Zij durfde niet in de kamer komen.„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.„Neen, ik blijf hier.”„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk bas-geluid:„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijkesiësta.Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan[34]dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging.Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg.Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes.„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den Ekster.„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”Zij vloog naar binnen.„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van zulke groote kinderen?”„Kom, ga nu maar.”„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet.Lekas baïk!”[35]Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen.Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.”„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Eksterobatgeven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „Ikzou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat denjonja besar pinter sekaliwas.De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek toediende.[36]De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop theedrinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.”De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord.Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar „onder een hoedje vangen.””Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk vroeg hij:[37]„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”„Ja,” zei ze brusk-weg.„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond hij. Zulke jonge menschen!En mevrouw vond het ook.„Ze houdenbetoelvan elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de kreuken trekkend, „datwijzoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn geheele lichaam, en de pijn[38]en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had?„Nèh!” riep hij.De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van haar slaapplaats.„Wat is het?”„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was.Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond. De temperatuur van den zieke was[39]vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?”De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische Sumpffieber mitLocalisationauf dem Plexus solaris. GutenMorgen,HerrKapitän.”En weg was hij!Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare dokters.Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.„Ik zouhaarnaar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”[40]„Ja, daar heb ik niet op gelet.Kasian, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat denèhje wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je roepen.”Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna toch?”En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”Doch Sarinah hield vol.Soenggoeh matihet was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.„Geef me gauw ’n handdoek,nèh; ik ga baden!”Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze dien bracht, zei ze:„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het dentoeangaat?”Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde weer haar trekken.„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…”Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.[41]Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.„Dag, beste tante.”Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.„Dagnèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….…„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer.„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.„Nu, wat is er?”„Al dood!”Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den blikkengajongboven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog[42]ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; zijkonhet niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig![43]Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje houden!Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies had begrepen.Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.Hij rees verschrikt op.„Een ongeluk? Wat dan?”„Den Ekster is zooeven overleden.”„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.„Willen we er niet heen gaan?”„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed ben.”Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster[44]nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten harer vriendinnen, op eenlumineusidée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilenkon.”De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield.Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.„Ja; hij was niet veel veranderd.”„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”„Ben je zóó bang voor ’n doode?”„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst[45]zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in bespreking trad.„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij had zelfs geen positie.”„Goed, maar hij was toch haar man.”Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik.„Weet je wat ik denk, Marie?”„Nu?”„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.”„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het eenfrappantgeval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….”„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.….”Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan.„.….Om de natuur een handje te helpen.”Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist, dan hij dacht.„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.”„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.”Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles[46]te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest.Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te maken.„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.Hij haalde minachtend de schouders op.„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was.„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. Maar ik heb hem getroefd!”[47]„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergeblevenzondares, de aanwezigezondaarsbedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steekdienin je zak!”Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.”„Het kan me niet schelen, maarikwil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.”Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond hetpintervan hem en ergbrani, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben.Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te herdenken.Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”„Ik denk er niet aan.”„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.[48]„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”„Ik zal me geen illusies maken.”„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.”De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder levenà chargete blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld[49]gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap uitdrukte.Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, zonder een enkelen misgreep.Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden.De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig:„Doet u ook aan muziek?”„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van[50]veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding geacht wordt te behooren.Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan.Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man.„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.”Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat is waar.”„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….”„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten en in de maat.….precies’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!”Maar mevrouw Borne vond het niet goed.„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.… Als er ’n drie maanden overheen zijn.…”[51]’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke toetsen sloot.„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke aanstellerij.”„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in acht nemen.”„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan beniker ook voor. Inditgeval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.”„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.”„’n Goed mensch, maar erggeborneerd.”Zij lachten beiden om de woordspeling.„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.”„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.”„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”„Poeah!’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama:[52]Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Wasprachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat je ineens op de vlucht.”Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt worden?”„Homberen zullen ze er niet doen.”„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet.[53]Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange, plus twee roode „kapitalen”.„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.”„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.”Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan eenpoussecafé, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de heeren er over dachten.”De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.De notaris keek scherp toe.„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.….Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein,[54]gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!”En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht.„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg.„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer zoo druk.”„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar mijn handen kijken.….”Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’naméricaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij envlan, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.”„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt.„Ja, het paard, deaméricaineen ik.”[55]Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek.„Het paard was kreupel aan één kant en deaméricaineaan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, zooals u ziet; anders niet.”En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels.„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren.„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond aan de gemoedelijke verveling[56]eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet meedoen.”Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….”Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling.Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met defourchette, bijna eensans prendrehebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte.Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van den een naar den ander.En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en[57]zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret.„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.”„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde:„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.”[58]„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal het wel weer gaan.”Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.….”„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer naast haar was gaan zitten.De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd.„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”[59]„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.”Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze wasthe great attractiongeworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan.Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen zeilen.Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maarpierre qui roule n’amasse pas de mousse.”En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht.Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij[60]wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu vriendin des huizes geworden jonge weduwe.Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd evenlief. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”Het was een oude echt Indischefamilie, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.”Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.[61]„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging vleide haar.„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….”„Wasdieer ook al?”„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen,kasian!”„Kasian?Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig is. Hij meent het goed.”„Nu ja.”„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.”„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”„Wil ik je brengen?”„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op.Adieu!”Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw.„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg:[62]„Is Betsy al weg?”„Zooals je ziet.”„Is het dan al zóó laat?”Hij gaf daar geen antwoord op.„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”„Blijf jij nog op?”„Ja.”„Nu, wel te rusten dan.”Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem:„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij doorzulkemenschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de[63]Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad.Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil plaatsje in Indië tocheenigedistractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah!’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed voorbij.Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zichsturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet trouwen[64]met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om te sluiten.Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit den leestrommel.„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”„Neen, wij waren onder ons.”„Nu, wel te rusten dan.”Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwenkonhij haar niet, en zij was vast besloten, naar[65]Mephisto’s wijze les,de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te pidjiten.
Zij durfde niet in de kamer komen.„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.„Neen, ik blijf hier.”„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk bas-geluid:„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijkesiësta.Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan[34]dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging.Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg.Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes.„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den Ekster.„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”Zij vloog naar binnen.„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van zulke groote kinderen?”„Kom, ga nu maar.”„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet.Lekas baïk!”[35]Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen.Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.”„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Eksterobatgeven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „Ikzou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat denjonja besar pinter sekaliwas.De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek toediende.[36]De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop theedrinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.”De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord.Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar „onder een hoedje vangen.””Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk vroeg hij:[37]„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”„Ja,” zei ze brusk-weg.„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond hij. Zulke jonge menschen!En mevrouw vond het ook.„Ze houdenbetoelvan elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de kreuken trekkend, „datwijzoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn geheele lichaam, en de pijn[38]en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had?„Nèh!” riep hij.De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van haar slaapplaats.„Wat is het?”„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was.Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond. De temperatuur van den zieke was[39]vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?”De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische Sumpffieber mitLocalisationauf dem Plexus solaris. GutenMorgen,HerrKapitän.”En weg was hij!Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare dokters.Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.„Ik zouhaarnaar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”[40]„Ja, daar heb ik niet op gelet.Kasian, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat denèhje wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je roepen.”Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna toch?”En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”Doch Sarinah hield vol.Soenggoeh matihet was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.„Geef me gauw ’n handdoek,nèh; ik ga baden!”Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze dien bracht, zei ze:„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het dentoeangaat?”Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde weer haar trekken.„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…”Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.[41]Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.„Dag, beste tante.”Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.„Dagnèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….…„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer.„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.„Nu, wat is er?”„Al dood!”Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den blikkengajongboven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog[42]ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; zijkonhet niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig![43]Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje houden!Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies had begrepen.Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.Hij rees verschrikt op.„Een ongeluk? Wat dan?”„Den Ekster is zooeven overleden.”„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.„Willen we er niet heen gaan?”„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed ben.”Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster[44]nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten harer vriendinnen, op eenlumineusidée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilenkon.”De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield.Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.„Ja; hij was niet veel veranderd.”