„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.”„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar ’n beetje bij te staan.”Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris.Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.”Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit[98]en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie.Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde het niet te doen.In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe” bevattend.Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.[99]Op debaleh-balehzat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond.De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:„Je weet er alles van, nietwaar?”„Mâheeft mij maar weinig gezegd.”Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren.„Het overige zal hij morgen hooren.”„Bij mij aan huis?”„Ja.”Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geenbrentivroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het[100]loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar was hijbosènvan en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven.„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen.Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam, omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet.Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde[101]of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:„Bets, dat is gemeen!”„Wat is er?”„We zijn overgeplaatst.”„O!.…. en waarheen?”„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.”„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.”„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….”„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een koopje.….”„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.”„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”„Dat is toch ’n beetje.….”„Volstrekt niet! Als hetmoet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”[102]Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het veel beter.„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”Borne streek in gedachten langs zijn knevels.„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag ishoe. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat Betsygeheelals een lid van het huisgezin[103]wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij hoofdschuddend.„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de kloeke figuur vanhem. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wistzijten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte van het kasten uit- en kisten[104]inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de Bronkhorsten.Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten lessenaartje, vroeg zij Sarinah:„Wel, hoe staat het er mee?”De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend aan.„Dat weet de nonna zelf wel.”„Gekheid! Ik weet niets.”„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”„Heeft nonna er om gevraagd?”„Neen.”„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder iets te verzoeken?”„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend[105]van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah!ik weet het ook niet.”En ze kipaste voort bij iederen zwaai met desapoe lidi, steunend en grommelend.Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, die hij als kind had leeren vreezen:ketjoeboengen hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers[106]kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot[107]tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het kleeden.Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met eenpatte-de-lapindebedaqvan Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinigminjaq bermanis; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in huis en zou er blijven.Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar buiten. Ja, waarachtig,[108]daar zat denènèhonder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het wasstanggi, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde ertochaan; het was sterker dan zij.Toen de oude haarstanggigebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. Hij volgde haar.„Ik moet iets van je hebben.”„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.„Haren van meneer.”„Die hebt ik niet.”„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”„Ik.… zal probeeren.”De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte haast zijn oor.„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken om een speld,[109]welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed moest vastgemaakt worden.„Waar zit je toch,nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”„Nonna heeft niet geroepen.”„Houd je mond maar, en maak dit vast.”Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.„Wat voer je nou uit?”„Ik weet het niet, maar het moet.”„Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, wantalsalles meeliep, dan zouden dataprès couppunten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten spoedig[110]rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon brengen dan tot een springenà deuxtemps.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommigepur sangEuropeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of zweetuitdrijvenden spoed.[111]Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; hetMärchenkwam niet tot zijn recht!Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zijzouhem hebben en zemoesthem hebben,coûte que coûte! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won[112]aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.„Zing nog eens!” vroeg men haar.Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:L’Amour est enfant de BohêmeIl n’a jamais connu de loi,Si tu ne m’aimes pas, je t’aimeSi je t’aime, prends garde à toi!Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekendbrio, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid en tevredenheid.„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze maar wil.”„Ik ben blij, dat hetietsheeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.[113]Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn[114]kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in de oogen zag.Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.„Het is de zoon van mijn oude meid.”„Wat ’n rare kerel.”[115]„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”„Och kom!”„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil inpur sangEuropeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te toonen.„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder niet over gesproken.Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die op den grond waren gevallen.Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?Zij wisselden eensalamatdoor het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden[116]gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak slaag had gegeven.Zij zaten nognauwelijksop de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!”Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.„Je wordt geroepen,” zeiKetjil.„Soedahlah!Zij schreeuwt toch altijd.”„Ik zou maar eerst even gaan.”„Het helpt toch niets. Zulkenjonjas blandazijn nooit stil.”