[Inhoud]DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)(HESÌODUS: THEOGONIE).Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]
[Inhoud]DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)(HESÌODUS: THEOGONIE).Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]
[Inhoud]DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)(HESÌODUS: THEOGONIE).Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]
[Inhoud]DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)(HESÌODUS: THEOGONIE).Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]
DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)(HESÌODUS: THEOGONIE).
Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]
Kronosregeerde nu; zijn zusterRheanam hij zich tot vrouw. Toen hij echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een vijftal ondergingen dit vreeselijk lot:Hera,DemèterenHestia,HadesenPoseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta; daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geitAmalthèahem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt,[3]zorgvuldig, als een zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus, op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden. En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan. Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in een dichten damp werden de Titanen gehuld.
Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is, opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.[4]