„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”„Ben je zóó bang voor ’n doode?”„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst[45]zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in bespreking trad.„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij had zelfs geen positie.”„Goed, maar hij was toch haar man.”Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik.„Weet je wat ik denk, Marie?”„Nu?”„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.”„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het eenfrappantgeval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….”„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.….”Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan.„.….Om de natuur een handje te helpen.”Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist, dan hij dacht.„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.”„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.”Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles[46]te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest.Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te maken.„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.Hij haalde minachtend de schouders op.„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was.„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. Maar ik heb hem getroefd!”[47]„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergeblevenzondares, de aanwezigezondaarsbedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steekdienin je zak!”Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.”„Het kan me niet schelen, maarikwil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.”Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond hetpintervan hem en ergbrani, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben.Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te herdenken.Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”„Ik denk er niet aan.”„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.[48]„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”„Ik zal me geen illusies maken.”„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.”De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder levenà chargete blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld[49]gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap uitdrukte.Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, zonder een enkelen misgreep.Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden.De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig:„Doet u ook aan muziek?”„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van[50]veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding geacht wordt te behooren.Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan.Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man.„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.”Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat is waar.”„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….”„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten en in de maat.….precies’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!”Maar mevrouw Borne vond het niet goed.„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.… Als er ’n drie maanden overheen zijn.…”[51]’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke toetsen sloot.„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke aanstellerij.”„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in acht nemen.”„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan beniker ook voor. Inditgeval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.”„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.”„’n Goed mensch, maar erggeborneerd.”Zij lachten beiden om de woordspeling.„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.”„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.”„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”„Poeah!’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama:[52]Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Wasprachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat je ineens op de vlucht.”Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt worden?”„Homberen zullen ze er niet doen.”„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet.[53]Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange, plus twee roode „kapitalen”.„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.”„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.”Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan eenpoussecafé, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de heeren er over dachten.”De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.De notaris keek scherp toe.„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.….Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein,[54]gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!”En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht.„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg.„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer zoo druk.”„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar mijn handen kijken.….”Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’naméricaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij envlan, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.”„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt.„Ja, het paard, deaméricaineen ik.”[55]Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek.„Het paard was kreupel aan één kant en deaméricaineaan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, zooals u ziet; anders niet.”En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels.„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren.„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond aan de gemoedelijke verveling[56]eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet meedoen.”Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….”Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling.Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met defourchette, bijna eensans prendrehebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte.Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van den een naar den ander.En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en[57]zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret.„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.”„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde:„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.”[58]„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal het wel weer gaan.”Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.….”„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer naast haar was gaan zitten.De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd.„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”[59]„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.”Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze wasthe great attractiongeworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan.Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen zeilen.Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maarpierre qui roule n’amasse pas de mousse.”En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht.Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij[60]wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu vriendin des huizes geworden jonge weduwe.Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd evenlief. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”Het was een oude echt Indischefamilie, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.”Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.[61]„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging vleide haar.„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….”„Wasdieer ook al?”„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen,kasian!”„Kasian?Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig is. Hij meent het goed.”„Nu ja.”„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.”„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”„Wil ik je brengen?”„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op.Adieu!”Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw.„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg:[62]„Is Betsy al weg?”„Zooals je ziet.”„Is het dan al zóó laat?”Hij gaf daar geen antwoord op.„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”„Blijf jij nog op?”„Ja.”„Nu, wel te rusten dan.”Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem:„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij doorzulkemenschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de[63]Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad.Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil plaatsje in Indië tocheenigedistractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah!’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed voorbij.Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zichsturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet trouwen[64]met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om te sluiten.Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit den leestrommel.„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”„Neen, wij waren onder ons.”„Nu, wel te rusten dan.”Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwenkonhij haar niet, en zij was vast besloten, naar[65]Mephisto’s wijze les,de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te pidjiten.
