willemstad staande houden. Nadat ze er de oorlogsvaartuigen in den grond geboord hadden, trokken ze, met achterlating van 200.000 pond buskruit en 132 kanonnen (die wij buit maakten) naar Bergen op Zoom. Wij brachten de gezonken oorlogsvaartuigen weer boven water en wisten ze te herstellen en voor het gebruik geschikt te maken.

De Engelsche vloot, uit 10 linieschepen, 9 fregatten en 6 brikken bestaande, kwam ons te hulp, om Zeeland van de Franschen te zuiveren. De Fransche GeneraalGillyte Zierikzee gaf aan De Jonge, die vóór 1795 te Zierikzee regent geweest was, bevel, om zich naar Rijssel te begeven. Het volk verzette er zich tegen, en De Jonge verschool zich, doch liet overal vertellen, dat hij werkelijk naar Rijssel was vertrokken.

Te Bruinisse en Oosterland kwam ook beweging. Op verzoek van een invloedrijk ingezetene aldaar, De Brauw, zond de Opperbevelhebber der Engelsche vloot aldaar eenige vaartuigen heen en deze, door de burgers gesteund, noodzaakten den Franschen generaal, niet alleen Bruinisse en Oosterland, maar ook Zierikzee te ontruimen, en zich met zijn volk te Tholen terug te trekken.Weldra moesten de Franschen niet alleen Tholen, maar ook Noord- en Zuid-Beveland verlaten. Alleen het fort Bath hielden zij bezet.

Den 2 Dec. 1813 verdreven de Kozakken de Franschen uit Vianen. GeneraalBulowen Prins Frederik kwamen met Pruisisch krijgsvolk in de Betuwe. De Franschen moesten nu Bommel, het fortCrêvecoeuren het fort St. Andries ontruimen, evenals spoedig daarna Woudrichem, Loevenstein, Heusden en Geertruidenberg. Vooral voor de Kozakken waren de Franschen bang. Toen Narischkin met zijne Russen tegen Breda oprukte, wachtten de Franschen zijn komst niet af, doch verlieten in allerijl de stad. Hierover was Napoleon zoo boos, dat hij den Franschen generaal, die te Antwerpen het opperbevel had, afzette en terstond bevel gaf, te trachten Breda te hernemen. Den 20 Dec. 1813 sloegen nu de Franschen het beleg om Breda met een krijgsmacht van 5000 à 6000 man. In de stad had men slechts over 4 stukken geschut te beschikken. De belegerden kregen echter weldra oorlogsvoorraad uit Willemstad, en toen een afdeeling Kozakken hen te hulp kwam, moesten de Franschen na een driedaagsch beleg weer aftrekken.

Gelijk wij zagen, was Muiden in onze macht gekomen, doch 2000 Franschen hielden nog altijd Naarden bezet. Dezen plunderden de omstreken dier stad zooveel mogelijk. Uit Weesp roofden ze lakens, dekens, hemden, kousen, ketels, pannen, enz., uit de dorpen vee en levensvoorraad. Om deze rooverijen te keer te gaan vormdeKrayenhoffeene afdeeling vrijwilligers, die onder bevel werd gesteld van Kolonel Van den Bosch en van 8 stukken geschut werd voorzien. Door ruiterij versterkt, kruiste deze afdeeling nu steeds in het Gooi om. Ook bezette de Amsterdamsche schutterij de steden Muiden en Weesp. Onzekrijgsmacht was echter te zwak, om aanvallend tegen Naarden op te treden. Ook in Gorinchem hadden de Franschen zich duchtig versterkt. De Gealliëerden trachtten, doch tevergeefs, de Franschen uit die stad te verdrijven.

Het machtigst echter waren de Franschen in den Helder, waar zij vijf forten hadden aangelegd, n.l.La Salle, Morland, Du Gommier, Valgaenl'Ecluse. Hun bezetting, 1000 man sterk, beschikte over 350 stukken geschut en eene vloot van 9 linieschepen, 5 fregatten en eenige kleinere schepen en stond onder bevel van Verhuell. Deze achtte zich wegens zijn eed aan Napoleon verplicht, Den Helder voor de Franschen te behouden. Daar hij op de Hollandsche matrozen en officieren niet rekenen kon, had hij de eersten naar huis gezonden en de laatsten laten vertrekken. Te Alkmaar wist hij aan geld uit de Landskas te komen.

