[Inhoud]ORESTES EN PYLADES.(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).Agamemnon.Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de mogelijke terugkomst van Agamemnon.Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven; vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te ontvangen.Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem[122]zit Cassandra, Priamos’ dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet. Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinenOrestes, naar elders doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed! Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op zijn woning toe.Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de koningsburcht binnen.Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de onschuldig geslachte.Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.23. Rustende Hermes.23.Rustende Hermes.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed;[123]alleen de uitvoering had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk alleen zullen hebben.De Choëphoren.Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriendPyladesvergezelde hem op zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ookElectra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en verborgen zich achter het grafteeken.Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen, roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord, Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied was!Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij[124]haar zijn kleed, door haar zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden. Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met Aigisthos overleggen.Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader, schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,[125]zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een bui van waanzin.De Eumeniden.Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen, in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten, smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo verjaagt ze uit zijn heiligdom.Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht. Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend; de vereering van de landstreek stelt[126]zij haar in het vooruitzicht, en als weldoende godinnen, alsEumeniden, houden zij er voortaan verblijf.Euripides: Iphigeneia in Tauris.Volgens een andere lezing lieten de Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven. Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen, Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek, aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes, dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd,[127]hoe men weg zal vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koningThoaskomt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden, dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken, verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd vertrekken.
[Inhoud]ORESTES EN PYLADES.(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).Agamemnon.Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de mogelijke terugkomst van Agamemnon.Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven; vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te ontvangen.Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem[122]zit Cassandra, Priamos’ dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet. Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinenOrestes, naar elders doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed! Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op zijn woning toe.Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de koningsburcht binnen.Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de onschuldig geslachte.Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.23. Rustende Hermes.23.Rustende Hermes.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed;[123]alleen de uitvoering had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk alleen zullen hebben.De Choëphoren.Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriendPyladesvergezelde hem op zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ookElectra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en verborgen zich achter het grafteeken.Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen, roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord, Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied was!Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij[124]haar zijn kleed, door haar zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden. Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met Aigisthos overleggen.Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader, schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,[125]zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een bui van waanzin.De Eumeniden.Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen, in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten, smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo verjaagt ze uit zijn heiligdom.Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht. Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend; de vereering van de landstreek stelt[126]zij haar in het vooruitzicht, en als weldoende godinnen, alsEumeniden, houden zij er voortaan verblijf.Euripides: Iphigeneia in Tauris.Volgens een andere lezing lieten de Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven. Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen, Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek, aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes, dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd,[127]hoe men weg zal vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koningThoaskomt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden, dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken, verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd vertrekken.
ORESTES EN PYLADES.(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).
Agamemnon.Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de mogelijke terugkomst van Agamemnon.Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven; vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te ontvangen.Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem[122]zit Cassandra, Priamos’ dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet. Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinenOrestes, naar elders doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed! Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op zijn woning toe.Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de koningsburcht binnen.Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de onschuldig geslachte.Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.23. Rustende Hermes.23.Rustende Hermes.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed;[123]alleen de uitvoering had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk alleen zullen hebben.De Choëphoren.Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriendPyladesvergezelde hem op zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ookElectra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en verborgen zich achter het grafteeken.Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen, roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord, Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied was!Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij[124]haar zijn kleed, door haar zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden. Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met Aigisthos overleggen.Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader, schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,[125]zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een bui van waanzin.De Eumeniden.Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen, in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten, smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo verjaagt ze uit zijn heiligdom.Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht. Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend; de vereering van de landstreek stelt[126]zij haar in het vooruitzicht, en als weldoende godinnen, alsEumeniden, houden zij er voortaan verblijf.Euripides: Iphigeneia in Tauris.Volgens een andere lezing lieten de Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven. Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen, Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek, aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes, dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd,[127]hoe men weg zal vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koningThoaskomt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden, dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken, verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd vertrekken.
Agamemnon.Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de mogelijke terugkomst van Agamemnon.
Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven; vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te ontvangen.
Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem[122]zit Cassandra, Priamos’ dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet. Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinenOrestes, naar elders doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed! Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op zijn woning toe.
Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de koningsburcht binnen.
Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de onschuldig geslachte.
Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.
Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.
23. Rustende Hermes.23.Rustende Hermes.Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
23.Rustende Hermes.
Uit: Brunn,Denkmäler griech. und röm. Skulptur.
F. Bruckmann, München. P. Noordhoff, Groningen.
Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed;[123]alleen de uitvoering had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk alleen zullen hebben.
De Choëphoren.Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriendPyladesvergezelde hem op zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ookElectra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en verborgen zich achter het grafteeken.
Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen, roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord, Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied was!
Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij[124]haar zijn kleed, door haar zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.
Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden. Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met Aigisthos overleggen.
Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader, schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.
Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,[125]zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een bui van waanzin.
De Eumeniden.Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen, in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten, smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.
Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo verjaagt ze uit zijn heiligdom.
Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht. Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.
Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.
De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend; de vereering van de landstreek stelt[126]zij haar in het vooruitzicht, en als weldoende godinnen, alsEumeniden, houden zij er voortaan verblijf.
Euripides: Iphigeneia in Tauris.Volgens een andere lezing lieten de Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.
Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven. Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen, Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek, aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes, dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd,[127]hoe men weg zal vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koningThoaskomt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden, dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken, verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd vertrekken.