Drie schoone daden.Mathieu Martinel was een Fransch officier, die in de eerste helft der vorige eeuw leefde. Van hem zijn in de geschiedenis der menschheid drie schoone daden opgeteekend, wel waardig aan de vergetelheid te worden ontrukt.Als adjudant van het eerste regiment kurassiers lag hij te Straatsburg, toen het geroep van brand! brand! hem naar buiten deed snellen. Dadelijk begaf hij zich naar het tooneel van den ramp. Een dikke rookkolom wees hem de plaats des onheils. De barakken stonden in brand.Van alle kanten snelde men toe om naar den brand te kijken, en onder de toeschouwers bevonden zich vele soldaten, doordat de barakken dicht bij de kazerne gelegen waren.De vlammen grepen snel om zich heen, en van de omstanders maakte zich een groote schrik meester toen hun het gerucht bereikte, dat in de gebouwen buskruit werd bewaard en er ook een duizend patronen lagen opgestapeld. Elk oogenblik kon het vuur daarmede in aanraking komen, waardoor de gebouwen ongetwijfeld in de lucht zouden vliegen. Men ontvluchtte dus zoo snel mogelijk deze gevaarlijke plaats en bracht zich in veiligheid.Onder de vluchtenden bevond zich echter niet Mathieu Martinel. Zoodra hij zag, welk gevaar er dreigde, snelde hij naar het brandende gebouw, en riep hij een paar soldaten toe hem te vergezellen. Hij wierp de deur open en snelde de trap op, om zich naar het vertrek te begeven, waar het kruit en de patronen lagen.Een verstikkende rook echter belette hem den toegang! ’t Was hem schier onmogelijk adem te halen. Zijn twee volgers deinsden vol schrik terug en snelden heen. Maar Mathieu gaf zijn poging nog niet op. Hij klom de trap op, door rook en vlammen heen. De hitte was verschrikkelijk. Hij begreep, dat zijn pogen vergeefsch zou zijn, en dat hij in den rook zou stikken of in de vlammen omkomen.Reeds wilde hij terugkeeren, toen hij zich plotseling herinnerde, dat in het vertrek naast dat, waarin het kruit en de patronen lagen, zich negen zieken bevonden, die niet in staat waren, de noodlottige plaats te ontvluchten.Neen, nu weifelde de dappere officier geen seconde langer. Rook, vlammen en hitte ten spijt zette hij zijn gevaarvollen tocht voort. Die ongelukkigen mocht hij niet aan hun vreeselijk lot overlaten, en zoo mogelijk moest hij hen redden van een verschrikkelijken dood. Hij snelde voort, zijn oogen gesloten, den mond stijf dicht om den verstikkenden dood niet in te ademen. Zijne haren verzengden, zijne kleeren schroeiden, de vlammen lekten zijne handen, maar hij liet zich niet weerhouden.Zoo bereikte hij de patronen, die in papier verpaktwaren. Hij zag tot zijn schrik, dat die papieren reeds brandden. IJlings rukte hij ze los en wierp ze op eenigen afstand. Toen opende hij het raam, en riep, de brandweermannen toe, hunne stralen op deze plaats te richten.“Hier! Hier! Water!” klonk zijn kreet.En men begreep hem. Stroomen van water werden naar binnen geworpen, en in korten tijd waren èn buskruit èn patronen zóó nat, dat van een ontploffing geen sprake meer kon zijn. De zieken, voor enkele seconden nog zoo nabij aan hun dood, waren gered. Zij werden met spoed in veiligheid gebracht.Dit was niet de eerste heldendaad, die door den braven officier werd verricht. Korten tijd te voren bevond hij zich aan den oever van de snelstroomende rivier de Ill, toen een van zijn soldaten het ongeluk had, in de rivier te vallen. De stroom maakte zich van den ongelukkige meester en sleepte hem met woeste vaart mede in de richting van een watermolen, die door den snellen stroom in beweging werd gebracht. Men hoorde het kletteren van het water, dat van het sneldraaiende rad in den stroom terug viel. Was de ongelukkige eenmaal tot daar afgedreven, dan was hij bijna zeker verloren.Dit begreep ook Mathieu Martinel, die dadelijk het groote gevaar inzag, waarin de drenkeling verkeerde. Onmiddellijk besloot hij zijn leven in de waagschaal te stellen, om dat van zijn evenmensch te redden.Tijd om zich te ontkleeden had hij niet. Zonder een oogenblik te weifelen wierp hij zich in den stroom, en zwom tot zoo dicht mogelijk bij den molendam.Daar omklemde hij, met één arm een paal en wachtte, tot de drenkeling hem bereikt had. Met de andere hand greep hij hem krachtig vast om hem in zijn vaart te stuiten, maar dit gelukte hem niet. De stroom was te sterk en trok hem onweerstaanbaar voort naar het gevaarlijke rad, dat door het water snel werd rondgedraaid.Mathieu Martinel was er de man niet naar, een eenmaal gesteld doel op te geven. Hij liet den paal los, en dook met den drenkeling diep onder water. Stevig hield hij den man omklemd.De stroom sleepte beiden voort, onder het molenrad door, dat hen niet bereiken kon. Nauwelijks deze gevaarlijke plaats voorbij, sloeg Mathieu de armen uit, den drenkeling met de tanden vasthoudende, en bereikte den oever. Tot zijn groote vreugde bemerkte hij, dat het leven van den soldaat nog niet geweken was. Door den moed en de vastberadenheid van Mathieu was hij gered.Vele jaren later verrichtte hij zijn derde heldenstuk. ’t Was in den nacht van den 14enJuni 1837 te Parijs. Bij gelegenheid van het huwelijk van den Hertog van Orleans was er eene schitterende illuminatie ontstoken, en op het Champ de Mars hadden duizenden bij duizenden een prachtig vuurwerk bijgewoond.Toen het afgeloopen was, ontstond er een hevig gedrang bij den ingang van eene passage, die naar het Militaire College leidde. De stroom van menschen was zoo ontzaglijk groot, dat er eene opstopping ontstond, die de verschrikkelijkste gevolgenhad. Eene vrouw kreeg het in de opgepropte menigte, waarin bijna geen voortgang was, zoo benauwd, dat zij door eene flauwte overvallen werd en bewusteloos nederviel. Anderen struikelden over haar lichaam, en vielen ook. De menschen in de onmiddellijke nabijheid begrepen dadelijk het gevaar, waarin dezen verkeerden, en wilden hun door terugdringen de gelegenheid geven om op te staan en zich te redden. Maar de achtersten wisten niet, wat er vóór hen gebeurde, en drongen voorwaarts. Er ontstond nu eene groote verwarring. Velen struikelden over hen, die reeds gevallen waren, en van opstaan was in die ophooping geen sprake meer. Een angstig geschrei steeg uit de menigte op. Men drong terug, men schreeuwde,—maar de stroom van menschen wist van geen stilstaan,—zoodat met elke seconde de ramp grooter werd. Men trapte op degenen, die reeds gevallen waren. Het angstgeschrei werd ontzettend,—maar de menschen, die volgden, hoorden het niet. In levendige gesprekken over het vuurwerk, dat men gezien had, drong men langzaam maar zeker voorwaarts...Op dit oogenblik kwam Mathieu Martinel op de rampzalige plaats aan, en oogenblikkelijk begreep hij, dat hier krachtig moest worden gehandeld, wilde het ongeluk niet nog veel erger worden. En dat het reeds zeer erg was, zag hij met een enkelen oogopslag.Hij snelde een poort door, waardoor hij den menschenstroom van een anderen kant bereikte, en trachtte door schreeuwen de menschen tot teruggaan te bewegen. Hij riep hun toe, dat er een ongelukgebeurde, dat er menschen gevallen waren, die door de voeten der anderen vertreden werden,—maar zijn roepen mocht niet baten. Wel drongen de voorsten terug, maar verder naar achteren hoorde men hem niet. Steeds drong men voorwaarts!Toen ijlde hij weg naar de kazerne, om hulp te halen. Hij gunde zich echter den tijd niet, om zijne mannen te verzamelen, maar snelde opnieuw, door slechts enkelen gevolgd, naar de plaats van den ramp. De meesten van hen echter, het gevaar ziende waarin zij zich begeven zouden, keerden terug. Alleen Private Speulée volgde hem, en zij spanden samen hunne uiterste krachten in, om den doorgang vrij te maken.’t Was een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hunne oogen vertoonde. De grond lag bezaaid met dooden,—en met levenden, die door anderen vertreden werden en de ijselijkste jammerkreten slaakten. Mathieu richtte een bewusteloozen man op, daarna een jongen, eene vrouw en een klein meisje. Hij droeg ze snel naar eene plaats, waar zij in de frissche lucht herstellen konden. En telkens keerde hij naar de rampplaats terug, om anderen te redden. Elk oogenblik verkeerde hij in gevaar, om in ’t gedrang omvergeworpen en doodgetrapt te worden,—maar hij ging onbevreesd met het reddingswerk voort. Niet minder dan negen personen wist hij te midden van ’t gedrang op te richten en naar eene veilige plaats te brengen. En nog, altoos drong men van achteren op...Speulée stond hem moedig ter zijde en redde een man en een kind. Langzamerhand kwam er meerhulp opdagen. Officieren schoten toe, om hunne makkers bij te staan. Een van hen zette een jongen op zijn rug, nam een meisje in zijne armen, en wist beiden buiten het gedrang te brengen, waarvoor hij niet minder dan een half uur noodig had. Hij werd zoo moê en benauwd, dat hij zich bijna niet langer staande kon houden.Eindelijk daagde er hulp. Eenige kurassiers te paard kwamen van het Champ de Mars en reden bedaard, stap voor stap, in de menigte. Overal waar zij kwamen, stak men hun kinderen toe, hun smeekende, die bij zich op het paard te nemen, wat zij deden. Zij drongen met groot geduld en de uiterste voorzichtigheid steeds verder in de menigte door, eerst in rijen van één, toen twee aan twee, vervolgens bij drieën, en vormden zoo een wig, die scheiding maakte tusschen de menigte en den nauwen doorgang. Zoo ontstond er eenige kalmte en kwamen de menschen tot bezinning. De stroom werd nu in verschillende richtingen geleid, waardoor verdere ongelukken voorkomen werden. De slachtoffers werden opgenomen en naar de kazerne gebracht, waar men al het mogelijke deed, om de levensgeesten weder op te wekken en de wonden te reinigen en verbinden. Daarna werden zij, voor wie dit noodig was, naar de hospitalen vervoerd, terwijl anderen naar hunne woning werden gebracht.Martinel, die ook hier weer zijn grooten moed en wijs beleid had getoond, ontving een jaar later den eereprijs, die voor het verrichten van daden van moed en menschlievendheid was uitgeloofd.Niels Finsen.In den laatsten tijd hebben beroemde mannen eigenschappen in het licht ontdekt, die nog niet bekend waren. Dat wij zonder licht niet kunnen leven, wist natuurlijk sedert langen tijd iedereen. Als we de zon niet hadden, werd onze aarde in korten tijd een ijsbol, waarop geen levend wezen bestaan kan. Zij is het, die onze aarde vruchtbaar maakt, onze heerlijke vruchten rijpt, en onze schoone bloemen doet bloeien. Maar zij is het ook, die onzen levenslust opwekt, ons vroolijk en opgeruimd doet zijn, ons kracht tot werken geeft. Maakt een grauwe lucht ons droefgeestig en somber, het schoone zonnelicht, die heerlijke gave Gods, verjaagt alle zwartgalligheid en melancholie.Niels Finsen.’t Was ook bekend, dat men het licht kan ontleden, zooals dat ook gebeurt als de zon schijnt en het gelijktijdig regent. Dan verschijnt aan den hemel de regenboog met zijne roode, oranje, gele, groene, blauwe en violette stralen. Diezelfde kleuren verkrijgt men ook, wanneer men wit licht door een prismatisch geslepen glas laat gaan. We verkrijgen dan het zoogenaamde zonnespectrum.In de laatste jaren echter zijn de Röntgen-, Becquerel-en radiumstralen ontdekt. Van deze stralen is het eigenaardige, dat zij door vaste stoffen heendringen, en dat men de radiumstralen zelfs door metalen voorwerpen heen kan zien. De Röntgenstralen hebben aan de menschheid reeds groote diensten bewezen. Vooral in oorlogstijd maakt men er gebruik van om te zien, waar zich in een menschelijk lichaam een kogel bevindt, die verwijderd moet worden. De lichtstralen dringen door het vleesch heen, maar niet door den kogel. De plaats, waar deze zich bevindt, wordt dus met groote juistheid aangewezen.In Denemarken woonde een professor, Niels Finsen genaamd, die reeds lang de wonderbare kracht had opgemerkt, welke de zon op zijn ziekelijk lichaam uitoefende. Van zijn jeugd af was hij zwak en ziekelijk geweest, en het was hem niet ontgaan, dat hij zich veel prettiger en opgewekter voelde, als het zonnetje aan den hemel schitterde, dan bij somber, druilig weer. Datzelfde verschil merkte hij op, wanneer hij in een vroolijke, zonnige, of wel in eene donkere, sombere kamer was. Hij begreep, dat dit groote verschil niet alleen een gevolg kon wezen van stemming, maar dat het wel degelijk moest worden toegeschreven aan de genoemde kracht van het licht. De gedachte maakte zich van hem meester, dat het licht dienstbaar kon worden gemaakt aan de geneeskunde, en dat het wellicht niet onmogelijk zou zijn, de lijdende menschheid in sommige gevallen door de kracht van het licht genezing te brengen. Inzonderheid meende hij, dat huidziekten, die doorbacteriën ontstaan, door middel van het licht zouden kunnen worden genezen.Toen die gedachte zich eenmaal van hem had meester gemaakt, begon hij verschillende proeven te nemen. Hij onderzocht, of de kleuren, waarin men het licht kon ontleden, gelijken of verschillenden invloed uitoefenden op de voorwerpen, die er door werden beschenen. En zoo bleek het hem al spoedig, dat de invloed van die verschillend gekleurde lichtbundels niet dezelfde was en dat men te doen had met twee soorten van lichtstralen, n.l. dewarmtestralen, waartoe de roode behooren, en dechemische stralen, waaronder de violette vielen. Finsen onderzocht, welken invloed die verschillende stralen hadden op vlinders, die hij in een bak plaatste, welke hij met verschillend gekleurde glazen: roode, groene, gele, blauwe, enz. afsloot. Hij merkte op, dat de vlinders kalm en rustig bleven onder het roode glas, waardoor dus alleen de roode stralen toegang hadden,—terwijl zij zeer onrustig werden onder de blauwe glazen. Zij trachtten dan zoo spoedig mogelijk weer hunne schuilplaats onder het roode licht te bereiken. De verschillende werking der roode en blauwe stralen werd daardoor duidelijk aangetoond.Finsen had zich ook de vraag gesteld, waarom de Schepper de bewoners der tropische gewesten eene donkere huidskleur had gegeven. Hij had de overtuiging, dat dit niet zonder doel was geschied, en dus niet te denken was aan bloot toeval. Hij nam daarom de volgende proef. Op zijn arm schilderde hij met Oostindischen inkt een zwarte plek, waarinhij echter twee plekken, die den vorm hadden van zijne voorletters N. F., onbeschilderd liet. Die plekken bleven dus wit. Vervolgens bevestigde hij op zijn arm door middel van vischlijm verschillend gekleurde reepjes glas, een stuk gewoon glas, en ook nog een stuk bergkristal. Hij liet nu onder voortdurende afkoeling licht van bepaalde sterkte en op een bepaalden afstand op dien arm inwerken. Hij gebruikte daarvoor zoowel zonnelicht als electrisch licht, en wel booglicht van 20 ampères.Het bleek hem, toen de belichting lang genoeg geduurd had, dat op de plaatsen, waar de gekleurde glaasjes, het gewone glas en de Oost-indische inkt hadden gezeten, het licht zijne inwerking niet vertoonde, maar dat onder het bergkristal en op de plaats der beide letters N. F. een ontsteking van de huid was opgetreden. Na verloop van tijd verdween die ontsteking wel weer, doch nog wel een half jaar later kon hij door sterke wrijving de beide letters weer zichtbaar laten worden. Hij begreep nu, waarom de bewoners der tropische gewesten met een donkere huidskleur waren gezegend.Meermalen was het ook gebleken, dat gletscherbeklimmers bij hunne tochten onder aan de kin uitslag kregen tengevolge van de reflexwerking van de zonnestralen op het bergkristal, terwijl proeven hadden aangetoond, dat bergkristal alleen de chemische of blauwe stralen doorlaat. Finsen kwam daardoor tot het besluit, dat alleen de chemische stralen de ontsteking op zijn arm hadden veroorzaakt.Hij nam nog meer proeven, en zag, dat salamandereieren,die gedurende langen tijd aan den invloed van electrisch licht waren blootgesteld, afstierven. Ook op kikvorsch-eieren hadden de chemische stralen eene doodelijke inwerking. Bovendien hadden de geleerden reeds sedert langen tijd opgemerkt, dat rood licht op pokkenlijders een zeer eigenaardigen invloed had. ’t Was namelijk gebleken, dat de ongelukkige lijders aan deze ziekte in kamers, waarin alleen rood licht kon doordringen, niet zulke hooge koortsen kregen als gewoonlijk bij deze ziekte het geval is, en dat de pokpuisten niet in verettering overgingen, zoodat de patienten sneller herstelden en geen litteekens behielden. Dit reeds was een groote schrede voorwaarts op het gebied der geneeskunde, die den armen lijders ten goede kwam.Ook Finsen had reeds lang proeven in die richting genomen. Eindelijk kwam hij tot het besluit te onderzoeken, of het mogelijk zou zijn ziekte-veroorzakende bacteriën door middel van het licht te dooden. Hij liet voor zijne proeven, glazen buizen vervaardigen met vlakke wanden, en kweekte daarin verschillende soorten bacteriën. Toen liet hij de chemische stralen op deze kolonies inwerken, en kwam tot het verrassende resultaat, dat de bacteriën inderdaad werden gedood. Dit was een reuzenschrede voorwaarts naar het doel, dat hij zich had gesteld, n.l. het middel te vinden om den tuberkel-bacil, waardoor de gevreesde lupusziekte ontstaat, te dooden. Wie kent niet de beklagenswaardige lupuslijders met hunne bloederige gezichten, weggeteerde neuzen, opgezette lippen, tranende oogen? Wie voelt geen medelijden metdeze ongelukkigen, die weten, hoe afzichtelijk hun uiterlijk is en zich door allen geschuwd zien? ’t Was voor Finsen het levensdoel geworden, voor hen het middel te vinden, dat hun redding bracht. En hij heeft het gevonden.Hij was zoover gevorderd, dat hij wel de lupus-bacillen in zijne glazen buizen kon dooden, maar bij de lijders zitten zij tot diep in de huid doorgedrongen. Hij moest dus nu onderzoeken, of de chemische stralen ook daar hunne doodende uitwerking zouden hebben, of zij zouden doordringen tot de diepere lagen van de huid.Om dit na te gaan nam hij proeven op honden en katten. Buisjes gevuld met chloorzilver, dat bij de inwerking van ’t licht ontleed werd, bracht hij onder de huid van deze dieren, en zie, toen hij het licht een geruimen tijd had laten inwerken, bleek het hem tot zijne groote vreugde, dat ook in de diepte de chemische stralen hun invloed hadden doen gelden. Het chloorzilver was wel degelijk ontleed.Zoo achtte hij dan eindelijk het oogenblik gekomen, om zijne studiën ten bate der lijdende menschheid in toepassing te brengen. En hij mocht in 1897 de voldoening smaken een lupus-patient volgens de door hem gevonden methode te genezen, voorwaar een gulden daad, die zijn naam voor altoos terecht beroemd zou maken.Bij de behandeling van zijne patienten gebruikte hij in den eersten tijd het zonnelicht, maar daar in het hooge noorden de zon zich al even weinig laat zien als bij ons, ging hij er toe over, het electrischlicht voor zijn doel aan te wenden. Dat licht bevat betrekkelijk een veel grooter aantal chemische stralen dan het zonnelicht, wat een groot voordeel voor hem was. Hij bedacht nu een instrument, bestaande uit een koperen cilinder met bergkristallenzen, veel gelijkend op een grooten verrekijker. Hieruit liet hij een bundel electrische lichtstralen op zijne patienten vallen. Dit licht is zoo