Zij durfde niet in de kamer komen.„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.„Neen, ik blijf hier.”„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk bas-geluid:„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijkesiësta.Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan[34]dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging.Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg.Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes.„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den Ekster.„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”Zij vloog naar binnen.„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van zulke groote kinderen?”„Kom, ga nu maar.”„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet.Lekas baïk!”[35]Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen.Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.”„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Eksterobatgeven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „Ikzou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat denjonja besar pinter sekaliwas.De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek toediende.[36]De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop theedrinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.”De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord.Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar „onder een hoedje vangen.””Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk vroeg hij:[37]„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”„Ja,” zei ze brusk-weg.„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond hij. Zulke jonge menschen!En mevrouw vond het ook.„Ze houdenbetoelvan elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de kreuken trekkend, „datwijzoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn geheele lichaam, en de pijn[38]en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had?„Nèh!” riep hij.De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van haar slaapplaats.„Wat is het?”„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was.Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond. De temperatuur van den zieke was[39]vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?”De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische Sumpffieber mitLocalisationauf dem Plexus solaris. GutenMorgen,HerrKapitän.”En weg was hij!Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare dokters.Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.„Ik zouhaarnaar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”[40]„Ja, daar heb ik niet op gelet.Kasian, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat denèhje wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je roepen.”Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna toch?”En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”Doch Sarinah hield vol.Soenggoeh matihet was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.„Geef me gauw ’n handdoek,nèh; ik ga baden!”Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze dien bracht, zei ze:„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het dentoeangaat?”Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde weer haar trekken.„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…”Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.[41]Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.„Dag, beste tante.”Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.„Dagnèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….…„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer.„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.„Nu, wat is er?”„Al dood!”Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den blikkengajongboven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog[42]ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; zijkonhet niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig![43]Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje houden!Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies had begrepen.Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.Hij rees verschrikt op.„Een ongeluk? Wat dan?”„Den Ekster is zooeven overleden.”„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.„Willen we er niet heen gaan?”„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed ben.”Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster[44]nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten harer vriendinnen, op eenlumineusidée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilenkon.”De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield.Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.„Ja; hij was niet veel veranderd.”„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”„Ben je zóó bang voor ’n doode?”„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst[45]zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in bespreking trad.„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij had zelfs geen positie.”„Goed, maar hij was toch haar man.”Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik.„Weet je wat ik denk, Marie?”„Nu?”„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.”„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het eenfrappantgeval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….”„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.….”Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan.„.….Om de natuur een handje te helpen.”Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist, dan hij dacht.„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.”„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.”Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles[46]te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest.Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te maken.„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.Hij haalde minachtend de schouders op.„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was.„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. Maar ik heb hem getroefd!”[47]„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergeblevenzondares, de aanwezigezondaarsbedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steekdienin je zak!”Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.”„Het kan me niet schelen, maarikwil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.”Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond hetpintervan hem en ergbrani, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben.Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te herdenken.Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”„Ik denk er niet aan.”„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.[48]„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”„Ik zal me geen illusies maken.”„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.”De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder levenà chargete blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld[49]gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap uitdrukte.Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, zonder een enkelen misgreep.Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden.De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig:„Doet u ook aan muziek?”„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van[50]veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding geacht wordt te behooren.Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan.Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man.„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.”Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat is waar.”„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….”„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten en in de maat.….precies’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!”Maar mevrouw Borne vond het niet goed.„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.… Als er ’n drie maanden overheen zijn.…”[51]’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke toetsen sloot.„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke aanstellerij.”„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in acht nemen.”„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan beniker ook voor. Inditgeval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.”„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.”„’n Goed mensch, maar erggeborneerd.”Zij lachten beiden om de woordspeling.„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.”„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.”„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”„Poeah!’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama:[52]Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Wasprachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat je ineens op de vlucht.”Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt worden?”„Homberen zullen ze er niet doen.”„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet.[53]Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange, plus twee roode „kapitalen”.„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.”„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.”Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan eenpoussecafé, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de heeren er over dachten.”De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.De notaris keek scherp toe.„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.….Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein,[54]gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!”En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht.„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg.„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer zoo druk.”„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar mijn handen kijken.….”Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’naméricaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij envlan, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.”„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt.„Ja, het paard, deaméricaineen ik.”[55]Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek.„Het paard was kreupel aan één kant en deaméricaineaan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, zooals u ziet; anders niet.”En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels.„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren.„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond aan de gemoedelijke verveling[56]eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet meedoen.”Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….”Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling.Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met defourchette, bijna eensans prendrehebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte.Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van den een naar den ander.En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en[57]zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret.„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.”„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde:„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.”[58]„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal het wel weer gaan.”Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.….”„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer naast haar was gaan zitten.De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd.„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”[59]„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.”Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze wasthe great attractiongeworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan.Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen zeilen.Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maarpierre qui roule n’amasse pas de mousse.”En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht.Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij[60]wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu vriendin des huizes geworden jonge weduwe.Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd evenlief. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”Het was een oude echt Indischefamilie, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.”Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.[61]„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging vleide haar.„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….”„Wasdieer ook al?”„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen,kasian!”„Kasian?Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig is. Hij meent het goed.”„Nu ja.”„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.”„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”„Wil ik je brengen?”„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op.Adieu!”Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw.„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg:[62]„Is Betsy al weg?”„Zooals je ziet.”„Is het dan al zóó laat?”Hij gaf daar geen antwoord op.„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”„Blijf jij nog op?”„Ja.”„Nu, wel te rusten dan.”Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem:„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij doorzulkemenschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de[63]Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad.Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil plaatsje in Indië tocheenigedistractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah!’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed voorbij.Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zichsturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet trouwen[64]met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om te sluiten.Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit den leestrommel.„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”„Neen, wij waren onder ons.”„Nu, wel te rusten dan.”Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwenkonhij haar niet, en zij was vast besloten, naar[65]Mephisto’s wijze les,de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te pidjiten.
