Kinder- en Ouderliefde.In September van het jaar 1792 verkeerde geheel Parijs in een staat van groote opgewondenheid, die weldra tot razernij oversloeg. ’t Was in de dagen der groote Revolutie. De koninklijke familie was gevangen genomen en Frankrijk leefde al sedert 1789 als in een roes. De woorden Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap leefden in ieders mond, maar moord en doodslag waren aan de orde van den dag, en de gevangenissen zaten opgepropt met menschen, die verdacht waren van koningsgezindheid, of zich tegen de revolutie hadden verklaard. De geringste beschuldiging was voldoende om iemand in den kerker te doen werpen, waaruit bijna niemand ontkwam, dan op den wagen, die naar de guillotine voerde.In September 1792 bereikte die razernij haar toppunt. ’t Gerucht ging door de stad, dat de vereenigde Pruisische en Oostenrijksche legers Verdun hadden bemachtigd en tegen Parijs in aantocht waren. Men balde de vuisten en knarste op de tanden. Ha! Zou dan Frankrijks laatste uur geslagen zijn? Zouden zij dan komen, die gehate vijanden, met kogel en strop, met vuur en brandstof, om de leiders der revolutie te dooden, den koning op den troon teherstellen en zich op het Fransche volk te wreken over diens vernedering?Maar dat zou nooit,—nooit geschieden!Hoort, de klokken luidden, niet om op dezen Zondag de menschen naar de kerken te roepen, maar om hun met zwaren dreun te verkondigen, dat Frankrijk in gevaar verkeerde. Schrik en woede staan op ieders gelaat te lezen. Het volk verdringt zich onder luide kreten in de straten, en stroomt als een menschenzee her- en derwaarts.“Te wapen! Te wapen!” klinkt de kreet. “Op naar de gevangenissen, waar duizenden koningsgezinden wachten op hunne bevrijding, en eenmaal van de macht meester, zich op ons zullen werpen! Op, op, den dood aan de landverraders!”Dolken, zwaarden en pieken schitteren in het helle zonnelicht. Zie, eene gevangenis wordt geopend, en dertig mannen in geestelijk gewaad worden in zes rijtuigen geplaatst, om uit hunne voorloopige gevangenis naar de kerkers der Abbaye te worden vervoerd. ’t Zijn priesters, die geweigerd hebben den eed op de constitutie af te leggen. De rijtuigen zetten zich langzaam in beweging, want ’t is bijna onmogelijk door den menschendrom heen te rijden. En welke menschen! Woest is hun uiterlijk, bloeddorstig zijn hunne blikken, vreeselijk hunne verwenschingen. Zij dringen om de rijtuigen heen, wat hun door de wachten niet wordt belet.“Opent de raampjes van de rijtuigen!” roepen enkele priesters, hopende dat het grauw eerbied zal hebben voor hun geestelijk gewaad.“Neer die ramen!” antwoordt het volk ruw.Een van de priesters slaat met een stok op de hand van een ruwen kerel, die het raam neerdrukt. En in ’t volgend oogenblik worden de portieren opengerukt, de geestelijken uit de wagens gesleurd en op den grond geworpen.’t Grauw werpt zich op hen. Hunne kreten zijn aan die van verscheurende dieren gelijk. Maar men hoort ook jammerkreten. Velen van de omstanders smeeken om barmhartigheid, maar een woedend geraas en gegil verdooft die bede. Dolken en sabels flikkeren,—het bloed stroomt, en weldra bedekken dertig lijken den grond.En nu was het verdwaasde, opgehitste grauw niet meer te houden. Waanzinnig van bloeddorst snelde het naar de gevangenissen, maakte zich van den toegang meester en drong naar binnen. Men eischte de gevangenisrollen, die de namen der gevangenen bevatten. En nu ving er een drama aan, dat niet minder dan vier vreeselijke dagen zou duren. Haastig werd in elke gevangenis eene kamer tot gerechtszaal ingericht. Enkele bloedgierige leiders zullen als rechters dienst doen, anderen spelen voor gerechtsdienaren, en het loeiende dolzinnige volk buiten de hoofdpoort zijn de beulen, die de vonnissen zullen voltrekken. En welke vonnissen! Geen enkele zaak wordt behoorlijk onderzocht, geen getuigen worden gehoord.Men leest een naam af. De gevangene wordt binnengebracht. Enkele vragen worden tot hem gericht.“Is hij een samenzweerder? Is hij koningsgezind? Niet? Welnu, vrijgesproken! Vive la nation!”Een volgende naam wordt gehoord.Grendels knarsen, de deur wordt geopend, de gevangene verschijnt.“Een samenzweerder?”“Ja!” roept iemand.“Ja? Welnu, breng den gevangene naar La Force over!”1De ongelukkige wordt naar de hoofdpoort geleid en naar buiten geduwd. Maar,—o God, daar staan de beulen! ’t Is het grauw, dat met dolk en spiets op zijn prooi wacht. Met hoongelach wordt het slachtoffer begroet. Op ’t volgend oogenblik valt hij met honderd wonden ter aarde, en kleurt zijn bloed de straat! Zoo gaat het voort, van minuut tot minuut. Het eene slachtoffer volgt op het andere. De lijken stapelen op tot hoopen, het bloed vormt stroompjes.Zoo ging het in die vreeselijke vier dagen in alle gevangenissen, in La Force, in het Châtelet, in de Conciergerie en nog meer andere.Zelfs vrouwen bevonden zich voor de hoofdpoorten, om zich te verlustigen in het vermoorden der ongelukkigen. Neen, neen, die menschen waren geen menschen meer, ’t waren monsters geworden.Menschen, die nog niet door die vreeselijke razernij waren aangegrepen en de afschuwelijke moordtooneelen aanschouwden, barstten in tranen uit en snelden ijlings heen met de handen voor het gelaat, om maar niets meer te zien. Zelfs dappere mannen,die in heete gevechten zich helden hadden betoond, sidderden bij hetgeen zij hier zagen.En de arme gevangenen, die zich als prooi zagen aangewezen? Ontzet deinsden zij terug en smeekten om erbarming, zelfs oude soldaten vreesden dezen dood. Anderen wierpen zich snel op de pieken, om er een kort einde aan te maken.De prinses de Lamballe, de vriendin der koningin, wordt voor den rechter(!) gevoerd.“Men brenge haar over naar de Abbaye!” luidt het vonnis.Zij wil haar kleeding een weinig verschikken, want zij lag juist te bed, toen zij werd opgeroepen.“Niet noodig. Gij behoeft niet ver te gaan!” voegt men haar spottend toe.’t Was waar. Haar laatste gang was maar kort, want buiten de poort werd zij neergesabeld en vreeselijk verminkt. Haar hoofd stak men op een piek, zingende en tierende droeg men het door Parijs, om het aan de koningin Maria Antoinette te toonen, die ook in de gevangenis zuchtte, maar onder bescherming stond van de regeering. Hare gevangenis, de Tempel, werd in die uren door een lang driekleurig lint beschut, met het opschrift:“Citoyens, respectez cette barrière; elle est nécessaire à la responsabilité de vos magistrats.”(Burgers, eerbiedigt deze afscheiding; zij is noodzakelijk voor de verantwoordelijkheid uwer magistraten).Weer wordt een naam afgeroepen.“Jacques Cazotte!”De deur knarst open en een grijsaard verschijnt.Lange zilverwitte haren golven hem op de schouders neer. Hij is reeds twee en zeventig jaar oud. Als schrijver had hij een grooten naam verworven, wat niet belet had, dat hij als koningsgezinde in den kerker geworpen werd.Daar verschijnt hij, terwijl zijne dochter Elisabeth teeder hare armen om hem heengestrengeld houdt. Het meisje is niet ouder dan twintig jaar.“Is hij schuldig?”“Hij heeft een schuldige briefwisseling gehouden met Ponteau, Secretaris der civiele lijst!”“Naar La Force!” klinkt het vonnis.Voort gaat het naar de poort.Ha, daar brult en krijscht het grauw zijn slachtoffer het vreeselijk welkom toe. De bebloede pieken en zwaarden, de kreten van het volk, die lijken daar op den grond, dat bloed,—o, dat alles zegt duidelijk, welk lot den grijsaard hier wacht.Hij slaat de handen voor de oogen.Elisabeth strengelt haar beide armen om haar ouden vader heen. Hare oogen vullen zich met tranen.Men wil haar losrukken van den grijsaard, maar zij wil niet van hem gescheiden worden.“O neen, laat mij met hem sterven,—scheidt ons niet,” smeekt zij hare beulen met bevende stem.En sterker klemt zij zich aan haar geliefden vader vast, want hare liefde voor hem is sterker dan de dood.Zie, zelfs het bloeddorstige grauw wordt er door getroffen.“Laat haar! Laat haar!” wordt er geroepen.De moordenaars grijpen beiden aan, en duwen hen juichende verder door den menschendrom.“Laat haar gaan! Laat haar gaan!” schreeuwt het volk.De rijen worden geopend, en vader en dochter zijn vrij. Het leven van den grijsaard is gered, gered door de alles overwinnende liefde van zijn kind!Spoedig zijn zij vergeten, want de poort wordt opnieuw geopend en—de vreeselijke slachting gaat ongestoord voort.Nogmaals verschijnt een eenvoudige grijsaard voor de rechters. ’t Is een edelman, genaamd Charles de Sombreuil, en evenals Cazotte wordt ook hij door eene liefhebbende dochter vergezeld. Zij heet Maria. Heldhaftig schrijdt zij naast haar vader voort en ondersteunt hem bij het gaan. O, zij wil hem redden of—met hem sterven.“Mijn vader is onschuldig!” roept zij den rechters toe, maar men luistert niet naar haar.Hij wordt ondervraagd en schuldig bevonden. Ook zijn vonnis luidt als de honderden, die reeds geveld zijn:“Naar La Force!”Enkele seconden later staan zij voor hunne beulen.Maar Maria vreest den dood niet. Zij plaatst zich voor haar ouden vader, om de doodelijke stooten op te vangen, en roept de moordenaars toe:“Mijne vader is geen aristocraat! Hij is onschuldig!” ’t Volk lacht.“Geen aristocraat! En gij dan?”“Neen, neen, ook ik niet. Wij haten de aristocraten. O, goede heeren, ik wil het u bezweren!”Een van het volk grijpt een beker en schept dien vol met het bloed van de straat.“Wilt gij dan aristocratenbloed drinken?” roept hij haar toe, en hij heft den verschrikkelijken beker naar haar op.’t Volk zwijgt en ziet toe, wat er gebeuren zal.Maria aarzelt een ondeelbaar oogenblik. Dan grijpt zij den walgelijken beker en drinkt hem tot den bodem toe uit.Een juichkreet weerklinkt.“Hij is onschuldig!” tiert het uit den hoop. “Zij drinkt aristocratenbloed. Hij ga in vrijheid!”De opgeheven speren zakken naar den grond, de dolken worden opgestoken, en men drukt vader en dochter tegen de bloederige borst in eene vurige omarming. Onder gejuich worden zij in triomf naar hunne woning gebracht.“Vive la nation!” brult het volk!—Naast deze beide schoone daden van kinderliefde vinde hier eene daad van ouderliefde eene plaats. ’t Gebeurde ook tijdens de groote Révolutie in Frankrijk, ruim een jaar later. Getrouw elken avond verscheen de vreeselijke kar voor de poorten der gevangenissen, om de veroordeelden af te halen, die naar de guillotine moesten worden gevoerd. Voor het traliehek in de gevangenis werd de lijst afgelezen van hen, die aan de beurt waren om hun hoofd onder de valbijl te leggen. Vreeselijke ure! Degevangenen verdrongen zich achter het traliehek om te hooren, of ook hun naam zou worden afgeroepen.Maria de Sombreuil.In de gevangenis bevond zich ook Loiserolles, een edelman, gewezen luitenant-generaal, als zoovele anderen beschuldigd van landverraad. Hij wist, dat hij sterven moest, maar hij was zich zijn lot getroost. Toch droppelde den ouden man menigmaal een traan uit het oog, als hij dacht aan zijn zoon, die zich met hem in de gevangenis bevond en die, evenals hij, ten doode opgeschreven was. O neen, over zichzelven weende hij niet. Hij had het leven achter zich en moest toch eenmaal sterven. Maar dat ook zijn zoon, de fiere, jonge edelman, die wellicht nog een lang leven vóór zich had, het hoofd op het schavot zou moeten laten, o, dat schrijnde hem door de ziel, en telkens, als de bode kwam, om de namen af te lezen, sidderde hij bij de gedachte aan zijn dierbaar kind.De deur werd geopend, en ook thans weer schreed de bode tot aan het traliehek voort, met het verschrikkelijke papier in de hand.Angstig keek de vader rond, om te zien, waar zijn zoon zich bevond. Ach, de ongelukkige sliep, onbewust van het gevaar, dat ook nu weer, als elken avond, dreigde. Zou hij hem wekken?