„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa tida ada orang di blakan?”Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.„Och, niets, zij schreeuwt maar.”Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.„Er is nog iets,” zeide hij.[117]Sidin antwoordde niet.„Er moet nog iets gedaan worden.”„Ik dacht het al.”„En ’t moet vandaag gebeuren.”Dat was de bediende niet naar den zin.„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”„Niet?”„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. Ennooit, nooit, in welke omstandigheid ook,op een Zaterdag.”Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”„Het moet.”„’t Kan niet, want het is marmer.”„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”„Ja.”„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”[118]„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Danwip jehem ’n beetje op en brengt het er onder.”Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.„En als de nonna wakker is en achter zit?”„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien niets.”Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uitgabah, asch,idjoek, beenderen van denkoekangen eenige groote punten van gewone naalden.Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over desoesah, die men hem bezorgde.Maar ook zij lachte hem uit.„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”„Waarom doe je het dan niet zelf?”„Ik ben een oude vrouw.”„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik gingkorèkkenaan den vloer.”„Ja, dat is allemaal maarbitjara kosong,” zei hij brutaal.„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om desoesah, maar omdat je nietbranibent.”„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel nietbrani.”„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk,[119]en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand vergezelde.Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op degoena-goenabetrekking had, al was het dan ook slechtsindirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast[120]en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.„Hij heeft er iets onder gelegen.”„Ja, dat weet ik. Wat was het?”„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is.Soedah, laat maar!”De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár wat stof wegslaand.Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.„Waarommoest hij het er onder doen?”Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”„Dat wil ik u wel zeggen.”„Zal jij dat nú reeds zeggen?”[121]„Nu niet, maar straks.”Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn deur zat te praten.„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga en zo.…”„Het gaat je niet aan, wat het was.”„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”„En nu wil je geld hebben.”„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”„Ja,soedah! Wij weten het wel!”„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”„Wat wil jij dan?”„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben nietbrani. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ikbrenti.”De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”[122]„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.De familie zat in de achtergalerij.„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag mijn ontslag”.Zij keek er vreemd van op.„Waarom?”Hij wist niet wat te zeggen.„Mijn vader is ziek.”„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak zien loopen.”„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, waarom.”„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen wetenwaarom.”Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:„Ik benbosènvan mevrouws gezicht.”Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was[123]woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur uit; op staanden voet!Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den zak.Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze verandering.„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, anders niet.”Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou nu niet lang meer duren.Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.„Neen,nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”„Het is toch de goede tijd.”„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”[124]„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”„Nu, wat wou je dan?”„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. Er moet iets in.”„Ik wil niet, ik doe het niet.”„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.„Dansen we dan van avond?”„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”„Hm, hm!”„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”„Ik ook niet, en ikmoetbovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy[125]haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.„Wees voorzichtig!Tjampoerhet niet met de anderen.”„Kan men het niet proeven?”„Neen.”„Wat is het,nèh?”„Ik weet het niet.”„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet wat het is?”„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”„Poeah!Dat is ook wat!”„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”„Het zal toch geen vergif zijn?”„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”„Och, je zoon.… je zoon!”„Nonnamoet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn thee.„Ik zou me er over beklagen!”„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”[126]„Gekheid, ik kan er best tegen.”„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig om.”En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst harer huisgenoote.’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke felicitaties.Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke zinspelingen toonde.Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon vroolijk lachend.„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”[127]„Ja, het is sterk.”„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp ik het niet.”„Het is misschien maar schijn.”„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar zei.Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had gezegd.De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer natuurlijk is, dat hij er aan[128]ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan kluift.Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie geen ruimte.Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want hetkon, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.„Zou het te veel kunnen zijn?”„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”„Den heelen avond?”„’n Groot gedeelte ten minste.”„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”[129]„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”„Door wie?”„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”„Verbeelding!”„Toch niet!”Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar gevolg voerde.Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de oogen keek.„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”„Me dunkt, je bent al druk bezig.”De slofjes van Marie tikten op de trap:„Jean, kan het eten worden opgedaan?”[130]Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel liggen.