Aan Generaal De Jonge werd opgedragen, Den Helder aan de Franschen te ontrukken. Deze vestigde zich te Alkmaar, waar hij aan het hoofd stond van eene afdeeling vrijwilligers en van eenige soldaten en kanonniers uit Medemblik. Een Compagnie rustbewaarders nam op het eiland Texel twee officieren en 20 Etrangers gevangen. Ze werden bij de krijgsmacht van De Jonge gevoegd, die echter over nog te weinig krijgslieden beschikte, om met hoop op goed gevolg den Helder aan te tasten. Verdooren zond daarom een gezantschap van zee-officieren uit Amsterdam naar Verhuell, teneinde dezen te bewegen, Den Helder over te geven. Verhuell wilde echter het gezantschap niet ontvangen, zoodat alles bij het oude bleef. Verhuell leverde echter 1200 à 1300 Spaansche krijgsgevangenen aan ons uit, vooreerst, omdat hij een opstand van hen vreesde en ten andere, om van hun onderhoud ontslagen te zijn.

De prefect en de Fransche ambtenaren hadden 's-Hertogenbosch verlaten. Toch bleef de stad in handen van den vijand. De Fransche soldaten, uit andere plaatsen verdreven, trokken zich hier samen. Den 12 Dec. 1813 vestigdeMolitorzijn hoofdkwartier in 's-Hertogenbosch en organiseerde er zijn krijgsmacht. Hij verliet echter de stad spoedig weer en liet er slechts 300 mariniers en eenige veteranen achter. Deze krijgsmacht werd spoedig versterkt met 700 man van de Fransche bezetting uit Loevenstein en Woudrichem. Den 19 Dec. sloegen de Gealliëerden het beleg om Den Bosch en veroverden de forten Izabella en St. Antonie, doch zetten het beleg met geen genoegzame kracht door.

Generaal Baron Van Schiner bewaarde met eene bezetting van 800 Pupillen en 40 kustkanonniers de stad Deventer voor de Franschen. Toen hij den 26 Nov. 1813 de tuinhuizen buiten de stad liet verbranden, omdat ze de werking van het geschut belemmerden, werd zijn werkvolk verrast door de Kozakken. Dezen waren bijna ook in de stad gedrongen, doch de Kapitein der Ingenieurs, die reeds een sabelhouw ontving, wist nog bijtijds de poorten van Deventer te doen sluiten. De Fransche bezetting werd nog versterkt met 800 man uit Wezel. De Gealliëerden sloegen nu het beleg om Deventer, waardoor de burgers dier stad veel schade leden.

De Kozakken eischten ook Coevorden op. De Fransche bezetting, hierdoor op haar hoede geworden, organiseerde rooftochten naar de omliggende dorpen, o.a. naar Dalen, waar drie dagen aaneen geplunderd werd. De Kozakken kwamen echter telkens tusschenbeide en dreven de Franschen uit Dalen terug. Toen de Franschen den vierden dag weer een uitval deden, ontstond er een geregeld gevecht tusschen hen en een 100-tal Kozakken, die gesteundwerden door eene afdeeling vrijwilligers onder Kapitein van den Hoja Kymmel. De Franschen, die 300 man sterk waren en in het bezit waren van twee kanonnen, verbrandden in Dalen twee boerenwoningen en moesten toen terugtrekken. Twaalf dagen later roofden ze uit Hardenberg een 200-tal runderen, zonder dat de Kozakken er iets aan konden doen.

HET VERBRANDEN DER WONINGEN EN TUINHUIZEN OVER DEN IJSEL BIJ DEVENTER DOOR DE FRANSCHEN, 26 NOV. 1813.

HET VERBRANDEN DER WONINGEN EN TUINHUIZEN OVER DEN IJSEL BIJ DEVENTER DOOR DE FRANSCHEN, 26 NOV. 1813.

Delfzijl werd nog steeds bezet door 1400 Franschen, die herhaaldelijk plundertochten ondernamen naar Appingedam, Holwierde, Bierum, Spijk enz. Dit ging zelfs den Onder-Prefect Alberdan en den Maire van Appingedam, Cleveringa, te erg, die den Russischen bevelhebber Rosinverzochten, de dorpen tegen de Franschen te beschermen, aan welk verzoek Rosin terstond bereid was te voldoen. De Fransche bevelhebber, hiervan onderricht, zond aan den onder-officier der Kanonniers te Zoutkamp bevel, om zich met zijne manschappen en krijgsvoorraad bij hem te Delfzijl te voegen. De bode, die dit bevel moest overbrengen, stelde er den Kolonel der Nationale Garde te Groningen, Busch, mee in kennis. Busch zond nu onmiddellijk eenige burgerkanonniers naar Zoutkamp, die de krijgslieden aldaar bewogen, de zijde van het vaderland te kiezen, terwijl de krijgsvoorraad en het geschut te Zoutkamp naar Groningen werd gezonden. De Fransche bevelhebber te Delfzijl had intusschen Luitenant Edeling met een kanonneerboot naar Zoutkamp gezonden om de krijgsmacht en voorraad vandaar naar Delfzijl te brengen, doch ook Edeling koos onze zijde. Hij werd nu door den Russischen bevelhebber naar Helgoland gezonden om daar 1500 geweren van de Engelschen in ontvangst te nemen. Ook maakten wij ons meester van een post te Oostmahorn, terwijl het te Harlingen aanwezige geschut mede naar Groningen werd gebracht.