—Neen, waartoe zou het dienen? Om hem weer het angstige oogenblik te laten doorleven, dat geregeld elken avond terugkeerde?Hij begaf zich naar het traliehek, waar de bode zijne taak begon. Voor de deur hadden gewapendedienaren plaats genomen, om de afgeroepenen naar de kar te brengen.Hij luistert ademloos, als de anderen.Eentoonig klinkt de stem van den bode, maar soms wordt zij afgebroken door de kreten der veroordeelden, wier namen worden afgeroepen. Vrienden omhelzen elkander voor de laatste maal, men hoort snikken, er vloeien tranen.De oude man luistert met gebogen hoofd.Maar plotseling vaart hem een schrik door de leden. Daar hoort hij den naam aflezen van zijn kind, dat daar ginds slapende nederligt.Hij wordt doodsbleek, en zijn tanden klapperen.Niemand geeft antwoord.Nogmaals roept de bode denzelfden naam.Iedereen zwijgt.O God, moet de vader zijn eigen zoon wekken, om hem den slaap des doods te doen ingaan?Hij beeft over al zijne leden en het angstzweet bedekt zijn lichaam.Daar klinkt ten derden male de naam zijns zoons, en reeds maakt men zich gereed binnen te treden, om den veroordeelde te zoeken. Ongetwijfeld is hij een lafaard, die zich schuil houdt.Maar nu klinkt het plotseling zacht van de lippen des ouden mans:“Loiserolles,—die ben ik.”Hij werpt een laatsten, onbeschrijflijk droevigen blik op zijn slapenden zoon, murmelt enkele woorden van afscheid, en wendt zich naar de deur, waar de gerechtsdienaren hem aangrijpen en naar de kar voeren.De bode verdwijnt, de deuren worden gesloten. De kar rijdt heen met zijn droevigen last, en even later sterft een vader onder de guillotine, zich opofferende voor zijn zoon, wien weldra de vrijheid hergeven werd.1La Force was eene gevangenis.Een heldenhart onder een grove kiel.In 1892 zou er bij een boerenwoning te Hilversum een put gegraven worden. De werklieden waren ijverig in de weer. Men spitte van den morgen tot den avond en wierp de aarde omhoog. Spoedig al was men zoo diep in den grond gekomen, dat de aarde door middel van een windas naar boven geheschen moest worden. Van datzelfde windas moesten de werklieden ook gebruik maken om, toen zij dieper gekomen waren, in den put af te dalen. ’t Was een gevaarlijk werkje, want zij groeven in zandgrond, en moesten dus de uiterste voorzichtigheid betrachten, om instortingen te voorkomen. In kleigrond bestaat dat gevaar niet, maar zandgrond is veel moeilijker te bewerken. Telkens, als zij weer dieper in den grond waren doorgedrongen, lieten zij houten cilinders in den put zakken, om het zand in bedwang te houden. ’t Gevaar voor instortingen was hier nog grooter dan gewoonlijk, omdat deze nieuwe put gegraven werd vlak naast den ouden.Toch, ondanks alle genomen voorzorgen, gebeurde er een vreeselijk ongeluk. Toen de put bijna twaalf meter diep was, en zich een van de gravers op den bodem bevond, barstte een van de houten cilinders door de persing van den grond uit elkander, en werd de man onder het neervallende zand bedolven.Een groote schrik maakte zich van allen, die in de nabijheid waren, meester, en ’t gerucht, dat er een man levend onder het zand begraven lag, ging in Hilversum van mond tot mond. Van alle kanten stroomden de menschen toe, om op de plaats zelve te zien, wat er gebeurd was.Dadelijk was men op redding van den ongelukkige bedacht. Men plaatste nieuwe houten cilinders in den put, om verdere instortingen zoo mogelijk te voorkomen, en ijverig ging men aan het werk, om het ingestorte zand te verwijderen.Angstig vroeg men zich af, of de ongelukkige nog zou leven, en zoo ja, of men hem nog tijdig zou kunnen redden.’t Ongeluk gebeurde op den morgen van den 8enOctober, en den geheelen dag bleef men onverpoosd aan den arbeid, om het slachtoffer van den ramp te bereiken. Toen de avond viel, werden de lantarens opgestoken, want men dacht er niet aan, het reddingswerk op te geven. Neen, men arbeidde den geheelen nacht voort, tot eindelijk, om drie uur in den morgen, op hun roepen eenig geluid uit de diepte tot hen doordrong. De ongelukkige leefde dus nog. Ha, dat gaf moed, en met vernieuwde krachten werkte men voort.Tot plotseling opnieuw een van de houten cilinders in elkaar werd gedrukt, en de put ten tweeden male met zand werd gevuld. De beide werklieden, die in den put met graven bezig waren, konden zich ternauwernood in veiligheid brengen.Een jammerkreet steeg op uit den kring van omstanders,die zich beijverd hadden om het zand op te hijschen. De vrouw van den levend begravene, die zich bij den put bevond, stortte bij dezen nieuwen ramp bewusteloos op den grond.’t Werd Zondag. De mannen staarden elkander vragend aan. Zou de ongelukkige nog leven? Moest men opnieuw aan den arbeid gaan, om hem zoo mogelijk nog te redden? Maar—zou de put niet wederom instorten, en ook hun een ontijdig graf doen vinden? Neen, men durfde niet! ’t Werk was te gevaarlijk.En toch,—kon men den man, die misschien nog leefde, daar op den bodem van den put aan zijn vreeselijk lot overlaten?Opeens grijpt een van hen de spade, en gaat aan den arbeid. ’t Is een eenvoudige werkman van ongeveer veertigjarigen leeftijd. Onder zijn grove kiel klopt een heldenhart. Hij grijpt de spade en begint den gevaarlijken arbeid.Twee anderen, door zijn voorbeeld aangemoedigd, doen als hij. Zwijgend werken zij voort, want er mag geen oogenblik verloren gaan.Den geheelen dag werkt de brave Van Rheenen door, en steeds dieper daalt hij in den put neder. Zijne helpers hijschen het zand omhoog. De Zondag gaat voorbij, en de nacht komt, maar Van Rheenen gunt zich geen rust. Eene groote vermoeidheid overmeestert hem en hij kan de spade nauwelijks meer hanteeren, maar—hij weet van geen ophouden. Daar beneden immers verkeert een zijner makkers wellicht in stervensnood?Honderden menschen staan om den put geschaard. Opeens verzocht hij stilte. Hoorde hij daar geen geluid van uit de diepte tot zich komen?Ja, ja, het geluid herhaalt zich. De man leeft nog, en Van Rheenen roept het den omstanders toe.“Hij leeft! Hij leeft!” klinkt het van mond tot mond.Van Rheenen werkt zonder ophouden voort, tot hij eindelijk niet meer kan. De spade ontvalt aan zijne bevende handen, en bewusteloos zijgt hij neder.IJlings hijscht men hem op. Zijn gelaat is doodsbleek. Spoedig opent hij de oogen weder en vragend kijkt hij met wezenlooze trekken de omstanders aan.Ha, hij herinnert zich! Daar beneden in den put ligt een mensch bedolven onder het zand. Met inspanning van al zijne krachten heft hij zich op. Hij nadert den put, en laat zich opnieuw naar den bodem zakken. Men waarschuwt hem, toch niet te veel van zijne krachten te vergen, maar hij luistert er niet naar. Hij grijpt de spade en gaat opnieuw aan den arbeid. De houten wanden boven zijn hoofd doen een waarschuwend gekraak hooren,—doch Van Rheenen werkt door, want daar beneden hem klinkt eene menschelijke stem, die om hulp smeekt.Hij graaft steeds verder,—tot hij met zijne spade stuit op de ingevallen duigen van een kuip. Hij nadert dus den ongelukkige en zal hem weldra hebben bereikt. O, dat geeft hem nieuwe krachten,—en sneller daalt zijne spade in den grond. Een geestelijke wil in den put afdalen, om den levend begravene toe te spreken en hem te bemoedigen, maar menweerhoudt hem, opdat er geen oogenblik verloren zal gaan.’t WordtMaandagmiddagvijf uur,—en nog altoos zet Van Rheenen zijn edelmoedigen arbeid voort. Maar telkens duidelijker worden de kreten van het slachtoffer. Van Rheenen kan bijna de spade niet meer hanteeren, en alles aan zijn lichaam trilt en beeft van vermoeidheid. Reeds heeft hij onafgebroken dertig uren zijn zwaren arbeid verricht.Eindelijk,—eindelijk dan toch ontvangt hij de kroon op zijn werk. Hij heeft den ongelukkige bereikt, hij schuift het laatste zand weg, hij wikkelt hem in een laken, dat men hem van boven af toewerpt, en met zijn kostbaren buit laat hij zich omhoog hijschen.En nauwelijks is hij boven gekomen, of opnieuw wordt een gekraak vernomen en ten derden male stort de put in. Maar het bulderend geraas van het neervallende zand wordt overstemd door het oorverdoovend gejubel van de velen, die getuigen waren van het moedige reddingswerk.Waarlijk, wel klopte onder dezen eenvoudigen werkmanskiel een heldenhart!Onder gejuich werden redder en geredde naar hunne woningen gebracht, en van alle kanten kwamen gelden in, om Van Rheenen een blijk van hulde te kunnen aanbieden. Men liet daarvoor een eenvoudige woning bouwen, die hem als eene blijvende herinnering aan zijne moedige daad werd aangeboden.Uit het land der verschrikking.Lopouloff was een kapitein van het Russische leger onder de regeering van Czaar Paul I en had, om ons onbekende redenen, een vreeselijk vonnis tegen zich hooren vellen. Een misdadiger kon hij in geen geval genoemd worden. Vermoedelijk had hij eene onvoorzichtigheid begaan, die het wantrouwen van zijn keizerlijken meester had opgewekt, en dat alleen was reeds voldoende, om levenslang naar Siberië te worden verbannen. Een vreeselijke straf! Siberië wordt het land der verschrikking genoemd, en duizenden bij duizenden hebben daar in den loop der eeuwen hun leven in droefheid en ellende gesleten. Ook nu nog wordt die straf maar al te dikwerf toegepast. Ook nu nog worden de ongelukkige bannelingen, met kettingen aan elkander verbonden en door zweepslagen voortgedreven, naar dat rampzalige oord getransporteerd. Wèl wordt de straf tegenwoordig niet meer in al hare gestrengheid toegepast, wel zijn aan de arme bannelingen enkele voorrechten toegestaan, maar nog altoos is eene verbanning naar Siberië voor elken Rus een straf, die den veroordeelde menigmaal tot vertwijfeling brengt.Ook Lopouloff werd daarheen gevoerd, niet alseen misdadiger, aan handen en voeten in ketenen geklonken, en veroordeeld om zijn verder leven door te brengen als arbeider in de mijnen,—maar als staatsgevangene. Hij mocht zijn gezin meenemen en kreeg van den Staat eene kleine toelage, waarvan hij op armoedige wijze in zijn nooddruft kon voorzien. Was die toelage onvoldoende, dan kon hij door jacht of landbouw zijne inkomsten eenigermate vergrooten. Maar—het koude klimaat en de dorre grond waren voor den landbouw ongunstig, en de jacht leverde ook bitter weinig op.Kapitein Lopouloff werd naar het dorp Ischim gevoerd, dat gelegen was ten noorden van Tobolsk. ’t Was voor den armen banneling een groote troost, dat zijn vrouw niet van hem wilde scheiden en met hem meetrok naar het oord der verschrikking. En ook zijn eenig kind, zijn driejarig dochtertje Prascovia, bleef nu voor hem behouden. O, als hij ook dat kind, zijn oogappel, had moeten missen, als hij haar lief, kinderlijk gebabbel niet meer had gehoord, hare lachjes niet meer had gezien, hare mollige armpjes niet meer om zijn hals had gevoeld,—dan zou de dood hem welkomer zijn geweest. Hij ontving slechts tien kopekken per dag, niet meer dan twintig cents dus, om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Wel een klein bedrag voor iemand, die tot nog toe als kapitein bij het Russische leger in de hoogere standen der maatschappij in weelde had geleefd. Gelukkig, dat zijn vrouw hem in de grootheid van haar hart ter zijde bleef en hem troostte en bemoedigde. Met een moed boven ieders lof verheven schikte zijzich in de moeilijke omstandigheden, waarin het lot haar had geplaatst, en toonde zij haar man en kind steeds een blij gezicht. Zij was het zonnetje in het huis der ellende, dat met hare stralen de huisgenooten verkwikte en verwarmde.De kleine Prascovia leed het minst van allen onder de veranderde omstandigheden. ’t Ging met haar als met een vogel, die nooit de vrijheid heeft gekend, nooit op trillende wieken het zonnelicht al zingende is tegemoet gesneld, nooit rondgedarteld heeft in de takken en twijgen der boomen. Hij beschouwt immers zijne kooi als de wereld en haakt niet naar de vrijheid.Ook Prascovia had de schoone wereld met al hare heerlijkheden niet gekend. Het koude, donkere Siberië was al spoedig háár wereld geworden, waarin zij lachte en speelde, danste en zong. Heerlijk vond zij het, op haar vaders knie te zitten en paardje te rijden, of te luisteren naar de vertellingen van hare moeder.En toen zij ouder werd, hielp zij haar vader werken op het land, of arbeidde zij zelfs wel in het dorp bij de andere bannelingen, om als loon een bundeltje rogge thuis te kunnen brengen.Zoo groeide zij op tot een meisje van vijftien jaar, te midden van veel ijs, sneeuw en duisternis. Maar toen ook begon het langzamerhand tot haar door te dringen, hoe diep ellendig hare ouders zich wel moesten gevoelen in dit rampzalige oord, waar de zon niet door de nevelen kon dringen, waar de aarde bijna een woestenij was, en waar een ellendige huthun tot woning diende. O, Prascovia had hare ooren goed open gehad, zoo dikwijls zij anderen hoorde spreken over die andere wereld, ver van daar, waar alles zooveel heerlijker was en waar de menschen mochten gaan en staan, waar zij wilden, en waar vroolijkheid heerschte en levenslust.En dáár hadden immers hare ouders eenmaal gewoond, dat heerlijke leven hadden zij gekend en genoten, daar hadden zij in volle vrijheid geleefd en zich gelukkig gevoeld. En van dien tijd af werd het meisje stil en in zichzelf gekeerd. Hare vroolijkheid verdween meer en meer, en al hare gedachten waren samengetrokken op een enkel punt, namelijk hoe zij hare ouders zou kunnen