„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.”„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar ’n beetje bij te staan.”Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris.Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.”Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit[98]en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie.Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde het niet te doen.In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe” bevattend.Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.[99]Op debaleh-balehzat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond.De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:„Je weet er alles van, nietwaar?”„Mâheeft mij maar weinig gezegd.”Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren.„Het overige zal hij morgen hooren.”„Bij mij aan huis?”„Ja.”Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geenbrentivroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het[100]loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar was hijbosènvan en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven.„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen.Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam, omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet.Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde[101]of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:„Bets, dat is gemeen!”„Wat is er?”„We zijn overgeplaatst.”„O!.…. en waarheen?”„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.”„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.”„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….”„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een koopje.….”„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.”„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”„Dat is toch ’n beetje.….”„Volstrekt niet! Als hetmoet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”[102]Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het veel beter.„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”Borne streek in gedachten langs zijn knevels.„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag ishoe. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat Betsygeheelals een lid van het huisgezin[103]wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij hoofdschuddend.„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de kloeke figuur vanhem. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wistzijten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte van het kasten uit- en kisten[104]inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de Bronkhorsten.Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten lessenaartje, vroeg zij Sarinah:„Wel, hoe staat het er mee?”De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend aan.„Dat weet de nonna zelf wel.”„Gekheid! Ik weet niets.”„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”„Heeft nonna er om gevraagd?”„Neen.”„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder iets te verzoeken?”„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend[105]van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah!ik weet het ook niet.”En ze kipaste voort bij iederen zwaai met desapoe lidi, steunend en grommelend.Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, die hij als kind had leeren vreezen:ketjoeboengen hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers[106]kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot[107]tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het kleeden.Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met eenpatte-de-lapindebedaqvan Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinigminjaq bermanis; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in huis en zou er blijven.Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar buiten. Ja, waarachtig,[108]daar zat denènèhonder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het wasstanggi, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde ertochaan; het was sterker dan zij.Toen de oude haarstanggigebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. Hij volgde haar.„Ik moet iets van je hebben.”„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.„Haren van meneer.”„Die hebt ik niet.”„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”„Ik.… zal probeeren.”De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte haast zijn oor.„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken om een speld,[109]welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed moest vastgemaakt worden.„Waar zit je toch,nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”„Nonna heeft niet geroepen.”„Houd je mond maar, en maak dit vast.”Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.„Wat voer je nou uit?”„Ik weet het niet, maar het moet.”„Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, wantalsalles meeliep, dan zouden dataprès couppunten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten spoedig[110]rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon brengen dan tot een springenà deuxtemps.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommigepur sangEuropeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of zweetuitdrijvenden spoed.[111]Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; hetMärchenkwam niet tot zijn recht!Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zijzouhem hebben en zemoesthem hebben,coûte que coûte! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won[112]aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.„Zing nog eens!” vroeg men haar.Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:L’Amour est enfant de BohêmeIl n’a jamais connu de loi,Si tu ne m’aimes pas, je t’aimeSi je t’aime, prends garde à toi!Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekendbrio, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid en tevredenheid.„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze maar wil.”„Ik ben blij, dat hetietsheeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.[113]Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn[114]kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in de oogen zag.Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.„Het is de zoon van mijn oude meid.”„Wat ’n rare kerel.”[115]„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”„Och kom!”„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil inpur sangEuropeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te toonen.„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder niet over gesproken.Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die op den grond waren gevallen.Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?Zij wisselden eensalamatdoor het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden[116]gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak slaag had gegeven.Zij zaten nognauwelijksop de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!”Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.„Je wordt geroepen,” zeiKetjil.„Soedahlah!Zij schreeuwt toch altijd.”„Ik zou maar eerst even gaan.”„Het helpt toch niets. Zulkenjonjas blandazijn nooit stil.”