schel, dat de patient zijn oogen moet sluiten en de verpleegsters, die de lens richten, schermen voor de oogen moeten dragen.Hij bemerkte al spoedig eene leemte. ’t Bleek hem namelijk, dat het bloed de genezing van de ziekte tegenhield. Hij bedacht daarom, het zieke deel zoodanig met bergkristal te drukken, dat het bloedledig werd, en tot zijn groote blijdschap verrichtten de lichtstralen toen wonderen. Al na weinige dagen trad de beterschap in, en zoo mocht het hem gelukken, zeer vele lijders van de gevreesde ziekte te doen herstellen.Als een bewijs, hoe de Deensche Staat Finsen’s werk waardeerde, zij vermeld, dat deze dadelijk eene groote som gelds beschikbaar stelde, waardoor Finsen de gelegenheid kreeg, een grootsche inrichting voor lupuslijders te openen. Ook viel hem de Nobelprijs ten deel, welke alleen wordt uitgereikt aan hen, die zich jegens de menschheid buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt.Finsen, die gedurende zijn geheele leven zwak en ziekelijk was geweest, stierf op den leeftijd van 44 jaar. Ware hem een langer leven beschoren geweest,wie weet, wat hij misschien nog meer ten bate der lijdende menschheid had gedaan,—maar ’t heeft zoo niet mogen zijn.Gedurende zijne laatste levensjaren was hij aan het ziekbed gekluisterd, maar zijn geest bleef even onvermoeid en werkzaam. Hij liet zijn ledikant naar zijn instituut overbrengen, en iederen morgen kwamen de dokters en verpleegsters aan zijn bed om zijne bevelen te vernemen. Tot aan zijn dood toe bleef hij denken en zoeken, om zoo mogelijk zijn instrumenten nog te verbeteren. ’t Schijnt evenwel, dat die de volmaaktheid reeds nabij komen, want niettegenstaande velen getracht hebben zijn werk te verbeteren, zijn toch overal in de wereld lampen in gebruik, zooals Finsen die heeft uitgedacht. Er is nog zoo goed als niets aan veranderd.Uit alle streken der wereld bezoeken geneeskundigen de inrichting van Finsen, om zijne geneeswijze te bestudeeren en die in hun vaderland toe te passen. Honderden bij honderden lupus-lijders zijn sedert van hunne ziekte genezen, en zullen zeker den naam van den Deenschen professor Niels Finsen levenslang in gezegend aandenken houden.Een trouwe slaaf.Frankrijk was in de macht geraakt van de Salische Franken onder hun koning Chlodvig. Wel is waar had deze niet meer dan een legertje van vijf duizend man onder zijne bevelen, maar hij vergoedde aan dapperheid, wat hem aan macht ontbrak. Hij was uit het geslacht der Merovingers, die zich van de andere Franken door hunne lange, op de schouders neergolvende lokken onderscheidden.Chlodvig was dapper, maar trouweloos en wreed. In 486 begon hij den oorlog tegen de Romeinen, die toen nog een deel van Gallië in hun bezit hadden. Hij versloeg Syagrius en doodde hem. Vele kerken werden in dien tijd door Chlodvig’s soldaten geplunderd, want evenals hun koning waren zij toen nog heidenen.Daarin zou echter verandering komen. Hij koos zich Chlotilde, de nicht van den Bourgondischen koning, tot gemalin, en daar deze eene Christin was, rustte zij niet, voordat ook Chlodvig den Christelijken godsdienst had omhelsd.In verscheidene oorlogen maakte hij zich van een groot deel van Gallië meester, en overal voerde hij den Christelijken godsdienst in. ’t Moet echter gezegd worden, dat zijne Franken meer in naam dan metterdaad Christenen waren, want zij bleven eenzeer ruw volkje, dat het woord zachtmoedigheid niet kende.De Roomsch-Katholieke geestelijken werden door Chlodvig met de meeste onderscheiding behandeld, en daar hij veel deed om den Christelijken godsdienst uit te breiden, stond hij bij hen zeer hoog aangeschreven en vergaven zij hem menige daad van geweld, ja zelfs moord en doodslag, die zij in een ander zeker streng zouden hebben afgekeurd. Hij stierf in 511, en liet zijn machtig rijk na aan zijne vier zonen, die elk een deel in bezit namen, maar voortdurend met elkander in oorlog waren. ’t Waren ruwe mannen, die voor geen daad, hoe slecht ook, terugdeinsden. Geen denkbare misdaad was er, die niet door hen werd gepleegd.Toen eens weer een verwoede oorlog was gevoerd tusschen de broeders Theodorik, die het zuidelijk deel van Gallië beheerschte, en Childebert, die koning was over het vroegere Romeinsche gebied, bestaande uit Parijs met de daarom liggende landen,—werd de vrede na een langen strijd bezegeld met wederkeerig aan elkander eenige gijzelaars over te leveren, bestaande uit de aanzienlijkste jongelingen der beide landen.Zoo zag ook Gregorius, de Bisschop van Langres, zich gedwongen, zijn neef Attalus te zien vertrekken naar een vreemd land, waar hij als gijzelaar moest verblijven. Het afscheid viel den hoogen geestelijke zwaar, want hij hield veel van den jongeling. Wel wist hij, dat Attalus niet als gevangene werd weggevoerd, en dat hij in den vreemde als gast bij eenvan de hoofden zou worden gehuisvest, maar hij zag hem toch met droefheid vertrekken naar de ruwe, onbeschaafde Franken, die als ware barbaren leefden. Hoe ongelukkig moest zijn jonge neef, die eene beschaafde opvoeding had genoten, zich wel onder die ruwe mannen gevoelen!Hij bleef echter hopen, dat Attalus vroeger of later weder in vrijheid zou worden gesteld en naar hem zou kunnen terugkeeren. Maar deze hoop was vergeefsch. Attalus keerde niet terug, en de Bisschop toonde zich daarover meermalen zeer bedroefd. Zijne dienaren, welke in die dagen nog lijfeigenen of slaven waren, spraken meermalen over hun jongen meester, van wien zij om zijn beminnelijk karakter allen veel hielden.En ’t zou nog erger worden. Tusschen de beide broeders ontstond een nieuwe twist, waarvan de wederkeerig uitgeleverde gijzelaars de treurige slachtoffers werden. Zij hielden op de gasten te zijn van hunne meesters, en werden tot slaven verlaagd. Iets ergers had deze jongelingen, die tot de aanzienlijkste geslachten huns lands behoorden, niet kunnen treffen. Zij, die vroeger zelf meester over vele slaven waren geweest, moesten thans het geringste werk verrichten en zich voeden met het karige maal, dat ook aan de andere slaven werd toebedeeld. De jonge Attalus werd tot paardenknecht verlaagd.Nauwelijks was de oorlog ontbrand, of eene groote droefheid maakte zich van Bisschop Gregorius meester. Hij begreep zeer goed, dat het thans met de vrijheid van zijn jongen bloedverwant voor goedgedaan was en dat hij ongetwijfeld een bitter lot te verduren moest hebben.Ach,—en hij wist niet eens, waar de ongelukkige zich bevond. Alleen had hem wel eens het gerucht bereikt, dat hij ergens in den omtrek van Metz leefde, maar wáár precies, wist hij niet. Eindelijk kon hij die onzekerheid niet langer verdragen, en besloot hij boden uit te zenden, om zijne verblijfplaats op te sporen. Zoo deed hij, met het gevolg, dat hij te weten kwam, wáár hij zich bevond, en dat hij, als gemeene slaaf, tot paardenboef was verlaagd.Dadelijk besloot de Bisschop een bode naar den meester van Attalus te zenden met geschenken, om hem te verzoeken, den ongelukkigen jongeling in vrijheid te stellen.De Frank hoorde den bode met een spottenden lach aan, weigerde de geschenken aan te nemen, en zeide:“Ik denk er niet over. Als Attalus inderdaad de neef is van Bisschop Gregorius, en tot eene zoo voorname familie behoort, kan hij alleen voor een groote som zijne vrijheid terugkrijgen. Zeg aan den Bisschop, dat ik hem voor tien ponden goud wil ontslaan, en voor niets minder. Voor iemand, zoo machtig en rijk als de Bisschop, is het niet moeilijk, deze som bij elkaar te brengen. Tot zoolang blijft Attalus mijn slaaf.”Met deze boodschap kon de bode terugkeeren, en de Bisschop was ten einde raad, toen hij den hoogen eisch van den Frank vernam. Dadelijk begon hij op middelen te peinzen, om den losprijs op de eeneof andere wijze bij elkaar te krijgen, maar hij koesterde weinig hoop, dat hem dit gelukken zou.Ook onder de lijfeigenen van den Bisschop werd over het geval gesproken, en allen koesterden innig medelijden met hun jongen meester, die onder den ruwen Frank ongetwijfeld een zwaar lot te verduren had. Een van hen, Leo genaamd, die als kok in de keuken van den Bisschop werkzaam was, begaf zich naar zijn heer, en stelde hem voor eene poging te wagen, om Attalus uit zijn slavernij te verlossen. Hij smeekte den Bisschop hem toe te staan, zich naar den Frank te begeven om te zien, wat hij doen kon. Hij begreep, dat hij zich aan groote gevaren ging blootstellen, maar hij had zijn leven gaarne over om zijn jongen meester de vrijheid te hergeven.De Bisschop gaf zijne toestemming, en Leo vertrok. Te voet begaf hij zich op weg naar Trèves, waar Attalus zich bevond, en daar wachtte hij een gunstig oogenblik af, om zich met hem in verbinding te stellen. Eindelijk zag hij Attalus, maar in welk een staat! Zijne sierlijke kleeding, waarin hij hem vroeger had gezien, was vervangen door lompen, zijne haren slingerden hem ordeloos om het hoofd, zijn gelaat was groezelig en vuil. De jonge slaaf had moeite zijn vroegeren meester te herkennen.Leo begaf zich naar een Gallier en zei:“Wilt ge geld verdienen? Ga dan met mij mede naar gindschen Frank, en verkoop mij aan hem als slaaf...”De Galliër keek hem ongeloovig aan.“Ge begrijpt, dat ik hiermede mijne bedoelingheb,” ging Leo voort, “maar die houd ik geheim. Alleen verzoek ik u, mij als slaaf aan dien Frank te verkoopen. Het geld moogt gij behouden. ’t Is dus voor u een gemakkelijke en voordeelige zaak.”De Galliër stemde toe, en beiden begaven zich naar den Frank, wien Leo te koop werd aangeboden.De Frank bekeek den slaaf van het hoofd tot de voeten, en vroeg:“Wat kan hij doen?”Leo haastte zich te zeggen:“O Heer, ik ben een bekwaam kok en kan u de lekkerste tafel bereiden, die maar te bedenken is. Zelfs al kreeg u koningen aan uw disch, zij zouden niet anders dan Uw tafel prijzen, Heer!”“Ha, dat treft!” riep de Frank uit. “Zondag komen mijne vrienden en kennissen bij mij eten. Maak dan een tafel gereed, waarvan zij zeggen: “ik heb zelfs aan de tafel des konings niet lekkerder gegeten.”“Het zal geschieden, Heer,” sprak Leo eenvoudig.De koop werd gesloten voor twaalf goudstukken, en zoo kregen Leo en zijn jongen meester denzelfden heer.De gasten kwamen en kregen een feestmaal, zooals alleen de bekwaamste Romeinsche koks dat konden bereiden, en de gasten betuigden herhaaldelijk hunne groote verwondering over de fijne gerechten, die hun werden voorgezet.Geen wonder, dat Leo bij zijn nieuwen heer in de grootste gunst kwam, wat juist zijne bedoeling was. Weldra mocht hij in de woning van den Frank doen en laten, wat hij wilde.Attalus had hij al meermalen ontmoet, maar hij had hem al dadelijk te kennen gegeven, dat zij zich moesten houden, of zij vreemden voor elkander waren. Tevens had hij hem gezegd, dat hij gekomen was, om hem te redden.Zoo ging een jaar voorbij. Leo was nu de verklaarde gunsteling geworden van zijn heer. Hij gaf toen aan Attalus te kennen, dat thans het oogenblik gekomen was, om de vlucht te wagen.“Houd u van avond wakker, en wees dadelijk gereed, als ik u een teeken geef.”Zoo werd afgesproken. Leo had het dien dag zeer druk, daar zijn meester gasten had, waaronder ook zijn schoonzoon.Deze gebood Leo, toen hij naar bed ging:“Breng mij wat honigwater in mijn slaapvertrek; ik zal vannacht wel dorstig wezen.”Toen Leo aan dat verlangen voldeed, zei de jonge man vroolijk:“Wel, je ziet er uit of je van plan bent, dezen nacht op een van mijn paarden de vlucht te nemen.”Leo schrok niet weinig, toen hij zoo onverwachts hoorde uitspreken, wat hij werkelijk voornemens was, maar hij hield zich goed, en antwoordde lachend:“Ik was juist van plan, dat dezen nacht te doen.”De Frank, die slechts geschertst had, beschouwde dit antwoord ook als een grap, en lachte er om.Toen allen sliepen, begaf Leo zich naar den stal en gaf zacht een teeken aan Attalus, die zijne slaapplaats bij de paarden had. Dadelijk liet deze Leo binnen en zadelden zij twee van de vlugste rossen.“Ik heb geen ander wapen dan deze kleine lans,” zei Attalus.“Wacht, ik zal andere halen,” zei Leo.Hij begaf zich naar het huis van zijn heer en drong zelfs tot diens slaapvertrek door, om diens zwaard en schild weg te nemen. Maar tot zijn grooten schrik werd de Frank wakker en vroeg:“Wie is daar?”“Ik ben het,—ik Leo!—Ik ben opgestaan om Attalus te zeggen, dat hij de paarden morgen vroeg buiten moet brengen, maar hij slaapt als een dronkaard.”De Frankische edelman luisterde al niet meer naar hem en sliep weer in. Toen haastte Leo zich met schild en zwaard naar buiten, en gelukte het hem en Attalus ongezien buiten de omheining te komen.Zij sprongen te paard en reden snel den grooten Romeinschen weg op, die naar Trier voerde. Den eersten hinderpaal ontmoetten zij aan eene rivier, waar zij de brug bewaakt vonden. Zij zagen zich daardoor gedwongen zich met hunne paarden op eenigen afstand te water te begeven en de rivier over te zwemmen. Ongedeerd bereikten zij den anderen oever, en zoo snel het gaan kon, vervolgden zij hun tocht. Zij voedden zich met eenige pruimen, die zij aan een boom vonden. ’s Morgens reden zij verder in de richting van Rheims, steeds voortgejaagd door de vrees, dat hunne ontvluchting ontdekt zou zijn en hunne vervolgers wellicht reeds op weg waren, om hen te achterhalen. O, als dat gebeurde,zou hun lot bij den wreeden Frank ongetwijfeld vreeselijk zijn.Voort dus, altoos voort! Zij gunden hunne rossen ternauwernood de noodige rust, en ’t was de dieren aan te zien, dat zij vermoeid werden en slechts met moeite verder konden.Opeens hoorden zij werkelijk ver achter zich hoefgetrappel op den hard geplaveiden weg. Angstig keken zij rond, waar zij zich verbergen konden, en ontdekten gelukkig een kreupelbosch, dat misschien gelegenheid bood om zich te verschuilen. Haastig sprongen zij van hunne paarden en drongen zoo diep mogelijk in het bosch door. Op eene plaats achter veel takken en bladeren bonden zij hunne paarden vast, en wachtten toen met getrokken zwaard de komst der vervolgers af.Zij naderden! Het hoefgetrappel kwam snel naderbij, en de vluchtelingen zagen de harnassen hunner vervolgers schitteren in de zonnestralen. Nu hadden zij het kreupelbosch bereikt. En o schrik,—daar hielden zij stand en sprongen van de paarden.Hadden zij hun spoor ontdekt? De beide ongelukkigen hielden vol spanning den adem in.Neen,—zij namen slechts een oogenblik rust, om hunne harnassen te verschikken en even te verpoozen. Weldra sprongen zij weder te paard en vervolgden hun tocht.O, hoe heerlijk was het voor hun beiden om te luisteren naar het zich steeds verwijderende hoefgetrappel, dat weldra geheel wegstierf in de verte.Zij hielden zich nog langen tijd schuil en bereikten den volgenden nacht de stad Rheims, waar zij een priester kenden, Paul geheeten, die een vriend was van Bisschop Gregorius.Zij waren zoo gelukkig hem te vinden, juist toen de bel werd geluid voor den morgendienst, wat hun aangenaam in de ooren klonk. Dadelijk maakte Attalus zich aan hem bekend, en de goede man gaf hun brood en wijn, om zich te verkwikken. Zij hadden in langen tijd niets gegeten. Bovendien wees hij hun eene schuilplaats aan, waar zij zich verbergen konden. Dat was maar goed ook, want op datzelfde oogenblik doolde de Frank reeds door de straten van Rheims, om zijne weggeloopen slaven op te sporen.Eindelijk kwam hij zelfs bij den priester Paul, om hem te ondervragen, want hij wist, dat de priester een vriend was van Attalus’ oom,—maar de brave man verried hen niet.Na twee dagen vruchteloos in Rheims te hebben gezocht, gaf de Frank zijne pogingen op en keerde naar huis terug. En toen waagden Attalus en Leo het uit hun schuilplaats te voorschijn te komen, en, na den Priester hartelijk dank te hebben gezegd, hun weg te vervolgen. Het grootste gevaar was nu geweken, en ongedeerd bereikten zij het doel van hunne reis.Ontroerd vielen Bisschop Gregorius en Attalus elkander in de armen, en Leo ontving het loon, dat hij door zijn trouw en moed dubbel had verdiend. Hij werd met groote plechtigheid naar de kerk geleid, waarvan alle deuren wijd werden open gezetten teeken, dat hij een vrij man was, die zich begeven mocht, waarheen hij wilde.Toen nam de Bisschop hem bij de hand, en staande voor den Aarts-bisschop verklaarde hij, dat hij hem de vrijheid gaf en tot Romeinsch burger maakte. Nooit meer kon hij tot den staat van slavernij vervallen. Wie in de kerk, ten aanhoore van Bisschoppen, dekens of priesters eenmaal tot een vrij man was verklaard, bleef dat gedurende zijn geheele leven.En dat geluk viel Leo te beurt als loon voor zijn moed en trouw.David Livingstone.Te Ulva, een der Hebridische eilanden, die ten noorden van Schotland liggen, werd in 1813 een knaapje geboren, dat eenmaal zijn naam wereldberoemd zou maken. Hij heette David Livingstone en was de zoon van eenvoudige, maar zeer geachte ouders. Van zijn grootvader vertelt hij, hoe deze, toen hij op zijn sterfbed lag, al zijne kinderen tot zich riep en tot hen sprak:“Ik heb mijn leven lang alle overleveringen, op onze familie betrekking hebbende, verzameld,—en nooit heb ik gevonden, dat een onzer voorouders oneerlijk is geweest. Wordt dus een uwer of een uwer kinderen oneerlijk, dan zit dat niet in het bloed, dat door uwe aderen stroomt. Ons bloed is niet eerloos. Ik laat u dezen levensregel na: “Weest rechtschapen!”Welnu, als dat werkelijk de levensregel van het geslacht der Livingstones is geweest, dan is het knaapje, dat in 1813 op het genoemde eiland het eerste levenslicht aanschouwde, dien regel getrouw gebleven. De kleine David groeide op tot een vroom Christen, eenvoudig van hart en rein van levenswandel.Zijne ouders waren te arm om hem eene wetenschappelijke opleiding te doen geven, hoewel Davidal vroeg toonde zeer leergierig te zijn en altoos met zijn neus in de boeken zat. Op tienjarigen leeftijd reeds werd hij op eene fabriek geplaatst en moest hij daar werk verrichten van den morgen tot den avond. Zijne leergierigheid had hij echter niet aan de deur der fabriek achtergelaten,—neen, hij kocht reeds voor zijn eerste weekloon een Latijnsche spraakkunst, en wist zijn werk zoo in te richten, dat hij in de fabriek zijn taak kon verrichten en tegelijkertijd toch zijne leergierigheid bevredigen. Hij kon werken en lezen tegelijk. Hij legde zich met zooveel ijver op de studie van het Latijn toe, dat zijne moeder hem dikwijls na middernacht het boek met geweld ontrukken moest. En niet alleen op het Latijn legde hij zich toe, maar hij bestudeerde ook de plantenkunde, de genees- en de sterrenkunde. Ook las hij een tal van reisbeschrijvingen, waardoor de lust tot het bezoeken van vreemde landen en volken bij hem werd gewekt, welke hem eenmaal tot een beroemd ontdekkingsreiziger zou maken. In zijne vrije uren zwierf hij later gaarne over de bergen, en was het hem een genot eene verzameling aan te leggen van de schelpen, die hij op zijn weg ontmoette.Later vestigde hij zich metterwoon te Glasgow, waar hij nog beter gelegenheid kreeg om zich te ontwikkelen. Hoewel ook hier in een fabriek werkzaam, vond hij toch gelegenheid in die academiestad de voorlezingen te volgen over wijsbegeerte en theologie, en lessen te nemen in de Grieksche taal en