verlossen uit den poel van ellende, waarin zij waren nedergestort.Lopouloff had zich tot nog toe goed gehouden, maar nu hij bij zijn geliefd kind alle vroolijkheid en opgeruimdheid meer en meer zag verdwijnen, wat hij toeschreef aan een onuitgesproken verlangen naar de vrijheid,—toen verloor ook hij allen levenslust. Hij besloot, een verzoekschrift tot den Gouverneur van Siberië te richten, om in vrijheid gesteld te worden. Zijne ballingschap had nu reeds twaalf jaren geduurd. Hij stelde zijn geschrift aan een officier ter hand, die hem beloofde het aan den Gouverneur over te brengen en tevens zijn voorspraak te zullen zijn.Eerst wachtte hij geduldig af, wat er het gevolg van zou zijn. Maar toen de eene koerier na den anderen van Tobolsk kwam, zonder eenig antwoord op zijn brief te brengen, toen verviel hij langzamerhand tot groote somberheid, en begon hij jammerlijkte klagen over zijn bitter lot, en stortte hij tranen, als hij aan zijn kind dacht, dat opgroeide in ellende, niet het minste onderwijs had genoten en op het land onder vreemden arbeidde als een lijfeigene.Erheerschtetoen somberheid zoowel in als buiten de armoedige stulp, die zij bewoonden. Elken avond, voordat Prascovia naar bed ging, knielde zij neer en bad God om uitredding voor haar arme ouders, die wegkwijnden van verdriet. En eenmaal, toen zij weer hare gebeden opzond tot den Allerhoogste, schoot haar plotseling als een bliksemstraal de gedachte door het hoofd:“Waarom zou ik zelf niet naar Petersburg gaan en den machtigen Czaar om genade voor mijn vader smeeken?”Die gedachte verliet haar geen oogenblik meer, maar zij durfde er met hare ouders niet over spreken.’t Was immers toch een onmogelijkheid?Toch kon zij er eindelijk niet langer over zwijgen, en sprak zij er hare ouders over.Haar vader keek haar eenigszins spottend aan, en zeide tot zijne vrouw:“Zoo’n dwaas kind! Dat wil naar Petersburg gaan, naar den Czaar, om genade voor mij te vragen! Hoe bedenkt ze het in vredesnaam!”“Ze deed beter met op haar werk te letten,” sprak hare Moeder. En toen Prascovia in tranen uitbarstte, gaf hare moeder haar een laken, en zei lachend:“Hier, mijn kind, dek de tafel voor het eten,—en dan mag je naar Petersburg gaan.”Prascovia hield echter, nu zij er eenmaal over begonnenwas, voet bij stuk en verdedigde haar plan met al de middelen, die haar ten dienste stonden. Telkens kwam zij er opnieuw op terug en geen dag ging er voorbij, dat zij haar ouders niet smeekte haar toestemming te geven om de groote reis te ondernemen. Haar vader werd er eindelijk wrevelig over en verbood haar kort en goed, dit onderwerp ooit weer aan te roeren. ’t Was immers eene onmogelijkheid? Hoe zou een jong meisje geheel alleen die groote reis maken, zonder zelfs eenig geld tot hare beschikking te hebben. En dan eene reis zoo moeilijk en vol gevaren als deze?“Ik verbied je er ooit weder een woord over te spreken. ’t Is een onzinnig plan, dat je zoo spoedig mogelijk uit je gedachten moet zetten!”Zoo gingen weer drie jaren voorbij, jaren, waarin de ellende in de kleine kluis nog grooter werd, daar hare moeder door eene ernstige en langdurige ziekte werd aangetast, die haar aan den rand van het graf bracht.Toen eerst leerden hare ouders de groote liefde van hun kind kennen. Niet alleen had zij voor de huishouding te zorgen, maar bovendien moest zij hare zieke moeder verplegen, van welke zware taak zij zich met zooveel liefde en zelfopoffering kweet, dat hare ouders haar niet langer als een kind beschouwden, en voortaan met meer ernst toeluisterden, als zij weer haar plan ter sprake bracht.Eindelijk gelukte het haar toestemming te verkrijgen, om de groote reis te ondernemen. Maar daaraan had zij niet genoeg. Zonder toestemming vanden Gouverneur mocht zij Ischim niet verlaten. Ze zou, indien ze het toch deed, ongetwijfeld binnen korten tijd weer naar haar dorpje worden teruggevoerd. Zij had een paspoort noodig, en het verkrijgen daarvan scheen een moeilijke zaak. Verzoekschrift op verzoekschrift zond zij aan den Gouverneur, maar al hare brieven bleven onbeantwoord.Zoo gingen weer zes maanden voorbij, toen eindelijk een koerier het lang gewenschte stuk bracht. Zij kreeg werkelijk verlof, Siberië te verlaten en de groote reis te ondernemen.Maar zie, nu het gewichtige oogenblik eindelijk was gekomen, trok haar vader, bevreesd voor de gevaren, die zijn geliefd kind op den grooten tocht bedreigden, zijne toestemming in, en weigerde hij haar te laten gaan. Het paspoort nam hij onder zijne berusting en sloot het weg.Prascovia barstte in tranen uit, en smeekte zoo lang, dat haar vader ten slotte toegaf. Toch beproefde hij nog, haar van haar plan terug te brengen.“Goed,” zei hij, “je kunt gaan, kind, omdat ik zie, dat je niet anders wilt. Maar heb je wel bedacht, dat je niet eens tot den keizer zult worden toegelaten? Weet je wel, dat schildwachten zijn paleis bewaken en dat het je nooit gelukken zal, den drempel daarvan te overschrijden? En zou je in je armelijke kleeren bij den keizer toegelaten willen worden? Kom, kom, er is geen denken aan.”“Toch ga ik, en God zal mij helpen,” hield Prascovia vol. Zoo had zij dan eindelijk alle bezwaren overwonnen en zou zij met toestemming van hareouders de reis ondernemen. Het vertrek werd op den 8enSeptember bepaald. Bij het krieken van den dag stonden zij op. Zij had het weinige, dat zij op haar tocht zou meenemen, geborgen in een klein zakje, dat zij om den hals droeg onder hare kleeren.Vader, moeder en dochter waren hoogst ernstig gestemd en spraken weinig. Toen de eerste zonnestraal door het venster naar binnen drong, begaven zij zich volgens Russisch gebruik in het gebed, en smeekten zij God om Zijn hulp en bijstand. Daarna breidde de vader zijne armen over het hoofd van zijn dochter uit en gaf haar zijn zegen. Hij reikte haar ook een zilveren roebel toe, een geldstuk ter waarde van ongeveer twee gulden. ’t Was alles, wat hij haar kon meegeven.“Och, waartoe zou dat geld mij dienen,” zei Prascovia. “’t Is te weinig, om mij van nut te kunnen zijn, terwijl het voor u een groote waarde vertegenwoordigt. Houd u het maar.”Hiervan wilde haar vader echter niet weten en hij dwong haar het geldstuk aan te nemen. Er kwamen ook nog twee van de armste bannelingen, die haar dertig kopekken aanboden en een stukje zilverwerk. Maar Prascovia, hoewel getroffen door deze eenvoudige daad, weigerde beslist, ze aan te nemen.Toen nam zij een teeder afscheid van hare ouders en ging op weg. Hare ouders staarden haar met betraande oogen na, tot zij haar niet meer zien konden. En de beide arme vrouwtjes vergezelden haar zoover het haar geoorloofd was. Voordat zij afscheid van haar namen, achterhaalden zij eenige meisjes, die opeen der dorpen woonden, waar Prascovia langs moest. Deze meisjes waren zeer vriendelijk voor haar en een van haar bood haar zelfs een nachtverblijf aan, waarvan Prascovia dankbaar gebruik maakte. ’s Morgens vroeg vervolgde zij haar tocht weer, maar ’t was moeilijk voor haar, den rechten weg te vinden. Als zij iemand den weg naar Petersburg vroeg, keek men haar aan, of zij niet goed bij haar verstand was, of wel men lachte haar smakelijk uit over zoo’n domme vraag. Petersburg immers lag op zoo’n verbazend grooten afstand, dat men hier in Holland even goed aan een voorbijganger zou kunnen vragen: “Loop ik zoo goed naar Rome?”Den tweeden dag dwaalde zij dan ook van den rechten weg af en kwam eenige uren na haar vertrek tot hare verbazing in hetzelfde dorp terug, waar zij den nacht had doorgebracht. Zij gaf echter den moed niet op, maar begon haar tocht opnieuw. ’t Was uiterst moeilijk voor haar, om eenigszins de richting te bepalen, die zij nemen moest, want namen van steden en dorpen, die zij op haar weg passeeren moest, kende zij niet. Eindelijk meende zij, dat de stad Kiev wel de eerste plaats van beteekenis was, die zij bereiken moest, en zoo vroeg zij steeds, hoe zij loopen moest, om daar te komen.Als de avond viel, trachtte zij hier of daar bij vriendelijke menschen een nachtverblijf te vinden. Op kleinere plaatsen gelukte haar dat meestal nog al goed, maar op de grootere kostte het haar niet weinig moeite. Meestal werd zij aan de deur op ruwe wijze afgesnauwd, en menigmaal moest zij hooren,dat men voor dieven en landloopsters geen nachtverblijf beschikbaar had. Als zij honger en dorst kreeg, bedelde zij aan de huizen om een bete broods of een dronk waters, wat haar in de meeste gevallen gaarne gegeven werd.Toen zij eens den geheelen dag geloopen had en vermoeid was, werd zij tegen den avond overvallen door een vreeselijken storm, en de regen viel bij stroomen neder! ’t Werd zwaar weer, zoo zelfs, dat op korten afstand vóór haar een boom ontworteld werd en met een zwaren slag op den grond neerplofte. Bijna was zij er onder verpletterd geworden. Angstig keek zij uit, of zij ergens in den omtrek huizen ontwaarde, maar zij zag er geen. Alleen een dicht kreupelbosch bood haar eenige bescherming aan. Zij zocht daar dan ook haar toevlucht. Zij werd doornat en beefde van koude. En met schrik zag zij, dat de duisternis snel toenam en dat zij gedwongen zou zijn, den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen. Een vreeselijke gedachte voor de arme Prascovia. De wind loeide door het geboomte en deed haar huiveren van koude en angst. Hare kleeren waren doorweekt van den regen en de honger kwelde haar. Met den rug tegen een boomstam geleund, bracht zij den langen nacht onder angst en beving door. Eindelijk bedaarde de storm, en bij zonsopgang verliet Prascovia hare schuilplaats, om haar tocht voort te zetten.Gelukkig reed haar een boer achterop, die haar een plaatsje op zijne kar aanbood. Zoo bereikte zij tegen acht uur een dorp, waar de boer haar middenop de straat afzette. Het arme meisje zag er ontoonbaar uit. Hare kleeren zaten vol modder en waren doornat. Zij vroeg aan verscheidene huizen om een stuk brood en smeekte hare kleeren te mogen drogen, maar zij werd overal afgewezen. De jongens jouwden haar uit voor dievegge en landloopster en wierpen haar met steenen. Uitgeput, half verhongerd en moedeloos ging zij voor een huis op den stoep zitten, maar zij werd er al spoedig vandaan gejaagd. Voor eene andere woning was ze al even ongelukkig. Ten slotte bereikte zij de kerk. Ha, dáár zou men haar toch den toegang niet weigeren. Haastig snelde zij er heen, maar helaas, de deur was gesloten. Ze ging voor het portaal zitten en barstte in tranen uit.Op dat oogenblik naderde haar eene vrouw, die blijkbaar medelijden met haar had.“Wat scheelt u, meisje?” vroeg ze.Toen vertelde Prascovia haar van den verschrikkelijken nacht, dien zij had doorgebracht, en hoe hongerig en moede zij was.“Ga mede naar mijn huis,” sprak de vrouw.Prascovia wilde opstaan, maar hare beenen weigerden haar den dienst. Zij waren geheel verstijfd, en hare voeten waren gezwollen. Ook had ze een van hare schoenen verloren.Er kwamen meer menschen toeloopen, en toen zij hoorden, hoe dit meisje hier gekomen was en hoe zij den nacht onder den blooten hemel had doorgebracht, en toen zij zagen, hoe pijnlijk hare voeten waren,—toen hadden zij medelijden met haar en brachten haar op eene kar naar de woning van degoede vrouw, die vol medelijden haar een onderdak aanbood.Prascovia was zoo uitgeput, dat zij verscheidene dagen in de vriendelijke woning moest blijven, eer zij haar tocht kon voortzetten. Van een der dorpelingen kreeg zij een paar nieuwe schoenen. Zij toonde hare dankbaarheid, door voor haar vriendelijke gastvrouw naaiwerk te verrichten. Toen zij hersteld was, nam zij afscheid en ging verder.Op een anderen keer had zij eene ontmoeting, waaraan zij later niet dan met ontzetting kon terugdenken.Ze was tegen den avond in een dorp gekomen en had overal tevergeefs om een nachtverblijf gevraagd. Eindelijk kwam zij aan het laatste huis, en herhaalde ook daar hare bede. De man keek haar een oogenblik scherp onderzoekend aan, en wees haar toen op ruwe wijze af.Maar een oogenblik later riep hij haar terug. Zij trad dus de woning binnen, doch zag tot haar schrik, dat de deur door palen werd afgesloten. En ook zag ze, dat zoowel de man als de vrouw een zeer ongunstig uiterlijk hadden.“Waar kom je vandaan?” vroeg de man.“Van Ischim,” zei ze. “Ik ga naar Petersburg.”“Naar Petersburg? En heb je geld genoeg voor zoo’n groote reis?”“Slechts 80 kopekken,” antwoordde Prascovia, die blij was, dat ze op dat oogenblik niet meer geld in haar bezit had. Ze was stellig overtuigd, dat de menschen, bij wie ze in huis was, slechte bedoelingenhadden en haar wilden bestelen, misschien zelfs wel vermoorden.