„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa tida ada orang di blakan?”Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.„Och, niets, zij schreeuwt maar.”Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.„Er is nog iets,” zeide hij.[117]Sidin antwoordde niet.„Er moet nog iets gedaan worden.”„Ik dacht het al.”„En ’t moet vandaag gebeuren.”Dat was de bediende niet naar den zin.„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”„Niet?”„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. Ennooit, nooit, in welke omstandigheid ook,op een Zaterdag.”Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”„Het moet.”„’t Kan niet, want het is marmer.”„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”„Ja.”„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”[118]„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Danwip jehem ’n beetje op en brengt het er onder.”Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.„En als de nonna wakker is en achter zit?”„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien niets.”Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uitgabah, asch,idjoek, beenderen van denkoekangen eenige groote punten van gewone naalden.Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over desoesah, die men hem bezorgde.Maar ook zij lachte hem uit.„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”„Waarom doe je het dan niet zelf?”„Ik ben een oude vrouw.”„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik gingkorèkkenaan den vloer.”„Ja, dat is allemaal maarbitjara kosong,” zei hij brutaal.„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om desoesah, maar omdat je nietbranibent.”„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel nietbrani.”„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk,[119]en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand vergezelde.Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op degoena-goenabetrekking had, al was het dan ook slechtsindirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast[120]en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.„Hij heeft er iets onder gelegen.”„Ja, dat weet ik. Wat was het?”„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is.Soedah, laat maar!”De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár wat stof wegslaand.Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.„Waarommoest hij het er onder doen?”Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”„Dat wil ik u wel zeggen.”„Zal jij dat nú reeds zeggen?”[121]„Nu niet, maar straks.”Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn deur zat te praten.„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga en zo.…”„Het gaat je niet aan, wat het was.”„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”„En nu wil je geld hebben.”„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”„Ja,soedah! Wij weten het wel!”„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”„Wat wil jij dan?”„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben nietbrani. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ikbrenti.”De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”[122]„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.De familie zat in de achtergalerij.„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag mijn ontslag”.Zij keek er vreemd van op.„Waarom?”Hij wist niet wat te zeggen.„Mijn vader is ziek.”„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak zien loopen.”„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, waarom.”„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen wetenwaarom.”Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:„Ik benbosènvan mevrouws gezicht.”Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was[123]woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur uit; op staanden voet!Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den zak.Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze verandering.„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, anders niet.”Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou nu niet lang meer duren.Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.„Neen,nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”„Het is toch de goede tijd.”„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”[124]„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”„Nu, wat wou je dan?”„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. Er moet iets in.”„Ik wil niet, ik doe het niet.”„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.„Dansen we dan van avond?”„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”„Hm, hm!”„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”„Ik ook niet, en ikmoetbovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy[125]haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.„Wees voorzichtig!Tjampoerhet niet met de anderen.”„Kan men het niet proeven?”„Neen.”„Wat is het,nèh?”„Ik weet het niet.”„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet wat het is?”„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”„Poeah!Dat is ook wat!”„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”„Het zal toch geen vergif zijn?”„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”„Och, je zoon.… je zoon!”„Nonnamoet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn thee.„Ik zou me er over beklagen!”„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”[126]„Gekheid, ik kan er best tegen.”„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig om.”En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst harer huisgenoote.’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke felicitaties.Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke zinspelingen toonde.Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon vroolijk lachend.„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”[127]„Ja, het is sterk.”„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp ik het niet.”„Het is misschien maar schijn.”„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar zei.Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had gezegd.De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer natuurlijk is, dat hij er aan[128]ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan kluift.Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie geen ruimte.Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want hetkon, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.„Zou het te veel kunnen zijn?”„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”„Den heelen avond?”„’n Groot gedeelte ten minste.”„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”[129]„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”„Door wie?”„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”„Verbeelding!”„Toch niet!”Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar gevolg voerde.Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de oogen keek.„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”„Me dunkt, je bent al druk bezig.”De slofjes van Marie tikten op de trap:„Jean, kan het eten worden opgedaan?”[130]Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel liggen.