In Groningen had men op deze wijze 20 kanonnen bijeen gekregen. Teneinde Delfzijl te bestoken, zond Rosin 400 man met 2 veldstukjes en eenige kanonniers naar Appingedam, terwijl Busch eenige dagen later met 400 man van de Nationale Garde, een aantal burgerkanonniers en 4 veldstukjes mede derwaarts trok. Ook de Russische Kolonel Prins Lapoutchin trok mee, ten einde te zorgen, dat de Russische en Hollandsche krijgsmacht eenstemmig tegen Delfzijl mocht optreden. De vereenigde krijgsmacht te Appingedam bleek echter onvoldoende, om iets van belang tegen Delfzijl te ondernemen,waarom men een landstorm oprichtte van 2000 man, die de dorpen tegen de uitvallen der Franschen moest beschermen, terwijl de Nationale Garde tevens met nieuwe manschappen werd versterkt. Drie Engelsche brikken begonnen Delfzijl van de zeezijde te bestoken. Tevens voegden 2000 Pruisen met 20 kanonnen zich bij onze legermacht te Appingedam, terwijl eene Compagnie scherpschutters, 100 man, onder bevel van Schmalen, een gewezen officier, de gewichtigste posten bezette. Het gelukte Busch door middel van gedrukte bekendmakingen aan de Hollanders onder de Fransche bezetting van Delfzijl te doen weten, dat de Prins van Oranje tot Koning van Nederland was verheven, en wij Napoleon als Keizer hadden afgezworen. Dit had ten gevolge, dat ruim 300 Nederlandsche en zelfs ook vreemde soldaten en ruiters Delfzijl ontvluchtten en met paarden en al tot ons over kwamen. Zelfs wisten drie kanonneerbooten uit de haven van Delfzijl te ontkomen. Na de Fransche vlag voor de Nederlandsche driekleur verwisseld te hebben zetten ze koers naar Emden.

Napoleon benoemde den 30 Nov. 1813 den Graaf De Caen tot Opperbevelhebber der 60.000 man, waarover hij toen nog in België en de Nederlanden kon beschikken, om daarmede België te behouden en Nederland te heroveren. Schijnbaar koel enonverschillig, vernam hij, dat de Verbondenen voortrukten, maar de opstand der Hollanders wekte zijn toorn. Meermalen gaf hij zijn voornemen te kennen, om liever het land aan den Oceaan prijs te geven, dan het ooit af te staan. Toen hij dit ook aan Rutger Jan Schimmelpenninck te kennen gaf, die als lid van den Senaat te Parijs vertoefde, antwoorddedeze: „Sire, ik hoop, dat een dergelijke gebeurtenis nimmer tot de geschiedenis van uwe regeering zal behooren.”

Napoleons toorn was ten top gestegen, toen hij de ontruiming van Willemstad, Breda en Geertruidenberg vernam. Onmiddellijk riep hij De Caen terug, gaf hem arrest, en benoemde een krijgsraad, om hem te vonnissen. AanRampon, die toen nog Gorinchem bezet hield, schreef hij: „Bewaar dezen sleutel tot het hart van Holland met inspanning van alle krachten. Steek de dijken door, omring u door overstroomingen en ijsdammen. Ge kunt op een spoedig ontzet rekenen.”—En werkelijk zond Napoleon belangrijke afdeelingen troepen naar Brussel,Lilleen Trier, terwijl hij op het einde van December 1813 den Generaal GraafMaisonhet opperste krijgsbevel in de Belgische en Hollandsche departementen opdroeg.

Het was den Pruisischen MajoorVon Colombreeds gelukt, de Belgische grenzen over te trekken, en vier dagen later Leuven te bereiken. Toen echter zag hij zich gedrongen, om terug te keeren, teneinde Breda tegen een aanval van den GeneraalRoquette dekken.

Eerst na het aftrekken van den GeneraalMacdonald, die wel uit Coblenz hulptroepen had ontvangen, doch geen kans zag, om zich aan de Waal te handhaven, gelukte het den Pruisen en Russen, weder voorwaarts te dringen, terwijl de Engelschen de Schelde opzeilden. Roermond zag de Verbondenen den 17 Januari 1814 binnen zijne muren. Bij Luik werd den 24 Januari een hevig gevecht geleverd, dat de Franschen tot een verder terugtrekken noopte. Vooruit drongen nu de Bondgenootschappelijke troepen. Zij bereikten Brussel den 1 Febr. Meermalen werd met verbittering gestreden, inzonderheidbij Sweneghens, op den 7 en 31 Maart 1814. Bij de laatste ontmoeting handhaafde de Fransche ruiterij weder den roem van hare voortreffelijkheid.