“Je liegt!” schreeuwde de man haar toe. “Niemand maakt zoo’n groote reis zonder geld.”En toen Prascovia volhield, dat zij niet meer bezat, werd de man ruw en woest, wat haar zeer beangstigde. Gaarne was zij dit ongastvrije dak ontvlucht, maar de deur was zorgvuldig gesloten en zij zag geen kans haar te openen. Bovendien zou haar dat stellig belet zijn.Eindelijk zette de vrouw haar wat gekookte aardappelen voor en zei, dat ze op de kachel mocht liggen om te slapen, zooals dat bij de arme Russen gebruikelijk is.Prascovia deed dat, maar zij durfde niet te gaan slapen. Zij was overtuigd, dat de menschen slechte bedoelingen hadden. In die overtuiging werd zij versterkt, toen zij de vrouw haar man hoorde toefluisteren:“Zij moet meer geld hebben. Ik zag om haar hals een koord met een zakje er aan. Daar moet het geld in zijn.”Prascovia lag doodstil. Opeens bemerkte zij tot haar schrik, dat de vrouw op de kachel klom en, in de meening, dat zij sliep, haar het taschje van den hals nam en keek, hoeveel geld het bevatte. Ook onderzocht zij hare kleeren en zelfs hare schoenen. De man lichtte haar bij tijdens dat onderzoek.Toen de beide menschen alles doorsnuffeld hadden, gingen zij slapen. Prascovia had een verschrikkelijk oogenblik doorleefd. Zij meende niet anders, of diemenschen zouden haar vermoorden. Maar nu zij sliepen, werd zij kalmer en viel eindelijk ook in een diepen slaap, waaruit zij niet ontwaakte, dan toen de vrouw haar riep.Deze was nu zeer vriendelijk voor haar en gaf haar een uitstekend ontbijt, en ze deed Prascovia allerlei vragen. ’t Scheen wel een heel ander mensch dan den vorigen avond. Ze sprak ook over het onderzoek, dat zij toen had ingesteld.“Wij dachten, dat je oneerlijk was, maar je zult later wel merken, dat wij geen dieven zijn of slechte bedoelingen hadden,” zei ze tot Prascovia.Deze was blij, toen zij de woning goed en wel verlaten had, maar toen zij later haar taschje nakeek, zag zij, dat er geen 80 kopekken in waren, maar 120. De oude vrouw moest er dus 40 bijgedaan hebben, en Prascovia had haar ten onrechte gewantrouwd.Eenigen tijd later werd zij door eenige dorpshonden aangevallen. Verschrikt hief ze haar stok op en trachtte de woeste dieren te verjagen, maar dat gelukte haar niet. Met woest geblaf sprongen zij om haar heen. Vol angst liet zij zich eindelijk voorover op den grond vallen, haar gelaat met de handen bedekkende. O, ongetwijfeld zouden de beesten haar thans verscheuren!—Maar zie, de honden besnuffelden haar maar even en deden haar in ’t geheel geen kwaad. En een voorbijkomende boer joeg hen weg met zijn stok.Zoo reisde Prascovia steeds verder, tot zij eindelijk in haar tocht werd gestuit door een hevigen sneeuwstorm,die niet minder dan acht dagen aanhield en de aarde met een dikke laag sneeuw bedekte.Gelukkig vond Prascovia een gastvrij onderdak, waar zij door het doen van de wasch en het verrichten van naaiwerk zich verdienstelijk trachtte te maken. Toen de storm uitgewoed had, wilde Prascovia vertrekken, maar de boeren verklaarden, dat het zelfs een sterken man het leven zou kosten, indien hij te voet eene lange reis door de sneeuwvelden ondernam. Zij raadden haar aan te wachten, tot er een convooi van sleden door het dorp kwam, dat elk jaar daar langs trok, om naar Jekaterinenburg te gaan met goederen voor het kerstfeest. Na eenige dagen verschenen de drijvers dan ook met hunne sleden. De boeren vertelden hun, dat Prascovia op weg was naar Petersburg, om genade voor haar vader te vragen, en verzochten aan de drijvers, haar een plaatsje op een van de sleden te geven. Dat wilden zij gaarne doen. De drijvers hadden medelijden met haar en bewonderden ook hare liefde voor haar ouders en haar moed.’t Was heerlijk voor Prascovia, op deze gemakkelijke manier hare reis te kunnen voortzetten, want zij was door en door vermoeid. Maar ongelukkig waren hare dunne kleeren totaal onvoldoende, om haar tegen de snerpende koude te beschutten, en zelfs, toen de mannen haar met hunne mantels bedekten, bleek de koude nog te hevig. Na eene reis van vier dagen tilde men haar aan een eenzame halte verstijfd van de slede, en bleek het, dat hare wang bevroren was. Dadelijk wreven de drijvers haar metsneeuw, waardoor erger voorkomen werd, maar zij durfden haar toch niet verder meenemen, als zij geen schapenvacht had om zich te verwarmen. Prascovia had geen geld om er een te koopen, en toen hare brave geleiders het geld bij elkaar hadden gelegd, bleek er zelfs op deze eenzame plaats geen te koop te zijn.Toen besloten zij, Prascovia een schapenvacht van een hunner af te staan, en het om beurten zelf zonder zulk een onmisbare pels te doen. Zoo kwam Prascovia te Jekaterinenburg aan, vol dankbaarheid jegens de goede lieden, die haar met zooveel zelfopoffering hadden voortgeholpen.In deze stad hoorde zij veel spreken over de menschlievendheid van zekere Madame Milim, en zij besloot de hulp van deze vrouw in te roepen. Toen zij bij eene kerk eene dame ontmoette en haar vroeg, waar Madame Milim woonde, bleek het de aangesprokene zelf te wezen, en deze brave vrouw vatte eene groote genegenheid voor het meisje op. Zij nam haar mede naar hare woning en hield haar den geheelen winter bij zich. Zij vond het onverantwoordelijk, het jonge meisje in het barre jaargetijde verder te laten gaan. Zij leerde haar lezen en schrijven en bracht haar zooveel algemeene ontwikkeling bij, als in zulk een korten tijd maar mogelijk was. Toen de lente intrad, vertrouwde zij Prascovia toe aan de hoede van een harer kennissen, die naar Niezjnii-Nowgorod voor zaken op reis ging. Op de boot werd hij echter zwaar ziek, zoodat men hem in een klein plaatsje moest achterlaten. Onderweg trof Prascovia nog een anderongeluk. Zij werd met nog twee andere passagiers door een noodlottig toeval overboord geworpen. Zij werden wel dadelijk gered, maar hadden geen gelegenheid om zich te verkleeden, wat hare gezondheid in gevaar bracht. Te Niezjnii-Nowgorod overviel haar eene ernstige ziekte. Gelukkig werd zij in een klooster opgenomen, waar zij met de grootste liefde werd verpleegd. De dokter vreesde, dat zij sterven zou, doch Prascovia zeide: “Dat geloof ik niet. De goede God zal mij niet laten sterven, vóór ik mijne taak volbracht heb.”En ze genas inderdaad, maar zoo langzaam, dat de zomer voorbij was, eer ze de reis kon voortzetten.Eindelijk vertrok ze in eene slede naar Moskou. Ze was toen nog erg zwak, te zwak zelfs om in rammelende en schokkende postwagens te rijden. Gelukkig had Madame Milim haar van eenig geld voorzien, zoodat ze nu althans niet meer te voet het land behoefde door te trekken, bedelende om een stuk brood. Ook had hare weldoenster haar brieven medegegeven voor vrienden. Van Moskou vervolgde zij haar tocht naar Petersburg, waar zij aankwam 18 maanden na haar vertrek uit Ischim. Zij was ook in het bezit van een aanbevelingsbrief voor een Prinses, maar het gelukte haar niet, deze te ontmoeten.Op raad van een harer kennissen stelde zij een verzoekschrift op om het vonnis van haar vader te herzien, en met dit geschrift in de hand plaatste zij zich voor het regeeringsgebouw, in de hoop, dat een der hooge personen, die daar dagelijks in en uitgingen, het van haar zou willen aannemen. Er werdechter niet naar haar geluisterd, soms zelfs werd zij met ruwheid bejegend. Zoo gingen verscheidene weken voorbij.Gedurende dien tijd was zij gastvrij opgenomen ten huize van een koopman, die echter voor zaken op reis was naar Riga.Hoe dikwijls Prascovia ook werd teleurgesteld, zij verloor nooit den moed. Nu eens beproefde zij hier, dan weer elders haar geluk. Zij wendde zich tot verscheidene hooggeplaatste personen, en ontmoette zelfs de Prinses, voor wie zij een aanbevelingsbrief bij zich had, en al die menschen waren wel vriendelijk voor haar, maar deden weinig of niets, om haar te helpen bij het bereiken van haar doel. Tot zij eindelijk het geluk had kennis te maken met een der Secretarissen van Keizerin Maria, de weduwe van den vorigen en de moeder van den regeerenden Czaar. Hij hoorde haar droevig verhaal met groote belangstelling aan en beloofde haar, een goed woord voor haar te zullen doen bij Keizerin Maria, die om hare zachtmoedigheid en vriendelijkheid algemeen bekend en bemind was. Deze was dan ook dadelijk bereid, Prascovia te ontvangen en hare wenschen te vernemen.Toen Prascovia dat hoorde, werd ze doodsbleek van ontroering en klopte haar hart van dankbare vreugde. Zij sloeg de armen ten hemel, en stamelde:“O God, dan heb ik niet tevergeefs op u vertrouwd!”Nog dienzelfden avond begaf ze zich naar het paleis van de Keizerin, en dacht bij zichzelf:“O, als mijn vader mij nu eens kon zien, wat zou hij blij zijn!”De Keizerin-Moeder liet Prascovia bij zich in haar eigen kamer komen. Eerst was het meisje wel wat beschroomd, maar de hooge Vrouw had zulke eenvoudige manieren, dat zij zich spoedig op haar gemak voelde. Prascovia vertelde toen van het rampzalig lot harer ouders, die nu al sedert vele jaren als bannelingen in Siberië vertoefden, en van hare langdurige reis en van hare vergeefsche pogingen, om bij den Keizer toegelaten te worden. De Keizerin hoorde haar met de grootste belangstelling aan en was diep getroffen door het ongekunstelde verhaal van het eenvoudige, brave meisje.“Je hebt een gulden daad verricht, mijn kind,” zei ze, toen Prascovia haar verhaal geëindigd had. “Ik beloof je, bij den keizer uw voorspraak te zullen zijn. Houd maar goeden moed, je zult weldra van mij hooren.”Ze gaf haar 300 roebel, om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Vol hoop verliet Prascovia het paleis, en nog geen twee dagen later betrad zij het opnieuw. De Keizerin-Moeder had haar laten ontbieden, om met haar een bezoek te brengen aan haar zoon Czaar Alexander en diens gemalinne Keizerin Elizabeth. Prascovia beefde van ontroering, nu zij eindelijk haar doel zou bereiken en den keizer van aangezicht tot aangezicht zien zou.En weldra zag zij hem. Zij wierp zich voor hem op de knieën en smeekte voor haar vader om genade.Wat er verder gebeurd is in dat keizerlijk paleis,meldt de geschiedenis niet. Alleen dit weten we, dat de keizer haar 5000 roebel schonk en haar toevoegde:“Uw vader zal van dit oogenblik af vrij zijn.”Zoo was dan eindelijk het groote doel bereikt. Een ongekend gevoel van vreugde doortintelde haar gansche lichaam, en ’t was haar, of zij in een droom leefde. Tranen droppelden haar uit de oogen en de tong weigerde haar den dienst. Zij kon niet anders, dan enkele woorden van dank stamelen.Men liet haar de verschillende deelen van het paleis zien, en zoo kwam ze ook in de troonzaal, waar men haar den troon des keizers wees.“Is dat de troon?” zei ze zacht. “De troon van den Keizer, die mijn vader zijne vrijheid hergaf?”Met eerbied trad zij nader, boog de knieën en kuste de treden van den troon. En ze bad:“Vader in den hemel, zegen dezen troon en zegen hem, die er op zetelt, en maak hem gelukkig, zooals hij mij gelukkig heeft gemaakt.”Met moeite slechts kon men haar van den troon verwijderen.Een paar dagen later kwam een gezant van den Keizer haar vragen, of zij misschien ook iets voor zichzelve wenschte.“Neen,” sprak Prascovia eenvoudig, “maar als het Zijne Majesteit behagen mocht, de beide arme bannelingen, die mij uitgeleide deden, toen ik Ischim verliet en mij hare weinige kopekken schonken, genadig te zijn, zooals hij mijn vader genadig is geweest, dan zou ik mij zeer gelukkig achten en hem innig dankbaar zijn.”De Keizer kon zijne ooren bijna niet gelooven, toen hij dit antwoord vernam.“Wenscht zij niets voor zichzelf, zij, een jong meisje, dat toch ongetwijfeld een tal van wenschen zal koesteren? En vraagt zij alweer voor anderen? Zij is een edel en goed kind. Haar wensch zal worden vervuld.”Prascovia meende God niet beter haar groote dankbaarheid te kunnen toonen, dan door haar verder leven als non in een klooster door te brengen, en ’t allerliefst zou ze dat doen in het klooster, waar zij zoo liefderijk was verpleegd.Ze werd daar inderdaad als non aangenomen en mocht het genoegen smaken daar hare ouders te ontmoeten, toen dezen uit Siberië terugkeerden.’t Was een aandoenlijk en gelukkig wederzien. Hare ouders bleven langer dan een week bij haar en zetten toen hunne reis voort.Prascovia bleef in het klooster, maar kwam nooit de gevolgen van hare moeitevolle reis te boven. Hare gezondheid was kwijnend, en voortdurend werd zij zwakker. Den 9enDecember 1809 blies zij den laatsten adem uit.