„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.”„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar ’n beetje bij te staan.”Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris.Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.”Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit[98]en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie.Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde het niet te doen.In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe” bevattend.Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.[99]Op debaleh-balehzat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond.De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:„Je weet er alles van, nietwaar?”„Mâheeft mij maar weinig gezegd.”Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren.„Het overige zal hij morgen hooren.”„Bij mij aan huis?”„Ja.”Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geenbrentivroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het[100]loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar was hijbosènvan en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven.„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen.Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam, omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet.Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde[101]of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:„Bets, dat is gemeen!”„Wat is er?”„We zijn overgeplaatst.”„O!.…. en waarheen?”„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.”„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.”„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….”„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een koopje.….”„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.”„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”„Dat is toch ’n beetje.….”„Volstrekt niet! Als hetmoet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”[102]Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het veel beter.„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”Borne streek in gedachten langs zijn knevels.„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag ishoe. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat Betsygeheelals een lid van het huisgezin[103]wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij hoofdschuddend.„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de kloeke figuur vanhem. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wistzijten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte van het kasten uit- en kisten[104]inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de Bronkhorsten.Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten lessenaartje, vroeg zij Sarinah:„Wel, hoe staat het er mee?”De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend aan.„Dat weet de nonna zelf wel.”„Gekheid! Ik weet niets.”„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”„Heeft nonna er om gevraagd?”„Neen.”„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder iets te verzoeken?”„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend[105]van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah!ik weet het ook niet.”En ze kipaste voort bij iederen zwaai met desapoe lidi, steunend en grommelend.Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, die hij als kind had leeren vreezen:ketjoeboengen hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers[106]kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot[107]tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het kleeden.Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met eenpatte-de-lapindebedaqvan Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinigminjaq bermanis; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in huis en zou er blijven.Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar buiten. Ja, waarachtig,[108]daar zat denènèhonder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het wasstanggi, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde ertochaan; het was sterker dan zij.Toen de oude haarstanggigebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. Hij volgde haar.„Ik moet iets van je hebben.”„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.„Haren van meneer.”„Die hebt ik niet.”„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”„Ik.… zal probeeren.”De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte haast zijn oor.„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken om een speld,[109]welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed moest vastgemaakt worden.„Waar zit je toch,nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”„Nonna heeft niet geroepen.”„Houd je mond maar, en maak dit vast.”Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.„Wat voer je nou uit?”„Ik weet het niet, maar het moet.”„Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, wantalsalles meeliep, dan zouden dataprès couppunten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten spoedig[110]rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon brengen dan tot een springenà deuxtemps.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommigepur sangEuropeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of zweetuitdrijvenden spoed.[111]Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; hetMärchenkwam niet tot zijn recht!Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zijzouhem hebben en zemoesthem hebben,coûte que coûte! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won[112]aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.„Zing nog eens!” vroeg men haar.Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:L’Amour est enfant de BohêmeIl n’a jamais connu de loi,Si tu ne m’aimes pas, je t’aimeSi je t’aime, prends garde à toi!Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekendbrio, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid en tevredenheid.„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze maar wil.”„Ik ben blij, dat hetietsheeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.[113]Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn[114]kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in de oogen zag.Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.„Het is de zoon van mijn oude meid.”„Wat ’n rare kerel.”[115]„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”„Och kom!”„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil inpur sangEuropeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te toonen.„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder niet over gesproken.Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die op den grond waren gevallen.Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?Zij wisselden eensalamatdoor het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden[116]gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak slaag had gegeven.Zij zaten nognauwelijksop de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!”Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.„Je wordt geroepen,” zeiKetjil.„Soedahlah!Zij schreeuwt toch altijd.”„Ik zou maar eerst even gaan.”„Het helpt toch niets. Zulkenjonjas blandazijn nooit stil.”„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa tida ada orang di blakan?”Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.„Och, niets, zij schreeuwt maar.”Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.„Er is nog iets,” zeide hij.[117]Sidin antwoordde niet.„Er moet nog iets gedaan worden.”„Ik dacht het al.”„En ’t moet vandaag gebeuren.”Dat was de bediende niet naar den zin.„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”„Niet?”„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. Ennooit, nooit, in welke omstandigheid ook,op een Zaterdag.”Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”„Het moet.”„’t Kan niet, want het is marmer.”„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”„Ja.”„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”[118]„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Danwip jehem ’n beetje op en brengt het er onder.”Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.„En als de nonna wakker is en achter zit?”„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien niets.”Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uitgabah, asch,idjoek, beenderen van denkoekangen eenige groote punten van gewone naalden.Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over desoesah, die men hem bezorgde.Maar ook zij lachte hem uit.„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”„Waarom doe je het dan niet zelf?”„Ik ben een oude vrouw.”„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik gingkorèkkenaan den vloer.”„Ja, dat is allemaal maarbitjara kosong,” zei hij brutaal.„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om desoesah, maar omdat je nietbranibent.”„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel nietbrani.”„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk,[119]en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand vergezelde.Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op degoena-goenabetrekking had, al was het dan ook slechtsindirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast[120]en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.