Niettemin zag de GeneraalMaisonzich ten slotte gedrongen naarLille(Rijssel) terug te trekken. De Franschen bleven zich echter handhaven in de vestingen Antwerpen, Ostende en Luxemburg.

De finantiën geregeld.—Een Landstorm opgericht.—'s-Hertogenbosch enGorinchemaan de Franschen ontrukt.—De nieuwe Grondwet.—Willem I te Amsterdam als Koning gekroond.

Zou Nederland zijne onafhankelijkheid kunnen handhaven, dan moest het kunnen beschikken over een goed voorziene oorlogskas en over een voldoende krijgsmacht. Teneinde aan geld te komen, werd er een vrijwillige leening uitgeschreven, die 1400 duizend gulden opbracht, inderdaad een aanzienlijke som als men let op den verarmden toestand van het land. Amsterdam droeg o.a. 100 duizend gulden bij en Arnhem 17000 gulden.

En om een voldoende krijgsmacht te verkrijgen, werd er een Landstorm opgericht van weerbare mannen tusschen 17 en 50 jaar oud, die met pieken gewapend werden. Een deel ervan, bestaande uit 16.000 man voetvolk en 4000 man artillerie, werd gebruikt, om den vijand van den vaderlandschen grond te verdrijven, terwijl het andere deel als schutterij in de steden dienst moest doen.

Zoolang Koning Willem I nog geen Staatsraad bezat, beraadslaagde hij toch twee keer 's weeks met eenige bekwame Staatslieden over de aangelegenheden van het land. In het belang van ons zeewezen liet de Vorstterstond de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam weer openen, welke school door Napoleon was opgeheven geworden, terwijl hij aan een Commissaris-Generaal opdroeg te onderzoeken, wat er tot bevordering van het Zeewezen kon gedaan worden. Ook schafte hij het Fransche belastingstelsel af en voerde het vroeger hier bestaande weer in, terwijl hij tevens de bepaling van Napoleon op het Hooger Onderwijs buiten werking stelde en een Commissie met de taak belastte, om een algemeen Ontwerp in betrekking tot het Hooger Onderwijs te maken.

Den 21 Dec. 1813 droeg Willem I aan een Commissie, bestaande uit vurige Oranjeklanten zooals Van der Duyn van Maasdam en Van Hogendorp, zoowel als uit vroegere Patriotten, als Van Maanen of uit mannen als Roëll, die onder Koning Lodewijk een hooge betrekking hadden bekleed, het samenstellen van een Grondwet op. Van deze Commissie werd Van Hogendorp voorzitter, terwijl Falck werd benoemd tot Secretaris van Staat enChanguiontot Commissaris-Generaal bij de Britsche hulptroepen. Ook met het Buitenland knoopten wij weer betrekkingen aan. Zoo zonden wij Hendrik Fagel, de vroegere Griffier, als afgezant naar Engeland, terwijl EngelandLord Clancartyals zijn afgezant bij ons Hof aanwees.

Intusschen had de Fransche MaarschalkMacdonaldzijn hoofdkwartier van Nijmegen naar Kleef verlegd. En toen nu ook GeneraalExculmanmet zijn Fransche krijgsmacht uit Nijmegen naar Venloo vertrok, was Nijmegen en hiermee geheel Gelderland van Franschen gezuiverd.

KONING WILLEM I.

KONING WILLEM I.

De Fransche Commandant te 's Hertogenbosch verbitterde in die stad velen, door de gedwongen heffingeener door hem uitgeschreven belasting. 240 inwoners sloten een verbond, om alles in het werk te stellen ten einde 's Hertogenbosch van de Fransche heerschappij te verlossen. Zij drongen per plakkaat bij de burgerij er op aan, de belasting niet te betalen. De Commandant ontbond nu de schutterij, stelde het innen der belasting acht dagen uit, doch dreigde een ieder met zware straffen,die weigerde te betalen. De samengezworenen hadden zich intusschen met de Pruisen in verbinding gesteld. Met den Pruisischen generaalHobemaakten ze de afspraak, dat deze den 26 Jan. 's morgens, als de toren van Vucht 4 uur zou slaan, van twee zijden de stad zou aanvallen. De Commandant had er echter bericht van gekregen en riep de bezetting onder de wapenen. De toren van Vucht ging evenwel een half uur na en toen de aanval 's morgens 4 uur niet geschiedde, dacht de Fransche Commandant, dat er niets van kwam en liet de bezetting weer aftrekken. Weldra echter daagden de Pruisische ruiters op, die de bewoners van Vucht tot gidsen hadden. Daar de grachten van 's Hertogenbosch toegevroren waren, viel het den Pruisen gemakkelijk, de wallen bij de Vuchterpoort te beklimmen en het Bastion Oranje te vermeesteren. De samengezworenen in de stad hadden intusschen de Fransche wacht bij de Hinthamerpoort overrompeld en die voor de Pruisen geopend. De Fransche bezetting trok zich nu in het fort terug, doch geen kans ziende, zich tegen de Pruisen staande te houden, gaven zij zich bij verdrag over. De officieren kregen vrijen aftocht, doch moesten zich verbinden, binnen het jaar niet tegen de verbonden Mogendheden te strijden. De Fransche soldaten hield men in Den Bosch gevangen. In naam van Willem I namen nu Bowier, die vóór 1794 Pensionaris der stad was geweest en Verheyen, als Commissarissen-generaal, bezit van 's Hertogenbosch.