de medicijnen. Hij studeerde met zooveel ijver en volharding, dat hij eindelijk zelfs den graad vandoctor in de medicijnen en in de chirurgie verwierf. Hij was intusschen opgegroeid tot een geloovig Christen, en zijn liefste wensch was het geworden, als zendeling onder de heidensche volken werkzaam te zijn, en hun het Evangelie te brengen.Hij bood zijne diensten aan het Londensche zendeling-genootschap aan en vertrok in 1840 naar Zuid-Afrika, waar hij mede-arbeider werd van den verdienstelijken zendeling Robert Moffat, met wiens dochter hij later in het huwelijk trad.Bijna tien jaren bracht Livingstone onder het volk der Betschuanen, en wel het meest te Kolobeng door, ten noorden van Kuruman, bij de Bakuena, waar hij geheel en al met de taal, de zeden en gewoonten der Betschuanen op de hoogte kwam. Hij was een weldoener voor de onbeschaafde zwarten, en toonde zich een ernstig tegenstander van hunne oostelijke naburen, de boeren, van wie zij veel te lijden hadden. Door de oprichting van scholen, door zijne diensten als tuinier, timmerman of smid, door zijn hulp als geneesheer, en door zijne groote gaven van geest en hart kreeg hij op de wilde volksstammen een grooten invloed en was zijne aanwezigheid daar voor hen een ware weldaad. Zijne vrouw stond hem bij zijn arbeid trouw ter zijde en was in alle opzichten zijne helpster en zijn steun. Hij stichtte zendings-stations te Mabotsa en Kolobeng en breidde zijn arbeidsveld steeds verder uit.Eindelijk besloot hij dieper de binnenlanden in te trekken, en bereikte zoo in 1849 het Ngami-meer en den Sugastroom. Van 1851–1853 zette hij zijntocht voort en deed daarbij vele ontdekkingen, die voor de aardrijkskundige wetenschap van het grootste belang waren. Hij werd nu van lieverlede meer ontdekkingsreiziger dan zendeling, en doorkruiste van 1854–1856 het geheele Afrikaansche vasteland van Loanda aan de west- tot Quillemane aan de oostkust. Bijna overal gelukte het hem het vertrouwen der volksstammen, die hij op zijne reizen bezocht, te winnen, maar dikwijls ook was hij aan de grootste gevaren blootgesteld en werd hij met den dood bedreigd.Eindelijk keerde hij na een verblijf van zestien jaren in het donkere Afrika naar Engeland terug, waar hij van zijne reizen eene beschrijving gaf onder den titel: “Missionary travels and researches in South Africa.”Later heeft hij nog meer reizen in dat werelddeel gemaakt, maar de resultaten van zijn eerste verblijf aldaar bleven de belangrijkste.In zijn tweede reis van 1858 tot 1864 was Livingstone niet meer de zendeling van het Londensche zendelinggenootschap, maar het hoofd eener expeditie, door het Engelsche gouvernement uitgezonden, en wel door lord Clarendon, minister van buitenlandsche zaken op touw gezet, om de reeds verkregen kennis van de geografie, de minerale producten en veldgewassen van Oost- en Centraal-Afrika te vermeerderen, betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen of uit te breiden, en eene ruilhandel tusschen hen en Engeland te openen. Hij onderzocht op dien tocht de Zambezi-mondingen, voer met een stoomboot de Schire op tot aan het meer Schirwa,en ontdekte het Nyassa-meer. Een zware slag trof hem den 27enApril 1862, toen hem zijne geliefde vrouw door den dood ontnomen werd. ’s Avonds blies zij den laatsten adem uit, en reeds den volgenden morgen werd zij onder een grooten babab-boom begraven. Zij was eene edele vrouw, die hem op zijne vele en moeilijke zwerftochten getrouw ter zijde had gestaan.In 1864 werd zijne expeditie door de regeering ontbonden, maar reeds twee jaar later begaf hij zich opnieuw op weg naar het hem lief geworden werelddeel. Deze reis was zijn laatste, en veel meer dan vroeger bracht hij zijne vrienden en bewonderaars in ongerustheid, door weinig of geen berichten te zenden. Eindelijk bereikte hun zelfs het gerucht van zijn dood. Men wist te vertellen, dat hij van Ngomano in Zuidwestelijke richting naar het meer Nyassa was gereisd, hetwelk hij was overgestoken. Daar zou hij echter door een troep Mazitu overvallen en door een bijlslag doodelijk getroffen zijn. De boodschappers van deze droevige tijding verklaarden zelfs, dat zij hem zelf een graf gegraven en hem daarin neergelegd hadden.Er waren echter enkelen, die niet aan zijn dood geloofden, zoodat, om zekerheid dienaangaande te verkrijgen, door het geografisch genootschap te Londen eene expeditie werd uitgezonden, om naar den moord een onderzoek te doen en de plaats, waar de misdaad zou hebben plaats gehad, vast te stellen.’t Bleek toen, dat het slechts een gerucht was geweest, en niets meer.Eindelijk werd alle twijfel opgeheven door een brief van Livingstone zelf, die geschreven was op 1 en 2 Februari 1867, maar eerst ontvangen werd in April 1868. Hij was dus langer dan een jaar onderweg geweest. Later kwam er nog een brief van hem, geschreven den 16enDecember 1867. Daarna werd weer gedurende langen tijd niets van hem gehoord, en reeds begon men weer ongerust over hem te worden, toen men opnieuw een brief van hem ontving, waarin hij berichtte, dat hij de bronnen van den Nijl had ontdekt.Na dien tijd hoorde men niets meer van den beroemden man, en eindelijk begon men te vreezen, dat hij òf vermoord zou zijn, òf in groote moeilijkheden verkeerde. Eindelijk besloot de Redactie van de New-York Herald eene expeditie uit te zenden, om hem op te sporen en hem, zoo noodig, hulp te verschaffen.Den 16enOctober ontving Henri M. Stanley, een van de correspondenten van dat blad, in Spanje een telegram van den uitgever, afgezonden uit Parijs, met de tijding, dat hij onmiddellijk voor eene gewichtige opdracht naar Parijs moest komen.Stanley haastte zich aan dat bevel te voldoen. Hij begaf zich dadelijk op reis, meldde zich aan het hôtel van den uitgever, wiens naam James Gordon Bennett was, en vroeg dezen heer te spreken. De heer Bennett lag reeds te bed, want ’t was in het hartje van den nacht, toen Stanley daar aankwam,—maar hij stond dadelijk op.Zoodra Stanley bij hem binnenkwam, vroeg hij:“Mijnheer, weet gij ook, waar zich op ’t oogenblik Livingstone bevindt?”“Mijnheer,” antwoordde Stanley, “ik heb daar niet het flauwste denkbeeld van.”“Welnu, ga hem dan zoeken. Neem vooreerst duizend pond sterling op. Zijn die verbruikt, neem er dan weer duizend. Zijn, ook die uitgegeven, beschik dan andermaal over duizend pond, en desnoods nog eens daarna,—maar vind dr. Livingstone. Goeden nacht, mijnheer Stanley, God behoede u!”Stanley reisde af, om Livingstone te zoeken. In 1871 kwam hij te Zanzibar aan. Nadat hij met de behoedzaamheid van den man, wien het “ontdekken” in totaal vreemde streken bijna van zijne kinderjaren af eigen was, eene groote expeditie georganiseerd en uitgerust had, begon hij 21 Maart den tocht naar het binnenland. ’t Was eene moeilijke reis, maar zij werd met een gelukkigen uitslag bekroond. Aan den oostelijken oever van het Tanganajika-meer, in het dorp Oedsjidsji vond hij den 10enNovember den lang vermisten natuurvorscher. Op ongeveer 3000 schreden afstands van Livingstone’s verblijf ontmoette hij eerst Soesi, den bediende van den beroemden man. Stanley beschrijft zijne ontmoeting met Livingstone aldus:“Ik duwde de menigte terug en schreed tusschen een laan van menschen vooruit, totdat ik aan den door Arabieren gevormden halven cirkel was gekomen, waarvóór de grijsgebaarde blanke stond. Langzaam naderend merkte ik op, dat hij er bleek en vermoeid uitzag, eene blauwachtige muts met verschotengouden band op het hoofd had en een buisje met roode mouwen en eene grijze broek droeg. In dit oogenblik zou ik gaarne op hem zijn losgestormd, maar ik was in tegenwoordigheid van zulk een hoop gespuis te laf daartoe. Ik zou hem gaarne om den hals zijn gevallen, maar wist niet hoe hij, Engelschman, mij zou ontvangen. Ik deed dus, wat lafheid en valsche trots mij als het beste ingaven, trad voorzichtig op hem toe, nam mijn hoed af en zei: ‘Dr. Livingstone, naar ik vermoed.’”“Ja,” antwoordde hij met een vriendelijk lachje en even aan zijn pet lichtend. Ik zette mijn hoed weer op, hij zijne pet, wij schudden elkander hartelijk de hand, en ik zeide luide: “Ik dank God, heer doctor, dat Hij mij vergund heeft, u te zien.”“En ik ben dankbaar,” antwoordde hij, “dat ik u begroeten kan.”In December hebben deze twee beroemde mannen samen den noordelijken oever van het Tanganajika-meer bereisd, en den 18enFebruari 1872 bereikten zij Oenjanjembe, waar Livingstone bleef om de noodige middelen tot voortzetting van zijne navorschingen af te wachten. Stanley nam een hartelijk afscheid van hem en aanvaardde 14 Maart den terugtocht.David Livingstone stierf in het zwarte werelddeel den 1enMei 1873, in den ouderdom van zestig jaar. In 1874 werd zijn lijk naar Londen overgebracht en in de Westminster-abdij, de rustplaats van talrijke beroemde mannen, bijgezet.Rechts aan het hoofdeinde der lijkbaar, een slip van het lijkkleed dragend, liep Stanley, verbrand doorde Afrikaansche zon, want hij was juist van eene nieuwe reis uit Afrika teruggekeerd. Thans begeleidde hij den beroemden man naar een ander “donker werelddeel,” waarvan echter geen zwerveling ooit terugkeert.
Drie schoone daden.Mathieu Martinel was een Fransch officier, die in de eerste helft der vorige eeuw leefde. Van hem zijn in de geschiedenis der menschheid drie schoone daden opgeteekend, wel waardig aan de vergetelheid te worden ontrukt.Als adjudant van het eerste regiment kurassiers lag hij te Straatsburg, toen het geroep van brand! brand! hem naar buiten deed snellen. Dadelijk begaf hij zich naar het tooneel van den ramp. Een dikke rookkolom wees hem de plaats des onheils. De barakken stonden in brand.Van alle kanten snelde men toe om naar den brand te kijken, en onder de toeschouwers bevonden zich vele soldaten, doordat de barakken dicht bij de kazerne gelegen waren.De vlammen grepen snel om zich heen, en van de omstanders maakte zich een groote schrik meester toen hun het gerucht bereikte, dat in de gebouwen buskruit werd bewaard en er ook een duizend patronen lagen opgestapeld. Elk oogenblik kon het vuur daarmede in aanraking komen, waardoor de gebouwen ongetwijfeld in de lucht zouden vliegen. Men ontvluchtte dus zoo snel mogelijk deze gevaarlijke plaats en bracht zich in veiligheid.Onder de vluchtenden bevond zich echter niet Mathieu Martinel. Zoodra hij zag, welk gevaar er dreigde, snelde hij naar het brandende gebouw, en riep hij een paar soldaten toe hem te vergezellen. Hij wierp de deur open en snelde de trap op, om zich naar het vertrek te begeven, waar het kruit en de patronen lagen.Een verstikkende rook echter belette hem den toegang! ’t Was hem schier onmogelijk adem te halen. Zijn twee volgers deinsden vol schrik terug en snelden heen. Maar Mathieu gaf zijn poging nog niet op. Hij klom de trap op, door rook en vlammen heen. De hitte was verschrikkelijk. Hij begreep, dat zijn pogen vergeefsch zou zijn, en dat hij in den rook zou stikken of in de vlammen omkomen.Reeds wilde hij terugkeeren, toen hij zich plotseling herinnerde, dat in het vertrek naast dat, waarin het kruit en de patronen lagen, zich negen zieken bevonden, die niet in staat waren, de noodlottige plaats te ontvluchten.Neen, nu weifelde de dappere officier geen seconde langer. Rook, vlammen en hitte ten spijt zette hij zijn gevaarvollen tocht voort. Die ongelukkigen mocht hij niet aan hun vreeselijk lot overlaten, en zoo mogelijk moest hij hen redden van een verschrikkelijken dood. Hij snelde voort, zijn oogen gesloten, den mond stijf dicht om den verstikkenden dood niet in te ademen. Zijne haren verzengden, zijne kleeren schroeiden, de vlammen lekten zijne handen, maar hij liet zich niet weerhouden.Zoo bereikte hij de patronen, die in papier verpaktwaren. Hij zag tot zijn schrik, dat die papieren reeds brandden. IJlings rukte hij ze los en wierp ze op eenigen afstand. Toen opende hij het raam, en riep, de brandweermannen toe, hunne stralen op deze plaats te richten.“Hier! Hier! Water!” klonk zijn kreet.En men begreep hem. Stroomen van water werden naar binnen geworpen, en in korten tijd waren èn buskruit èn patronen zóó nat, dat van een ontploffing geen sprake meer kon zijn. De zieken, voor enkele seconden nog zoo nabij aan hun dood, waren gered. Zij werden met spoed in veiligheid gebracht.Dit was niet de eerste heldendaad, die door den braven officier werd verricht. Korten tijd te voren bevond hij zich aan den oever van de snelstroomende rivier de Ill, toen een van zijn soldaten het ongeluk had, in de rivier te vallen. De stroom maakte zich van den ongelukkige meester en sleepte hem met woeste vaart mede in de richting van een watermolen, die door den snellen stroom in beweging werd gebracht. Men hoorde het kletteren van het water, dat van het sneldraaiende rad in den stroom terug viel. Was de ongelukkige eenmaal tot daar afgedreven, dan was hij bijna zeker verloren.Dit begreep ook Mathieu Martinel, die dadelijk het groote gevaar inzag, waarin de drenkeling verkeerde. Onmiddellijk besloot hij zijn leven in de waagschaal te stellen, om dat van zijn evenmensch te redden.Tijd om zich te ontkleeden had hij niet. Zonder een oogenblik te weifelen wierp hij zich in den stroom, en zwom tot zoo dicht mogelijk bij den molendam.Daar omklemde hij, met één arm een paal en wachtte, tot de drenkeling hem bereikt had. Met de andere hand greep hij hem krachtig vast om hem in zijn vaart te stuiten, maar dit gelukte hem niet. De stroom was te sterk en trok hem onweerstaanbaar voort naar het gevaarlijke rad, dat door het water snel werd rondgedraaid.Mathieu Martinel was er de man niet naar, een eenmaal gesteld doel op te geven. Hij liet den paal los, en dook met den drenkeling diep onder water. Stevig hield hij den man omklemd.De stroom sleepte beiden voort, onder het molenrad door, dat hen niet bereiken kon. Nauwelijks deze gevaarlijke plaats voorbij, sloeg Mathieu de armen uit, den drenkeling met de tanden vasthoudende, en bereikte den oever. Tot zijn groote vreugde bemerkte hij, dat het leven van den soldaat nog niet geweken was. Door den moed en de vastberadenheid van Mathieu was hij gered.Vele jaren later verrichtte hij zijn derde heldenstuk. ’t Was in den nacht van den 14enJuni 1837 te Parijs. Bij gelegenheid van het huwelijk van den Hertog van Orleans was er eene schitterende illuminatie ontstoken, en op het Champ de Mars hadden duizenden bij duizenden een prachtig vuurwerk bijgewoond.Toen het afgeloopen was, ontstond er een hevig gedrang bij den ingang van eene passage, die naar het Militaire College leidde. De stroom van menschen was zoo ontzaglijk groot, dat er eene opstopping ontstond, die de verschrikkelijkste gevolgenhad. Eene vrouw kreeg het in de opgepropte menigte, waarin bijna geen voortgang was, zoo benauwd, dat zij door eene flauwte overvallen werd en bewusteloos nederviel. Anderen struikelden over haar lichaam, en vielen ook. De menschen in de onmiddellijke nabijheid begrepen dadelijk het gevaar, waarin dezen verkeerden, en wilden hun door terugdringen de gelegenheid geven om op te staan en zich te redden. Maar de achtersten wisten niet, wat er vóór hen gebeurde, en drongen voorwaarts. Er ontstond nu eene groote verwarring. Velen struikelden over hen, die reeds gevallen waren, en van opstaan was in die ophooping geen sprake meer. Een angstig geschrei steeg uit de menigte op. Men drong terug, men schreeuwde,—maar de stroom van menschen wist van geen stilstaan,—zoodat met elke seconde de ramp grooter werd. Men trapte op degenen, die reeds gevallen waren. Het angstgeschrei werd ontzettend,—maar de menschen, die volgden, hoorden het niet. In levendige gesprekken over het vuurwerk, dat men gezien had, drong men langzaam maar zeker voorwaarts...Op dit oogenblik kwam Mathieu Martinel op de rampzalige plaats aan, en oogenblikkelijk begreep hij, dat hier krachtig moest worden gehandeld, wilde het ongeluk niet nog veel erger worden. En dat het reeds zeer erg was, zag hij met een enkelen oogopslag.Hij snelde een poort door, waardoor hij den menschenstroom van een anderen kant bereikte, en trachtte door schreeuwen de menschen tot teruggaan te bewegen. Hij riep hun toe, dat er een ongelukgebeurde, dat er menschen gevallen waren, die door de voeten der anderen vertreden werden,—maar zijn roepen mocht niet baten. Wel drongen de voorsten terug, maar verder naar achteren hoorde men hem niet. Steeds drong men voorwaarts!Toen ijlde hij weg naar de kazerne, om hulp te halen. Hij gunde zich echter den tijd niet, om zijne mannen te verzamelen, maar snelde opnieuw, door slechts enkelen gevolgd, naar de plaats van den ramp. De meesten van hen echter, het gevaar ziende waarin zij zich begeven zouden, keerden terug. Alleen Private Speulée volgde hem, en zij spanden samen hunne uiterste krachten in, om den doorgang vrij te maken.’t Was een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hunne oogen vertoonde. De grond lag bezaaid met dooden,—en met levenden, die door anderen vertreden werden en de ijselijkste jammerkreten slaakten. Mathieu richtte een bewusteloozen man op, daarna een jongen, eene vrouw en een klein meisje. Hij droeg ze snel naar eene plaats, waar zij in de frissche lucht herstellen konden. En telkens keerde hij naar de rampplaats terug, om anderen te redden. Elk oogenblik verkeerde hij in gevaar, om in ’t gedrang omvergeworpen en doodgetrapt te worden,—maar hij ging onbevreesd met het reddingswerk voort. Niet minder dan negen personen wist hij te midden van ’t gedrang op te richten en naar eene veilige plaats te brengen. En nog, altoos drong men van achteren op...Speulée stond hem moedig ter zijde en redde een man en een kind. Langzamerhand kwam er meerhulp opdagen. Officieren schoten toe, om hunne makkers bij te staan. Een van hen zette een jongen op zijn rug, nam een meisje in zijne armen, en wist beiden buiten het gedrang te brengen, waarvoor hij niet minder dan een half uur noodig had. Hij werd zoo moê en benauwd, dat hij zich bijna niet langer staande kon houden.Eindelijk daagde er hulp. Eenige kurassiers te paard kwamen van het Champ de Mars en reden bedaard, stap voor stap, in de menigte. Overal waar zij kwamen, stak men hun kinderen toe, hun smeekende, die bij zich op het paard te nemen, wat zij deden. Zij drongen met groot geduld en de uiterste voorzichtigheid steeds verder in de menigte door, eerst in rijen van één, toen twee aan twee, vervolgens bij drieën, en vormden zoo een wig, die scheiding maakte tusschen de menigte en den nauwen doorgang. Zoo ontstond er eenige kalmte en kwamen de menschen tot bezinning. De stroom werd nu in verschillende richtingen geleid, waardoor verdere ongelukken voorkomen werden. De slachtoffers werden opgenomen en naar de kazerne gebracht, waar men al het mogelijke deed, om de levensgeesten weder op te wekken en de wonden te reinigen en verbinden. Daarna werden zij, voor wie dit noodig was, naar de hospitalen vervoerd, terwijl anderen naar hunne woning werden gebracht.Martinel, die ook hier weer zijn grooten moed en wijs beleid had getoond, ontving een jaar later den eereprijs, die voor het verrichten van daden van moed en menschlievendheid was uitgeloofd.