„Hij heeft er iets onder gelegen.”„Ja, dat weet ik. Wat was het?”„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is.Soedah, laat maar!”De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár wat stof wegslaand.Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.„Waarommoest hij het er onder doen?”Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”„Dat wil ik u wel zeggen.”„Zal jij dat nú reeds zeggen?”[121]„Nu niet, maar straks.”Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn deur zat te praten.„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga en zo.…”„Het gaat je niet aan, wat het was.”„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”„En nu wil je geld hebben.”„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”„Ja,soedah! Wij weten het wel!”„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”„Wat wil jij dan?”„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben nietbrani. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ikbrenti.”De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”[122]„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.De familie zat in de achtergalerij.„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag mijn ontslag”.Zij keek er vreemd van op.„Waarom?”Hij wist niet wat te zeggen.„Mijn vader is ziek.”„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak zien loopen.”„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, waarom.”„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen wetenwaarom.”Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:„Ik benbosènvan mevrouws gezicht.”Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was[123]woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur uit; op staanden voet!Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den zak.Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze verandering.„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, anders niet.”Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou nu niet lang meer duren.Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.„Neen,nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”„Het is toch de goede tijd.”„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”[124]„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”„Nu, wat wou je dan?”„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. Er moet iets in.”„Ik wil niet, ik doe het niet.”„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.„Dansen we dan van avond?”„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”„Hm, hm!”„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”„Ik ook niet, en ikmoetbovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy[125]haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.„Wees voorzichtig!Tjampoerhet niet met de anderen.”„Kan men het niet proeven?”„Neen.”„Wat is het,nèh?”„Ik weet het niet.”„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet wat het is?”„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”„Poeah!Dat is ook wat!”„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”„Het zal toch geen vergif zijn?”„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”„Och, je zoon.… je zoon!”„Nonnamoet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn thee.„Ik zou me er over beklagen!”„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”[126]„Gekheid, ik kan er best tegen.”„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig om.”En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst harer huisgenoote.’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke felicitaties.Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke zinspelingen toonde.Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon vroolijk lachend.„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”[127]„Ja, het is sterk.”„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp ik het niet.”„Het is misschien maar schijn.”„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar zei.Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had gezegd.De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer natuurlijk is, dat hij er aan[128]ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan kluift.Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie geen ruimte.Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want hetkon, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.„Zou het te veel kunnen zijn?”„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”„Den heelen avond?”„’n Groot gedeelte ten minste.”„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”[129]„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”„Door wie?”„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”„Verbeelding!”„Toch niet!”Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar gevolg voerde.Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de oogen keek.„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”„Me dunkt, je bent al druk bezig.”De slofjes van Marie tikten op de trap:„Jean, kan het eten worden opgedaan?”[130]Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel liggen.
„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.”
„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar ’n beetje bij te staan.”
Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris.
Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.”
Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit[98]en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie.
Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde het niet te doen.
In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe” bevattend.
Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.[99]
Op debaleh-balehzat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.
Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond.
De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.
„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.
Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:
„Je weet er alles van, nietwaar?”
„Mâheeft mij maar weinig gezegd.”
Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren.
„Het overige zal hij morgen hooren.”
„Bij mij aan huis?”
„Ja.”
Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geenbrentivroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het[100]loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar was hijbosènvan en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven.
„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”
Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.
„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”
Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen.
Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam, omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet.
Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde[101]of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.
Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:
„Bets, dat is gemeen!”
„Wat is er?”
„We zijn overgeplaatst.”
„O!.…. en waarheen?”
„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”
Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.
„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.”
„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”
„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.”
„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….”
„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een koopje.….”
„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.”
„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”
„Dat is toch ’n beetje.….”
„Volstrekt niet! Als hetmoet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”[102]
Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.
„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”
„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”
„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”
„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”
Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het veel beter.
„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.
„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”
„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”
„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”
Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.
Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.
„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”
Borne streek in gedachten langs zijn knevels.
„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag ishoe. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”
„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat Betsygeheelals een lid van het huisgezin[103]wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”
„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”
Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!
Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.
Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.
„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij hoofdschuddend.
„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”
Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de kloeke figuur vanhem. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wistzijten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.
Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte van het kasten uit- en kisten[104]inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.
Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de Bronkhorsten.
Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten lessenaartje, vroeg zij Sarinah:
„Wel, hoe staat het er mee?”
De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend aan.
„Dat weet de nonna zelf wel.”
„Gekheid! Ik weet niets.”
„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”
„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”
„Heeft nonna er om gevraagd?”
„Neen.”
„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder iets te verzoeken?”
„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend[105]van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.
„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah!ik weet het ook niet.”
En ze kipaste voort bij iederen zwaai met desapoe lidi, steunend en grommelend.
Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, die hij als kind had leeren vreezen:ketjoeboengen hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers[106]kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.
Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.
Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.
Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.
Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.
Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.
Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot[107]tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!
De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het kleeden.
Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met eenpatte-de-lapindebedaqvan Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinigminjaq bermanis; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in huis en zou er blijven.
Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar buiten. Ja, waarachtig,[108]daar zat denènèhonder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het wasstanggi, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….
Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde ertochaan; het was sterker dan zij.
Toen de oude haarstanggigebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.
Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. Hij volgde haar.
„Ik moet iets van je hebben.”
„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.
„Haren van meneer.”
„Die hebt ik niet.”
„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”
„Ik.… zal probeeren.”
De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte haast zijn oor.
„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”
De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken om een speld,[109]welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed moest vastgemaakt worden.
„Waar zit je toch,nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”
„Nonna heeft niet geroepen.”
„Houd je mond maar, en maak dit vast.”
Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.
„Wat voer je nou uit?”
„Ik weet het niet, maar het moet.”
„Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”
„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”
„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”
„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”
Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, wantalsalles meeliep, dan zouden dataprès couppunten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.
Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten spoedig[110]rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon brengen dan tot een springenà deuxtemps.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommigepur sangEuropeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of zweetuitdrijvenden spoed.[111]
Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,
„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”
„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”
„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”
Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; hetMärchenkwam niet tot zijn recht!
Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zijzouhem hebben en zemoesthem hebben,coûte que coûte! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won[112]aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.
„Zing nog eens!” vroeg men haar.
Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:
L’Amour est enfant de BohêmeIl n’a jamais connu de loi,Si tu ne m’aimes pas, je t’aimeSi je t’aime, prends garde à toi!
L’Amour est enfant de Bohême
Il n’a jamais connu de loi,
Si tu ne m’aimes pas, je t’aime
Si je t’aime, prends garde à toi!
Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!
Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekendbrio, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid en tevredenheid.
„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.
„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze maar wil.”
„Ik ben blij, dat hetietsheeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”
„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”
„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”
Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.[113]
Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.
„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”
De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!
Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.
„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”
Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.
„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”
„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”
„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”
„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”
Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn[114]kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in de oogen zag.
Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.
Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.
De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.
„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.
Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.
„Het is de zoon van mijn oude meid.”
„Wat ’n rare kerel.”[115]
„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”
„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”
„Och kom!”
„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”
„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.
„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”
Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil inpur sangEuropeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te toonen.
„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder niet over gesproken.
Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.
Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.
Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die op den grond waren gevallen.
Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?
Zij wisselden eensalamatdoor het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden[116]gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak slaag had gegeven.
Zij zaten nognauwelijksop de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!”Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.
„Je wordt geroepen,” zeiKetjil.
„Soedahlah!Zij schreeuwt toch altijd.”
„Ik zou maar eerst even gaan.”
„Het helpt toch niets. Zulkenjonjas blandazijn nooit stil.”
„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa tida ada orang di blakan?”
Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.
„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.
„Och, niets, zij schreeuwt maar.”
Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.
„Er is nog iets,” zeide hij.[117]
Sidin antwoordde niet.
„Er moet nog iets gedaan worden.”
„Ik dacht het al.”
„En ’t moet vandaag gebeuren.”
Dat was de bediende niet naar den zin.
„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”
„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”
„Niet?”
„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”
„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”
„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. Ennooit, nooit, in welke omstandigheid ook,op een Zaterdag.”
Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.
Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:
„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”
„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”
„Het moet.”
„’t Kan niet, want het is marmer.”
„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”
„Ja.”