Kinder- en Ouderliefde.In September van het jaar 1792 verkeerde geheel Parijs in een staat van groote opgewondenheid, die weldra tot razernij oversloeg. ’t Was in de dagen der groote Revolutie. De koninklijke familie was gevangen genomen en Frankrijk leefde al sedert 1789 als in een roes. De woorden Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap leefden in ieders mond, maar moord en doodslag waren aan de orde van den dag, en de gevangenissen zaten opgepropt met menschen, die verdacht waren van koningsgezindheid, of zich tegen de revolutie hadden verklaard. De geringste beschuldiging was voldoende om iemand in den kerker te doen werpen, waaruit bijna niemand ontkwam, dan op den wagen, die naar de guillotine voerde.In September 1792 bereikte die razernij haar toppunt. ’t Gerucht ging door de stad, dat de vereenigde Pruisische en Oostenrijksche legers Verdun hadden bemachtigd en tegen Parijs in aantocht waren. Men balde de vuisten en knarste op de tanden. Ha! Zou dan Frankrijks laatste uur geslagen zijn? Zouden zij dan komen, die gehate vijanden, met kogel en strop, met vuur en brandstof, om de leiders der revolutie te dooden, den koning op den troon teherstellen en zich op het Fransche volk te wreken over diens vernedering?Maar dat zou nooit,—nooit geschieden!Hoort, de klokken luidden, niet om op dezen Zondag de menschen naar de kerken te roepen, maar om hun met zwaren dreun te verkondigen, dat Frankrijk in gevaar verkeerde. Schrik en woede staan op ieders gelaat te lezen. Het volk verdringt zich onder luide kreten in de straten, en stroomt als een menschenzee her- en derwaarts.“Te wapen! Te wapen!” klinkt de kreet. “Op naar de gevangenissen, waar duizenden koningsgezinden wachten op hunne bevrijding, en eenmaal van de macht meester, zich op ons zullen werpen! Op, op, den dood aan de landverraders!”Dolken, zwaarden en pieken schitteren in het helle zonnelicht. Zie, eene gevangenis wordt geopend, en dertig mannen in geestelijk gewaad worden in zes rijtuigen geplaatst, om uit hunne voorloopige gevangenis naar de kerkers der Abbaye te worden vervoerd. ’t Zijn priesters, die geweigerd hebben den eed op de constitutie af te leggen. De rijtuigen zetten zich langzaam in beweging, want ’t is bijna onmogelijk door den menschendrom heen te rijden. En welke menschen! Woest is hun uiterlijk, bloeddorstig zijn hunne blikken, vreeselijk hunne verwenschingen. Zij dringen om de rijtuigen heen, wat hun door de wachten niet wordt belet.“Opent de raampjes van de rijtuigen!” roepen enkele priesters, hopende dat het grauw eerbied zal hebben voor hun geestelijk gewaad.“Neer die ramen!” antwoordt het volk ruw.Een van de priesters slaat met een stok op de hand van een ruwen kerel, die het raam neerdrukt. En in ’t volgend oogenblik worden de portieren opengerukt, de geestelijken uit de wagens gesleurd en op den grond geworpen.’t Grauw werpt zich op hen. Hunne kreten zijn aan die van verscheurende dieren gelijk. Maar men hoort ook jammerkreten. Velen van de omstanders smeeken om barmhartigheid, maar een woedend geraas en gegil verdooft die bede. Dolken en sabels flikkeren,—het bloed stroomt, en weldra bedekken dertig lijken den grond.En nu was het verdwaasde, opgehitste grauw niet meer te houden. Waanzinnig van bloeddorst snelde het naar de gevangenissen, maakte zich van den toegang meester en drong naar binnen. Men eischte de gevangenisrollen, die de namen der gevangenen bevatten. En nu ving er een drama aan, dat niet minder dan vier vreeselijke dagen zou duren. Haastig werd in elke gevangenis eene kamer tot gerechtszaal ingericht. Enkele bloedgierige leiders zullen als rechters dienst doen, anderen spelen voor gerechtsdienaren, en het loeiende dolzinnige volk buiten de hoofdpoort zijn de beulen, die de vonnissen zullen voltrekken. En welke vonnissen! Geen enkele zaak wordt behoorlijk onderzocht, geen getuigen worden gehoord.Men leest een naam af. De gevangene wordt binnengebracht. Enkele vragen worden tot hem gericht.“Is hij een samenzweerder? Is hij koningsgezind? Niet? Welnu, vrijgesproken! Vive la nation!”Een volgende naam wordt gehoord.Grendels knarsen, de deur wordt geopend, de gevangene verschijnt.“Een samenzweerder?”“Ja!” roept iemand.“Ja? Welnu, breng den gevangene naar La Force over!”1De ongelukkige wordt naar de hoofdpoort geleid en naar buiten geduwd. Maar,—o God, daar staan de beulen! ’t Is het grauw, dat met dolk en spiets op zijn prooi wacht. Met hoongelach wordt het slachtoffer begroet. Op ’t volgend oogenblik valt hij met honderd wonden ter aarde, en kleurt zijn bloed de straat! Zoo gaat het voort, van minuut tot minuut. Het eene slachtoffer volgt op het andere. De lijken stapelen op tot hoopen, het bloed vormt stroompjes.Zoo ging het in die vreeselijke vier dagen in alle gevangenissen, in La Force, in het Châtelet, in de Conciergerie en nog meer andere.Zelfs vrouwen bevonden zich voor de hoofdpoorten, om zich te verlustigen in het vermoorden der ongelukkigen. Neen, neen, die menschen waren geen menschen meer, ’t waren monsters geworden.Menschen, die nog niet door die vreeselijke razernij waren aangegrepen en de afschuwelijke moordtooneelen aanschouwden, barstten in tranen uit en snelden ijlings heen met de handen voor het gelaat, om maar niets meer te zien. Zelfs dappere mannen,die in heete gevechten zich helden hadden betoond, sidderden bij hetgeen zij hier zagen.En de arme gevangenen, die zich als prooi zagen aangewezen? Ontzet deinsden zij terug en smeekten om erbarming, zelfs oude soldaten vreesden dezen dood. Anderen wierpen zich snel op de pieken, om er een kort einde aan te maken.De prinses de Lamballe, de vriendin der koningin, wordt voor den rechter(!) gevoerd.“Men brenge haar over naar de Abbaye!” luidt het vonnis.Zij wil haar kleeding een weinig verschikken, want zij lag juist te bed, toen zij werd opgeroepen.“Niet noodig. Gij behoeft niet ver te gaan!” voegt men haar spottend toe.’t Was waar. Haar laatste gang was maar kort, want buiten de poort werd zij neergesabeld en vreeselijk verminkt. Haar hoofd stak men op een piek, zingende en tierende droeg men het door Parijs, om het aan de koningin Maria Antoinette te toonen, die ook in de gevangenis zuchtte, maar onder bescherming stond van de regeering. Hare gevangenis, de Tempel, werd in die uren door een lang driekleurig lint beschut, met het opschrift:“Citoyens, respectez cette barrière; elle est nécessaire à la responsabilité de vos magistrats.”(Burgers, eerbiedigt deze afscheiding; zij is noodzakelijk voor de verantwoordelijkheid uwer magistraten).Weer wordt een naam afgeroepen.“Jacques Cazotte!”De deur knarst open en een grijsaard verschijnt.Lange zilverwitte haren golven hem op de schouders neer. Hij is reeds twee en zeventig jaar oud. Als schrijver had hij een grooten naam verworven, wat niet belet had, dat hij als koningsgezinde in den kerker geworpen werd.Daar verschijnt hij, terwijl zijne dochter Elisabeth teeder hare armen om hem heengestrengeld houdt. Het meisje is niet ouder dan twintig jaar.“Is hij schuldig?”“Hij heeft een schuldige briefwisseling gehouden met Ponteau, Secretaris der civiele lijst!”“Naar La Force!” klinkt het vonnis.Voort gaat het naar de poort.Ha, daar brult en krijscht het grauw zijn slachtoffer het vreeselijk welkom toe. De bebloede pieken en zwaarden, de kreten van het volk, die lijken daar op den grond, dat bloed,—o, dat alles zegt duidelijk, welk lot den grijsaard hier wacht.Hij slaat de handen voor de oogen.Elisabeth strengelt haar beide armen om haar ouden vader heen. Hare oogen vullen zich met tranen.Men wil haar losrukken van den grijsaard, maar zij wil niet van hem gescheiden worden.“O neen, laat mij met hem sterven,—scheidt ons niet,” smeekt zij hare beulen met bevende stem.En sterker klemt zij zich aan haar geliefden vader vast, want hare liefde voor hem is sterker dan de dood.Zie, zelfs het bloeddorstige grauw wordt er door getroffen.“Laat haar! Laat haar!” wordt er geroepen.De moordenaars grijpen beiden aan, en duwen hen juichende verder door den menschendrom.“Laat haar gaan! Laat haar gaan!” schreeuwt het volk.De rijen worden geopend, en vader en dochter zijn vrij. Het leven van den grijsaard is gered, gered door de alles overwinnende liefde van zijn kind!Spoedig zijn zij vergeten, want de poort wordt opnieuw geopend en—de vreeselijke slachting gaat ongestoord voort.Nogmaals verschijnt een eenvoudige grijsaard voor de rechters. ’t Is een edelman, genaamd Charles de Sombreuil, en evenals Cazotte wordt ook hij door eene liefhebbende dochter vergezeld. Zij heet Maria. Heldhaftig schrijdt zij naast haar vader voort en ondersteunt hem bij het gaan. O, zij wil hem redden of—met hem sterven.“Mijn vader is onschuldig!” roept zij den rechters toe, maar men luistert niet naar haar.Hij wordt ondervraagd en schuldig bevonden. Ook zijn vonnis luidt als de honderden, die reeds geveld zijn:“Naar La Force!”Enkele seconden later staan zij voor hunne beulen.Maar Maria vreest den dood niet. Zij plaatst zich voor haar ouden vader, om de doodelijke stooten op te vangen, en roept de moordenaars toe:“Mijne vader is geen aristocraat! Hij is onschuldig!” ’t Volk lacht.“Geen aristocraat! En gij dan?”“Neen, neen, ook ik niet. Wij haten de aristocraten. O, goede heeren, ik wil het u bezweren!”Een van het volk grijpt een beker en schept dien vol met het bloed van de straat.“Wilt gij dan aristocratenbloed drinken?” roept hij haar toe, en hij heft den verschrikkelijken beker naar haar op.’t Volk zwijgt en ziet toe, wat er gebeuren zal.Maria aarzelt een ondeelbaar oogenblik. Dan grijpt zij den walgelijken beker en drinkt hem tot den bodem toe uit.Een juichkreet weerklinkt.“Hij is onschuldig!” tiert het uit den hoop. “Zij drinkt aristocratenbloed. Hij ga in vrijheid!”De opgeheven speren zakken naar den grond, de dolken worden opgestoken, en men drukt vader en dochter tegen de bloederige borst in eene vurige omarming. Onder gejuich worden zij in triomf naar hunne woning gebracht.“Vive la nation!” brult het volk!