Mathieu Martinel was een Fransch officier, die in de eerste helft der vorige eeuw leefde. Van hem zijn in de geschiedenis der menschheid drie schoone daden opgeteekend, wel waardig aan de vergetelheid te worden ontrukt.
Als adjudant van het eerste regiment kurassiers lag hij te Straatsburg, toen het geroep van brand! brand! hem naar buiten deed snellen. Dadelijk begaf hij zich naar het tooneel van den ramp. Een dikke rookkolom wees hem de plaats des onheils. De barakken stonden in brand.
Van alle kanten snelde men toe om naar den brand te kijken, en onder de toeschouwers bevonden zich vele soldaten, doordat de barakken dicht bij de kazerne gelegen waren.
De vlammen grepen snel om zich heen, en van de omstanders maakte zich een groote schrik meester toen hun het gerucht bereikte, dat in de gebouwen buskruit werd bewaard en er ook een duizend patronen lagen opgestapeld. Elk oogenblik kon het vuur daarmede in aanraking komen, waardoor de gebouwen ongetwijfeld in de lucht zouden vliegen. Men ontvluchtte dus zoo snel mogelijk deze gevaarlijke plaats en bracht zich in veiligheid.
Onder de vluchtenden bevond zich echter niet Mathieu Martinel. Zoodra hij zag, welk gevaar er dreigde, snelde hij naar het brandende gebouw, en riep hij een paar soldaten toe hem te vergezellen. Hij wierp de deur open en snelde de trap op, om zich naar het vertrek te begeven, waar het kruit en de patronen lagen.
Een verstikkende rook echter belette hem den toegang! ’t Was hem schier onmogelijk adem te halen. Zijn twee volgers deinsden vol schrik terug en snelden heen. Maar Mathieu gaf zijn poging nog niet op. Hij klom de trap op, door rook en vlammen heen. De hitte was verschrikkelijk. Hij begreep, dat zijn pogen vergeefsch zou zijn, en dat hij in den rook zou stikken of in de vlammen omkomen.
Reeds wilde hij terugkeeren, toen hij zich plotseling herinnerde, dat in het vertrek naast dat, waarin het kruit en de patronen lagen, zich negen zieken bevonden, die niet in staat waren, de noodlottige plaats te ontvluchten.
Neen, nu weifelde de dappere officier geen seconde langer. Rook, vlammen en hitte ten spijt zette hij zijn gevaarvollen tocht voort. Die ongelukkigen mocht hij niet aan hun vreeselijk lot overlaten, en zoo mogelijk moest hij hen redden van een verschrikkelijken dood. Hij snelde voort, zijn oogen gesloten, den mond stijf dicht om den verstikkenden dood niet in te ademen. Zijne haren verzengden, zijne kleeren schroeiden, de vlammen lekten zijne handen, maar hij liet zich niet weerhouden.
Zoo bereikte hij de patronen, die in papier verpaktwaren. Hij zag tot zijn schrik, dat die papieren reeds brandden. IJlings rukte hij ze los en wierp ze op eenigen afstand. Toen opende hij het raam, en riep, de brandweermannen toe, hunne stralen op deze plaats te richten.
“Hier! Hier! Water!” klonk zijn kreet.
En men begreep hem. Stroomen van water werden naar binnen geworpen, en in korten tijd waren èn buskruit èn patronen zóó nat, dat van een ontploffing geen sprake meer kon zijn. De zieken, voor enkele seconden nog zoo nabij aan hun dood, waren gered. Zij werden met spoed in veiligheid gebracht.
Dit was niet de eerste heldendaad, die door den braven officier werd verricht. Korten tijd te voren bevond hij zich aan den oever van de snelstroomende rivier de Ill, toen een van zijn soldaten het ongeluk had, in de rivier te vallen. De stroom maakte zich van den ongelukkige meester en sleepte hem met woeste vaart mede in de richting van een watermolen, die door den snellen stroom in beweging werd gebracht. Men hoorde het kletteren van het water, dat van het sneldraaiende rad in den stroom terug viel. Was de ongelukkige eenmaal tot daar afgedreven, dan was hij bijna zeker verloren.
Dit begreep ook Mathieu Martinel, die dadelijk het groote gevaar inzag, waarin de drenkeling verkeerde. Onmiddellijk besloot hij zijn leven in de waagschaal te stellen, om dat van zijn evenmensch te redden.
Tijd om zich te ontkleeden had hij niet. Zonder een oogenblik te weifelen wierp hij zich in den stroom, en zwom tot zoo dicht mogelijk bij den molendam.Daar omklemde hij, met één arm een paal en wachtte, tot de drenkeling hem bereikt had. Met de andere hand greep hij hem krachtig vast om hem in zijn vaart te stuiten, maar dit gelukte hem niet. De stroom was te sterk en trok hem onweerstaanbaar voort naar het gevaarlijke rad, dat door het water snel werd rondgedraaid.
Mathieu Martinel was er de man niet naar, een eenmaal gesteld doel op te geven. Hij liet den paal los, en dook met den drenkeling diep onder water. Stevig hield hij den man omklemd.
De stroom sleepte beiden voort, onder het molenrad door, dat hen niet bereiken kon. Nauwelijks deze gevaarlijke plaats voorbij, sloeg Mathieu de armen uit, den drenkeling met de tanden vasthoudende, en bereikte den oever. Tot zijn groote vreugde bemerkte hij, dat het leven van den soldaat nog niet geweken was. Door den moed en de vastberadenheid van Mathieu was hij gered.
Vele jaren later verrichtte hij zijn derde heldenstuk. ’t Was in den nacht van den 14enJuni 1837 te Parijs. Bij gelegenheid van het huwelijk van den Hertog van Orleans was er eene schitterende illuminatie ontstoken, en op het Champ de Mars hadden duizenden bij duizenden een prachtig vuurwerk bijgewoond.
Toen het afgeloopen was, ontstond er een hevig gedrang bij den ingang van eene passage, die naar het Militaire College leidde. De stroom van menschen was zoo ontzaglijk groot, dat er eene opstopping ontstond, die de verschrikkelijkste gevolgenhad. Eene vrouw kreeg het in de opgepropte menigte, waarin bijna geen voortgang was, zoo benauwd, dat zij door eene flauwte overvallen werd en bewusteloos nederviel. Anderen struikelden over haar lichaam, en vielen ook. De menschen in de onmiddellijke nabijheid begrepen dadelijk het gevaar, waarin dezen verkeerden, en wilden hun door terugdringen de gelegenheid geven om op te staan en zich te redden. Maar de achtersten wisten niet, wat er vóór hen gebeurde, en drongen voorwaarts. Er ontstond nu eene groote verwarring. Velen struikelden over hen, die reeds gevallen waren, en van opstaan was in die ophooping geen sprake meer. Een angstig geschrei steeg uit de menigte op. Men drong terug, men schreeuwde,—maar de stroom van menschen wist van geen stilstaan,—zoodat met elke seconde de ramp grooter werd. Men trapte op degenen, die reeds gevallen waren. Het angstgeschrei werd ontzettend,—maar de menschen, die volgden, hoorden het niet. In levendige gesprekken over het vuurwerk, dat men gezien had, drong men langzaam maar zeker voorwaarts...
Op dit oogenblik kwam Mathieu Martinel op de rampzalige plaats aan, en oogenblikkelijk begreep hij, dat hier krachtig moest worden gehandeld, wilde het ongeluk niet nog veel erger worden. En dat het reeds zeer erg was, zag hij met een enkelen oogopslag.
Hij snelde een poort door, waardoor hij den menschenstroom van een anderen kant bereikte, en trachtte door schreeuwen de menschen tot teruggaan te bewegen. Hij riep hun toe, dat er een ongelukgebeurde, dat er menschen gevallen waren, die door de voeten der anderen vertreden werden,—maar zijn roepen mocht niet baten. Wel drongen de voorsten terug, maar verder naar achteren hoorde men hem niet. Steeds drong men voorwaarts!
Toen ijlde hij weg naar de kazerne, om hulp te halen. Hij gunde zich echter den tijd niet, om zijne mannen te verzamelen, maar snelde opnieuw, door slechts enkelen gevolgd, naar de plaats van den ramp. De meesten van hen echter, het gevaar ziende waarin zij zich begeven zouden, keerden terug. Alleen Private Speulée volgde hem, en zij spanden samen hunne uiterste krachten in, om den doorgang vrij te maken.
’t Was een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hunne oogen vertoonde. De grond lag bezaaid met dooden,—en met levenden, die door anderen vertreden werden en de ijselijkste jammerkreten slaakten. Mathieu richtte een bewusteloozen man op, daarna een jongen, eene vrouw en een klein meisje. Hij droeg ze snel naar eene plaats, waar zij in de frissche lucht herstellen konden. En telkens keerde hij naar de rampplaats terug, om anderen te redden. Elk oogenblik verkeerde hij in gevaar, om in ’t gedrang omvergeworpen en doodgetrapt te worden,—maar hij ging onbevreesd met het reddingswerk voort. Niet minder dan negen personen wist hij te midden van ’t gedrang op te richten en naar eene veilige plaats te brengen. En nog, altoos drong men van achteren op...
Speulée stond hem moedig ter zijde en redde een man en een kind. Langzamerhand kwam er meerhulp opdagen. Officieren schoten toe, om hunne makkers bij te staan. Een van hen zette een jongen op zijn rug, nam een meisje in zijne armen, en wist beiden buiten het gedrang te brengen, waarvoor hij niet minder dan een half uur noodig had. Hij werd zoo moê en benauwd, dat hij zich bijna niet langer staande kon houden.
Eindelijk daagde er hulp. Eenige kurassiers te paard kwamen van het Champ de Mars en reden bedaard, stap voor stap, in de menigte. Overal waar zij kwamen, stak men hun kinderen toe, hun smeekende, die bij zich op het paard te nemen, wat zij deden. Zij drongen met groot geduld en de uiterste voorzichtigheid steeds verder in de menigte door, eerst in rijen van één, toen twee aan twee, vervolgens bij drieën, en vormden zoo een wig, die scheiding maakte tusschen de menigte en den nauwen doorgang. Zoo ontstond er eenige kalmte en kwamen de menschen tot bezinning. De stroom werd nu in verschillende richtingen geleid, waardoor verdere ongelukken voorkomen werden. De slachtoffers werden opgenomen en naar de kazerne gebracht, waar men al het mogelijke deed, om de levensgeesten weder op te wekken en de wonden te reinigen en verbinden. Daarna werden zij, voor wie dit noodig was, naar de hospitalen vervoerd, terwijl anderen naar hunne woning werden gebracht.
Martinel, die ook hier weer zijn grooten moed en wijs beleid had getoond, ontving een jaar later den eereprijs, die voor het verrichten van daden van moed en menschlievendheid was uitgeloofd.