Zij durfde niet in de kamer komen.
„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.
„Neen, ik blijf hier.”
„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”
Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk bas-geluid:
„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”
En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijkesiësta.
Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan[34]dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging.
Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.
Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg.
Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes.
„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.
„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den Ekster.
„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”
„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”
Zij vloog naar binnen.
„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”
„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van zulke groote kinderen?”
„Kom, ga nu maar.”
„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet.Lekas baïk!”[35]
Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen.
Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.
„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.”
„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.
Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Eksterobatgeven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „Ikzou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat denjonja besar pinter sekaliwas.
De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek toediende.[36]
De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.
„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop theedrinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.”
De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.
Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.
Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.
Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord.
Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:
„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar „onder een hoedje vangen.””
Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk vroeg hij:[37]
„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”
De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.
„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”
„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”
„Ja,” zei ze brusk-weg.
„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”
Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond hij. Zulke jonge menschen!
En mevrouw vond het ook.
„Ze houdenbetoelvan elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”
„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de kreuken trekkend, „datwijzoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!
Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn geheele lichaam, en de pijn[38]en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had?
„Nèh!” riep hij.
De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.
Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van haar slaapplaats.
„Wat is het?”
„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.
Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was.
Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.
Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond. De temperatuur van den zieke was[39]vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.
Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.
In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.
„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?”
De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische Sumpffieber mitLocalisationauf dem Plexus solaris. GutenMorgen,HerrKapitän.”
En weg was hij!
Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare dokters.
Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.
„Ik zouhaarnaar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”[40]
„Ja, daar heb ik niet op gelet.Kasian, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat denèhje wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je roepen.”
Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.
„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna toch?”
En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:
„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”
„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”
Doch Sarinah hield vol.Soenggoeh matihet was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.
„Geef me gauw ’n handdoek,nèh; ik ga baden!”
Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze dien bracht, zei ze:
„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het dentoeangaat?”
Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde weer haar trekken.
„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…”
Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.[41]
Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.
„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”
„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.
„Dag, beste tante.”
Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.
Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.
„Dagnèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.
„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”
Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….…
„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer.
„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.
„Nu, wat is er?”
„Al dood!”
Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den blikkengajongboven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!
De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog[42]ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.
„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”
Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.
„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”
„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”
Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.
„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”
Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; zijkonhet niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig![43]Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje houden!
Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies had begrepen.
Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.
„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.
Hij rees verschrikt op.
„Een ongeluk? Wat dan?”
„Den Ekster is zooeven overleden.”
„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”
Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.
„Willen we er niet heen gaan?”
„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed ben.”
Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster[44]nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten harer vriendinnen, op eenlumineusidée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilenkon.”
De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield.
Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.
„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.
„Ja; hij was niet veel veranderd.”
„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”
„Ben je zóó bang voor ’n doode?”
„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”
„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”
„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst[45]zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in bespreking trad.
„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij had zelfs geen positie.”
„Goed, maar hij was toch haar man.”
Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik.
„Weet je wat ik denk, Marie?”
„Nu?”
„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”
„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.”
„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het eenfrappantgeval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….”
„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”
„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.….”
Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan.
„.….Om de natuur een handje te helpen.”
Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist, dan hij dacht.
„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.”
„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.”
Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles[46]te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest.
Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.
Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te maken.
„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.
Hij haalde minachtend de schouders op.