Ten einde Gorinchem in ons bezit te krijgen, werd deze stad den 22 Jan. 1814 uit zeven batterijen tegelijk beschoten, waarbij tot groote schade der ingezetenen 16 huizen vernield werden en 7 zwaar beschadigd. Men eischte nu de vesting op, en toen daar een weigerend antwoord op kwam, werd Gorinchem den 24 Jan. wederombeschoten, waarbij de kerk, het tuighuis en het hospitaal (waarin veel zieken verpleegd werden), zwaar werden beschadigd. De Maire van Gorinchem verzocht Generaal Zielinsky, de stad niet meer te beschieten, doch Zielinsky kon hieraan niet voldoen. Nog vijf maal liet de Generaal de stad beschieten. Den laatsten keer vlogen drie kruitkisten in Gorinchem in de lucht, waardoor velen gedood of gewond werden. De aangerichte schade werd op 100.000 gulden berekend. Den 4 Febr. 1814 teekende de Fransche Commandant een verdrag, waarbij hij de stad overgaf. De bezetting werd met krijgsmanseer behandeld en gevangen naar Pruisen gevoerd.

Intusschen was de Commissie met een Ontwerp van Grondwet gereed gekomen. Men besloot hierover geen algemeene volksstemming toe te laten, maar het ontwerp door 600 Notabele Nederlanders te laten beoordeelen. Er werd daarom eene lijst opgemaakt van 600 personen, die door stand, middelen en verdiensten uitmuntten, welke lijst gedurende acht dagen in elk Kanton of Vrederecht ter inzage werd gelegd, met verzoek, om de bedenkingen, die men tegen de op de lijst geplaatste personen mocht hebben, op te geven. Toen er nagenoeg geen bedenkingen werden ingebracht, werden de op de lijst geplaatste 600 Notabelen den 29 Maart 1814 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam tezamen geroepen. Slechts 474 gaven aan die oproeping gehoor, terwijl 126 Notabelen om verschillende redenen niet opkwamen. Koning Willem I opende deze vergadering met eene toespraak, waarna Van Maanen, Voorzitter van het Hooge Gerechtshof, de beginselen ontvouwde, naar welke de nieuwe Grondwet ontworpen was.

De nieuwe Grondwet bepaalde omtrent den vorst:

Opvolging bij erfrecht en eerstgeboorte, recht van vredeen oorlog, opperbestuur over de geldmiddelen, beschikking over zee- en landmacht.

De Souvereine rechten, die vroeger de Staten bezeten hadden, werden nu aan den Vorst opgedragen.In plaats der Departementen kregen wij 9 provinciën. Ter handhaving der Volksvrijheid en tot waarborg van een richtig beheer zou eene vergadering van de Staten-Generaal, uit 55 en door de Provinciale Staten voor drie jaren benoemde leden bestaande, alle buitengewone uitgaven toestaan of weigeren en, evenals de Vorst, wetten voordragen of afstemmen. Verder zou er een Raad van State zijn, een Algemeene Rekenkamer, een onafhankelijke rechtsmacht, Algemeene Wetboeken, gelijke bescherming voor de bestaande Godsdiensten, doch de Vorst moest lid zijn van de Ned. Herv. Kerk. De land- en zeemacht zou uit vrijwilligers bestaan en bij gebrek aan dezen uit lotelingen.

De nieuwe Grondwet was op revolutionaire leest geschoeid. Toch werd ze door de vergadering van Notabelen met 448 tegen 26 stemmen goedgekeurd. Den volgenden dag, 30 Maart 1814, werd nu de Vorst op plechtige wijze in de Nieuwe Kerk te Amsterdam als Souverein Vorst van Nederland gekroond.

Napoleon naar Elba verbannen.—Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk.—De strijd om Bergen op Zoom en den Helder.

België was, gelijk wij zagen, door de wapenen der verbonden Mogendheden uit de macht der Franschen verlost.