Niels Finsen.In den laatsten tijd hebben beroemde mannen eigenschappen in het licht ontdekt, die nog niet bekend waren. Dat wij zonder licht niet kunnen leven, wist natuurlijk sedert langen tijd iedereen. Als we de zon niet hadden, werd onze aarde in korten tijd een ijsbol, waarop geen levend wezen bestaan kan. Zij is het, die onze aarde vruchtbaar maakt, onze heerlijke vruchten rijpt, en onze schoone bloemen doet bloeien. Maar zij is het ook, die onzen levenslust opwekt, ons vroolijk en opgeruimd doet zijn, ons kracht tot werken geeft. Maakt een grauwe lucht ons droefgeestig en somber, het schoone zonnelicht, die heerlijke gave Gods, verjaagt alle zwartgalligheid en melancholie.Niels Finsen.’t Was ook bekend, dat men het licht kan ontleden, zooals dat ook gebeurt als de zon schijnt en het gelijktijdig regent. Dan verschijnt aan den hemel de regenboog met zijne roode, oranje, gele, groene, blauwe en violette stralen. Diezelfde kleuren verkrijgt men ook, wanneer men wit licht door een prismatisch geslepen glas laat gaan. We verkrijgen dan het zoogenaamde zonnespectrum.In de laatste jaren echter zijn de Röntgen-, Becquerel-en radiumstralen ontdekt. Van deze stralen is het eigenaardige, dat zij door vaste stoffen heendringen, en dat men de radiumstralen zelfs door metalen voorwerpen heen kan zien. De Röntgenstralen hebben aan de menschheid reeds groote diensten bewezen. Vooral in oorlogstijd maakt men er gebruik van om te zien, waar zich in een menschelijk lichaam een kogel bevindt, die verwijderd moet worden. De lichtstralen dringen door het vleesch heen, maar niet door den kogel. De plaats, waar deze zich bevindt, wordt dus met groote juistheid aangewezen.In Denemarken woonde een professor, Niels Finsen genaamd, die reeds lang de wonderbare kracht had opgemerkt, welke de zon op zijn ziekelijk lichaam uitoefende. Van zijn jeugd af was hij zwak en ziekelijk geweest, en het was hem niet ontgaan, dat hij zich veel prettiger en opgewekter voelde, als het zonnetje aan den hemel schitterde, dan bij somber, druilig weer. Datzelfde verschil merkte hij op, wanneer hij in een vroolijke, zonnige, of wel in eene donkere, sombere kamer was. Hij begreep, dat dit groote verschil niet alleen een gevolg kon wezen van stemming, maar dat het wel degelijk moest worden toegeschreven aan de genoemde kracht van het licht. De gedachte maakte zich van hem meester, dat het licht dienstbaar kon worden gemaakt aan de geneeskunde, en dat het wellicht niet onmogelijk zou zijn, de lijdende menschheid in sommige gevallen door de kracht van het licht genezing te brengen. Inzonderheid meende hij, dat huidziekten, die doorbacteriën ontstaan, door middel van het licht zouden kunnen worden genezen.Toen die gedachte zich eenmaal van hem had meester gemaakt, begon hij verschillende proeven te nemen. Hij onderzocht, of de kleuren, waarin men het licht kon ontleden, gelijken of verschillenden invloed uitoefenden op de voorwerpen, die er door werden beschenen. En zoo bleek het hem al spoedig, dat de invloed van die verschillend gekleurde lichtbundels niet dezelfde was en dat men te doen had met twee soorten van lichtstralen, n.l. dewarmtestralen, waartoe de roode behooren, en dechemische stralen, waaronder de violette vielen. Finsen onderzocht, welken invloed die verschillende stralen hadden op vlinders, die hij in een bak plaatste, welke hij met verschillend gekleurde glazen: roode, groene, gele, blauwe, enz. afsloot. Hij merkte op, dat de vlinders kalm en rustig bleven onder het roode glas, waardoor dus alleen de roode stralen toegang hadden,—terwijl zij zeer onrustig werden onder de blauwe glazen. Zij trachtten dan zoo spoedig mogelijk weer hunne schuilplaats onder het roode licht te bereiken. De verschillende werking der roode en blauwe stralen werd daardoor duidelijk aangetoond.Finsen had zich ook de vraag gesteld, waarom de Schepper de bewoners der tropische gewesten eene donkere huidskleur had gegeven. Hij had de overtuiging, dat dit niet zonder doel was geschied, en dus niet te denken was aan bloot toeval. Hij nam daarom de volgende proef. Op zijn arm schilderde hij met Oostindischen inkt een zwarte plek, waarinhij echter twee plekken, die den vorm hadden van zijne voorletters N. F., onbeschilderd liet. Die plekken bleven dus wit. Vervolgens bevestigde hij op zijn arm door middel van vischlijm verschillend gekleurde reepjes glas, een stuk gewoon glas, en ook nog een stuk bergkristal. Hij liet nu onder voortdurende afkoeling licht van bepaalde sterkte en op een bepaalden afstand op dien arm inwerken. Hij gebruikte daarvoor zoowel zonnelicht als electrisch licht, en wel booglicht van 20 ampères.Het bleek hem, toen de belichting lang genoeg geduurd had, dat op de plaatsen, waar de gekleurde glaasjes, het gewone glas en de Oost-indische inkt hadden gezeten, het licht zijne inwerking niet vertoonde, maar dat onder het bergkristal en op de plaats der beide letters N. F. een ontsteking van de huid was opgetreden. Na verloop van tijd verdween die ontsteking wel weer, doch nog wel een half jaar later kon hij door sterke wrijving de beide letters weer zichtbaar laten worden. Hij begreep nu, waarom de bewoners der tropische gewesten met een donkere huidskleur waren gezegend.Meermalen was het ook gebleken, dat gletscherbeklimmers bij hunne tochten onder aan de kin uitslag kregen tengevolge van de reflexwerking van de zonnestralen op het bergkristal, terwijl proeven hadden aangetoond, dat bergkristal alleen de chemische of blauwe stralen doorlaat. Finsen kwam daardoor tot het besluit, dat alleen de chemische stralen de ontsteking op zijn arm hadden veroorzaakt.Hij nam nog meer proeven, en zag, dat salamandereieren,die gedurende langen tijd aan den invloed van electrisch licht waren blootgesteld, afstierven. Ook op kikvorsch-eieren hadden de chemische stralen eene doodelijke inwerking. Bovendien hadden de geleerden reeds sedert langen tijd opgemerkt, dat rood licht op pokkenlijders een zeer eigenaardigen invloed had. ’t Was namelijk gebleken, dat de ongelukkige lijders aan deze ziekte in kamers, waarin alleen rood licht kon doordringen, niet zulke hooge koortsen kregen als gewoonlijk bij deze ziekte het geval is, en dat de pokpuisten niet in verettering overgingen, zoodat de patienten sneller herstelden en geen litteekens behielden. Dit reeds was een groote schrede voorwaarts op het gebied der geneeskunde, die den armen lijders ten goede kwam.Ook Finsen had reeds lang proeven in die richting genomen. Eindelijk kwam hij tot het besluit te onderzoeken, of het mogelijk zou zijn ziekte-veroorzakende bacteriën door middel van het licht te dooden. Hij liet voor zijne proeven, glazen buizen vervaardigen met vlakke wanden, en kweekte daarin verschillende soorten bacteriën. Toen liet hij de chemische stralen op deze kolonies inwerken, en kwam tot het verrassende resultaat, dat de bacteriën inderdaad werden gedood. Dit was een reuzenschrede voorwaarts naar het doel, dat hij zich had gesteld, n.l. het middel te vinden om den tuberkel-bacil, waardoor de gevreesde lupusziekte ontstaat, te dooden. Wie kent niet de beklagenswaardige lupuslijders met hunne bloederige gezichten, weggeteerde neuzen, opgezette lippen, tranende oogen? Wie voelt geen medelijden metdeze ongelukkigen, die weten, hoe afzichtelijk hun uiterlijk is en zich door allen geschuwd zien? ’t Was voor Finsen het levensdoel geworden, voor hen het middel te vinden, dat hun redding bracht. En hij heeft het gevonden.Hij was zoover gevorderd, dat hij wel de lupus-bacillen in zijne glazen buizen kon dooden, maar bij de lijders zitten zij tot diep in de huid doorgedrongen. Hij moest dus nu onderzoeken, of de chemische stralen ook daar hunne doodende uitwerking zouden hebben, of zij zouden doordringen tot de diepere lagen van de huid.Om dit na te gaan nam hij proeven op honden en katten. Buisjes gevuld met chloorzilver, dat bij de inwerking van ’t licht ontleed werd, bracht hij onder de huid van deze dieren, en zie, toen hij het licht een geruimen tijd had laten inwerken, bleek het hem tot zijne groote vreugde, dat ook in de diepte de chemische stralen hun invloed hadden doen gelden. Het chloorzilver was wel degelijk ontleed.Zoo achtte hij dan eindelijk het oogenblik gekomen, om zijne studiën ten bate der lijdende menschheid in toepassing te brengen. En hij mocht in 1897 de voldoening smaken een lupus-patient volgens de door hem gevonden methode te genezen, voorwaar een gulden daad, die zijn naam voor altoos terecht beroemd zou maken.Bij de behandeling van zijne patienten gebruikte hij in den eersten tijd het zonnelicht, maar daar in het hooge noorden de zon zich al even weinig laat zien als bij ons, ging hij er toe over, het electrischlicht voor zijn doel aan te wenden. Dat licht bevat betrekkelijk een veel grooter aantal chemische stralen dan het zonnelicht, wat een groot voordeel voor hem was. Hij bedacht nu een instrument, bestaande uit een koperen cilinder met bergkristallenzen, veel gelijkend op een grooten verrekijker. Hieruit liet hij een bundel electrische lichtstralen op zijne patienten vallen. Dit licht is zoo schel, dat de patient zijn oogen moet sluiten en de verpleegsters, die de lens richten, schermen voor de oogen moeten dragen.Hij bemerkte al spoedig eene leemte. ’t Bleek hem namelijk, dat het bloed de genezing van de ziekte tegenhield. Hij bedacht daarom, het zieke deel zoodanig met bergkristal te drukken, dat het bloedledig werd, en tot zijn groote blijdschap verrichtten de lichtstralen toen wonderen. Al na weinige dagen trad de beterschap in, en zoo mocht het hem gelukken, zeer vele lijders van de gevreesde ziekte te doen herstellen.Als een bewijs, hoe de Deensche Staat Finsen’s werk waardeerde, zij vermeld, dat deze dadelijk eene groote som gelds beschikbaar stelde, waardoor Finsen de gelegenheid kreeg, een grootsche inrichting voor lupuslijders te openen. Ook viel hem de Nobelprijs ten deel, welke alleen wordt uitgereikt aan hen, die zich jegens de menschheid buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt.Finsen, die gedurende zijn geheele leven zwak en ziekelijk was geweest, stierf op den leeftijd van 44 jaar. Ware hem een langer leven beschoren geweest,wie weet, wat hij misschien nog meer ten bate der lijdende menschheid had gedaan,—maar ’t heeft zoo niet mogen zijn.Gedurende zijne laatste levensjaren was hij aan het ziekbed gekluisterd, maar zijn geest bleef even onvermoeid en werkzaam. Hij liet zijn ledikant naar zijn instituut overbrengen, en iederen morgen kwamen de dokters en verpleegsters aan zijn bed om zijne bevelen te vernemen. Tot aan zijn dood toe bleef hij denken en zoeken, om zoo mogelijk zijn instrumenten nog te verbeteren. ’t Schijnt evenwel, dat die de volmaaktheid reeds nabij komen, want niettegenstaande velen getracht hebben zijn werk te verbeteren, zijn toch overal in de wereld lampen in gebruik, zooals Finsen die heeft uitgedacht. Er is nog zoo goed als niets aan veranderd.Uit alle streken der wereld bezoeken geneeskundigen de inrichting van Finsen, om zijne geneeswijze te bestudeeren en die in hun vaderland toe te passen. Honderden bij honderden lupus-lijders zijn sedert van hunne ziekte genezen, en zullen zeker den naam van den Deenschen professor Niels Finsen levenslang in gezegend aandenken houden.
In den laatsten tijd hebben beroemde mannen eigenschappen in het licht ontdekt, die nog niet bekend waren. Dat wij zonder licht niet kunnen leven, wist natuurlijk sedert langen tijd iedereen. Als we de zon niet hadden, werd onze aarde in korten tijd een ijsbol, waarop geen levend wezen bestaan kan. Zij is het, die onze aarde vruchtbaar maakt, onze heerlijke vruchten rijpt, en onze schoone bloemen doet bloeien. Maar zij is het ook, die onzen levenslust opwekt, ons vroolijk en opgeruimd doet zijn, ons kracht tot werken geeft. Maakt een grauwe lucht ons droefgeestig en somber, het schoone zonnelicht, die heerlijke gave Gods, verjaagt alle zwartgalligheid en melancholie.
Niels Finsen.
’t Was ook bekend, dat men het licht kan ontleden, zooals dat ook gebeurt als de zon schijnt en het gelijktijdig regent. Dan verschijnt aan den hemel de regenboog met zijne roode, oranje, gele, groene, blauwe en violette stralen. Diezelfde kleuren verkrijgt men ook, wanneer men wit licht door een prismatisch geslepen glas laat gaan. We verkrijgen dan het zoogenaamde zonnespectrum.
In de laatste jaren echter zijn de Röntgen-, Becquerel-en radiumstralen ontdekt. Van deze stralen is het eigenaardige, dat zij door vaste stoffen heendringen, en dat men de radiumstralen zelfs door metalen voorwerpen heen kan zien. De Röntgenstralen hebben aan de menschheid reeds groote diensten bewezen. Vooral in oorlogstijd maakt men er gebruik van om te zien, waar zich in een menschelijk lichaam een kogel bevindt, die verwijderd moet worden. De lichtstralen dringen door het vleesch heen, maar niet door den kogel. De plaats, waar deze zich bevindt, wordt dus met groote juistheid aangewezen.
In Denemarken woonde een professor, Niels Finsen genaamd, die reeds lang de wonderbare kracht had opgemerkt, welke de zon op zijn ziekelijk lichaam uitoefende. Van zijn jeugd af was hij zwak en ziekelijk geweest, en het was hem niet ontgaan, dat hij zich veel prettiger en opgewekter voelde, als het zonnetje aan den hemel schitterde, dan bij somber, druilig weer. Datzelfde verschil merkte hij op, wanneer hij in een vroolijke, zonnige, of wel in eene donkere, sombere kamer was. Hij begreep, dat dit groote verschil niet alleen een gevolg kon wezen van stemming, maar dat het wel degelijk moest worden toegeschreven aan de genoemde kracht van het licht. De gedachte maakte zich van hem meester, dat het licht dienstbaar kon worden gemaakt aan de geneeskunde, en dat het wellicht niet onmogelijk zou zijn, de lijdende menschheid in sommige gevallen door de kracht van het licht genezing te brengen. Inzonderheid meende hij, dat huidziekten, die doorbacteriën ontstaan, door middel van het licht zouden kunnen worden genezen.
Toen die gedachte zich eenmaal van hem had meester gemaakt, begon hij verschillende proeven te nemen. Hij onderzocht, of de kleuren, waarin men het licht kon ontleden, gelijken of verschillenden invloed uitoefenden op de voorwerpen, die er door werden beschenen. En zoo bleek het hem al spoedig, dat de invloed van die verschillend gekleurde lichtbundels niet dezelfde was en dat men te doen had met twee soorten van lichtstralen, n.l. dewarmtestralen, waartoe de roode behooren, en dechemische stralen, waaronder de violette vielen. Finsen onderzocht, welken invloed die verschillende stralen hadden op vlinders, die hij in een bak plaatste, welke hij met verschillend gekleurde glazen: roode, groene, gele, blauwe, enz. afsloot. Hij merkte op, dat de vlinders kalm en rustig bleven onder het roode glas, waardoor dus alleen de roode stralen toegang hadden,—terwijl zij zeer onrustig werden onder de blauwe glazen. Zij trachtten dan zoo spoedig mogelijk weer hunne schuilplaats onder het roode licht te bereiken. De verschillende werking der roode en blauwe stralen werd daardoor duidelijk aangetoond.
Finsen had zich ook de vraag gesteld, waarom de Schepper de bewoners der tropische gewesten eene donkere huidskleur had gegeven. Hij had de overtuiging, dat dit niet zonder doel was geschied, en dus niet te denken was aan bloot toeval. Hij nam daarom de volgende proef. Op zijn arm schilderde hij met Oostindischen inkt een zwarte plek, waarinhij echter twee plekken, die den vorm hadden van zijne voorletters N. F., onbeschilderd liet. Die plekken bleven dus wit. Vervolgens bevestigde hij op zijn arm door middel van vischlijm verschillend gekleurde reepjes glas, een stuk gewoon glas, en ook nog een stuk bergkristal. Hij liet nu onder voortdurende afkoeling licht van bepaalde sterkte en op een bepaalden afstand op dien arm inwerken. Hij gebruikte daarvoor zoowel zonnelicht als electrisch licht, en wel booglicht van 20 ampères.
Het bleek hem, toen de belichting lang genoeg geduurd had, dat op de plaatsen, waar de gekleurde glaasjes, het gewone glas en de Oost-indische inkt hadden gezeten, het licht zijne inwerking niet vertoonde, maar dat onder het bergkristal en op de plaats der beide letters N. F. een ontsteking van de huid was opgetreden. Na verloop van tijd verdween die ontsteking wel weer, doch nog wel een half jaar later kon hij door sterke wrijving de beide letters weer zichtbaar laten worden. Hij begreep nu, waarom de bewoners der tropische gewesten met een donkere huidskleur waren gezegend.
Meermalen was het ook gebleken, dat gletscherbeklimmers bij hunne tochten onder aan de kin uitslag kregen tengevolge van de reflexwerking van de zonnestralen op het bergkristal, terwijl proeven hadden aangetoond, dat bergkristal alleen de chemische of blauwe stralen doorlaat. Finsen kwam daardoor tot het besluit, dat alleen de chemische stralen de ontsteking op zijn arm hadden veroorzaakt.
Hij nam nog meer proeven, en zag, dat salamandereieren,die gedurende langen tijd aan den invloed van electrisch licht waren blootgesteld, afstierven. Ook op kikvorsch-eieren hadden de chemische stralen eene doodelijke inwerking. Bovendien hadden de geleerden reeds sedert langen tijd opgemerkt, dat rood licht op pokkenlijders een zeer eigenaardigen invloed had. ’t Was namelijk gebleken, dat de ongelukkige lijders aan deze ziekte in kamers, waarin alleen rood licht kon doordringen, niet zulke hooge koortsen kregen als gewoonlijk bij deze ziekte het geval is, en dat de pokpuisten niet in verettering overgingen, zoodat de patienten sneller herstelden en geen litteekens behielden. Dit reeds was een groote schrede voorwaarts op het gebied der geneeskunde, die den armen lijders ten goede kwam.
Ook Finsen had reeds lang proeven in die richting genomen. Eindelijk kwam hij tot het besluit te onderzoeken, of het mogelijk zou zijn ziekte-veroorzakende bacteriën door middel van het licht te dooden. Hij liet voor zijne proeven, glazen buizen vervaardigen met vlakke wanden, en kweekte daarin verschillende soorten bacteriën. Toen liet hij de chemische stralen op deze kolonies inwerken, en kwam tot het verrassende resultaat, dat de bacteriën inderdaad werden gedood. Dit was een reuzenschrede voorwaarts naar het doel, dat hij zich had gesteld, n.l. het middel te vinden om den tuberkel-bacil, waardoor de gevreesde lupusziekte ontstaat, te dooden. Wie kent niet de beklagenswaardige lupuslijders met hunne bloederige gezichten, weggeteerde neuzen, opgezette lippen, tranende oogen? Wie voelt geen medelijden metdeze ongelukkigen, die weten, hoe afzichtelijk hun uiterlijk is en zich door allen geschuwd zien? ’t Was voor Finsen het levensdoel geworden, voor hen het middel te vinden, dat hun redding bracht. En hij heeft het gevonden.
Hij was zoover gevorderd, dat hij wel de lupus-bacillen in zijne glazen buizen kon dooden, maar bij de lijders zitten zij tot diep in de huid doorgedrongen. Hij moest dus nu onderzoeken, of de chemische stralen ook daar hunne doodende uitwerking zouden hebben, of zij zouden doordringen tot de diepere lagen van de huid.
Om dit na te gaan nam hij proeven op honden en katten. Buisjes gevuld met chloorzilver, dat bij de inwerking van ’t licht ontleed werd, bracht hij onder de huid van deze dieren, en zie, toen hij het licht een geruimen tijd had laten inwerken, bleek het hem tot zijne groote vreugde, dat ook in de diepte de chemische stralen hun invloed hadden doen gelden. Het chloorzilver was wel degelijk ontleed.
Zoo achtte hij dan eindelijk het oogenblik gekomen, om zijne studiën ten bate der lijdende menschheid in toepassing te brengen. En hij mocht in 1897 de voldoening smaken een lupus-patient volgens de door hem gevonden methode te genezen, voorwaar een gulden daad, die zijn naam voor altoos terecht beroemd zou maken.
Bij de behandeling van zijne patienten gebruikte hij in den eersten tijd het zonnelicht, maar daar in het hooge noorden de zon zich al even weinig laat zien als bij ons, ging hij er toe over, het electrischlicht voor zijn doel aan te wenden. Dat licht bevat betrekkelijk een veel grooter aantal chemische stralen dan het zonnelicht, wat een groot voordeel voor hem was. Hij bedacht nu een instrument, bestaande uit een koperen cilinder met bergkristallenzen, veel gelijkend op een grooten verrekijker. Hieruit liet hij een bundel electrische lichtstralen op zijne patienten vallen. Dit licht is zoo schel, dat de patient zijn oogen moet sluiten en de verpleegsters, die de lens richten, schermen voor de oogen moeten dragen.
Hij bemerkte al spoedig eene leemte. ’t Bleek hem namelijk, dat het bloed de genezing van de ziekte tegenhield. Hij bedacht daarom, het zieke deel zoodanig met bergkristal te drukken, dat het bloedledig werd, en tot zijn groote blijdschap verrichtten de lichtstralen toen wonderen. Al na weinige dagen trad de beterschap in, en zoo mocht het hem gelukken, zeer vele lijders van de gevreesde ziekte te doen herstellen.
Als een bewijs, hoe de Deensche Staat Finsen’s werk waardeerde, zij vermeld, dat deze dadelijk eene groote som gelds beschikbaar stelde, waardoor Finsen de gelegenheid kreeg, een grootsche inrichting voor lupuslijders te openen. Ook viel hem de Nobelprijs ten deel, welke alleen wordt uitgereikt aan hen, die zich jegens de menschheid buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt.
Finsen, die gedurende zijn geheele leven zwak en ziekelijk was geweest, stierf op den leeftijd van 44 jaar. Ware hem een langer leven beschoren geweest,wie weet, wat hij misschien nog meer ten bate der lijdende menschheid had gedaan,—maar ’t heeft zoo niet mogen zijn.
Gedurende zijne laatste levensjaren was hij aan het ziekbed gekluisterd, maar zijn geest bleef even onvermoeid en werkzaam. Hij liet zijn ledikant naar zijn instituut overbrengen, en iederen morgen kwamen de dokters en verpleegsters aan zijn bed om zijne bevelen te vernemen. Tot aan zijn dood toe bleef hij denken en zoeken, om zoo mogelijk zijn instrumenten nog te verbeteren. ’t Schijnt evenwel, dat die de volmaaktheid reeds nabij komen, want niettegenstaande velen getracht hebben zijn werk te verbeteren, zijn toch overal in de wereld lampen in gebruik, zooals Finsen die heeft uitgedacht. Er is nog zoo goed als niets aan veranderd.