—Naast deze beide schoone daden van kinderliefde vinde hier eene daad van ouderliefde eene plaats. ’t Gebeurde ook tijdens de groote Révolutie in Frankrijk, ruim een jaar later. Getrouw elken avond verscheen de vreeselijke kar voor de poorten der gevangenissen, om de veroordeelden af te halen, die naar de guillotine moesten worden gevoerd. Voor het traliehek in de gevangenis werd de lijst afgelezen van hen, die aan de beurt waren om hun hoofd onder de valbijl te leggen. Vreeselijke ure! Degevangenen verdrongen zich achter het traliehek om te hooren, of ook hun naam zou worden afgeroepen.Maria de Sombreuil.In de gevangenis bevond zich ook Loiserolles, een edelman, gewezen luitenant-generaal, als zoovele anderen beschuldigd van landverraad. Hij wist, dat hij sterven moest, maar hij was zich zijn lot getroost. Toch droppelde den ouden man menigmaal een traan uit het oog, als hij dacht aan zijn zoon, die zich met hem in de gevangenis bevond en die, evenals hij, ten doode opgeschreven was. O neen, over zichzelven weende hij niet. Hij had het leven achter zich en moest toch eenmaal sterven. Maar dat ook zijn zoon, de fiere, jonge edelman, die wellicht nog een lang leven vóór zich had, het hoofd op het schavot zou moeten laten, o, dat schrijnde hem door de ziel, en telkens, als de bode kwam, om de namen af te lezen, sidderde hij bij de gedachte aan zijn dierbaar kind.De deur werd geopend, en ook thans weer schreed de bode tot aan het traliehek voort, met het verschrikkelijke papier in de hand.Angstig keek de vader rond, om te zien, waar zijn zoon zich bevond. Ach, de ongelukkige sliep, onbewust van het gevaar, dat ook nu weer, als elken avond, dreigde. Zou hij hem wekken?—Neen, waartoe zou het dienen? Om hem weer het angstige oogenblik te laten doorleven, dat geregeld elken avond terugkeerde?Hij begaf zich naar het traliehek, waar de bode zijne taak begon. Voor de deur hadden gewapendedienaren plaats genomen, om de afgeroepenen naar de kar te brengen.Hij luistert ademloos, als de anderen.Eentoonig klinkt de stem van den bode, maar soms wordt zij afgebroken door de kreten der veroordeelden, wier namen worden afgeroepen. Vrienden omhelzen elkander voor de laatste maal, men hoort snikken, er vloeien tranen.De oude man luistert met gebogen hoofd.Maar plotseling vaart hem een schrik door de leden. Daar hoort hij den naam aflezen van zijn kind, dat daar ginds slapende nederligt.Hij wordt doodsbleek, en zijn tanden klapperen.Niemand geeft antwoord.Nogmaals roept de bode denzelfden naam.Iedereen zwijgt.O God, moet de vader zijn eigen zoon wekken, om hem den slaap des doods te doen ingaan?Hij beeft over al zijne leden en het angstzweet bedekt zijn lichaam.Daar klinkt ten derden male de naam zijns zoons, en reeds maakt men zich gereed binnen te treden, om den veroordeelde te zoeken. Ongetwijfeld is hij een lafaard, die zich schuil houdt.Maar nu klinkt het plotseling zacht van de lippen des ouden mans:“Loiserolles,—die ben ik.”Hij werpt een laatsten, onbeschrijflijk droevigen blik op zijn slapenden zoon, murmelt enkele woorden van afscheid, en wendt zich naar de deur, waar de gerechtsdienaren hem aangrijpen en naar de kar voeren.De bode verdwijnt, de deuren worden gesloten. De kar rijdt heen met zijn droevigen last, en even later sterft een vader onder de guillotine, zich opofferende voor zijn zoon, wien weldra de vrijheid hergeven werd.1La Force was eene gevangenis.
In September van het jaar 1792 verkeerde geheel Parijs in een staat van groote opgewondenheid, die weldra tot razernij oversloeg. ’t Was in de dagen der groote Revolutie. De koninklijke familie was gevangen genomen en Frankrijk leefde al sedert 1789 als in een roes. De woorden Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap leefden in ieders mond, maar moord en doodslag waren aan de orde van den dag, en de gevangenissen zaten opgepropt met menschen, die verdacht waren van koningsgezindheid, of zich tegen de revolutie hadden verklaard. De geringste beschuldiging was voldoende om iemand in den kerker te doen werpen, waaruit bijna niemand ontkwam, dan op den wagen, die naar de guillotine voerde.
In September 1792 bereikte die razernij haar toppunt. ’t Gerucht ging door de stad, dat de vereenigde Pruisische en Oostenrijksche legers Verdun hadden bemachtigd en tegen Parijs in aantocht waren. Men balde de vuisten en knarste op de tanden. Ha! Zou dan Frankrijks laatste uur geslagen zijn? Zouden zij dan komen, die gehate vijanden, met kogel en strop, met vuur en brandstof, om de leiders der revolutie te dooden, den koning op den troon teherstellen en zich op het Fransche volk te wreken over diens vernedering?
Maar dat zou nooit,—nooit geschieden!
Hoort, de klokken luidden, niet om op dezen Zondag de menschen naar de kerken te roepen, maar om hun met zwaren dreun te verkondigen, dat Frankrijk in gevaar verkeerde. Schrik en woede staan op ieders gelaat te lezen. Het volk verdringt zich onder luide kreten in de straten, en stroomt als een menschenzee her- en derwaarts.
“Te wapen! Te wapen!” klinkt de kreet. “Op naar de gevangenissen, waar duizenden koningsgezinden wachten op hunne bevrijding, en eenmaal van de macht meester, zich op ons zullen werpen! Op, op, den dood aan de landverraders!”
Dolken, zwaarden en pieken schitteren in het helle zonnelicht. Zie, eene gevangenis wordt geopend, en dertig mannen in geestelijk gewaad worden in zes rijtuigen geplaatst, om uit hunne voorloopige gevangenis naar de kerkers der Abbaye te worden vervoerd. ’t Zijn priesters, die geweigerd hebben den eed op de constitutie af te leggen. De rijtuigen zetten zich langzaam in beweging, want ’t is bijna onmogelijk door den menschendrom heen te rijden. En welke menschen! Woest is hun uiterlijk, bloeddorstig zijn hunne blikken, vreeselijk hunne verwenschingen. Zij dringen om de rijtuigen heen, wat hun door de wachten niet wordt belet.
“Opent de raampjes van de rijtuigen!” roepen enkele priesters, hopende dat het grauw eerbied zal hebben voor hun geestelijk gewaad.
“Neer die ramen!” antwoordt het volk ruw.
Een van de priesters slaat met een stok op de hand van een ruwen kerel, die het raam neerdrukt. En in ’t volgend oogenblik worden de portieren opengerukt, de geestelijken uit de wagens gesleurd en op den grond geworpen.
’t Grauw werpt zich op hen. Hunne kreten zijn aan die van verscheurende dieren gelijk. Maar men hoort ook jammerkreten. Velen van de omstanders smeeken om barmhartigheid, maar een woedend geraas en gegil verdooft die bede. Dolken en sabels flikkeren,—het bloed stroomt, en weldra bedekken dertig lijken den grond.
En nu was het verdwaasde, opgehitste grauw niet meer te houden. Waanzinnig van bloeddorst snelde het naar de gevangenissen, maakte zich van den toegang meester en drong naar binnen. Men eischte de gevangenisrollen, die de namen der gevangenen bevatten. En nu ving er een drama aan, dat niet minder dan vier vreeselijke dagen zou duren. Haastig werd in elke gevangenis eene kamer tot gerechtszaal ingericht. Enkele bloedgierige leiders zullen als rechters dienst doen, anderen spelen voor gerechtsdienaren, en het loeiende dolzinnige volk buiten de hoofdpoort zijn de beulen, die de vonnissen zullen voltrekken. En welke vonnissen! Geen enkele zaak wordt behoorlijk onderzocht, geen getuigen worden gehoord.
Men leest een naam af. De gevangene wordt binnengebracht. Enkele vragen worden tot hem gericht.
“Is hij een samenzweerder? Is hij koningsgezind? Niet? Welnu, vrijgesproken! Vive la nation!”
Een volgende naam wordt gehoord.
Grendels knarsen, de deur wordt geopend, de gevangene verschijnt.
“Een samenzweerder?”
“Ja!” roept iemand.
“Ja? Welnu, breng den gevangene naar La Force over!”1
De ongelukkige wordt naar de hoofdpoort geleid en naar buiten geduwd. Maar,—o God, daar staan de beulen! ’t Is het grauw, dat met dolk en spiets op zijn prooi wacht. Met hoongelach wordt het slachtoffer begroet. Op ’t volgend oogenblik valt hij met honderd wonden ter aarde, en kleurt zijn bloed de straat! Zoo gaat het voort, van minuut tot minuut. Het eene slachtoffer volgt op het andere. De lijken stapelen op tot hoopen, het bloed vormt stroompjes.
Zoo ging het in die vreeselijke vier dagen in alle gevangenissen, in La Force, in het Châtelet, in de Conciergerie en nog meer andere.
Zelfs vrouwen bevonden zich voor de hoofdpoorten, om zich te verlustigen in het vermoorden der ongelukkigen. Neen, neen, die menschen waren geen menschen meer, ’t waren monsters geworden.
Menschen, die nog niet door die vreeselijke razernij waren aangegrepen en de afschuwelijke moordtooneelen aanschouwden, barstten in tranen uit en snelden ijlings heen met de handen voor het gelaat, om maar niets meer te zien. Zelfs dappere mannen,die in heete gevechten zich helden hadden betoond, sidderden bij hetgeen zij hier zagen.
En de arme gevangenen, die zich als prooi zagen aangewezen? Ontzet deinsden zij terug en smeekten om erbarming, zelfs oude soldaten vreesden dezen dood. Anderen wierpen zich snel op de pieken, om er een kort einde aan te maken.
De prinses de Lamballe, de vriendin der koningin, wordt voor den rechter(!) gevoerd.
“Men brenge haar over naar de Abbaye!” luidt het vonnis.
Zij wil haar kleeding een weinig verschikken, want zij lag juist te bed, toen zij werd opgeroepen.
“Niet noodig. Gij behoeft niet ver te gaan!” voegt men haar spottend toe.
’t Was waar. Haar laatste gang was maar kort, want buiten de poort werd zij neergesabeld en vreeselijk verminkt. Haar hoofd stak men op een piek, zingende en tierende droeg men het door Parijs, om het aan de koningin Maria Antoinette te toonen, die ook in de gevangenis zuchtte, maar onder bescherming stond van de regeering. Hare gevangenis, de Tempel, werd in die uren door een lang driekleurig lint beschut, met het opschrift:
“Citoyens, respectez cette barrière; elle est nécessaire à la responsabilité de vos magistrats.”(Burgers, eerbiedigt deze afscheiding; zij is noodzakelijk voor de verantwoordelijkheid uwer magistraten).
Weer wordt een naam afgeroepen.
“Jacques Cazotte!”
De deur knarst open en een grijsaard verschijnt.Lange zilverwitte haren golven hem op de schouders neer. Hij is reeds twee en zeventig jaar oud. Als schrijver had hij een grooten naam verworven, wat niet belet had, dat hij als koningsgezinde in den kerker geworpen werd.
Daar verschijnt hij, terwijl zijne dochter Elisabeth teeder hare armen om hem heengestrengeld houdt. Het meisje is niet ouder dan twintig jaar.
“Is hij schuldig?”
“Hij heeft een schuldige briefwisseling gehouden met Ponteau, Secretaris der civiele lijst!”
“Naar La Force!” klinkt het vonnis.
Voort gaat het naar de poort.
Ha, daar brult en krijscht het grauw zijn slachtoffer het vreeselijk welkom toe. De bebloede pieken en zwaarden, de kreten van het volk, die lijken daar op den grond, dat bloed,—o, dat alles zegt duidelijk, welk lot den grijsaard hier wacht.
Hij slaat de handen voor de oogen.
Elisabeth strengelt haar beide armen om haar ouden vader heen. Hare oogen vullen zich met tranen.
Men wil haar losrukken van den grijsaard, maar zij wil niet van hem gescheiden worden.
“O neen, laat mij met hem sterven,—scheidt ons niet,” smeekt zij hare beulen met bevende stem.
En sterker klemt zij zich aan haar geliefden vader vast, want hare liefde voor hem is sterker dan de dood.
Zie, zelfs het bloeddorstige grauw wordt er door getroffen.
“Laat haar! Laat haar!” wordt er geroepen.
De moordenaars grijpen beiden aan, en duwen hen juichende verder door den menschendrom.
“Laat haar gaan! Laat haar gaan!” schreeuwt het volk.