Napoleon wilde nu onderhandelen, doch de Mogendheden wilden niet. Later behaalde hij eene overwinning bijMontmirailen nu vroegen de Mogendheden, om te onderhandelen, doch thans weigerde de Keizer. De legers der Gealliëerden onderBlücheren Schwartzenberg rukten nu op Parijs aan, terwijlWellingtonBordeauxveroverde en de Oostenrijkers Lyon namen. De Keizerin, de Groot-Waardigheidsbekleders van het rijk en Jozef Bonaparte verlieten Parijs en den 30 Maart 1814 gaf Frankrijks Hoofdstad zich aan de Bondgenooten over.Napoleonsgemalin trok naar Weenen, zonder haar man nog eenmaal gezien te hebben en vergat hem spoedig geheel. De Keizer van Rusland en de Koning van Pruisen trokken den 31 Maart 1814 Parijs binnen, doch verklaarden aan de Maire van die stad, dat zij de rechten der Fransche natie wilden eerbiedigen.De Vauvineuxzette zich de witte kokarde op den hoed, ten teeken, dat hij zich voor het oude Vorstenhuis,De Bourbons, verklaarde. Dit voorbeeld werd in Parijs door velen gevolgd, en weldra klonk het overal: „Leve de Koning!” DeSenaat, vroeger het gewillige werktuig van Napoleon, ontsloeg nu de soldaten van hun eed van getrouwheid, aan hem gedaan en stelde over Parijs een Tusschenbestuur in. Napoleon bevond zich teFontainebleauen gaf bevel naar Parijs op te rukken, doch zijn maarschalkNeyzei hem, dat zijn macht een eind genomen had, dat hij geen recht meer had, aan het leger bevelen te geven en dat hij verstandig deed, op billijke voorwaarden afstand van de regeering te doen. Napoleon volgde dien raad op en deed afstand van de regeering ten behoeve van zijn zoon. De Mogendheden wilden echter dien afstand niet erkennen, waarom hij 11 April 1814 een afstand teekende „voor zijne opvolgers”. De Mogendheden wezen Napoleon nu het eiland Elba als afzonderlijk vorstendom tot verblijfplaats aan met een jaarlijks inkomen van zes millioen francs. Nadat hij den 20 April afscheid genomen had van de 3000 man der Garde, die hem getrouw waren gebleven, trok hij, door de GeneraalsBertrantenDrouotvergezeld, en door een behoorlijk geleide omringd, naar Elba. De Fransche Senaat riep nu Lodewijk Stanislaus Xaverius, oudsten broeder van den onthoofden Lodewijk XVI, onder den naam van Lodewijk XVIII, tot Koning van Frankrijk uit, terwijl MaarschalkSoult, die bij Toulouse nog altijd aanWellingtonden weg versperde, den aftocht koos. De regeering van Napoleon, als zijnde door geweld op den troon gekomen, werd niet geteld. Men beschouwde deBourbonsals onafgebroken te hebben geregeerd, zoodat na Lodewijk XVI men diens zoon Lodewijk XVII als Koning beschouwde, terwijl nu Lodewijk XVIII den Franschen troon beklom. De nieuwe Koning had de jaren zijner ballingschap in Engeland door gebracht en aanvaardde den 31 Mei 1814 te Parijs de regeering. Des daags tevoren had hij met de Mogendheden een algemeenen vrede gesloten, terwijl de landen, door Napoleon met geweld aan Frankrijk gevoegd, weer aan Frankrijk werden ontnomen. Den 4 Juni 1814 gaf Lodewijk XVIII aan Frankrijk een grondwet, terwijl de vreemde soldaten het Fransche grondgebied verlieten.

INTOCHT VAN DE GEALLIEERDE VORSTEN TE PARIJS, 31 MAART 1814.

INTOCHT VAN DE GEALLIEERDE VORSTEN TE PARIJS, 31 MAART 1814.

Ondertusschen deden wij in ons land ons best, om de Franschen uit de door hen bezette plaatsen te verdringen. Een Engelsche afdeeling onderSir Thomas Grahambelegerde Bergen op Zoom. Hierdoor ontstond er in die stad een groote duurte van levensmiddelen, terwijl de Fransche Commandant in die stad de burgerij bovendien nog 35000 francs afdwong. Daar de Fransche bezetting niet sterk was en de felle vorst de verdediging verhinderde, beslootGrahameen aanval op de stad te doen. De Franschen toch hadden den slag bijMontmirailgewonnen, waaropVon Bulowterugtrok, zoodatGrahambevreesd was, dat de Franschen weer voorwaarts zouden trekken en Antwerpen, Bergen op Zoom en Grave als steunpunten zouden bezigen. Na de aandacht der Fransche bezetting afgeleid te hebben door een schijnaanval op de Steenbergsche poort, liet hij des nachts drie colonnes over de grachten van Bergen op Zoom trekken, waarvan twee in de stad kwamen en verschillende bastions wisten te bezetten. Een Fransch Adjudant wist echter de vluchtende bezetting niet slechts weer tot staan te brengen, maar zelfs tot zulk een hevigen tegen-aanval te bewegen, dat de Engelschen overhaast de bastions verlieten en maakten, dat ze de stad weer uitkwamen. Zoo was dan deze aanval mislukt, wat mede was veroorzaakt geworden door het sneuvelen van verschillende Engelsche officieren, zoodat de Engelsche troepen hun leiding misten en in verwarring kwamen.