Uit alle streken der wereld bezoeken geneeskundigen de inrichting van Finsen, om zijne geneeswijze te bestudeeren en die in hun vaderland toe te passen. Honderden bij honderden lupus-lijders zijn sedert van hunne ziekte genezen, en zullen zeker den naam van den Deenschen professor Niels Finsen levenslang in gezegend aandenken houden.
Een trouwe slaaf.Frankrijk was in de macht geraakt van de Salische Franken onder hun koning Chlodvig. Wel is waar had deze niet meer dan een legertje van vijf duizend man onder zijne bevelen, maar hij vergoedde aan dapperheid, wat hem aan macht ontbrak. Hij was uit het geslacht der Merovingers, die zich van de andere Franken door hunne lange, op de schouders neergolvende lokken onderscheidden.Chlodvig was dapper, maar trouweloos en wreed. In 486 begon hij den oorlog tegen de Romeinen, die toen nog een deel van Gallië in hun bezit hadden. Hij versloeg Syagrius en doodde hem. Vele kerken werden in dien tijd door Chlodvig’s soldaten geplunderd, want evenals hun koning waren zij toen nog heidenen.Daarin zou echter verandering komen. Hij koos zich Chlotilde, de nicht van den Bourgondischen koning, tot gemalin, en daar deze eene Christin was, rustte zij niet, voordat ook Chlodvig den Christelijken godsdienst had omhelsd.In verscheidene oorlogen maakte hij zich van een groot deel van Gallië meester, en overal voerde hij den Christelijken godsdienst in. ’t Moet echter gezegd worden, dat zijne Franken meer in naam dan metterdaad Christenen waren, want zij bleven eenzeer ruw volkje, dat het woord zachtmoedigheid niet kende.De Roomsch-Katholieke geestelijken werden door Chlodvig met de meeste onderscheiding behandeld, en daar hij veel deed om den Christelijken godsdienst uit te breiden, stond hij bij hen zeer hoog aangeschreven en vergaven zij hem menige daad van geweld, ja zelfs moord en doodslag, die zij in een ander zeker streng zouden hebben afgekeurd. Hij stierf in 511, en liet zijn machtig rijk na aan zijne vier zonen, die elk een deel in bezit namen, maar voortdurend met elkander in oorlog waren. ’t Waren ruwe mannen, die voor geen daad, hoe slecht ook, terugdeinsden. Geen denkbare misdaad was er, die niet door hen werd gepleegd.Toen eens weer een verwoede oorlog was gevoerd tusschen de broeders Theodorik, die het zuidelijk deel van Gallië beheerschte, en Childebert, die koning was over het vroegere Romeinsche gebied, bestaande uit Parijs met de daarom liggende landen,—werd de vrede na een langen strijd bezegeld met wederkeerig aan elkander eenige gijzelaars over te leveren, bestaande uit de aanzienlijkste jongelingen der beide landen.Zoo zag ook Gregorius, de Bisschop van Langres, zich gedwongen, zijn neef Attalus te zien vertrekken naar een vreemd land, waar hij als gijzelaar moest verblijven. Het afscheid viel den hoogen geestelijke zwaar, want hij hield veel van den jongeling. Wel wist hij, dat Attalus niet als gevangene werd weggevoerd, en dat hij in den vreemde als gast bij eenvan de hoofden zou worden gehuisvest, maar hij zag hem toch met droefheid vertrekken naar de ruwe, onbeschaafde Franken, die als ware barbaren leefden. Hoe ongelukkig moest zijn jonge neef, die eene beschaafde opvoeding had genoten, zich wel onder die ruwe mannen gevoelen!Hij bleef echter hopen, dat Attalus vroeger of later weder in vrijheid zou worden gesteld en naar hem zou kunnen terugkeeren. Maar deze hoop was vergeefsch. Attalus keerde niet terug, en de Bisschop toonde zich daarover meermalen zeer bedroefd. Zijne dienaren, welke in die dagen nog lijfeigenen of slaven waren, spraken meermalen over hun jongen meester, van wien zij om zijn beminnelijk karakter allen veel hielden.En ’t zou nog erger worden. Tusschen de beide broeders ontstond een nieuwe twist, waarvan de wederkeerig uitgeleverde gijzelaars de treurige slachtoffers werden. Zij hielden op de gasten te zijn van hunne meesters, en werden tot slaven verlaagd. Iets ergers had deze jongelingen, die tot de aanzienlijkste geslachten huns lands behoorden, niet kunnen treffen. Zij, die vroeger zelf meester over vele slaven waren geweest, moesten thans het geringste werk verrichten en zich voeden met het karige maal, dat ook aan de andere slaven werd toebedeeld. De jonge Attalus werd tot paardenknecht verlaagd.Nauwelijks was de oorlog ontbrand, of eene groote droefheid maakte zich van Bisschop Gregorius meester. Hij begreep zeer goed, dat het thans met de vrijheid van zijn jongen bloedverwant voor goedgedaan was en dat hij ongetwijfeld een bitter lot te verduren moest hebben.Ach,—en hij wist niet eens, waar de ongelukkige zich bevond. Alleen had hem wel eens het gerucht bereikt, dat hij ergens in den omtrek van Metz leefde, maar wáár precies, wist hij niet. Eindelijk kon hij die onzekerheid niet langer verdragen, en besloot hij boden uit te zenden, om zijne verblijfplaats op te sporen. Zoo deed hij, met het gevolg, dat hij te weten kwam, wáár hij zich bevond, en dat hij, als gemeene slaaf, tot paardenboef was verlaagd.Dadelijk besloot de Bisschop een bode naar den meester van Attalus te zenden met geschenken, om hem te verzoeken, den ongelukkigen jongeling in vrijheid te stellen.De Frank hoorde den bode met een spottenden lach aan, weigerde de geschenken aan te nemen, en zeide:“Ik denk er niet over. Als Attalus inderdaad de neef is van Bisschop Gregorius, en tot eene zoo voorname familie behoort, kan hij alleen voor een groote som zijne vrijheid terugkrijgen. Zeg aan den Bisschop, dat ik hem voor tien ponden goud wil ontslaan, en voor niets minder. Voor iemand, zoo machtig en rijk als de Bisschop, is het niet moeilijk, deze som bij elkaar te brengen. Tot zoolang blijft Attalus mijn slaaf.”Met deze boodschap kon de bode terugkeeren, en de Bisschop was ten einde raad, toen hij den hoogen eisch van den Frank vernam. Dadelijk begon hij op middelen te peinzen, om den losprijs op de eeneof andere wijze bij elkaar te krijgen, maar hij koesterde weinig hoop, dat hem dit gelukken zou.Ook onder de lijfeigenen van den Bisschop werd over het geval gesproken, en allen koesterden innig medelijden met hun jongen meester, die onder den ruwen Frank ongetwijfeld een zwaar lot te verduren had. Een van hen, Leo genaamd, die als kok in de keuken van den Bisschop werkzaam was, begaf zich naar zijn heer, en stelde hem voor eene poging te wagen, om Attalus uit zijn slavernij te verlossen. Hij smeekte den Bisschop hem toe te staan, zich naar den Frank te begeven om te zien, wat hij doen kon. Hij begreep, dat hij zich aan groote gevaren ging blootstellen, maar hij had zijn leven gaarne over om zijn jongen meester de vrijheid te hergeven.De Bisschop gaf zijne toestemming, en Leo vertrok. Te voet begaf hij zich op weg naar Trèves, waar Attalus zich bevond, en daar wachtte hij een gunstig oogenblik af, om zich met hem in verbinding te stellen. Eindelijk zag hij Attalus, maar in welk een staat! Zijne sierlijke kleeding, waarin hij hem vroeger had gezien, was vervangen door lompen, zijne haren slingerden hem ordeloos om het hoofd, zijn gelaat was groezelig en vuil. De jonge slaaf had moeite zijn vroegeren meester te herkennen.Leo begaf zich naar een Gallier en zei:“Wilt ge geld verdienen? Ga dan met mij mede naar gindschen Frank, en verkoop mij aan hem als slaaf...”De Galliër keek hem ongeloovig aan.“Ge begrijpt, dat ik hiermede mijne bedoelingheb,” ging Leo voort, “maar die houd ik geheim. Alleen verzoek ik u, mij als slaaf aan dien Frank te verkoopen. Het geld moogt gij behouden. ’t Is dus voor u een gemakkelijke en voordeelige zaak.”De Galliër stemde toe, en beiden begaven zich naar den Frank, wien Leo te koop werd aangeboden.De Frank bekeek den slaaf van het hoofd tot de voeten, en vroeg:“Wat kan hij doen?”Leo haastte zich te zeggen:“O Heer, ik ben een bekwaam kok en kan u de lekkerste tafel bereiden, die maar te bedenken is. Zelfs al kreeg u koningen aan uw disch, zij zouden niet anders dan Uw tafel prijzen, Heer!”“Ha, dat treft!” riep de Frank uit. “Zondag komen mijne vrienden en kennissen bij mij eten. Maak dan een tafel gereed, waarvan zij zeggen: “ik heb zelfs aan de tafel des konings niet lekkerder gegeten.”“Het zal geschieden, Heer,” sprak Leo eenvoudig.De koop werd gesloten voor twaalf goudstukken, en zoo kregen Leo en zijn jongen meester denzelfden heer.De gasten kwamen en kregen een feestmaal, zooals alleen de bekwaamste Romeinsche koks dat konden bereiden, en de gasten betuigden herhaaldelijk hunne groote verwondering over de fijne gerechten, die hun werden voorgezet.Geen wonder, dat Leo bij zijn nieuwen heer in de grootste gunst kwam, wat juist zijne bedoeling was. Weldra mocht hij in de woning van den Frank doen en laten, wat hij wilde.Attalus had hij al meermalen ontmoet, maar hij had hem al dadelijk te kennen gegeven, dat zij zich moesten houden, of zij vreemden voor elkander waren. Tevens had hij hem gezegd, dat hij gekomen was, om hem te redden.Zoo ging een jaar voorbij. Leo was nu de verklaarde gunsteling geworden van zijn heer. Hij gaf toen aan Attalus te kennen, dat thans het oogenblik gekomen was, om de vlucht te wagen.“Houd u van avond wakker, en wees dadelijk gereed, als ik u een teeken geef.”Zoo werd afgesproken. Leo had het dien dag zeer druk, daar zijn meester gasten had, waaronder ook zijn schoonzoon.Deze gebood Leo, toen hij naar bed ging:“Breng mij wat honigwater in mijn slaapvertrek; ik zal vannacht wel dorstig wezen.”Toen Leo aan dat verlangen voldeed, zei de jonge man vroolijk:“Wel, je ziet er uit of je van plan bent, dezen nacht op een van mijn paarden de vlucht te nemen.”Leo schrok niet weinig, toen hij zoo onverwachts hoorde uitspreken, wat hij werkelijk voornemens was, maar hij hield zich goed, en antwoordde lachend:“Ik was juist van plan, dat dezen nacht te doen.”De Frank, die slechts geschertst had, beschouwde dit antwoord ook als een grap, en lachte er om.Toen allen sliepen, begaf Leo zich naar den stal en gaf zacht een teeken aan Attalus, die zijne slaapplaats bij de paarden had. Dadelijk liet deze Leo binnen en zadelden zij twee van de vlugste rossen.“Ik heb geen ander wapen dan deze kleine lans,” zei Attalus.“Wacht, ik zal andere halen,” zei Leo.Hij begaf zich naar het huis van zijn heer en drong zelfs tot diens slaapvertrek door, om diens zwaard en schild weg te nemen. Maar tot zijn grooten schrik werd de Frank wakker en vroeg:“Wie is daar?”“Ik ben het,—ik Leo!—Ik ben opgestaan om Attalus te zeggen, dat hij de paarden morgen vroeg buiten moet brengen, maar hij slaapt als een dronkaard.”De Frankische edelman luisterde al niet meer naar hem en sliep weer in. Toen haastte Leo zich met schild en zwaard naar buiten, en gelukte het hem en Attalus ongezien buiten de omheining te komen.Zij sprongen te paard en reden snel den grooten Romeinschen weg op, die naar Trier voerde. Den eersten hinderpaal ontmoetten zij aan eene rivier, waar zij de brug bewaakt vonden. Zij zagen zich daardoor gedwongen zich met hunne paarden op eenigen afstand te water te begeven en de rivier over te zwemmen. Ongedeerd bereikten zij den anderen oever, en zoo snel het gaan kon, vervolgden zij hun tocht. Zij voedden zich met eenige pruimen, die zij aan een boom vonden. ’s Morgens reden zij verder in de richting van Rheims, steeds voortgejaagd door de vrees, dat hunne ontvluchting ontdekt zou zijn en hunne vervolgers wellicht reeds op weg waren, om hen te achterhalen. O, als dat gebeurde,zou hun lot bij den wreeden Frank ongetwijfeld vreeselijk zijn.Voort dus, altoos voort! Zij gunden hunne rossen ternauwernood de noodige rust, en ’t was de dieren aan te zien, dat zij vermoeid werden en slechts met moeite verder konden.Opeens hoorden zij werkelijk ver achter zich hoefgetrappel op den hard geplaveiden weg. Angstig keken zij rond, waar zij zich verbergen konden, en ontdekten gelukkig een kreupelbosch, dat misschien gelegenheid bood om zich te verschuilen. Haastig sprongen zij van hunne paarden en drongen zoo diep mogelijk in het bosch door. Op eene plaats achter veel takken en bladeren bonden zij hunne paarden vast, en wachtten toen met getrokken zwaard de komst der vervolgers af.Zij naderden! Het hoefgetrappel kwam snel naderbij, en de vluchtelingen zagen de harnassen hunner vervolgers schitteren in de zonnestralen. Nu hadden zij het kreupelbosch bereikt. En o schrik,—daar hielden zij stand en sprongen van de paarden.Hadden zij hun spoor ontdekt? De beide ongelukkigen hielden vol spanning den adem in.Neen,—zij namen slechts een oogenblik rust, om hunne harnassen te verschikken en even te verpoozen. Weldra sprongen zij weder te paard en vervolgden hun tocht.O, hoe heerlijk was het voor hun beiden om te luisteren naar het zich steeds verwijderende hoefgetrappel, dat weldra geheel wegstierf in de verte.Zij hielden zich nog langen tijd schuil en bereikten den volgenden nacht de stad Rheims, waar zij een priester kenden, Paul geheeten, die een vriend was van Bisschop Gregorius.Zij waren zoo gelukkig hem te vinden, juist toen de bel werd geluid voor den morgendienst, wat hun aangenaam in de ooren klonk. Dadelijk maakte Attalus zich aan hem bekend, en de goede man gaf hun brood en wijn, om zich te verkwikken. Zij hadden in langen tijd niets gegeten. Bovendien wees hij hun eene schuilplaats aan, waar zij zich verbergen konden. Dat was maar goed ook, want op datzelfde oogenblik doolde de Frank reeds door de straten van Rheims, om zijne weggeloopen slaven op te sporen.Eindelijk kwam hij zelfs bij den priester Paul, om hem te ondervragen, want hij wist, dat de priester een vriend was van Attalus’ oom,—maar de brave man verried hen niet.Na twee dagen vruchteloos in Rheims te hebben gezocht, gaf de Frank zijne pogingen op en keerde naar huis terug. En toen waagden Attalus en Leo het uit hun schuilplaats te voorschijn te komen, en, na den Priester hartelijk dank te hebben gezegd, hun weg te vervolgen. Het grootste gevaar was nu geweken, en ongedeerd bereikten zij het doel van hunne reis.Ontroerd vielen Bisschop Gregorius en Attalus elkander in de armen, en Leo ontving het loon, dat hij door zijn trouw en moed dubbel had verdiend. Hij werd met groote plechtigheid naar de kerk geleid, waarvan alle deuren wijd werden open gezetten teeken, dat hij een vrij man was, die zich begeven mocht, waarheen hij wilde.Toen nam de Bisschop hem bij de hand, en staande voor den Aarts-bisschop verklaarde hij, dat hij hem de vrijheid gaf en tot Romeinsch burger maakte. Nooit meer kon hij tot den staat van slavernij vervallen. Wie in de kerk, ten aanhoore van Bisschoppen, dekens of priesters eenmaal tot een vrij man was verklaard, bleef dat gedurende zijn geheele leven.En dat geluk viel Leo te beurt als loon voor zijn moed en trouw.
Frankrijk was in de macht geraakt van de Salische Franken onder hun koning Chlodvig. Wel is waar had deze niet meer dan een legertje van vijf duizend man onder zijne bevelen, maar hij vergoedde aan dapperheid, wat hem aan macht ontbrak. Hij was uit het geslacht der Merovingers, die zich van de andere Franken door hunne lange, op de schouders neergolvende lokken onderscheidden.
Chlodvig was dapper, maar trouweloos en wreed. In 486 begon hij den oorlog tegen de Romeinen, die toen nog een deel van Gallië in hun bezit hadden. Hij versloeg Syagrius en doodde hem. Vele kerken werden in dien tijd door Chlodvig’s soldaten geplunderd, want evenals hun koning waren zij toen nog heidenen.
Daarin zou echter verandering komen. Hij koos zich Chlotilde, de nicht van den Bourgondischen koning, tot gemalin, en daar deze eene Christin was, rustte zij niet, voordat ook Chlodvig den Christelijken godsdienst had omhelsd.
In verscheidene oorlogen maakte hij zich van een groot deel van Gallië meester, en overal voerde hij den Christelijken godsdienst in. ’t Moet echter gezegd worden, dat zijne Franken meer in naam dan metterdaad Christenen waren, want zij bleven eenzeer ruw volkje, dat het woord zachtmoedigheid niet kende.
De Roomsch-Katholieke geestelijken werden door Chlodvig met de meeste onderscheiding behandeld, en daar hij veel deed om den Christelijken godsdienst uit te breiden, stond hij bij hen zeer hoog aangeschreven en vergaven zij hem menige daad van geweld, ja zelfs moord en doodslag, die zij in een ander zeker streng zouden hebben afgekeurd. Hij stierf in 511, en liet zijn machtig rijk na aan zijne vier zonen, die elk een deel in bezit namen, maar voortdurend met elkander in oorlog waren. ’t Waren ruwe mannen, die voor geen daad, hoe slecht ook, terugdeinsden. Geen denkbare misdaad was er, die niet door hen werd gepleegd.
Toen eens weer een verwoede oorlog was gevoerd tusschen de broeders Theodorik, die het zuidelijk deel van Gallië beheerschte, en Childebert, die koning was over het vroegere Romeinsche gebied, bestaande uit Parijs met de daarom liggende landen,—werd de vrede na een langen strijd bezegeld met wederkeerig aan elkander eenige gijzelaars over te leveren, bestaande uit de aanzienlijkste jongelingen der beide landen.
Zoo zag ook Gregorius, de Bisschop van Langres, zich gedwongen, zijn neef Attalus te zien vertrekken naar een vreemd land, waar hij als gijzelaar moest verblijven. Het afscheid viel den hoogen geestelijke zwaar, want hij hield veel van den jongeling. Wel wist hij, dat Attalus niet als gevangene werd weggevoerd, en dat hij in den vreemde als gast bij eenvan de hoofden zou worden gehuisvest, maar hij zag hem toch met droefheid vertrekken naar de ruwe, onbeschaafde Franken, die als ware barbaren leefden. Hoe ongelukkig moest zijn jonge neef, die eene beschaafde opvoeding had genoten, zich wel onder die ruwe mannen gevoelen!