De rijen worden geopend, en vader en dochter zijn vrij. Het leven van den grijsaard is gered, gered door de alles overwinnende liefde van zijn kind!
Spoedig zijn zij vergeten, want de poort wordt opnieuw geopend en—de vreeselijke slachting gaat ongestoord voort.
Nogmaals verschijnt een eenvoudige grijsaard voor de rechters. ’t Is een edelman, genaamd Charles de Sombreuil, en evenals Cazotte wordt ook hij door eene liefhebbende dochter vergezeld. Zij heet Maria. Heldhaftig schrijdt zij naast haar vader voort en ondersteunt hem bij het gaan. O, zij wil hem redden of—met hem sterven.
“Mijn vader is onschuldig!” roept zij den rechters toe, maar men luistert niet naar haar.
Hij wordt ondervraagd en schuldig bevonden. Ook zijn vonnis luidt als de honderden, die reeds geveld zijn:
“Naar La Force!”
Enkele seconden later staan zij voor hunne beulen.
Maar Maria vreest den dood niet. Zij plaatst zich voor haar ouden vader, om de doodelijke stooten op te vangen, en roept de moordenaars toe:
“Mijne vader is geen aristocraat! Hij is onschuldig!” ’t Volk lacht.
“Geen aristocraat! En gij dan?”
“Neen, neen, ook ik niet. Wij haten de aristocraten. O, goede heeren, ik wil het u bezweren!”
Een van het volk grijpt een beker en schept dien vol met het bloed van de straat.
“Wilt gij dan aristocratenbloed drinken?” roept hij haar toe, en hij heft den verschrikkelijken beker naar haar op.
’t Volk zwijgt en ziet toe, wat er gebeuren zal.
Maria aarzelt een ondeelbaar oogenblik. Dan grijpt zij den walgelijken beker en drinkt hem tot den bodem toe uit.
Een juichkreet weerklinkt.
“Hij is onschuldig!” tiert het uit den hoop. “Zij drinkt aristocratenbloed. Hij ga in vrijheid!”
De opgeheven speren zakken naar den grond, de dolken worden opgestoken, en men drukt vader en dochter tegen de bloederige borst in eene vurige omarming. Onder gejuich worden zij in triomf naar hunne woning gebracht.
“Vive la nation!” brult het volk!—
Naast deze beide schoone daden van kinderliefde vinde hier eene daad van ouderliefde eene plaats. ’t Gebeurde ook tijdens de groote Révolutie in Frankrijk, ruim een jaar later. Getrouw elken avond verscheen de vreeselijke kar voor de poorten der gevangenissen, om de veroordeelden af te halen, die naar de guillotine moesten worden gevoerd. Voor het traliehek in de gevangenis werd de lijst afgelezen van hen, die aan de beurt waren om hun hoofd onder de valbijl te leggen. Vreeselijke ure! Degevangenen verdrongen zich achter het traliehek om te hooren, of ook hun naam zou worden afgeroepen.
Maria de Sombreuil.
In de gevangenis bevond zich ook Loiserolles, een edelman, gewezen luitenant-generaal, als zoovele anderen beschuldigd van landverraad. Hij wist, dat hij sterven moest, maar hij was zich zijn lot getroost. Toch droppelde den ouden man menigmaal een traan uit het oog, als hij dacht aan zijn zoon, die zich met hem in de gevangenis bevond en die, evenals hij, ten doode opgeschreven was. O neen, over zichzelven weende hij niet. Hij had het leven achter zich en moest toch eenmaal sterven. Maar dat ook zijn zoon, de fiere, jonge edelman, die wellicht nog een lang leven vóór zich had, het hoofd op het schavot zou moeten laten, o, dat schrijnde hem door de ziel, en telkens, als de bode kwam, om de namen af te lezen, sidderde hij bij de gedachte aan zijn dierbaar kind.
De deur werd geopend, en ook thans weer schreed de bode tot aan het traliehek voort, met het verschrikkelijke papier in de hand.
Angstig keek de vader rond, om te zien, waar zijn zoon zich bevond. Ach, de ongelukkige sliep, onbewust van het gevaar, dat ook nu weer, als elken avond, dreigde. Zou hij hem wekken?—Neen, waartoe zou het dienen? Om hem weer het angstige oogenblik te laten doorleven, dat geregeld elken avond terugkeerde?
Hij begaf zich naar het traliehek, waar de bode zijne taak begon. Voor de deur hadden gewapendedienaren plaats genomen, om de afgeroepenen naar de kar te brengen.
Hij luistert ademloos, als de anderen.
Eentoonig klinkt de stem van den bode, maar soms wordt zij afgebroken door de kreten der veroordeelden, wier namen worden afgeroepen. Vrienden omhelzen elkander voor de laatste maal, men hoort snikken, er vloeien tranen.
De oude man luistert met gebogen hoofd.
Maar plotseling vaart hem een schrik door de leden. Daar hoort hij den naam aflezen van zijn kind, dat daar ginds slapende nederligt.
Hij wordt doodsbleek, en zijn tanden klapperen.
Niemand geeft antwoord.
Nogmaals roept de bode denzelfden naam.
Iedereen zwijgt.
O God, moet de vader zijn eigen zoon wekken, om hem den slaap des doods te doen ingaan?
Hij beeft over al zijne leden en het angstzweet bedekt zijn lichaam.
Daar klinkt ten derden male de naam zijns zoons, en reeds maakt men zich gereed binnen te treden, om den veroordeelde te zoeken. Ongetwijfeld is hij een lafaard, die zich schuil houdt.
Maar nu klinkt het plotseling zacht van de lippen des ouden mans:
“Loiserolles,—die ben ik.”
Hij werpt een laatsten, onbeschrijflijk droevigen blik op zijn slapenden zoon, murmelt enkele woorden van afscheid, en wendt zich naar de deur, waar de gerechtsdienaren hem aangrijpen en naar de kar voeren.
De bode verdwijnt, de deuren worden gesloten. De kar rijdt heen met zijn droevigen last, en even later sterft een vader onder de guillotine, zich opofferende voor zijn zoon, wien weldra de vrijheid hergeven werd.
1La Force was eene gevangenis.
1La Force was eene gevangenis.
Een heldenhart onder een grove kiel.In 1892 zou er bij een boerenwoning te Hilversum een put gegraven worden. De werklieden waren ijverig in de weer. Men spitte van den morgen tot den avond en wierp de aarde omhoog. Spoedig al was men zoo diep in den grond gekomen, dat de aarde door middel van een windas naar boven geheschen moest worden. Van datzelfde windas moesten de werklieden ook gebruik maken om, toen zij dieper gekomen waren, in den put af te dalen. ’t Was een gevaarlijk werkje, want zij groeven in zandgrond, en moesten dus de uiterste voorzichtigheid betrachten, om instortingen te voorkomen. In kleigrond bestaat dat gevaar niet, maar zandgrond is veel moeilijker te bewerken. Telkens, als zij weer dieper in den grond waren doorgedrongen, lieten zij houten cilinders in den put zakken, om het zand in bedwang te houden. ’t Gevaar voor instortingen was hier nog grooter dan gewoonlijk, omdat deze nieuwe put gegraven werd vlak naast den ouden.Toch, ondanks alle genomen voorzorgen, gebeurde er een vreeselijk ongeluk. Toen de put bijna twaalf meter diep was, en zich een van de gravers op den bodem bevond, barstte een van de houten cilinders door de persing van den grond uit elkander, en werd de man onder het neervallende zand bedolven.Een groote schrik maakte zich van allen, die in de nabijheid waren, meester, en ’t gerucht, dat er een man levend onder het zand begraven lag, ging in Hilversum van mond tot mond. Van alle kanten stroomden de menschen toe, om op de plaats zelve te zien, wat er gebeurd was.Dadelijk was men op redding van den ongelukkige bedacht. Men plaatste nieuwe houten cilinders in den put, om verdere instortingen zoo mogelijk te voorkomen, en ijverig ging men aan het werk, om het ingestorte zand te verwijderen.Angstig vroeg men zich af, of de ongelukkige nog zou leven, en zoo ja, of men hem nog tijdig zou kunnen redden.’t Ongeluk gebeurde op den morgen van den 8enOctober, en den geheelen dag bleef men onverpoosd aan den arbeid, om het slachtoffer van den ramp te bereiken. Toen de avond viel, werden de lantarens opgestoken, want men dacht er niet aan, het reddingswerk op te geven. Neen, men arbeidde den geheelen nacht voort, tot eindelijk, om drie uur in den morgen, op hun roepen eenig geluid uit de diepte tot hen doordrong. De ongelukkige leefde dus nog. Ha, dat gaf moed, en met vernieuwde krachten werkte men voort.Tot plotseling opnieuw een van de houten cilinders in elkaar werd gedrukt, en de put ten tweeden male met zand werd gevuld. De beide werklieden, die in den put met graven bezig waren, konden zich ternauwernood in veiligheid brengen.Een jammerkreet steeg op uit den kring van omstanders,die zich beijverd hadden om het zand op te hijschen. De vrouw van den levend begravene, die zich bij den put bevond, stortte bij dezen nieuwen ramp bewusteloos op den grond.’t Werd Zondag. De mannen staarden elkander vragend aan. Zou de ongelukkige nog leven? Moest men opnieuw aan den arbeid gaan, om hem zoo mogelijk nog te redden? Maar—zou de put niet wederom instorten, en ook hun een ontijdig graf doen vinden? Neen, men durfde niet! ’t Werk was te gevaarlijk.En toch,—kon men den man, die misschien nog leefde, daar op den bodem van den put aan zijn vreeselijk lot overlaten?Opeens grijpt een van hen de spade, en gaat aan den arbeid. ’t Is een eenvoudige werkman van ongeveer veertigjarigen leeftijd. Onder zijn grove kiel klopt een heldenhart. Hij grijpt de spade en begint den gevaarlijken arbeid.Twee anderen, door zijn voorbeeld aangemoedigd, doen als hij. Zwijgend werken zij voort, want er mag geen oogenblik verloren gaan.Den geheelen dag werkt de brave Van Rheenen door, en steeds dieper daalt hij in den put neder. Zijne helpers hijschen het zand omhoog. De Zondag gaat voorbij, en de nacht komt, maar Van Rheenen gunt zich geen rust. Eene groote vermoeidheid overmeestert hem en hij kan de spade nauwelijks meer hanteeren, maar—hij weet van geen ophouden. Daar beneden immers verkeert een zijner makkers wellicht in stervensnood?Honderden menschen staan om den put geschaard. Opeens verzocht hij stilte. Hoorde hij daar geen geluid van uit de diepte tot zich komen?Ja, ja, het geluid herhaalt zich. De man leeft nog, en Van Rheenen roept het den omstanders toe.“Hij leeft! Hij leeft!” klinkt het van mond tot mond.Van Rheenen werkt zonder ophouden voort, tot hij eindelijk niet meer kan. De spade ontvalt aan zijne bevende handen, en bewusteloos zijgt hij neder.IJlings hijscht men hem op. Zijn gelaat is doodsbleek. Spoedig opent hij de oogen weder en vragend kijkt hij met wezenlooze trekken de omstanders aan.Ha, hij herinnert zich! Daar beneden in den put ligt een mensch bedolven onder het zand. Met inspanning van al zijne krachten heft hij zich op. Hij nadert den put, en laat zich opnieuw naar den bodem zakken. Men waarschuwt hem, toch niet te veel van zijne krachten te vergen, maar hij luistert er niet naar. Hij grijpt de spade en gaat opnieuw aan den arbeid. De houten wanden boven zijn hoofd doen een waarschuwend gekraak hooren,—doch Van Rheenen werkt door, want daar beneden hem klinkt eene menschelijke stem, die om hulp smeekt.Hij graaft steeds verder,—tot hij met zijne spade stuit op de ingevallen duigen van een kuip. Hij nadert dus den ongelukkige en zal hem weldra hebben bereikt. O, dat geeft hem nieuwe krachten,—en sneller daalt zijne spade in den grond. Een geestelijke wil in den put afdalen, om den levend begravene toe te spreken en hem te bemoedigen, maar menweerhoudt hem, opdat er geen oogenblik verloren zal gaan.’t WordtMaandagmiddagvijf uur,—en nog altoos zet Van Rheenen zijn edelmoedigen arbeid voort. Maar telkens duidelijker worden de kreten van het slachtoffer. Van Rheenen kan bijna de spade niet meer hanteeren, en alles aan zijn lichaam trilt en beeft van vermoeidheid. Reeds heeft hij onafgebroken dertig uren zijn zwaren arbeid verricht.Eindelijk,—eindelijk dan toch ontvangt hij de kroon op zijn werk. Hij heeft den ongelukkige bereikt, hij schuift het laatste zand weg, hij wikkelt hem in een laken, dat men hem van boven af toewerpt, en met zijn kostbaren buit laat hij zich omhoog hijschen.En nauwelijks is hij boven gekomen, of opnieuw wordt een gekraak vernomen en ten derden male stort de put in. Maar het bulderend geraas van het neervallende zand wordt overstemd door het oorverdoovend gejubel van de velen, die getuigen waren van het moedige reddingswerk.Waarlijk, wel klopte onder dezen eenvoudigen werkmanskiel een heldenhart!Onder gejuich werden redder en geredde naar hunne woningen gebracht, en van alle kanten kwamen gelden in, om Van Rheenen een blijk van hulde te kunnen aanbieden. Men liet daarvoor een eenvoudige woning bouwen, die hem als eene blijvende herinnering aan zijne moedige daad werd aangeboden.
