Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hijwasgetrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen[66]de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haartjelaka, haar oogen ontvloeiden.„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.„Och niks,nèh! Hou jij je mond maar.”De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het haar nu weer had gespannen.„Je hadt gelijk,nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.”„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets aan te veranderen viel.„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker zijn kan het niet.”Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op.„Dan zijn de kwade het sterkst,nèh! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.”„Is er dan weer iets?”Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig:„Och, niets! Er is niets.”Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt[67]geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.En het kwam spoedig genoeg.Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.„Ochnèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….”„En hij is niet arm?”„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”„Jammer, dat hij getrouwd is.”Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank.„Je bent een brutaal, oud beest.”„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als hij kon?”„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij kan niet! Het is waar,nèh, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe trouwe ziel.”Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah.„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig:„Ajo, zeg op,ajo!”[68]„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”„Masa!.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen.Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo,nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.Wáárommoeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maarsoedah! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te doen.”Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:„Misschien!”Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en schokschouderde met minachting.„Je bent gek,nèh!”„Soedah!Als nonna het beter weet.”„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet, dat het helpt,nèh!”[69]„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op den vloer.„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets gezegd.”Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde.Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder haar.„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.”Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend.„Kom, zeg het dan maar!”„Ikkan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.„Mijn zoon weet het.”„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”[70]„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander.De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, allessama djoegawas.„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”„Hoe heet je zoon? Ik begrijpniet, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java verspreid.”Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?”„Zijn naam is Ketjil.….”„Masa, zoo’n dikke kerel!”„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….”„Daar heb ik veel aan!Enfin, verder?”„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de zee is.”„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar[71]het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah!Jij zegt maar.”„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval meende zij te moetentawarren.„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”„Nu, hoeveel denk je?”„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.”„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien,nèh. Toe, vertel eens.”„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is niet goed.”Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was.„Wanneer vraag je het Ketjil?”„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met eenkarretje. Als hij thuis is.….”„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer opgewonden en haar[72]het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug te komen.Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan vanpikiren, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde[73]het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte en onder de menschen.Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje neemt.Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.…A propos, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.”Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem[74]„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.”„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!”„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”„Heel graag.Sepada, kasi api!O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet.Tida oessah.Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….”„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….”„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.”„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”„Ja, zie je.….Enfin.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.”„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn.Enfin, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd.„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel en dwars[75]weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”„Wel, dan zie ik ook niet in.….”Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?”„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”„En verder.…?”„Wat verder?”„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?”„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemandwillen hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.”„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.”„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel[76]slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n goeien raad te geven.”Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.”Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.…. Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar inonzeEuropeesche maatschappij en inonzeburgerlijke kringen is het een leugen.”[77]„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…”„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht.„Nu, notaris,diezet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ikzalhet probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.”„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”„Nu, dat kon wel wezen.”„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen,[78]dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….”„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan opwegen.”Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het hoofd.„Blijf je ’n dag of wat?”„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!”Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid:pos, toean!en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens ’n paar dagen[79]„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…”Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem gezien, lietPrédier’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.”„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is het hun zaak.”„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zoudenzijnu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles[80]bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man is.”„O, ja.”„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig genoeg.”„Zeker.”„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben….”„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor hem doen.”Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie deed ze geen afstand.„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij,„dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening, dat[81]het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.”„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van middag op reis.”Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie[82]soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”„Ja. Gaat u op reis?”„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”„Ga even zitten.”„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.”„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….”„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”„Alsof je dat niet weten zoudt!”„Ik weet heusch van niets.”„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….”„Prédier!”„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”„En.…. zal hij de gelukkige wezen?”„Zeker.”Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en[83]zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.”„Is dat nu ernst of scherts?”„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!”Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.„Dus.…. tot over een paar dagen.”„Zeker!Au revoir!”Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….”„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten slotte zijn vrouw.„Nu,bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.[84]Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep.Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik verbluft aan.„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets[85]achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in zijn kamer nog gierend van het lachen.„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer.„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet het immers weten.”Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het haar voor:„Hooggeachte vriendin!„Daar de oogen.….”Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’nkoerang adjar! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!”En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten springen.De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was wantrouwend.„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man.„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.”„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde[86]Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n beetje heftig.Het boek voor haar leggend, schreef ze:Brievenboek van L. F. Geerling.bladzijde217.232.Antwoord.Geachte vriend,Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te wachten. Vergun mij derhalveZEVENTIG JARENom mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.Uw hoogachtende vriendinWed.Den Ekster.Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen, „Bronkhorst hadnoggelijk!”[87]Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy:„Wat is het,nèh?”„Het zal gelukken.”„Hoe weet je dat?”„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”„Wat zag je en hoorde je?”„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.”„Maar hoever gaat het,nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kanhemtoch niet krijgen!”„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden, alles, alles.…. alles!”De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren.„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:nietsvóór den tijd,NIETS!”Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke bron vansoesah! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij hadagezegd, ze zou ookbzeggen.„Hij is uit,” zei ze.„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”[88]„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er denbedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken.„Wat doe je,nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien van haar nonna over.„Dat hoort er bij, hè?”„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwebedaqiets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed debedaqniet.„Dezemoet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.”„Wees niet bang,nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ikzaldoen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.”Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.„Er is niets geks aan.”„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat diebedaq.….”[89]„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort er bij.”„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.”„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu nog wat voor me hebt.”Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden als mogelijk was.„Wat is het,nèh?”„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”„Is er dan verschil in?”„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle dingen. Dezeminjaqis de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend[90]en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag?„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het eenmethet ander.”„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien heb je nog meer.”„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.”’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde.„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen.„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst,„dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.”[91]„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.…. en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig.[92]Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend: „Slaapt-ie?”„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den[93]blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop.Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan Betsy vast.„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.[94]„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie.„Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.”De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij hield.Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden avond aankwam.Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje.„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”„Wat zegt de dokter?”„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!”Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen hetfondvan rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs haar hand; het deed hem trillen van genoegen.„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon goed voor je klaar.”Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem.[95]Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip vanpose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n aardigheidsans conséquences; maar als ’n weduwe zulk eenazegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er eenbop te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”„Ja. Het zal hem goed doen!”[96]„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen vandaag.”„Wil je ’n glas Selters-water?”„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond.„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar.Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij het ook.Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.„Toe, wees er niet boos om! Ikkonhet niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….”Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde.„Nu, het is waar.Je hebtgelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….”„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.[97]„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk:wehebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield vankakap. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de oogen open, keek haar aan en sliep weer in.Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden.„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?
Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hijwasgetrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen[66]de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haartjelaka, haar oogen ontvloeiden.„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.„Och niks,nèh! Hou jij je mond maar.”De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het haar nu weer had gespannen.„Je hadt gelijk,nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.”„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets aan te veranderen viel.„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker zijn kan het niet.”Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op.„Dan zijn de kwade het sterkst,nèh! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.”„Is er dan weer iets?”Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig:„Och, niets! Er is niets.”Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt[67]geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.En het kwam spoedig genoeg.Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.„Ochnèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….”„En hij is niet arm?”„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”„Jammer, dat hij getrouwd is.”Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank.„Je bent een brutaal, oud beest.”„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als hij kon?”„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij kan niet! Het is waar,nèh, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe trouwe ziel.”Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah.„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig:„Ajo, zeg op,ajo!”[68]„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”„Masa!.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen.Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo,nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.Wáárommoeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maarsoedah! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te doen.”Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:„Misschien!”Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en schokschouderde met minachting.„Je bent gek,nèh!”„Soedah!Als nonna het beter weet.”„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet, dat het helpt,nèh!”[69]„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op den vloer.„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets gezegd.”Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde.Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder haar.„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.”Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend.„Kom, zeg het dan maar!”„Ikkan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.„Mijn zoon weet het.”„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”[70]„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander.De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, allessama djoegawas.„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”„Hoe heet je zoon? Ik begrijpniet, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java verspreid.”Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?”„Zijn naam is Ketjil.….”„Masa, zoo’n dikke kerel!”„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….”„Daar heb ik veel aan!Enfin, verder?”„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de zee is.”„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar[71]het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah!Jij zegt maar.”„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval meende zij te moetentawarren.„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”„Nu, hoeveel denk je?”„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.”„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien,nèh. Toe, vertel eens.”„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is niet goed.”Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was.„Wanneer vraag je het Ketjil?”„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met eenkarretje. Als hij thuis is.….”„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer opgewonden en haar[72]het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug te komen.Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan vanpikiren, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde[73]het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte en onder de menschen.Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje neemt.Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.…A propos, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.”Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem[74]„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.”„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!”„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”„Heel graag.Sepada, kasi api!O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet.Tida oessah.Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….”„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….”„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.”„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”„Ja, zie je.….Enfin.