Den 5 April 1814 ontving de Fransche bevelhebber van Bergen op Zoom bericht van de verbanning van Napoleon. Hij verving toen de driekleurige vlag en kokarde voor de witte vlag en kokarde derBourbons, doch gaf de stad niet over. Eerst toen Lodewijk XVIII het hem beval, kregen wij Bergen op Zoom terug.

De Fransche bezetting van Grave maakte zich aan plundering der omstreken schuldig en de Commandant der stad wilde zelfs zijne vijandelijkheden niet staken toen men hem berichtte, dat Napoleon verbannen was. Eerst toen hij hoorde, dat Venlo en Maastricht zich overgegeven hadden, ontruimde hij Grave.

Generaal De Jonge deed al het mogelijke, om Den Helder weer aan ons te brengen. Toen hij niet meer over de hulp der Kozakken kon beschikken, richtte hij eene ruiterbende op van 78 man, die, met lansen gewapend, aan de voorposten goede diensten bewezen. Voorts voegden zich nog 300 man van den Landstorm te Alkmaar bij hem. Uit het tuighuis te Medemblik ontving hij twee twaalfponders en twee veldstukken, terwijl hem uit Alkmaar een aanzienlijk getal geweren gezonden werd. De Jonge liet nu aan Verhuell weten, dat Gorinchem en 's Hertogenbosch onze zijde gekozen hadden en dat de Mogendheden in Frankrijk groote vorderingen maakten, doch de admiraal wilde van geen toegeven weten. Zijne Fransche onderbevelhebbers rieden hem aan, de vloot in brand te steken, de forten in de lucht te laten vliegen, het Nieuwediep te versperren, den zeedijk door te steken en te trachten met twee fregatten te ontvluchten, doch ook hiervan wilde Verhuell niets weten. Daar eerst zijn Hollandsch zeevolk, en later, de Nationale Garde hem had verlaten, beschikte hij over slechts 1100 man en was zijne positie uiterst moeilijk. Bovendien had hij met geldgebrekte kampen en daar hij geen gedwongen geldheffing in Den Helder wilde uitschrijven, leende hij geld in Den Helder met zijn eigen goederen tot onderpand. Daar hij aan de landzijde door onze troepen was ingesloten en aan de zeezijde door de Engelschen, kon hij geen bevelen uit Parijs ontvangen. En daar hij die toch zeer noodig had, bood luitenant Rijk, een bekwaam zeeofficier, zich aan, naar Parijs te gaan. Verhuell nam dat aanbod met dankbaarheid aan. Den 12 Febr. 1814 wist De Rijk, vermomd, in een visschersboot door de Engelsche vloot heen te komen. Wel maakten de schipper en zijn knecht bezwaar, om verder te varen, toen ze vernamen, dat zij naar Frankrijk moesten, doch De Rijk wist hen toch tot doorvaren te bewegen. Den 15 Febr. landde De Rijk te Duinkerken, vanwaar hij zich over Bologne naar Parijs begaf, waar hij bij den minister van Marine werd toegelaten. Deze gaf hem 10.000 Francs mee en zei, dat Verhuell naar bevind van zaken moest handelen.

De Rijk kwam onopgemerkt door de troepen der Mogendheden, die in Frankrijk gelegerd waren, heen, stapte 13 Maart te Duinkerken weer in zijn visschersboot, doch was genoodzaakt, te Ostende wegens stormweer binnen te loopen, waar hij zich 10 dagen schuil hield, tot hij den 25 Maart behouden in Den Helder wederkeerde. Hier deelde hij aan Verhuell mede, dat Napoleon overwinningen had behaald, zoodat Verhuell nog geen vrijmoedigheid had, de vesting aan ons weder te geven. Eerst den 4 Mei 1814 liet hij de witte vlag hijschen, waarna hij ontslagen werd van zijn eed, aan Napoleon gedaan en hij Den Helder ontruimde. Hij verzocht nu Koning Willem I in Nederlandschen dienst te mogen treden, wat geweigerd werd. Verhuell ging nu naar Parijs, waar hijPairvan Frankrijk werd en in hoogen ouderdom overleed.

Beleg van Naarden.—Delfzijl in onze macht.—Geweldenarijen der Franschen op Walcheren en in Zeeland.—Nederland, van vijanden gezuiverd, wordt met België tot één Koninkrijk vereenigd.

