[Inhoud]DE TROJAANSCHE OORLOG.[Inhoud]I.DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.[Inhoud]II.PRIAMOS EN PARIS.KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.[Inhoud]III.DE SCHAKING VAN HELENA.De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63][Inhoud]IV.IPHIGENEIA IN AULIS.De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.[Inhoud]V.ACHILLES EN AGAMEMNON.Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]VI.PARIS EN MENELAOS.III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70][Inhoud]VII.DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.[Inhoud]VIII.HECTOR EN ANDROMACHE.VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.[Inhoud]IX.HECTOR ENAJAX.VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75][Inhoud]X.DE VORDERINGEN DER TROJANEN.VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.[Inhoud]XI.PATROCLOS.XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]XII.HECTOR’S DOOD.XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82][Inhoud]XIII.PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.[Inhoud]XIV.TROJE’S VERWOESTING.Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]
[Inhoud]DE TROJAANSCHE OORLOG.[Inhoud]I.DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.[Inhoud]II.PRIAMOS EN PARIS.KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.[Inhoud]III.DE SCHAKING VAN HELENA.De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63][Inhoud]IV.IPHIGENEIA IN AULIS.De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.[Inhoud]V.ACHILLES EN AGAMEMNON.Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]VI.PARIS EN MENELAOS.III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70][Inhoud]VII.DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.[Inhoud]VIII.HECTOR EN ANDROMACHE.VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.[Inhoud]IX.HECTOR ENAJAX.VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75][Inhoud]X.DE VORDERINGEN DER TROJANEN.VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.[Inhoud]XI.PATROCLOS.XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]XII.HECTOR’S DOOD.XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82][Inhoud]XIII.PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.[Inhoud]XIV.TROJE’S VERWOESTING.Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]
DE TROJAANSCHE OORLOG.
[Inhoud]I.DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.[Inhoud]II.PRIAMOS EN PARIS.KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.[Inhoud]III.DE SCHAKING VAN HELENA.De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63][Inhoud]IV.IPHIGENEIA IN AULIS.De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.[Inhoud]V.ACHILLES EN AGAMEMNON.Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]VI.PARIS EN MENELAOS.III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70][Inhoud]VII.DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.[Inhoud]VIII.HECTOR EN ANDROMACHE.VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.[Inhoud]IX.HECTOR ENAJAX.VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75][Inhoud]X.DE VORDERINGEN DER TROJANEN.VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.[Inhoud]XI.PATROCLOS.XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.[Inhoud]XII.HECTOR’S DOOD.XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82][Inhoud]XIII.PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.[Inhoud]XIV.TROJE’S VERWOESTING.Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]
[Inhoud]I.DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.
I.DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.
De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.
De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van den Thessalischen koningPeleusmet de zeenimfThetis. Alle koningen, vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus, tegenwoordig te zijn. AlleenEris,[59]de godin van den twist, had men om begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel, die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”
Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde en als scheidsrechter zou kunnen optreden.
[Inhoud]II.PRIAMOS EN PARIS.KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.
II.PRIAMOS EN PARIS.
KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.
KoningPrìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd metHècabe(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij vijftig zonen en vijftig dochters.
Onder zijn dochters warenPolỳxenaenCassàndrade bekendste. De laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende[60]woorden en zij werd slechts bespot en uitgelachen.
Van Prìamos’ zonen wasHectorde oudste en de dapperste. Zijn vrouwAndròmacheschonk hem een zoontje,Astỳanaxgeheeten. Maar het meest bekend vanPrìamos’zonen zouParisworden, niet door zijn dapperheid maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn geslacht.
Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap genoemd.
15. Artemis van Versailles.15.Artemis van Versailles.P. Noordhoff, Groningen.
15.Artemis van Versailles.
P. Noordhoff, Groningen.
Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de schoonste was.
Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven: rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op aarde leefde, zou de zijne worden, als[61]hij in haar voordeel besliste. Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koningPrìamosen zijn geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel van Paris.
[Inhoud]III.DE SCHAKING VAN HELENA.De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63]
III.DE SCHAKING VAN HELENA.
De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63]
De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, wasHèlena, gehuwd met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis was.
Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren voorwerpen mee, die hem toebehoorden.
Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij allereerst naar zijn broederAgamemnon, den koning van Mycène, en liet hem weten, wat er was geschied. De machtige[62]Agamemnon beloofde zijn broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle kanten werd medewerking toegezegd; alleenOdỳsseus, de koning van Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouwPenèlopeen van zijn pasgeboren zoontjeTelèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen legde plotselingPalamèdesden kleinen Telèmachos vlak voor het kouter: ineens was de houding vanOdỳsseuseen andere; span en ploeg was hij volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken; ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriendDiomèdeslater bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen. Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig, veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.
Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn:Nestor, de oude koning van Pylus, de wijze raadgever der Grieken;Idòmeneus, de heerscher van Creta;Ajaxvan Salamis, en zijn broederTeucer; danAjax, de Locriër, ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door slimheid en listige overredingskracht muntteOdỳsseusuit; door dapperheid en mannelijke krachtAchilles, de grootste der Grieksche helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakkerPatroclosoveral vergezelde.[63]
[Inhoud]IV.IPHIGENEIA IN AULIS.De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.
IV.IPHIGENEIA IN AULIS.
De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.
De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de afvaart der Grieken te verhinderen.
Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek, dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou offeren.
Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel, dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. ToenClytaimnestra, haar moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen, Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen echterCalchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar[64]zij voortaan in haar tempel als priesteres dienst deed.
Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op. Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was langen tijd het eenige resultaat van den tocht.
[Inhoud]V.ACHILLES EN AGAMEMNON.Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
V.ACHILLES EN AGAMEMNON.
Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
Homeros: Ilias, boek I.Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de laatsteChryseïs, een dochter vanChryses, een priester van Apollo; zij was aan Agamemnon toegewezen.
Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende pijlen naar het kamp der[65]Grieken, elk schot raak en elk schot doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen; hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging. Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.
Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou het Agamemnon bitter[66]berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken, een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs; onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.
Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.
II.Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar. En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. AlleenThersites, leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen op; onder de slagen van zijn scepter[67]kromp hij huilend ineen. „Wel smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn; maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.
16. Ares Ludovisi.16.Ares Ludovisi.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
16.Ares Ludovisi.
Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.
F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
[Inhoud]VI.PARIS EN MENELAOS.III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70]
VI.PARIS EN MENELAOS.
III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70]
III.De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders, gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit. Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij; sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht! Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien[68]held zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?” „Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris, mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren. Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.
Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.
Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een helm om te beslissen, wie van beide[69]strijders den eersten worp zou doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband; zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat bij het verdrag was vastgesteld.[70]
[Inhoud]VII.DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.
VII.DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.
IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.
IV.Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen. Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet, waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd, ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend, waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen; en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.
V.Van den strijd, die volgde, wasDiomèdes, de zoon van Tydeus, de held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus; maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand te nemen; elders[71]lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden. Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug, om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.
[Inhoud]VIII.HECTOR EN ANDROMACHE.VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.
VIII.HECTOR EN ANDROMACHE.
VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.
VI.Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector naar de stad gesneld om zijn moederHècabe(Hecuba) te smeeken met andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouwAndròmachete gemoet, vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak: „Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg, terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”[72]
Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’ geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór die dag komt de aarde mij bedekken!”
Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder. Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond, kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een troost voor zijn moeder.
Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog is het werk der mannen, maar vooral van mij.”[73]
Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.
[Inhoud]IX.HECTOR ENAJAX.VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75]
IX.HECTOR ENAJAX.
VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75]
VII.Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs hoog te houden.
Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich van de harten der Trojanen meester.
Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax; door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden. Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp[74]het schild van zijn vijand; maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden. Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken. Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten, totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen, vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen te beveiligen.[75]
[Inhoud]X.DE VORDERINGEN DER TROJANEN.VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.
X.DE VORDERINGEN DER TROJANEN.
VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.
VIII.Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp der Achaeërs moesten beschermen.
IX.Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken terug.
X.Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en voorzichtig, gedekt door het duister van[76]den nacht, drongen zij tot in het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt, jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.
XI.Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd. Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs. Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen. In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles; hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld, mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de krijgskans keeren.
XII.Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.
XIII.Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun pogen; maar[77]als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.
XIV.Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector, door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest worden.
XV.Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden, zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe, rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen in vlammen zou doen opgaan.
[Inhoud]XI.PATROCLOS.XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
XI.PATROCLOS.
XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
XVI.Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen, schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood[78]hoog gestegen en redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.
17. Menelaos met het lijk van Patroclos.17.Menelaos met het lijk van Patroclos.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
17.Menelaos met het lijk van Patroclos.
Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.
F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
[Inhoud]XII.HECTOR’S DOOD.XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82]
XII.HECTOR’S DOOD.
XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82]
XVII.Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos. Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen[79]aan, en pas na een lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te dragen van het slagveld.
XVIII.Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten. Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector, die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.
XIX.Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod, dreef hij zijn span naar het front der Grieken.
XX.In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen Olympus en[80]Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten, en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.
XXI.Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf, die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde. Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten binnen de poorten.
XXII.Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na, en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden. Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand; maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven, Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk niet aan de[81]honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door mijn vrienden begraven worde.”
Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.” „Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u, hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf! Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.
XXIII.Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding beproefd en naar waarde beloond.[82]
[Inhoud]XIII.PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.
XIII.PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.
XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.
XXIV.Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking. Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.
„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen! Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden, Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”
De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn vader, dien hij[83]nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten; weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen; twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader, heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen, maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren. Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden niet!”
„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen, gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht; morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar huis voeren; nu[84]evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar, gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader, achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden; zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en leverde hem uit ter eervolle begrafenis.
Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de jammerkreten der klaagvrouwen mengden.
Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder luide weeklachten[85]werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand. Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs aan den edelen Hector bewezen.
[Inhoud]XIV.TROJE’S VERWOESTING.Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]
XIV.TROJE’S VERWOESTING.
Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]
Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij, overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest. Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel, de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken, waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen. Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals hij[86]het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het gebeente van Patroclos bijzetten.
Virgilius: Aeneis II.Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het naburige eiland Tènedos, waar zij landden.
Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs geven, tradLaòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend. Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.
Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal de stedelingen[87]gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos gebracht, verteldeSinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen. Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk in het verderf worden gestort.
Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.
18. Laocoön.18.Laocoön.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
18.Laocoön.
Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.
F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad binnen. De taal vanCassandra, de eenige, die het dreigende verderf voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der stad,[88]en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse vlammen omhoog. Ook de troepen vanTènedoswaren geland en drongen door de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors zoonAstỳanaxuit de armen van zijn moeder gescheurd en van den torenmuur naar beneden geworpen. AlleenAenèasontkwam; hij nam zijn ouden vaderAnchìsesop den rug, zijn zoontjeAscaniusaan de hand en vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee. Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het Romeinsche volk.
Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door de Grieken als slaaf medegevoerd.[89]