Hij bleef echter hopen, dat Attalus vroeger of later weder in vrijheid zou worden gesteld en naar hem zou kunnen terugkeeren. Maar deze hoop was vergeefsch. Attalus keerde niet terug, en de Bisschop toonde zich daarover meermalen zeer bedroefd. Zijne dienaren, welke in die dagen nog lijfeigenen of slaven waren, spraken meermalen over hun jongen meester, van wien zij om zijn beminnelijk karakter allen veel hielden.
En ’t zou nog erger worden. Tusschen de beide broeders ontstond een nieuwe twist, waarvan de wederkeerig uitgeleverde gijzelaars de treurige slachtoffers werden. Zij hielden op de gasten te zijn van hunne meesters, en werden tot slaven verlaagd. Iets ergers had deze jongelingen, die tot de aanzienlijkste geslachten huns lands behoorden, niet kunnen treffen. Zij, die vroeger zelf meester over vele slaven waren geweest, moesten thans het geringste werk verrichten en zich voeden met het karige maal, dat ook aan de andere slaven werd toebedeeld. De jonge Attalus werd tot paardenknecht verlaagd.
Nauwelijks was de oorlog ontbrand, of eene groote droefheid maakte zich van Bisschop Gregorius meester. Hij begreep zeer goed, dat het thans met de vrijheid van zijn jongen bloedverwant voor goedgedaan was en dat hij ongetwijfeld een bitter lot te verduren moest hebben.
Ach,—en hij wist niet eens, waar de ongelukkige zich bevond. Alleen had hem wel eens het gerucht bereikt, dat hij ergens in den omtrek van Metz leefde, maar wáár precies, wist hij niet. Eindelijk kon hij die onzekerheid niet langer verdragen, en besloot hij boden uit te zenden, om zijne verblijfplaats op te sporen. Zoo deed hij, met het gevolg, dat hij te weten kwam, wáár hij zich bevond, en dat hij, als gemeene slaaf, tot paardenboef was verlaagd.
Dadelijk besloot de Bisschop een bode naar den meester van Attalus te zenden met geschenken, om hem te verzoeken, den ongelukkigen jongeling in vrijheid te stellen.
De Frank hoorde den bode met een spottenden lach aan, weigerde de geschenken aan te nemen, en zeide:
“Ik denk er niet over. Als Attalus inderdaad de neef is van Bisschop Gregorius, en tot eene zoo voorname familie behoort, kan hij alleen voor een groote som zijne vrijheid terugkrijgen. Zeg aan den Bisschop, dat ik hem voor tien ponden goud wil ontslaan, en voor niets minder. Voor iemand, zoo machtig en rijk als de Bisschop, is het niet moeilijk, deze som bij elkaar te brengen. Tot zoolang blijft Attalus mijn slaaf.”
Met deze boodschap kon de bode terugkeeren, en de Bisschop was ten einde raad, toen hij den hoogen eisch van den Frank vernam. Dadelijk begon hij op middelen te peinzen, om den losprijs op de eeneof andere wijze bij elkaar te krijgen, maar hij koesterde weinig hoop, dat hem dit gelukken zou.
Ook onder de lijfeigenen van den Bisschop werd over het geval gesproken, en allen koesterden innig medelijden met hun jongen meester, die onder den ruwen Frank ongetwijfeld een zwaar lot te verduren had. Een van hen, Leo genaamd, die als kok in de keuken van den Bisschop werkzaam was, begaf zich naar zijn heer, en stelde hem voor eene poging te wagen, om Attalus uit zijn slavernij te verlossen. Hij smeekte den Bisschop hem toe te staan, zich naar den Frank te begeven om te zien, wat hij doen kon. Hij begreep, dat hij zich aan groote gevaren ging blootstellen, maar hij had zijn leven gaarne over om zijn jongen meester de vrijheid te hergeven.
De Bisschop gaf zijne toestemming, en Leo vertrok. Te voet begaf hij zich op weg naar Trèves, waar Attalus zich bevond, en daar wachtte hij een gunstig oogenblik af, om zich met hem in verbinding te stellen. Eindelijk zag hij Attalus, maar in welk een staat! Zijne sierlijke kleeding, waarin hij hem vroeger had gezien, was vervangen door lompen, zijne haren slingerden hem ordeloos om het hoofd, zijn gelaat was groezelig en vuil. De jonge slaaf had moeite zijn vroegeren meester te herkennen.
Leo begaf zich naar een Gallier en zei:
“Wilt ge geld verdienen? Ga dan met mij mede naar gindschen Frank, en verkoop mij aan hem als slaaf...”
De Galliër keek hem ongeloovig aan.
“Ge begrijpt, dat ik hiermede mijne bedoelingheb,” ging Leo voort, “maar die houd ik geheim. Alleen verzoek ik u, mij als slaaf aan dien Frank te verkoopen. Het geld moogt gij behouden. ’t Is dus voor u een gemakkelijke en voordeelige zaak.”
De Galliër stemde toe, en beiden begaven zich naar den Frank, wien Leo te koop werd aangeboden.
De Frank bekeek den slaaf van het hoofd tot de voeten, en vroeg:
“Wat kan hij doen?”
Leo haastte zich te zeggen:
“O Heer, ik ben een bekwaam kok en kan u de lekkerste tafel bereiden, die maar te bedenken is. Zelfs al kreeg u koningen aan uw disch, zij zouden niet anders dan Uw tafel prijzen, Heer!”
“Ha, dat treft!” riep de Frank uit. “Zondag komen mijne vrienden en kennissen bij mij eten. Maak dan een tafel gereed, waarvan zij zeggen: “ik heb zelfs aan de tafel des konings niet lekkerder gegeten.”
“Het zal geschieden, Heer,” sprak Leo eenvoudig.
De koop werd gesloten voor twaalf goudstukken, en zoo kregen Leo en zijn jongen meester denzelfden heer.
De gasten kwamen en kregen een feestmaal, zooals alleen de bekwaamste Romeinsche koks dat konden bereiden, en de gasten betuigden herhaaldelijk hunne groote verwondering over de fijne gerechten, die hun werden voorgezet.
Geen wonder, dat Leo bij zijn nieuwen heer in de grootste gunst kwam, wat juist zijne bedoeling was. Weldra mocht hij in de woning van den Frank doen en laten, wat hij wilde.
Attalus had hij al meermalen ontmoet, maar hij had hem al dadelijk te kennen gegeven, dat zij zich moesten houden, of zij vreemden voor elkander waren. Tevens had hij hem gezegd, dat hij gekomen was, om hem te redden.
Zoo ging een jaar voorbij. Leo was nu de verklaarde gunsteling geworden van zijn heer. Hij gaf toen aan Attalus te kennen, dat thans het oogenblik gekomen was, om de vlucht te wagen.
“Houd u van avond wakker, en wees dadelijk gereed, als ik u een teeken geef.”
Zoo werd afgesproken. Leo had het dien dag zeer druk, daar zijn meester gasten had, waaronder ook zijn schoonzoon.
Deze gebood Leo, toen hij naar bed ging:
“Breng mij wat honigwater in mijn slaapvertrek; ik zal vannacht wel dorstig wezen.”
Toen Leo aan dat verlangen voldeed, zei de jonge man vroolijk:
“Wel, je ziet er uit of je van plan bent, dezen nacht op een van mijn paarden de vlucht te nemen.”
Leo schrok niet weinig, toen hij zoo onverwachts hoorde uitspreken, wat hij werkelijk voornemens was, maar hij hield zich goed, en antwoordde lachend:
“Ik was juist van plan, dat dezen nacht te doen.”
De Frank, die slechts geschertst had, beschouwde dit antwoord ook als een grap, en lachte er om.
Toen allen sliepen, begaf Leo zich naar den stal en gaf zacht een teeken aan Attalus, die zijne slaapplaats bij de paarden had. Dadelijk liet deze Leo binnen en zadelden zij twee van de vlugste rossen.
“Ik heb geen ander wapen dan deze kleine lans,” zei Attalus.
“Wacht, ik zal andere halen,” zei Leo.
Hij begaf zich naar het huis van zijn heer en drong zelfs tot diens slaapvertrek door, om diens zwaard en schild weg te nemen. Maar tot zijn grooten schrik werd de Frank wakker en vroeg:
“Wie is daar?”
“Ik ben het,—ik Leo!—Ik ben opgestaan om Attalus te zeggen, dat hij de paarden morgen vroeg buiten moet brengen, maar hij slaapt als een dronkaard.”
De Frankische edelman luisterde al niet meer naar hem en sliep weer in. Toen haastte Leo zich met schild en zwaard naar buiten, en gelukte het hem en Attalus ongezien buiten de omheining te komen.
Zij sprongen te paard en reden snel den grooten Romeinschen weg op, die naar Trier voerde. Den eersten hinderpaal ontmoetten zij aan eene rivier, waar zij de brug bewaakt vonden. Zij zagen zich daardoor gedwongen zich met hunne paarden op eenigen afstand te water te begeven en de rivier over te zwemmen. Ongedeerd bereikten zij den anderen oever, en zoo snel het gaan kon, vervolgden zij hun tocht. Zij voedden zich met eenige pruimen, die zij aan een boom vonden. ’s Morgens reden zij verder in de richting van Rheims, steeds voortgejaagd door de vrees, dat hunne ontvluchting ontdekt zou zijn en hunne vervolgers wellicht reeds op weg waren, om hen te achterhalen. O, als dat gebeurde,zou hun lot bij den wreeden Frank ongetwijfeld vreeselijk zijn.
Voort dus, altoos voort! Zij gunden hunne rossen ternauwernood de noodige rust, en ’t was de dieren aan te zien, dat zij vermoeid werden en slechts met moeite verder konden.
Opeens hoorden zij werkelijk ver achter zich hoefgetrappel op den hard geplaveiden weg. Angstig keken zij rond, waar zij zich verbergen konden, en ontdekten gelukkig een kreupelbosch, dat misschien gelegenheid bood om zich te verschuilen. Haastig sprongen zij van hunne paarden en drongen zoo diep mogelijk in het bosch door. Op eene plaats achter veel takken en bladeren bonden zij hunne paarden vast, en wachtten toen met getrokken zwaard de komst der vervolgers af.
Zij naderden! Het hoefgetrappel kwam snel naderbij, en de vluchtelingen zagen de harnassen hunner vervolgers schitteren in de zonnestralen. Nu hadden zij het kreupelbosch bereikt. En o schrik,—daar hielden zij stand en sprongen van de paarden.
Hadden zij hun spoor ontdekt? De beide ongelukkigen hielden vol spanning den adem in.
Neen,—zij namen slechts een oogenblik rust, om hunne harnassen te verschikken en even te verpoozen. Weldra sprongen zij weder te paard en vervolgden hun tocht.
O, hoe heerlijk was het voor hun beiden om te luisteren naar het zich steeds verwijderende hoefgetrappel, dat weldra geheel wegstierf in de verte.
Zij hielden zich nog langen tijd schuil en bereikten den volgenden nacht de stad Rheims, waar zij een priester kenden, Paul geheeten, die een vriend was van Bisschop Gregorius.Zij waren zoo gelukkig hem te vinden, juist toen de bel werd geluid voor den morgendienst, wat hun aangenaam in de ooren klonk. Dadelijk maakte Attalus zich aan hem bekend, en de goede man gaf hun brood en wijn, om zich te verkwikken. Zij hadden in langen tijd niets gegeten. Bovendien wees hij hun eene schuilplaats aan, waar zij zich verbergen konden. Dat was maar goed ook, want op datzelfde oogenblik doolde de Frank reeds door de straten van Rheims, om zijne weggeloopen slaven op te sporen.
Eindelijk kwam hij zelfs bij den priester Paul, om hem te ondervragen, want hij wist, dat de priester een vriend was van Attalus’ oom,—maar de brave man verried hen niet.
Na twee dagen vruchteloos in Rheims te hebben gezocht, gaf de Frank zijne pogingen op en keerde naar huis terug. En toen waagden Attalus en Leo het uit hun schuilplaats te voorschijn te komen, en, na den Priester hartelijk dank te hebben gezegd, hun weg te vervolgen. Het grootste gevaar was nu geweken, en ongedeerd bereikten zij het doel van hunne reis.
Ontroerd vielen Bisschop Gregorius en Attalus elkander in de armen, en Leo ontving het loon, dat hij door zijn trouw en moed dubbel had verdiend. Hij werd met groote plechtigheid naar de kerk geleid, waarvan alle deuren wijd werden open gezetten teeken, dat hij een vrij man was, die zich begeven mocht, waarheen hij wilde.
Toen nam de Bisschop hem bij de hand, en staande voor den Aarts-bisschop verklaarde hij, dat hij hem de vrijheid gaf en tot Romeinsch burger maakte. Nooit meer kon hij tot den staat van slavernij vervallen. Wie in de kerk, ten aanhoore van Bisschoppen, dekens of priesters eenmaal tot een vrij man was verklaard, bleef dat gedurende zijn geheele leven.
En dat geluk viel Leo te beurt als loon voor zijn moed en trouw.
David Livingstone.Te Ulva, een der Hebridische eilanden, die ten noorden van Schotland liggen, werd in 1813 een knaapje geboren, dat eenmaal zijn naam wereldberoemd zou maken. Hij heette David Livingstone en was de zoon van eenvoudige, maar zeer geachte ouders. Van zijn grootvader vertelt hij, hoe deze, toen hij op zijn sterfbed lag, al zijne kinderen tot zich riep en tot hen sprak:“Ik heb mijn leven lang alle overleveringen, op onze familie betrekking hebbende, verzameld,—en nooit heb ik gevonden, dat een onzer voorouders oneerlijk is geweest. Wordt dus een uwer of een uwer kinderen oneerlijk, dan zit dat niet in het bloed, dat door uwe aderen stroomt. Ons bloed is niet eerloos. Ik laat u dezen levensregel na: “Weest rechtschapen!”Welnu, als dat werkelijk de levensregel van het geslacht der Livingstones is geweest, dan is het knaapje, dat in 1813 op het genoemde eiland het eerste levenslicht aanschouwde, dien regel getrouw gebleven. De kleine David groeide op tot een vroom Christen, eenvoudig van hart en rein van levenswandel.Zijne ouders waren te arm om hem eene wetenschappelijke opleiding te doen geven, hoewel Davidal vroeg toonde zeer leergierig te zijn en altoos met zijn neus in de boeken zat. Op tienjarigen leeftijd reeds werd hij op eene fabriek geplaatst en moest hij daar werk verrichten van den morgen tot den avond. Zijne leergierigheid had hij echter niet aan de deur der fabriek achtergelaten,—neen, hij kocht reeds voor zijn eerste weekloon een Latijnsche spraakkunst, en wist zijn werk zoo in te richten, dat hij in de fabriek zijn taak kon verrichten en tegelijkertijd toch zijne leergierigheid bevredigen. Hij kon werken en lezen tegelijk. Hij legde zich met zooveel ijver op de studie van het Latijn toe, dat zijne moeder hem dikwijls na middernacht het boek met geweld ontrukken moest. En niet alleen op het Latijn legde hij zich toe, maar hij bestudeerde ook de plantenkunde, de genees- en de sterrenkunde. Ook las hij een tal van reisbeschrijvingen, waardoor de lust tot het bezoeken van vreemde landen en volken bij hem werd gewekt, welke hem eenmaal tot een beroemd ontdekkingsreiziger zou maken. In zijne vrije uren zwierf hij later gaarne over de bergen, en was het hem een genot eene verzameling aan te leggen van de schelpen, die hij op zijn weg ontmoette.Later vestigde hij zich metterwoon te Glasgow, waar hij nog beter gelegenheid kreeg om zich te ontwikkelen. Hoewel ook hier in een fabriek werkzaam, vond hij toch gelegenheid in die academiestad de voorlezingen te volgen over wijsbegeerte en theologie, en lessen te nemen in de Grieksche taal en de medicijnen. Hij studeerde met zooveel ijver en volharding, dat hij eindelijk zelfs den graad vandoctor in de medicijnen en in de chirurgie verwierf. Hij was intusschen opgegroeid tot een geloovig Christen, en zijn liefste wensch was het geworden, als zendeling onder de heidensche volken werkzaam te zijn, en hun het Evangelie te brengen.Hij bood zijne diensten aan het Londensche zendeling-genootschap aan en vertrok in 1840 naar Zuid-Afrika, waar hij mede-arbeider werd van den verdienstelijken zendeling Robert Moffat, met wiens dochter hij later in het huwelijk trad.Bijna tien jaren bracht Livingstone onder het volk der Betschuanen, en wel het meest te Kolobeng door, ten noorden van Kuruman, bij de Bakuena, waar hij geheel en al met de taal, de zeden en gewoonten der Betschuanen op de hoogte kwam. Hij was een weldoener voor de onbeschaafde zwarten, en toonde zich een ernstig tegenstander van hunne oostelijke naburen, de boeren, van wie zij veel te lijden hadden. Door de oprichting van scholen, door zijne diensten als tuinier, timmerman of smid, door zijn hulp als geneesheer, en door zijne groote gaven van geest en hart kreeg hij op de wilde volksstammen een grooten invloed en was zijne aanwezigheid daar voor hen een ware weldaad. Zijne vrouw stond hem bij zijn arbeid trouw ter zijde en was in alle opzichten zijne helpster en zijn steun. Hij stichtte zendings-stations te Mabotsa en Kolobeng en breidde zijn arbeidsveld steeds verder uit.Eindelijk besloot hij dieper de binnenlanden in te trekken, en bereikte zoo in 1849 het Ngami-meer en den Sugastroom. Van 1851–1853 zette hij zijntocht voort en deed daarbij vele ontdekkingen, die voor de aardrijkskundige wetenschap van het grootste belang waren. Hij werd nu van lieverlede meer ontdekkingsreiziger dan zendeling, en doorkruiste van 1854–1856 het geheele Afrikaansche vasteland van Loanda aan de west- tot Quillemane aan de oostkust. Bijna overal gelukte het hem het vertrouwen der volksstammen, die hij op zijne reizen bezocht, te winnen, maar dikwijls ook was hij aan de grootste gevaren blootgesteld en werd hij met den dood bedreigd.Eindelijk keerde hij na een verblijf van zestien jaren in het donkere Afrika naar Engeland terug, waar hij van zijne reizen eene beschrijving gaf onder den titel: “Missionary travels and researches in South Africa.”Later heeft hij nog meer reizen in dat werelddeel gemaakt, maar de resultaten van zijn eerste verblijf aldaar bleven de belangrijkste.In zijn tweede reis van 1858 tot 1864 was Livingstone niet meer de zendeling van het Londensche zendelinggenootschap, maar het hoofd eener expeditie, door het Engelsche gouvernement uitgezonden, en wel door lord Clarendon, minister van buitenlandsche zaken op touw gezet, om de reeds verkregen kennis van de geografie, de minerale producten en veldgewassen van Oost- en Centraal-Afrika te vermeerderen, betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen of uit te breiden, en eene ruilhandel tusschen hen en Engeland te openen. Hij onderzocht op dien tocht de Zambezi-mondingen, voer met een stoomboot de Schire op tot aan het meer Schirwa,en ontdekte het Nyassa-meer. Een zware slag trof hem den 27enApril 1862, toen hem zijne geliefde vrouw door den dood ontnomen werd. ’s Avonds blies zij den laatsten adem uit, en reeds den volgenden morgen werd zij onder een grooten babab-boom begraven. Zij was eene