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.”„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn.Enfin, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd.„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel en dwars[75]weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”„Wel, dan zie ik ook niet in.….”Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?”„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”„En verder.…?”„Wat verder?”„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?”„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemandwillen hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.”„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.”„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel[76]slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n goeien raad te geven.”Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.”Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.…. Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar inonzeEuropeesche maatschappij en inonzeburgerlijke kringen is het een leugen.”[77]„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…”„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht.„Nu, notaris,diezet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ikzalhet probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.”„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”„Nu, dat kon wel wezen.”„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen,[78]dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….”„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan opwegen.”Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het hoofd.„Blijf je ’n dag of wat?”„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!”Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid:pos, toean!en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens ’n paar dagen[79]„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…”Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem gezien, lietPrédier’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.”„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is het hun zaak.”„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zoudenzijnu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles[80]bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man is.”„O, ja.”„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig genoeg.”„Zeker.”„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben….”„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor hem doen.”Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie deed ze geen afstand.„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij,„dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening, dat[81]het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.”„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van middag op reis.”Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie[82]soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”„Ja. Gaat u op reis?”„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”„Ga even zitten.”„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.”„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….”„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”„Alsof je dat niet weten zoudt!”„Ik weet heusch van niets.”„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….”„Prédier!”„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”„En.…. zal hij de gelukkige wezen?”„Zeker.”Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en[83]zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.”„Is dat nu ernst of scherts?”„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!”Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.„Dus.…. tot over een paar dagen.”„Zeker!Au revoir!”Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….”„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten slotte zijn vrouw.„Nu,bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.[84]Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep.Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik verbluft aan.„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets[85]achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in zijn kamer nog gierend van het lachen.„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer.„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet het immers weten.”Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het haar voor:„Hooggeachte vriendin!„Daar de oogen.….”Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’nkoerang adjar! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!”En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten springen.De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was wantrouwend.„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man.„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.”„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde[86]Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n beetje heftig.Het boek voor haar leggend, schreef ze:Brievenboek van L. F. Geerling.bladzijde217.232.Antwoord.Geachte vriend,Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te wachten. Vergun mij derhalveZEVENTIG JARENom mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.Uw hoogachtende vriendinWed.Den Ekster.Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen, „Bronkhorst hadnoggelijk!”[87]Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy:„Wat is het,nèh?”„Het zal gelukken.”„Hoe weet je dat?”„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”„Wat zag je en hoorde je?”„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.”„Maar hoever gaat het,nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kanhemtoch niet krijgen!”„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden, alles, alles.…. alles!”De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren.„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:nietsvóór den tijd,NIETS!”Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke bron vansoesah! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij hadagezegd, ze zou ookbzeggen.„Hij is uit,” zei ze.„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”[88]„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er denbedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken.„Wat doe je,nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien van haar nonna over.„Dat hoort er bij, hè?”„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwebedaqiets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed debedaqniet.„Dezemoet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.”„Wees niet bang,nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ikzaldoen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.”Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.„Er is niets geks aan.”„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat diebedaq.….”[89]„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort er bij.”„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.”„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu nog wat voor me hebt.”Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden als mogelijk was.„Wat is het,nèh?”„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”„Is er dan verschil in?”„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle dingen. Dezeminjaqis de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend[90]en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag?„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het eenmethet ander.”„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien heb je nog meer.”„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.”’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde.„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen.„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst,„dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.”[91]„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.…. en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig.[92]Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend: „Slaapt-ie?”„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den[93]blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop.Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan Betsy vast.„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.[94]„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie.„Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.”De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij hield.Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden avond aankwam.Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje.„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”„Wat zegt de dokter?”„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!”Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen hetfondvan rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs haar hand; het deed hem trillen van genoegen.„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon goed voor je klaar.”Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem.[95]Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip vanpose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n aardigheidsans conséquences; maar als ’n weduwe zulk eenazegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er eenbop te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”„Ja. Het zal hem goed doen!”[96]„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen vandaag.”„Wil je ’n glas Selters-water?”„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond.„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar.Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij het ook.Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.„Toe, wees er niet boos om! Ikkonhet niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….”Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde.„Nu, het is waar.Je hebtgelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….”„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.[97]„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk:wehebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield vankakap. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de oogen open, keek haar aan en sliep weer in.Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden.„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?
Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hijwasgetrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen[66]de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haartjelaka, haar oogen ontvloeiden.„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.„Och niks,nèh! Hou jij je mond maar.”De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het haar nu weer had gespannen.„Je hadt gelijk,nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.”„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets aan te veranderen viel.„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker zijn kan het niet.”Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op.„Dan zijn de kwade het sterkst,nèh! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.”„Is er dan weer iets?”Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig:„Och, niets! Er is niets.”Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt[67]geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.En het kwam spoedig genoeg.Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.„Ochnèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….”„En hij is niet arm?”„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”„Jammer, dat hij getrouwd is.”Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank.„Je bent een brutaal, oud beest.”„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als hij kon?”„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij kan niet! Het is waar,nèh, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe trouwe ziel.”Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah.„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig:„Ajo, zeg op,ajo!”[68]„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”„Masa!.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen.Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo,nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.Wáárommoeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maarsoedah! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te doen.”Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:„Misschien!”Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en schokschouderde met minachting.„Je bent gek,nèh!”„Soedah!Als nonna het beter weet.”„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet, dat het helpt,nèh!”[69]„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op den vloer.„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets gezegd.”Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde.Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder haar.„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.”Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend.„Kom, zeg het dan maar!”„Ikkan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.„Mijn zoon weet het.”„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”[70]„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander.De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, allessama djoegawas.„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”„Hoe heet je zoon? Ik begrijpniet, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java verspreid.”Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?”„Zijn naam is Ketjil.….”„Masa, zoo’n dikke kerel!”„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….”„Daar heb ik veel aan!Enfin, verder?”„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de zee is.”„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar[71]het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah!Jij zegt maar.”„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval meende zij te moetentawarren.„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”„Nu, hoeveel denk je?”„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.”„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien,nèh. Toe, vertel eens.”„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is niet goed.”Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was.„Wanneer vraag je het Ketjil?”„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met eenkarretje. Als hij thuis is.….”„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer opgewonden en haar[72]het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug te komen.Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan vanpikiren, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde[73]het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte en onder de menschen.Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje neemt.Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.…A propos, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.”Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem[74]„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.”„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!”„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”„Heel graag.Sepada, kasi api!O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet.Tida oessah.Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….”„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….”„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.”„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”„Ja, zie je.….Enfin.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.”„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn.Enfin, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd.„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel en dwars[75]weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”„Wel, dan zie ik ook niet in.….”Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?”„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”„En verder.…?”„Wat verder?”„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?”„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemandwillen hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.”„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.”„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel[76]slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n goeien raad te geven.”Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.”Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.…. Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar inonzeEuropeesche maatschappij en inonzeburgerlijke kringen is het een leugen.”[77]„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…”„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht.„Nu, notaris,diezet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ikzalhet probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.”„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”„Nu, dat kon wel wezen.”„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen,[78]dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….”„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan opwegen.”Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het hoofd.„Blijf je ’n dag of wat?”„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!”Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid:pos, toean!en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens ’n paar dagen[79]„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…”Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem gezien, lietPrédier’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.”„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is het hun zaak.”„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zoudenzijnu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles[80]bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man is.”„O, ja.”„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig genoeg.”„Zeker.”„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben….”„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor hem doen.”Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie deed ze geen afstand.„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij,„dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening, dat[81]het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.”„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van middag op reis.”Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie[82]soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”„Ja. Gaat u op reis?”„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”„Ga even zitten.”„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.”„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….”„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”„Alsof je dat niet weten zoudt!”„Ik weet heusch van niets.”„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….”„Prédier!”„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”„En.…. zal hij de gelukkige wezen?”„Zeker.”Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en[83]zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.”„Is dat nu ernst of scherts?”„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!”Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.„Dus.…. tot over een paar dagen.”„Zeker!Au revoir!”Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….”„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten slotte zijn vrouw.„Nu,bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.[84]Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep.Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik verbluft aan.„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets[85]achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in zijn kamer nog gierend van het lachen.„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer.„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet het immers weten.”Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het haar voor:„Hooggeachte vriendin!„Daar de oogen.….”Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’nkoerang adjar! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!”En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten springen.De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was wantrouwend.„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man.„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.”„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde[86]Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n beetje heftig.Het boek voor haar leggend, schreef ze:Brievenboek van L. F. Geerling.bladzijde217.232.Antwoord.Geachte vriend,Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te wachten. Vergun mij derhalveZEVENTIG JARENom mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.Uw hoogachtende vriendinWed.Den Ekster.Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen, „Bronkhorst hadnoggelijk!”[87]Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy:„Wat is het,nèh?”„Het zal gelukken.”„Hoe weet je dat?”„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”„Wat zag je en hoorde je?”„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.”„Maar hoever gaat het,nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kanhemtoch niet krijgen!”„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden, alles, alles.…. alles!”De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren.„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:nietsvóór den tijd,NIETS!”Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke bron vansoesah! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij hadagezegd, ze zou ookbzeggen.„Hij is uit,” zei ze.„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”[88]„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er denbedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken.„Wat doe je,nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien van haar nonna over.„Dat hoort er bij, hè?”„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwebedaqiets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed debedaqniet.„Dezemoet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.”„Wees niet bang,nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ikzaldoen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.”Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.„Er is niets geks aan.”„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat diebedaq.….”[89]„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort er bij.”„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.”„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu nog wat voor me hebt.”Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden als mogelijk was.„Wat is het,nèh?”„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”„Is er dan verschil in?”„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle dingen. Dezeminjaqis de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend[90]en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag?„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het eenmethet ander.”„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien heb je nog meer.”„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.”’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde.„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen.„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst,„dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.”[91]„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.…. en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig.[92]Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend: „Slaapt-ie?”„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den[93]blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop.Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan Betsy vast.„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.[94]„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie.„Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.”De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij hield.Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden avond aankwam.Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje.„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”„Wat zegt de dokter?”„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!”Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen hetfondvan rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs haar hand; het deed hem trillen van genoegen.„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon goed voor je klaar.”Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem.[95]Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip vanpose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n aardigheidsans conséquences; maar als ’n weduwe zulk eenazegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er eenbop te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”„Ja. Het zal hem goed doen!”[96]„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen vandaag.”„Wil je ’n glas Selters-water?”„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond.„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar.Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij het ook.Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.„Toe, wees er niet boos om! Ikkonhet niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….”Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde.„Nu, het is waar.Je hebtgelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….”„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.[97]„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk:wehebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield vankakap. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de oogen open, keek haar aan en sliep weer in.Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden.„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?
Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hijwasgetrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen[66]de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haartjelaka, haar oogen ontvloeiden.
„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.
„Och niks,nèh! Hou jij je mond maar.”
De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.
Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het haar nu weer had gespannen.
„Je hadt gelijk,nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.”
„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”
Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.
