DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.

[Inhoud]DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.[Inhoud]I.PENELOPE.(HOMEROS: ODYSSEE).Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.[Inhoud]II.TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93][Inhoud]III.CALYPSO.V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.[Inhoud]IV.DE SCHIPBREUK.Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.[Inhoud]V.ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toenverhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand derLotophagen.Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land derCyclopen,monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.X.Allereerst kwamen wij bijAiolos(Aeolus)den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij deLaistrygonen,een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodinKirke(Circe)XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust derCimmeriërs,die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van deSirenen.Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid vande Scylla en de Charybdis,de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van deRunderen van Heliosslachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.[Inhoud]VI.HET WEDERZIEN.XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.[Inhoud]VII.DE MOORD DER VRIJERS.XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

[Inhoud]DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.[Inhoud]I.PENELOPE.(HOMEROS: ODYSSEE).Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.[Inhoud]II.TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93][Inhoud]III.CALYPSO.V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.[Inhoud]IV.DE SCHIPBREUK.Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.[Inhoud]V.ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toenverhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand derLotophagen.Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land derCyclopen,monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.X.Allereerst kwamen wij bijAiolos(Aeolus)den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij deLaistrygonen,een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodinKirke(Circe)XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust derCimmeriërs,die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van deSirenen.Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid vande Scylla en de Charybdis,de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van deRunderen van Heliosslachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.[Inhoud]VI.HET WEDERZIEN.XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.[Inhoud]VII.DE MOORD DER VRIJERS.XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.

[Inhoud]I.PENELOPE.(HOMEROS: ODYSSEE).Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.[Inhoud]II.TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93][Inhoud]III.CALYPSO.V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.[Inhoud]IV.DE SCHIPBREUK.Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.[Inhoud]V.ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toenverhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand derLotophagen.Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land derCyclopen,monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.X.Allereerst kwamen wij bijAiolos(Aeolus)den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij deLaistrygonen,een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodinKirke(Circe)XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust derCimmeriërs,die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van deSirenen.Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid vande Scylla en de Charybdis,de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van deRunderen van Heliosslachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.[Inhoud]VI.HET WEDERZIEN.XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.[Inhoud]VII.DE MOORD DER VRIJERS.XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

[Inhoud]I.PENELOPE.(HOMEROS: ODYSSEE).Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.

I.PENELOPE.(HOMEROS: ODYSSEE).

Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.

Boek I.Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus (Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd waren.

Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouwPenèlopemet haar zoonTelèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op de onbeschaamdste wijze[90]huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus, zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes, Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken, die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.

19. Penelope.19.Penelope.P. Noordhoff, Groningen.

19.Penelope.

P. Noordhoff, Groningen.

II.Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. AlleenAntìnoösnam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd,[91]waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.

[Inhoud]II.TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93]

II.TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.

III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93]

III.Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.

IV.Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning[92]opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.

Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.[93]

[Inhoud]III.CALYPSO.V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.

III.CALYPSO.

V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.

V.Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimfCalypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der[94]zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”

Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.

[Inhoud]IV.DE SCHIPBREUK.Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.

IV.DE SCHIPBREUK.

Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.

Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.[95]

Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind,[96]de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.

[Inhoud]V.ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toenverhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand derLotophagen.Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land derCyclopen,monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.X.Allereerst kwamen wij bijAiolos(Aeolus)den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij deLaistrygonen,een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodinKirke(Circe)XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust derCimmeriërs,die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van deSirenen.Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid vande Scylla en de Charybdis,de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van deRunderen van Heliosslachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.

V.ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.

VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toenverhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand derLotophagen.Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land derCyclopen,monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.X.Allereerst kwamen wij bijAiolos(Aeolus)den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij deLaistrygonen,een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodinKirke(Circe)XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust derCimmeriërs,die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van deSirenen.Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid vande Scylla en de Charybdis,de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van deRunderen van Heliosslachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.