„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”[118]
„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.
„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Danwip jehem ’n beetje op en brengt het er onder.”
Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.
„En als de nonna wakker is en achter zit?”
„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien niets.”
Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uitgabah, asch,idjoek, beenderen van denkoekangen eenige groote punten van gewone naalden.
Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over desoesah, die men hem bezorgde.
Maar ook zij lachte hem uit.
„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”
„Waarom doe je het dan niet zelf?”
„Ik ben een oude vrouw.”
„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”
„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik gingkorèkkenaan den vloer.”
„Ja, dat is allemaal maarbitjara kosong,” zei hij brutaal.
„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om desoesah, maar omdat je nietbranibent.”
„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel nietbrani.”
„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk,[119]en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”
Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.
Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand vergezelde.
Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op degoena-goenabetrekking had, al was het dan ook slechtsindirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.
Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast[120]en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.
Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.
„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.
„Hij heeft er iets onder gelegen.”
„Ja, dat weet ik. Wat was het?”
„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”
„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is.Soedah, laat maar!”
De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár wat stof wegslaand.
Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.
„Waarommoest hij het er onder doen?”
Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”
Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.
„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”
„Dat wil ik u wel zeggen.”
„Zal jij dat nú reeds zeggen?”[121]
„Nu niet, maar straks.”
Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.
Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn deur zat te praten.
„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga en zo.…”
„Het gaat je niet aan, wat het was.”
„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”
„En nu wil je geld hebben.”
„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”
„Ja,soedah! Wij weten het wel!”
„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”
„Wat wil jij dan?”
„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben nietbrani. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ikbrenti.”
De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.
„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”[122]
„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”
„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”
Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.
De familie zat in de achtergalerij.
„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag mijn ontslag”.
Zij keek er vreemd van op.
„Waarom?”
Hij wist niet wat te zeggen.
„Mijn vader is ziek.”
„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”
„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”
„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak zien loopen.”
„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, waarom.”
„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen wetenwaarom.”
Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:
„Ik benbosènvan mevrouws gezicht.”
Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was[123]woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur uit; op staanden voet!
Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den zak.
Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.
Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze verandering.
„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, anders niet.”
Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou nu niet lang meer duren.
Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.
„Neen,nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”
„Het is toch de goede tijd.”
„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”[124]
„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”
„Nu, wat wou je dan?”
„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. Er moet iets in.”
„Ik wil niet, ik doe het niet.”
„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”
„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”
„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.
„Dansen we dan van avond?”
„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”
„Hm, hm!”
„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”
„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.
„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”
„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”
„Ik ook niet, en ikmoetbovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”
Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.
„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”
Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy[125]haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.
„Wees voorzichtig!Tjampoerhet niet met de anderen.”
„Kan men het niet proeven?”
„Neen.”
„Wat is het,nèh?”
„Ik weet het niet.”
„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet wat het is?”
„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”
„Poeah!Dat is ook wat!”
„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”
„Het zal toch geen vergif zijn?”
„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”
„Och, je zoon.… je zoon!”
„Nonnamoet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”
Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.
„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn thee.
„Ik zou me er over beklagen!”
„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”[126]
„Gekheid, ik kan er best tegen.”
„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig om.”
En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst harer huisgenoote.
’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke felicitaties.
Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke zinspelingen toonde.
Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon vroolijk lachend.
„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.
„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”
„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”[127]
„Ja, het is sterk.”
„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp ik het niet.”
„Het is misschien maar schijn.”
„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”
Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.
Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar zei.
Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had gezegd.
De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer natuurlijk is, dat hij er aan[128]ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan kluift.
Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie geen ruimte.
Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.
Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.
„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.
„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.
Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want hetkon, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.
„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.
„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.
„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.
„Zou het te veel kunnen zijn?”
„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”
„Den heelen avond?”
„’n Groot gedeelte ten minste.”
„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”[129]
„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”
„Door wie?”
„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”
„Verbeelding!”
„Toch niet!”
Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar gevolg voerde.
Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de oogen keek.
„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”
„Me dunkt, je bent al druk bezig.”
De slofjes van Marie tikten op de trap:
„Jean, kan het eten worden opgedaan?”[130]
Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel liggen.