Den 26 April 1814 was Deventer aan ons overgegaan en den 3 Mei Coevorden, doch met Naarden ging het zoo gemakkelijk niet. De bezetting van Naarden was 2000 man sterk, die herhaaldelijk uitvallen deed en dan door plundering aan levensvoorraad wist te komen. Bovendien hief zij van de vermogenden in Naarden een zware belasting, terwijl zij 200 armen de stad uitdreef. Ook aan krijgsbehoeften had Naarden geen gebrek. Herhaaldelijk liet Krayenhoff Naarden beschieten, doch hij was met zijn macht van ongeoefende strijders niet tegen de bezetting opgewassen. Eerst den 12 Mei gaf GeneraalQuitardop last van Lodewijk XIV Naarden aan ons terug.

Ook de Fransche bezetting van Delfzijl deed vele uitvallen, waarbij zij tal van molens en boerderijen te Farmsum, Uitwierda en Birsum in brand staken. Kolonel Busch, door Pruisen en Engelschen gesteund, wilde de vesting aanvallen, doch Generaal Otto van Styrum gaf tegenbevel, waarop de Engelschen en Pruisen aftrokken en het beleg alleen aan de Hollanders overlieten. Menmeldde den Franschen Commandant, dat Napoleon op Elba zat en Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk was geworden. Hij zond nu een officier naar Parijs, die de waarheid hiervan bevestigde, waarop hij den 28 Mei 1814 de witte vlag liet opsteken en Delfzijl aan ons overgaf.

Het eiland Walcheren bleef ook nog lang in het bezit van den vijand. Bij het begin der omwenteling verbood de prefect van Walcheren alle correspondentie met de andere streken van ons land, terwijl hij tal van personen als gijzelaars naar Vlissingen, of zelfs naar Parijs liet brengen, o.a. de Rechter A. C. van Citters en de Oud-Baljuw van Middelburg J. J. de Bruin. De Franschen beroofden de inwoners zooveel zij konden, o.a. ontnamen zij hun in Nov. 1813 220 paarden, terwijl zij 800 arbeiders dwongen, aan hun vestingwerken te arbeiden. Van December 1813 tot Maart 1814 moesten 100 voerlieden met hun paarden en wagens gratis voor de Franschen allerlei goederen vervoeren. De bovengenoemde 800 arbeiders ontvingen elke week 2100 francs, welke som door 100 der meest gegoede inwoners bijeengebracht moest worden. Toen de drie kooplieden Serlé, Andriessen en Meyners weigerden tot deze som bij te dragen, werden hunne goederen gerechtelijk verkocht. Nog voor het einde van Maart 1814 werd in drie termijnen de geheele belasting over 1814 ingevorderd. De Franschen wilden op deze wijze aan 400.000 francs zien te komen.Daar de belasting minder dan 400.000 francs opbracht, moesten een 30-tal vermogende ingezetenen uit hun particuliere kas dit tekort aanvullen. Tegen betalen van bons, die later konden worden ingeleverd, moesten de ingezetenen voor de vestingen levensmiddelen en andere benoodigdheden verstrekken. Vele leveranciers ontvingen echter geen bons. Den 11 Febr. 1814 beval de GouverneurGilly, dat de inwoners al hun geweren moesten inleveren. Een officier met 40 man moest dit bevel in de dorpen St. Laurens en Brigdamme uitvoeren. Toen hij echter te St. Laurens kwam, begon men de klok te luiden, welk voorbeeld in de andere dorpen gevolgd werd. Boeren en burgers, met stokken, vorken enz. gewapend, daagden nu uit Serooskerke en andere plaatsen op en dreven den officier met zijne mannen naar Middelburg terug. De boeren waagden het zelfs, in deze stad binnen te dringen, doch ze werden daar zóó hevig beschoten, dat ze met achterlating van één doode en eenige gekwetsten de vlucht moesten nemen. 19 landlieden werden gevangen genomen. Ook eenige ingezetenen van Middelburg, de predikant van Serooskerke en de Maires van Brigdamme en Aagtekerke werden gegrepen, doch na verhoor weer vrijgelaten. De Maire vanButtingewerd van zijn ambt ontzet en eenigen tijd gevangen gehouden, omdat men hem verdacht, dat hij den tegenstand had aangemoedigd.

GouverneurGillypoogde ook Noord-Beveland in zijne macht te krijgen, doch de 60 man, die hij daarheen zond, werden gevangen genomen en op Engelsche schepen gebracht. Na eerst eene batterij op Zuid-Beveland tot twee keer toe vernield te hebben, deedGillymet 500 man eene poging, om Zuid-Beveland in zijne macht te krijgen. De Engelsche bezetting te Borselen en de gewapende Landstorm op Zuid-Beveland dreven echter de Franschen terug, terwijl hun kort daarop de gemeenschap met het Fort Bath geheel werd afgesneden. Toen de Franschen hoorden van Napoleons verbanning naar Elba, heschen ze te Middelburg de witte vlag. De afpersingen op Walcheren bleven echter tot 6 Mei aanhouden, toen eindelijk de Fransche Generaald' Arbovilleoverkwam, aan wien de ontruiming van Walcheren was opgedragen.


Back to IndexNext