„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets aan te veranderen viel.
„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker zijn kan het niet.”
Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op.
„Dan zijn de kwade het sterkst,nèh! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.”
„Is er dan weer iets?”
Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig:
„Och, niets! Er is niets.”
Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt[67]geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.
En het kwam spoedig genoeg.
Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.
„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.
„Ochnèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….”
„En hij is niet arm?”
„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”
„Jammer, dat hij getrouwd is.”
Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank.
„Je bent een brutaal, oud beest.”
„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als hij kon?”
„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij kan niet! Het is waar,nèh, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe trouwe ziel.”
Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah.
„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”
Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig:
„Ajo, zeg op,ajo!”[68]
„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”
„Masa!.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen.
Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo,nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.Wáárommoeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maarsoedah! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te doen.”
Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:
„Misschien!”
Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en schokschouderde met minachting.
„Je bent gek,nèh!”
„Soedah!Als nonna het beter weet.”
„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet, dat het helpt,nèh!”[69]
„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”
„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”
Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op den vloer.
„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets gezegd.”
Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde.
Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder haar.
„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.”
Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend.
„Kom, zeg het dan maar!”
„Ikkan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”
„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.
„Mijn zoon weet het.”
„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”
„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”[70]
„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander.
De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, allessama djoegawas.
„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”
„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”
„Hoe heet je zoon? Ik begrijpniet, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”
Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:
„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java verspreid.”
Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.
„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?”
„Zijn naam is Ketjil.….”
„Masa, zoo’n dikke kerel!”
„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….”
„Daar heb ik veel aan!Enfin, verder?”
„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de zee is.”
„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar[71]het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah!Jij zegt maar.”
„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”
’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval meende zij te moetentawarren.
„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”
„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”
„Nu, hoeveel denk je?”
„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.”
„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien,nèh. Toe, vertel eens.”
„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is niet goed.”
Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was.
„Wanneer vraag je het Ketjil?”
„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met eenkarretje. Als hij thuis is.….”
„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”
„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”
Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer opgewonden en haar[72]het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.
Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug te komen.
Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.
En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan vanpikiren, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde[73]het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte en onder de menschen.
Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje neemt.
Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.
Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”
„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.…A propos, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.”
Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem[74]„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.”
„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!”
„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”
„Heel graag.Sepada, kasi api!O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet.Tida oessah.Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….”
„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….”
„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.”
„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”
„Ja, zie je.….Enfin.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.”
„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”
„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn.Enfin, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”
De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.
„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?
Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd.
„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel en dwars[75]weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”
„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”
„Wel, dan zie ik ook niet in.….”
Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:
„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?”
„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”
„En verder.…?”
„Wat verder?”
„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?”
„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemandwillen hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.”
„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”
„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.
„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.”
„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel[76]slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n goeien raad te geven.”
Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.
„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.”
Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.
„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.
„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.…. Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar inonzeEuropeesche maatschappij en inonzeburgerlijke kringen is het een leugen.”[77]
„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…”
„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”
„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”
„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”
Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht.
„Nu, notaris,diezet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ikzalhet probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.”
„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”
„Nu, dat kon wel wezen.”
„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen,[78]dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….”
„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan opwegen.”
Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het hoofd.
„Blijf je ’n dag of wat?”
„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!”
Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.
Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid:pos, toean!en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!
Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens ’n paar dagen[79]„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…”
Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem gezien, lietPrédier’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.
„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”
Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.
„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”
„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.”
„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”
„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is het hun zaak.”
„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zoudenzijnu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles[80]bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man is.”
„O, ja.”
„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig genoeg.”
„Zeker.”
„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben….”
„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.
„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor hem doen.”
Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.
„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”
Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie deed ze geen afstand.
„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”
Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.
„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij,„dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening, dat[81]het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”
Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.
„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.”
„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.
„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van middag op reis.”
Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.
Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie[82]soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.
In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.
„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”
„Ja. Gaat u op reis?”
„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”
„Ga even zitten.”
„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.”
„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.
„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….”
„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”
„Alsof je dat niet weten zoudt!”