VI.Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem[97]af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.

Het wasNausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.

Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.[98]

VII.Weldra bereikte Odysseus het paleis vanAlkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.

VIII.Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.

Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”

Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar[99]in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.

Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.

20. Venus van Milo.20.Venus van Milo.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

20.Venus van Milo.

Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:

„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend[100]daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappereEurỳalesoverwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.[101]

Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”

IX.Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toen

verhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.

Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:

„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen[102]negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand der

Lotophagen.

Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land der

Cyclopen,

monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een der wreedste reuzen,Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op zijn vragen, wie wij waren en of soms[103]roofzucht ons tot hem had gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed, dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten, gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast, wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord. „Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal gloeiend in het vuur en[104]dreven hem toen in het gesloten oog van het monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.

Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef, werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij! Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden hebben[105]verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren stonden ons nog te wachten.

X.Allereerst kwamen wij bij

Aiolos(Aeolus)

den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’ paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden. Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der[106]golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij de

Laistrygonen,

een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodin

Kirke(Circe)

XI.een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende, zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen. Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven. Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust der

Cimmeriërs,

die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de[107]stralen der zon wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan; in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden. Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg, opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst. „Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom. Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij[108]daar de heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang, ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig, uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden: overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list, bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt, die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed. Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw, en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert[109]uwscepter, maar uw zoonTelèmachosbestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen ziekte heeft mij weggeraapt.”

Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot. Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde, dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was. Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht,[110]hield den pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien, maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf mij weder naar het strand van den Oceaan.

21. Odysseus en de Sirenen.21.Odysseus en de Sirenen.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

21.Odysseus en de Sirenen.

Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

XII.Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend, begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen wachtten ons nog. Allereerst dat van de

Sirenen.

Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden ons nu in de onmiddellijke nabijheid van

de Scylla en de Charybdis,

de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer mannen, die door de Scylla gegrepen en[111]verslonden werden. Overigens liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn makkers, trots het verbod, eenige van de

Runderen van Helios

slachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen. Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.

[Inhoud]VI.HET WEDERZIEN.XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.

VI.HET WEDERZIEN.

XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.

XIII.De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen, zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed, waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een olijfboom, opdat hij ze zou zien[112]zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele eiland verzonk in de diepte van de zee.

Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet. Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap, dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan, omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij, mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als mantel hing een oud, versleten schaapsvel[113]over zijn schouders. Ter voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand. In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen te kunnen voeren.

XIV.Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus. Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.

XV.Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag, door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn levensloop verhaalde: hoe[114]Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn schreden.

XVI.Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten. Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde: „Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”

Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning[115]niet. Odysseus ried onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen. „Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god. Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.

Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter ruste.

[Inhoud]VII.DE MOORD DER VRIJERS.XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

VII.DE MOORD DER VRIJERS.

XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.

XVII.Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had ervaren en[116]gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart. Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers, liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond voor de deur.

XVIII.Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden, maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó, sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het[117]maal weer werd aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil maakten.

XIX.De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande. Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos, geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te bewaren.

XX.Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers. Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.

XXI.Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens[118]Odysseus zich bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.” Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en, om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de pijl door de twaalf openingen.

XXII.Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den[119]strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend, de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor ze hem hadden bereikt.Telèmachoshaalde schilden en helmen en scherp gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens voor de vrijers aan kwam dragen.

Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden. Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus, op voorspraak vanTelèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen, neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op den vloer van de zaal.

22. De moord der vrijers.22.De moord der vrijers.Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

22.De moord der vrijers.

Uit: Furtwängler-Reichhold, Griechische Vasenmalerei.

F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.

Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen, die[120]gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden meester.

XXIII.Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster. Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak, maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.

XXIV.Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt, laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het verlies van zijn zoon, werd het hem[121]onmogelijk zijn rol nog langer te spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.

Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning en volk.


Back to IndexNext