„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”
„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was.
„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. Maar ik heb hem getroefd!”[47]
„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”
„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergeblevenzondares, de aanwezigezondaarsbedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steekdienin je zak!”
Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.
„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.”
„Het kan me niet schelen, maarikwil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.”
Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond hetpintervan hem en ergbrani, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben.
Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te herdenken.
Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.
„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”
„Ik denk er niet aan.”
„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”
„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”
Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.[48]
„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”
„Ik zal me geen illusies maken.”
„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.”
De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder levenà chargete blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.
Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.
Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld[49]gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap uitdrukte.
Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, zonder een enkelen misgreep.
Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden.
De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.
Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig:
„Doet u ook aan muziek?”
„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.
Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van[50]veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding geacht wordt te behooren.
Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan.
Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.
Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man.
„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.”
Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.
„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat is waar.”
„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….”
„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.
De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten en in de maat.….precies’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.
„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!”
Maar mevrouw Borne vond het niet goed.
„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.… Als er ’n drie maanden overheen zijn.…”[51]
’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke toetsen sloot.
„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”
’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.
„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke aanstellerij.”
„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in acht nemen.”
„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan beniker ook voor. Inditgeval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.”
„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.”
„’n Goed mensch, maar erggeborneerd.”
Zij lachten beiden om de woordspeling.
„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.”
„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.”
„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”
„Poeah!’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama:[52]Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Wasprachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”
„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”
„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat je ineens op de vlucht.”
Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.
Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.
„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt worden?”
„Homberen zullen ze er niet doen.”
„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”
„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”
Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet.[53]
Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange, plus twee roode „kapitalen”.
„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.”
„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.”
Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan eenpoussecafé, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de heeren er over dachten.”
De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.
„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.
De notaris keek scherp toe.
„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.
„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.….Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein,[54]gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!”
En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht.
„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg.
„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer zoo druk.”
„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar mijn handen kijken.….”
Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.
„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.
De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.
„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’naméricaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij envlan, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.”
„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt.
„Ja, het paard, deaméricaineen ik.”[55]
Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek.
„Het paard was kreupel aan één kant en deaméricaineaan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, zooals u ziet; anders niet.”
En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels.
„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren.
„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”
Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.
De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond aan de gemoedelijke verveling[56]eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.
„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet meedoen.”
Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.
„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….”
Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.
Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling.
Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.
Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met defourchette, bijna eensans prendrehebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte.
Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van den een naar den ander.
En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en[57]zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.
Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.
Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.
De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret.
„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.”
„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.”
„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”
Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde:
„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”
„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.
„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.”[58]
„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”
„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”
„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”
„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal het wel weer gaan.”
Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.
„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”
„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.
„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.….”
„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”
De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer naast haar was gaan zitten.
De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd.
„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”[59]
„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.”
Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze wasthe great attractiongeworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan.
Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen zeilen.
Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.
„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”
„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maarpierre qui roule n’amasse pas de mousse.”
En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht.
Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij[60]wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu vriendin des huizes geworden jonge weduwe.
Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd evenlief. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!
„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”
Het was een oude echt Indischefamilie, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.
„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”
„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”
„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”
„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”
„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”
„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.”
Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.[61]
„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging vleide haar.
„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”
„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….”
„Wasdieer ook al?”
„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen,kasian!”
„Kasian?Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”
„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig is. Hij meent het goed.”
„Nu ja.”
„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”
„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.”
„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”
Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.
„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”
„Wil ik je brengen?”
„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op.Adieu!”
Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw.
„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.
Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg:[62]
„Is Betsy al weg?”
„Zooals je ziet.”
„Is het dan al zóó laat?”
Hij gaf daar geen antwoord op.
„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”
„Blijf jij nog op?”
„Ja.”
„Nu, wel te rusten dan.”
Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem:
„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”
Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij doorzulkemenschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de[63]Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad.
Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.
En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil plaatsje in Indië tocheenigedistractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah!
’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed voorbij.
Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zichsturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet trouwen[64]met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om te sluiten.
Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit den leestrommel.
„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.
„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”
„Neen, wij waren onder ons.”
„Nu, wel te rusten dan.”
Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwenkonhij haar niet, en zij was vast besloten, naar[65]Mephisto’s wijze les,de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te pidjiten.