„Ik weet heusch van niets.”
„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….”
„Prédier!”
„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”
„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”
„En.…. zal hij de gelukkige wezen?”
„Zeker.”
Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en[83]zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.
„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”
„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.”
„Is dat nu ernst of scherts?”
„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!”
Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.
„Dus.…. tot over een paar dagen.”
„Zeker!Au revoir!”
Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.
„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.
„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….”
„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten slotte zijn vrouw.
„Nu,bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.[84]
Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.
Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!
Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep.
Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik verbluft aan.
„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets[85]achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in zijn kamer nog gierend van het lachen.
„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”
„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer.
„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet het immers weten.”
Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het haar voor:
„Hooggeachte vriendin!„Daar de oogen.….”
„Hooggeachte vriendin!
„Daar de oogen.….”
Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’nkoerang adjar! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!”
En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten springen.
De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was wantrouwend.
„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man.
„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.”
„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde[86]Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n beetje heftig.
Het boek voor haar leggend, schreef ze:
Brievenboek van L. F. Geerling.bladzijde217.232.Antwoord.Geachte vriend,Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te wachten. Vergun mij derhalveZEVENTIG JARENom mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.Uw hoogachtende vriendinWed.Den Ekster.
Brievenboek van L. F. Geerling.
bladzijde217.
232.Antwoord.
Geachte vriend,
Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te wachten. Vergun mij derhalveZEVENTIG JARENom mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.
Uw hoogachtende vriendin
Wed.Den Ekster.
Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.
„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen, „Bronkhorst hadnoggelijk!”[87]
Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy:
„Wat is het,nèh?”
„Het zal gelukken.”
„Hoe weet je dat?”
„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”
„Wat zag je en hoorde je?”
„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.”
„Maar hoever gaat het,nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kanhemtoch niet krijgen!”
„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden, alles, alles.…. alles!”
De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren.
„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:nietsvóór den tijd,NIETS!”
Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke bron vansoesah! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij hadagezegd, ze zou ookbzeggen.
„Hij is uit,” zei ze.
„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”[88]
„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”
„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”
De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er denbedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken.
„Wat doe je,nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.
„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien van haar nonna over.
„Dat hoort er bij, hè?”
„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”
„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”
„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.
Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwebedaqiets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed debedaqniet.
„Dezemoet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.”
„Wees niet bang,nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ikzaldoen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.”
Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.
„Er is niets geks aan.”
„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat diebedaq.….”[89]
„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort er bij.”
„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”
„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.”
„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu nog wat voor me hebt.”
Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden als mogelijk was.
„Wat is het,nèh?”
„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.
„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”
„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”
„Is er dan verschil in?”
„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle dingen. Dezeminjaqis de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”
Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend[90]en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag?
„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het eenmethet ander.”
„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien heb je nog meer.”
„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.”
’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde.
„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen.
„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst,„dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.”[91]
„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.
„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”
Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.
Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.…. en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig.[92]
Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!
Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.
De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend: „Slaapt-ie?”
„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”
Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den[93]blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.
Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop.
Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan Betsy vast.
„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.[94]
„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie.„Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.”
De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij hield.
Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden avond aankwam.
Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.
„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.
Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje.
„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”
„Wat zegt de dokter?”
„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!”
Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen hetfondvan rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs haar hand; het deed hem trillen van genoegen.
„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon goed voor je klaar.”
Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem.[95]
Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip vanpose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n aardigheidsans conséquences; maar als ’n weduwe zulk eenazegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er eenbop te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.
Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.
„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”
„Ja. Het zal hem goed doen!”[96]
„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”
„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen vandaag.”
„Wil je ’n glas Selters-water?”
„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”
„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond.
„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar.
Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.
„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij het ook.
Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.
„Toe, wees er niet boos om! Ikkonhet niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….”
Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde.
„Nu, het is waar.Je hebtgelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….”
„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.
„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”
Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.[97]
„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk:wehebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”
Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield vankakap. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de oogen open, keek haar aan en sliep weer in.
Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden.
„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”
Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?