edele vrouw, die hem op zijne vele en moeilijke zwerftochten getrouw ter zijde had gestaan.In 1864 werd zijne expeditie door de regeering ontbonden, maar reeds twee jaar later begaf hij zich opnieuw op weg naar het hem lief geworden werelddeel. Deze reis was zijn laatste, en veel meer dan vroeger bracht hij zijne vrienden en bewonderaars in ongerustheid, door weinig of geen berichten te zenden. Eindelijk bereikte hun zelfs het gerucht van zijn dood. Men wist te vertellen, dat hij van Ngomano in Zuidwestelijke richting naar het meer Nyassa was gereisd, hetwelk hij was overgestoken. Daar zou hij echter door een troep Mazitu overvallen en door een bijlslag doodelijk getroffen zijn. De boodschappers van deze droevige tijding verklaarden zelfs, dat zij hem zelf een graf gegraven en hem daarin neergelegd hadden.Er waren echter enkelen, die niet aan zijn dood geloofden, zoodat, om zekerheid dienaangaande te verkrijgen, door het geografisch genootschap te Londen eene expeditie werd uitgezonden, om naar den moord een onderzoek te doen en de plaats, waar de misdaad zou hebben plaats gehad, vast te stellen.’t Bleek toen, dat het slechts een gerucht was geweest, en niets meer.Eindelijk werd alle twijfel opgeheven door een brief van Livingstone zelf, die geschreven was op 1 en 2 Februari 1867, maar eerst ontvangen werd in April 1868. Hij was dus langer dan een jaar onderweg geweest. Later kwam er nog een brief van hem, geschreven den 16enDecember 1867. Daarna werd weer gedurende langen tijd niets van hem gehoord, en reeds begon men weer ongerust over hem te worden, toen men opnieuw een brief van hem ontving, waarin hij berichtte, dat hij de bronnen van den Nijl had ontdekt.Na dien tijd hoorde men niets meer van den beroemden man, en eindelijk begon men te vreezen, dat hij òf vermoord zou zijn, òf in groote moeilijkheden verkeerde. Eindelijk besloot de Redactie van de New-York Herald eene expeditie uit te zenden, om hem op te sporen en hem, zoo noodig, hulp te verschaffen.Den 16enOctober ontving Henri M. Stanley, een van de correspondenten van dat blad, in Spanje een telegram van den uitgever, afgezonden uit Parijs, met de tijding, dat hij onmiddellijk voor eene gewichtige opdracht naar Parijs moest komen.Stanley haastte zich aan dat bevel te voldoen. Hij begaf zich dadelijk op reis, meldde zich aan het hôtel van den uitgever, wiens naam James Gordon Bennett was, en vroeg dezen heer te spreken. De heer Bennett lag reeds te bed, want ’t was in het hartje van den nacht, toen Stanley daar aankwam,—maar hij stond dadelijk op.Zoodra Stanley bij hem binnenkwam, vroeg hij:“Mijnheer, weet gij ook, waar zich op ’t oogenblik Livingstone bevindt?”“Mijnheer,” antwoordde Stanley, “ik heb daar niet het flauwste denkbeeld van.”“Welnu, ga hem dan zoeken. Neem vooreerst duizend pond sterling op. Zijn die verbruikt, neem er dan weer duizend. Zijn, ook die uitgegeven, beschik dan andermaal over duizend pond, en desnoods nog eens daarna,—maar vind dr. Livingstone. Goeden nacht, mijnheer Stanley, God behoede u!”Stanley reisde af, om Livingstone te zoeken. In 1871 kwam hij te Zanzibar aan. Nadat hij met de behoedzaamheid van den man, wien het “ontdekken” in totaal vreemde streken bijna van zijne kinderjaren af eigen was, eene groote expeditie georganiseerd en uitgerust had, begon hij 21 Maart den tocht naar het binnenland. ’t Was eene moeilijke reis, maar zij werd met een gelukkigen uitslag bekroond. Aan den oostelijken oever van het Tanganajika-meer, in het dorp Oedsjidsji vond hij den 10enNovember den lang vermisten natuurvorscher. Op ongeveer 3000 schreden afstands van Livingstone’s verblijf ontmoette hij eerst Soesi, den bediende van den beroemden man. Stanley beschrijft zijne ontmoeting met Livingstone aldus:“Ik duwde de menigte terug en schreed tusschen een laan van menschen vooruit, totdat ik aan den door Arabieren gevormden halven cirkel was gekomen, waarvóór de grijsgebaarde blanke stond. Langzaam naderend merkte ik op, dat hij er bleek en vermoeid uitzag, eene blauwachtige muts met verschotengouden band op het hoofd had en een buisje met roode mouwen en eene grijze broek droeg. In dit oogenblik zou ik gaarne op hem zijn losgestormd, maar ik was in tegenwoordigheid van zulk een hoop gespuis te laf daartoe. Ik zou hem gaarne om den hals zijn gevallen, maar wist niet hoe hij, Engelschman, mij zou ontvangen. Ik deed dus, wat lafheid en valsche trots mij als het beste ingaven, trad voorzichtig op hem toe, nam mijn hoed af en zei: ‘Dr. Livingstone, naar ik vermoed.’”“Ja,” antwoordde hij met een vriendelijk lachje en even aan zijn pet lichtend. Ik zette mijn hoed weer op, hij zijne pet, wij schudden elkander hartelijk de hand, en ik zeide luide: “Ik dank God, heer doctor, dat Hij mij vergund heeft, u te zien.”“En ik ben dankbaar,” antwoordde hij, “dat ik u begroeten kan.”In December hebben deze twee beroemde mannen samen den noordelijken oever van het Tanganajika-meer bereisd, en den 18enFebruari 1872 bereikten zij Oenjanjembe, waar Livingstone bleef om de noodige middelen tot voortzetting van zijne navorschingen af te wachten. Stanley nam een hartelijk afscheid van hem en aanvaardde 14 Maart den terugtocht.David Livingstone stierf in het zwarte werelddeel den 1enMei 1873, in den ouderdom van zestig jaar. In 1874 werd zijn lijk naar Londen overgebracht en in de Westminster-abdij, de rustplaats van talrijke beroemde mannen, bijgezet.Rechts aan het hoofdeinde der lijkbaar, een slip van het lijkkleed dragend, liep Stanley, verbrand doorde Afrikaansche zon, want hij was juist van eene nieuwe reis uit Afrika teruggekeerd. Thans begeleidde hij den beroemden man naar een ander “donker werelddeel,” waarvan echter geen zwerveling ooit terugkeert.
Te Ulva, een der Hebridische eilanden, die ten noorden van Schotland liggen, werd in 1813 een knaapje geboren, dat eenmaal zijn naam wereldberoemd zou maken. Hij heette David Livingstone en was de zoon van eenvoudige, maar zeer geachte ouders. Van zijn grootvader vertelt hij, hoe deze, toen hij op zijn sterfbed lag, al zijne kinderen tot zich riep en tot hen sprak:
“Ik heb mijn leven lang alle overleveringen, op onze familie betrekking hebbende, verzameld,—en nooit heb ik gevonden, dat een onzer voorouders oneerlijk is geweest. Wordt dus een uwer of een uwer kinderen oneerlijk, dan zit dat niet in het bloed, dat door uwe aderen stroomt. Ons bloed is niet eerloos. Ik laat u dezen levensregel na: “Weest rechtschapen!”
Welnu, als dat werkelijk de levensregel van het geslacht der Livingstones is geweest, dan is het knaapje, dat in 1813 op het genoemde eiland het eerste levenslicht aanschouwde, dien regel getrouw gebleven. De kleine David groeide op tot een vroom Christen, eenvoudig van hart en rein van levenswandel.
Zijne ouders waren te arm om hem eene wetenschappelijke opleiding te doen geven, hoewel Davidal vroeg toonde zeer leergierig te zijn en altoos met zijn neus in de boeken zat. Op tienjarigen leeftijd reeds werd hij op eene fabriek geplaatst en moest hij daar werk verrichten van den morgen tot den avond. Zijne leergierigheid had hij echter niet aan de deur der fabriek achtergelaten,—neen, hij kocht reeds voor zijn eerste weekloon een Latijnsche spraakkunst, en wist zijn werk zoo in te richten, dat hij in de fabriek zijn taak kon verrichten en tegelijkertijd toch zijne leergierigheid bevredigen. Hij kon werken en lezen tegelijk. Hij legde zich met zooveel ijver op de studie van het Latijn toe, dat zijne moeder hem dikwijls na middernacht het boek met geweld ontrukken moest. En niet alleen op het Latijn legde hij zich toe, maar hij bestudeerde ook de plantenkunde, de genees- en de sterrenkunde. Ook las hij een tal van reisbeschrijvingen, waardoor de lust tot het bezoeken van vreemde landen en volken bij hem werd gewekt, welke hem eenmaal tot een beroemd ontdekkingsreiziger zou maken. In zijne vrije uren zwierf hij later gaarne over de bergen, en was het hem een genot eene verzameling aan te leggen van de schelpen, die hij op zijn weg ontmoette.
Later vestigde hij zich metterwoon te Glasgow, waar hij nog beter gelegenheid kreeg om zich te ontwikkelen. Hoewel ook hier in een fabriek werkzaam, vond hij toch gelegenheid in die academiestad de voorlezingen te volgen over wijsbegeerte en theologie, en lessen te nemen in de Grieksche taal en de medicijnen. Hij studeerde met zooveel ijver en volharding, dat hij eindelijk zelfs den graad vandoctor in de medicijnen en in de chirurgie verwierf. Hij was intusschen opgegroeid tot een geloovig Christen, en zijn liefste wensch was het geworden, als zendeling onder de heidensche volken werkzaam te zijn, en hun het Evangelie te brengen.
Hij bood zijne diensten aan het Londensche zendeling-genootschap aan en vertrok in 1840 naar Zuid-Afrika, waar hij mede-arbeider werd van den verdienstelijken zendeling Robert Moffat, met wiens dochter hij later in het huwelijk trad.
Bijna tien jaren bracht Livingstone onder het volk der Betschuanen, en wel het meest te Kolobeng door, ten noorden van Kuruman, bij de Bakuena, waar hij geheel en al met de taal, de zeden en gewoonten der Betschuanen op de hoogte kwam. Hij was een weldoener voor de onbeschaafde zwarten, en toonde zich een ernstig tegenstander van hunne oostelijke naburen, de boeren, van wie zij veel te lijden hadden. Door de oprichting van scholen, door zijne diensten als tuinier, timmerman of smid, door zijn hulp als geneesheer, en door zijne groote gaven van geest en hart kreeg hij op de wilde volksstammen een grooten invloed en was zijne aanwezigheid daar voor hen een ware weldaad. Zijne vrouw stond hem bij zijn arbeid trouw ter zijde en was in alle opzichten zijne helpster en zijn steun. Hij stichtte zendings-stations te Mabotsa en Kolobeng en breidde zijn arbeidsveld steeds verder uit.
Eindelijk besloot hij dieper de binnenlanden in te trekken, en bereikte zoo in 1849 het Ngami-meer en den Sugastroom. Van 1851–1853 zette hij zijntocht voort en deed daarbij vele ontdekkingen, die voor de aardrijkskundige wetenschap van het grootste belang waren. Hij werd nu van lieverlede meer ontdekkingsreiziger dan zendeling, en doorkruiste van 1854–1856 het geheele Afrikaansche vasteland van Loanda aan de west- tot Quillemane aan de oostkust. Bijna overal gelukte het hem het vertrouwen der volksstammen, die hij op zijne reizen bezocht, te winnen, maar dikwijls ook was hij aan de grootste gevaren blootgesteld en werd hij met den dood bedreigd.
Eindelijk keerde hij na een verblijf van zestien jaren in het donkere Afrika naar Engeland terug, waar hij van zijne reizen eene beschrijving gaf onder den titel: “Missionary travels and researches in South Africa.”
Later heeft hij nog meer reizen in dat werelddeel gemaakt, maar de resultaten van zijn eerste verblijf aldaar bleven de belangrijkste.
In zijn tweede reis van 1858 tot 1864 was Livingstone niet meer de zendeling van het Londensche zendelinggenootschap, maar het hoofd eener expeditie, door het Engelsche gouvernement uitgezonden, en wel door lord Clarendon, minister van buitenlandsche zaken op touw gezet, om de reeds verkregen kennis van de geografie, de minerale producten en veldgewassen van Oost- en Centraal-Afrika te vermeerderen, betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen of uit te breiden, en eene ruilhandel tusschen hen en Engeland te openen. Hij onderzocht op dien tocht de Zambezi-mondingen, voer met een stoomboot de Schire op tot aan het meer Schirwa,en ontdekte het Nyassa-meer. Een zware slag trof hem den 27enApril 1862, toen hem zijne geliefde vrouw door den dood ontnomen werd. ’s Avonds blies zij den laatsten adem uit, en reeds den volgenden morgen werd zij onder een grooten babab-boom begraven. Zij was eene edele vrouw, die hem op zijne vele en moeilijke zwerftochten getrouw ter zijde had gestaan.
In 1864 werd zijne expeditie door de regeering ontbonden, maar reeds twee jaar later begaf hij zich opnieuw op weg naar het hem lief geworden werelddeel. Deze reis was zijn laatste, en veel meer dan vroeger bracht hij zijne vrienden en bewonderaars in ongerustheid, door weinig of geen berichten te zenden. Eindelijk bereikte hun zelfs het gerucht van zijn dood. Men wist te vertellen, dat hij van Ngomano in Zuidwestelijke richting naar het meer Nyassa was gereisd, hetwelk hij was overgestoken. Daar zou hij echter door een troep Mazitu overvallen en door een bijlslag doodelijk getroffen zijn. De boodschappers van deze droevige tijding verklaarden zelfs, dat zij hem zelf een graf gegraven en hem daarin neergelegd hadden.
Er waren echter enkelen, die niet aan zijn dood geloofden, zoodat, om zekerheid dienaangaande te verkrijgen, door het geografisch genootschap te Londen eene expeditie werd uitgezonden, om naar den moord een onderzoek te doen en de plaats, waar de misdaad zou hebben plaats gehad, vast te stellen.
’t Bleek toen, dat het slechts een gerucht was geweest, en niets meer.
Eindelijk werd alle twijfel opgeheven door een brief van Livingstone zelf, die geschreven was op 1 en 2 Februari 1867, maar eerst ontvangen werd in April 1868. Hij was dus langer dan een jaar onderweg geweest. Later kwam er nog een brief van hem, geschreven den 16enDecember 1867. Daarna werd weer gedurende langen tijd niets van hem gehoord, en reeds begon men weer ongerust over hem te worden, toen men opnieuw een brief van hem ontving, waarin hij berichtte, dat hij de bronnen van den Nijl had ontdekt.
Na dien tijd hoorde men niets meer van den beroemden man, en eindelijk begon men te vreezen, dat hij òf vermoord zou zijn, òf in groote moeilijkheden verkeerde. Eindelijk besloot de Redactie van de New-York Herald eene expeditie uit te zenden, om hem op te sporen en hem, zoo noodig, hulp te verschaffen.
Den 16enOctober ontving Henri M. Stanley, een van de correspondenten van dat blad, in Spanje een telegram van den uitgever, afgezonden uit Parijs, met de tijding, dat hij onmiddellijk voor eene gewichtige opdracht naar Parijs moest komen.
Stanley haastte zich aan dat bevel te voldoen. Hij begaf zich dadelijk op reis, meldde zich aan het hôtel van den uitgever, wiens naam James Gordon Bennett was, en vroeg dezen heer te spreken. De heer Bennett lag reeds te bed, want ’t was in het hartje van den nacht, toen Stanley daar aankwam,—maar hij stond dadelijk op.
Zoodra Stanley bij hem binnenkwam, vroeg hij:
“Mijnheer, weet gij ook, waar zich op ’t oogenblik Livingstone bevindt?”
“Mijnheer,” antwoordde Stanley, “ik heb daar niet het flauwste denkbeeld van.”
“Welnu, ga hem dan zoeken. Neem vooreerst duizend pond sterling op. Zijn die verbruikt, neem er dan weer duizend. Zijn, ook die uitgegeven, beschik dan andermaal over duizend pond, en desnoods nog eens daarna,—maar vind dr. Livingstone. Goeden nacht, mijnheer Stanley, God behoede u!”
Stanley reisde af, om Livingstone te zoeken. In 1871 kwam hij te Zanzibar aan. Nadat hij met de behoedzaamheid van den man, wien het “ontdekken” in totaal vreemde streken bijna van zijne kinderjaren af eigen was, eene groote expeditie georganiseerd en uitgerust had, begon hij 21 Maart den tocht naar het binnenland. ’t Was eene moeilijke reis, maar zij werd met een gelukkigen uitslag bekroond. Aan den oostelijken oever van het Tanganajika-meer, in het dorp Oedsjidsji vond hij den 10enNovember den lang vermisten natuurvorscher. Op ongeveer 3000 schreden afstands van Livingstone’s verblijf ontmoette hij eerst Soesi, den bediende van den beroemden man. Stanley beschrijft zijne ontmoeting met Livingstone aldus:
“Ik duwde de menigte terug en schreed tusschen een laan van menschen vooruit, totdat ik aan den door Arabieren gevormden halven cirkel was gekomen, waarvóór de grijsgebaarde blanke stond. Langzaam naderend merkte ik op, dat hij er bleek en vermoeid uitzag, eene blauwachtige muts met verschotengouden band op het hoofd had en een buisje met roode mouwen en eene grijze broek droeg. In dit oogenblik zou ik gaarne op hem zijn losgestormd, maar ik was in tegenwoordigheid van zulk een hoop gespuis te laf daartoe. Ik zou hem gaarne om den hals zijn gevallen, maar wist niet hoe hij, Engelschman, mij zou ontvangen. Ik deed dus, wat lafheid en valsche trots mij als het beste ingaven, trad voorzichtig op hem toe, nam mijn hoed af en zei: ‘Dr. Livingstone, naar ik vermoed.’”
“Ja,” antwoordde hij met een vriendelijk lachje en even aan zijn pet lichtend. Ik zette mijn hoed weer op, hij zijne pet, wij schudden elkander hartelijk de hand, en ik zeide luide: “Ik dank God, heer doctor, dat Hij mij vergund heeft, u te zien.”
“En ik ben dankbaar,” antwoordde hij, “dat ik u begroeten kan.”
In December hebben deze twee beroemde mannen samen den noordelijken oever van het Tanganajika-meer bereisd, en den 18enFebruari 1872 bereikten zij Oenjanjembe, waar Livingstone bleef om de noodige middelen tot voortzetting van zijne navorschingen af te wachten. Stanley nam een hartelijk afscheid van hem en aanvaardde 14 Maart den terugtocht.
David Livingstone stierf in het zwarte werelddeel den 1enMei 1873, in den ouderdom van zestig jaar. In 1874 werd zijn lijk naar Londen overgebracht en in de Westminster-abdij, de rustplaats van talrijke beroemde mannen, bijgezet.
Rechts aan het hoofdeinde der lijkbaar, een slip van het lijkkleed dragend, liep Stanley, verbrand doorde Afrikaansche zon, want hij was juist van eene nieuwe reis uit Afrika teruggekeerd. Thans begeleidde hij den beroemden man naar een ander “donker werelddeel,” waarvan echter geen zwerveling ooit terugkeert.