In 1892 zou er bij een boerenwoning te Hilversum een put gegraven worden. De werklieden waren ijverig in de weer. Men spitte van den morgen tot den avond en wierp de aarde omhoog. Spoedig al was men zoo diep in den grond gekomen, dat de aarde door middel van een windas naar boven geheschen moest worden. Van datzelfde windas moesten de werklieden ook gebruik maken om, toen zij dieper gekomen waren, in den put af te dalen. ’t Was een gevaarlijk werkje, want zij groeven in zandgrond, en moesten dus de uiterste voorzichtigheid betrachten, om instortingen te voorkomen. In kleigrond bestaat dat gevaar niet, maar zandgrond is veel moeilijker te bewerken. Telkens, als zij weer dieper in den grond waren doorgedrongen, lieten zij houten cilinders in den put zakken, om het zand in bedwang te houden. ’t Gevaar voor instortingen was hier nog grooter dan gewoonlijk, omdat deze nieuwe put gegraven werd vlak naast den ouden.
Toch, ondanks alle genomen voorzorgen, gebeurde er een vreeselijk ongeluk. Toen de put bijna twaalf meter diep was, en zich een van de gravers op den bodem bevond, barstte een van de houten cilinders door de persing van den grond uit elkander, en werd de man onder het neervallende zand bedolven.
Een groote schrik maakte zich van allen, die in de nabijheid waren, meester, en ’t gerucht, dat er een man levend onder het zand begraven lag, ging in Hilversum van mond tot mond. Van alle kanten stroomden de menschen toe, om op de plaats zelve te zien, wat er gebeurd was.
Dadelijk was men op redding van den ongelukkige bedacht. Men plaatste nieuwe houten cilinders in den put, om verdere instortingen zoo mogelijk te voorkomen, en ijverig ging men aan het werk, om het ingestorte zand te verwijderen.
Angstig vroeg men zich af, of de ongelukkige nog zou leven, en zoo ja, of men hem nog tijdig zou kunnen redden.
’t Ongeluk gebeurde op den morgen van den 8enOctober, en den geheelen dag bleef men onverpoosd aan den arbeid, om het slachtoffer van den ramp te bereiken. Toen de avond viel, werden de lantarens opgestoken, want men dacht er niet aan, het reddingswerk op te geven. Neen, men arbeidde den geheelen nacht voort, tot eindelijk, om drie uur in den morgen, op hun roepen eenig geluid uit de diepte tot hen doordrong. De ongelukkige leefde dus nog. Ha, dat gaf moed, en met vernieuwde krachten werkte men voort.
Tot plotseling opnieuw een van de houten cilinders in elkaar werd gedrukt, en de put ten tweeden male met zand werd gevuld. De beide werklieden, die in den put met graven bezig waren, konden zich ternauwernood in veiligheid brengen.
Een jammerkreet steeg op uit den kring van omstanders,die zich beijverd hadden om het zand op te hijschen. De vrouw van den levend begravene, die zich bij den put bevond, stortte bij dezen nieuwen ramp bewusteloos op den grond.
’t Werd Zondag. De mannen staarden elkander vragend aan. Zou de ongelukkige nog leven? Moest men opnieuw aan den arbeid gaan, om hem zoo mogelijk nog te redden? Maar—zou de put niet wederom instorten, en ook hun een ontijdig graf doen vinden? Neen, men durfde niet! ’t Werk was te gevaarlijk.
En toch,—kon men den man, die misschien nog leefde, daar op den bodem van den put aan zijn vreeselijk lot overlaten?
Opeens grijpt een van hen de spade, en gaat aan den arbeid. ’t Is een eenvoudige werkman van ongeveer veertigjarigen leeftijd. Onder zijn grove kiel klopt een heldenhart. Hij grijpt de spade en begint den gevaarlijken arbeid.
Twee anderen, door zijn voorbeeld aangemoedigd, doen als hij. Zwijgend werken zij voort, want er mag geen oogenblik verloren gaan.
Den geheelen dag werkt de brave Van Rheenen door, en steeds dieper daalt hij in den put neder. Zijne helpers hijschen het zand omhoog. De Zondag gaat voorbij, en de nacht komt, maar Van Rheenen gunt zich geen rust. Eene groote vermoeidheid overmeestert hem en hij kan de spade nauwelijks meer hanteeren, maar—hij weet van geen ophouden. Daar beneden immers verkeert een zijner makkers wellicht in stervensnood?
Honderden menschen staan om den put geschaard. Opeens verzocht hij stilte. Hoorde hij daar geen geluid van uit de diepte tot zich komen?
Ja, ja, het geluid herhaalt zich. De man leeft nog, en Van Rheenen roept het den omstanders toe.
“Hij leeft! Hij leeft!” klinkt het van mond tot mond.
Van Rheenen werkt zonder ophouden voort, tot hij eindelijk niet meer kan. De spade ontvalt aan zijne bevende handen, en bewusteloos zijgt hij neder.
IJlings hijscht men hem op. Zijn gelaat is doodsbleek. Spoedig opent hij de oogen weder en vragend kijkt hij met wezenlooze trekken de omstanders aan.
Ha, hij herinnert zich! Daar beneden in den put ligt een mensch bedolven onder het zand. Met inspanning van al zijne krachten heft hij zich op. Hij nadert den put, en laat zich opnieuw naar den bodem zakken. Men waarschuwt hem, toch niet te veel van zijne krachten te vergen, maar hij luistert er niet naar. Hij grijpt de spade en gaat opnieuw aan den arbeid. De houten wanden boven zijn hoofd doen een waarschuwend gekraak hooren,—doch Van Rheenen werkt door, want daar beneden hem klinkt eene menschelijke stem, die om hulp smeekt.
Hij graaft steeds verder,—tot hij met zijne spade stuit op de ingevallen duigen van een kuip. Hij nadert dus den ongelukkige en zal hem weldra hebben bereikt. O, dat geeft hem nieuwe krachten,—en sneller daalt zijne spade in den grond. Een geestelijke wil in den put afdalen, om den levend begravene toe te spreken en hem te bemoedigen, maar menweerhoudt hem, opdat er geen oogenblik verloren zal gaan.
’t WordtMaandagmiddagvijf uur,—en nog altoos zet Van Rheenen zijn edelmoedigen arbeid voort. Maar telkens duidelijker worden de kreten van het slachtoffer. Van Rheenen kan bijna de spade niet meer hanteeren, en alles aan zijn lichaam trilt en beeft van vermoeidheid. Reeds heeft hij onafgebroken dertig uren zijn zwaren arbeid verricht.
Eindelijk,—eindelijk dan toch ontvangt hij de kroon op zijn werk. Hij heeft den ongelukkige bereikt, hij schuift het laatste zand weg, hij wikkelt hem in een laken, dat men hem van boven af toewerpt, en met zijn kostbaren buit laat hij zich omhoog hijschen.
En nauwelijks is hij boven gekomen, of opnieuw wordt een gekraak vernomen en ten derden male stort de put in. Maar het bulderend geraas van het neervallende zand wordt overstemd door het oorverdoovend gejubel van de velen, die getuigen waren van het moedige reddingswerk.
Waarlijk, wel klopte onder dezen eenvoudigen werkmanskiel een heldenhart!
Onder gejuich werden redder en geredde naar hunne woningen gebracht, en van alle kanten kwamen gelden in, om Van Rheenen een blijk van hulde te kunnen aanbieden. Men liet daarvoor een eenvoudige woning bouwen, die hem als eene blijvende herinnering aan zijne moedige daad werd aangeboden.
Uit het land der verschrikking.Lopouloff was een kapitein van het Russische leger onder de regeering van Czaar Paul I en had, om ons onbekende redenen, een vreeselijk vonnis tegen zich hooren vellen. Een misdadiger kon hij in geen geval genoemd worden. Vermoedelijk had hij eene onvoorzichtigheid begaan, die het wantrouwen van zijn keizerlijken meester had opgewekt, en dat alleen was reeds voldoende, om levenslang naar Siberië te worden verbannen. Een vreeselijke straf! Siberië wordt het land der verschrikking genoemd, en duizenden bij duizenden hebben daar in den loop der eeuwen hun leven in droefheid en ellende gesleten. Ook nu nog wordt die straf maar al te dikwerf toegepast. Ook nu nog worden de ongelukkige bannelingen, met kettingen aan elkander verbonden en door zweepslagen voortgedreven, naar dat rampzalige oord getransporteerd. Wèl wordt de straf tegenwoordig niet meer in al hare gestrengheid toegepast, wel zijn aan de arme bannelingen enkele voorrechten toegestaan, maar nog altoos is eene verbanning naar Siberië voor elken Rus een straf, die den veroordeelde menigmaal tot vertwijfeling brengt.Ook Lopouloff werd daarheen gevoerd, niet alseen misdadiger, aan handen en voeten in ketenen geklonken, en veroordeeld om zijn verder leven door te brengen als arbeider in de mijnen,—maar als staatsgevangene. Hij mocht zijn gezin meenemen en kreeg van den Staat eene kleine toelage, waarvan hij op armoedige wijze in zijn nooddruft kon voorzien. Was die toelage onvoldoende, dan kon hij door jacht of landbouw zijne inkomsten eenigermate vergrooten. Maar—het koude klimaat en de dorre grond waren voor den landbouw ongunstig, en de jacht leverde ook bitter weinig op.Kapitein Lopouloff werd naar het dorp Ischim gevoerd, dat gelegen was ten noorden van Tobolsk. ’t Was voor den armen banneling een groote troost, dat zijn vrouw niet van hem wilde scheiden en met hem meetrok naar het oord der verschrikking. En ook zijn eenig kind, zijn driejarig dochtertje Prascovia, bleef nu voor hem behouden. O, als hij ook dat kind, zijn oogappel, had moeten missen, als hij haar lief, kinderlijk gebabbel niet meer had gehoord, hare lachjes niet meer had gezien, hare mollige armpjes niet meer om zijn hals had gevoeld,—dan zou de dood hem welkomer zijn geweest. Hij ontving slechts tien kopekken per dag, niet meer dan twintig cents dus, om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Wel een klein bedrag voor iemand, die tot nog toe als kapitein bij het Russische leger in de hoogere standen der maatschappij in weelde had geleefd. Gelukkig, dat zijn vrouw hem in de grootheid van haar hart ter zijde bleef en hem troostte en bemoedigde. Met een moed boven ieders lof verheven schikte zijzich in de moeilijke omstandigheden, waarin het lot haar had geplaatst, en toonde zij haar man en kind steeds een blij gezicht. Zij was het zonnetje in het huis der ellende, dat met hare stralen de huisgenooten verkwikte en verwarmde.De kleine Prascovia leed het minst van allen onder de veranderde omstandigheden. ’t Ging met haar als met een vogel, die nooit de vrijheid heeft gekend, nooit op trillende wieken het zonnelicht al zingende is tegemoet gesneld, nooit rondgedarteld heeft in de takken en twijgen der boomen. Hij beschouwt immers zijne kooi als de wereld en haakt niet naar de vrijheid.Ook Prascovia had de schoone wereld met al hare heerlijkheden niet gekend. Het koude, donkere Siberië was al spoedig háár wereld geworden, waarin zij lachte en speelde, danste en zong. Heerlijk vond zij het, op haar vaders knie te zitten en paardje te rijden, of te luisteren naar de vertellingen van hare moeder.En toen zij ouder werd, hielp zij haar vader werken op het land, of arbeidde zij zelfs wel in het dorp bij de andere bannelingen, om als loon een bundeltje rogge thuis te kunnen brengen.Zoo groeide zij op tot een meisje van vijftien jaar, te midden van veel ijs, sneeuw en duisternis. Maar toen ook begon het langzamerhand tot haar door te dringen, hoe diep ellendig hare ouders zich wel moesten gevoelen in dit rampzalige oord, waar de zon niet door de nevelen kon dringen, waar de aarde bijna een woestenij was, en waar een ellendige huthun tot woning diende. O, Prascovia had hare ooren goed open gehad, zoo dikwijls zij anderen hoorde spreken over die andere wereld, ver van daar, waar alles zooveel heerlijker was en waar de menschen mochten gaan en staan, waar zij wilden, en waar vroolijkheid heerschte en levenslust.En dáár hadden immers hare ouders eenmaal gewoond, dat heerlijke leven hadden zij gekend en genoten, daar hadden zij in volle vrijheid geleefd en zich gelukkig gevoeld. En van dien tijd af werd het meisje stil en in zichzelf gekeerd. Hare vroolijkheid verdween meer en meer, en al hare gedachten waren samengetrokken op een enkel punt, namelijk hoe zij hare ouders zou kunnen verlossen uit den poel van ellende, waarin zij waren nedergestort.Lopouloff had zich tot nog toe goed gehouden, maar nu hij bij zijn geliefd kind alle vroolijkheid en opgeruimdheid meer en meer zag verdwijnen, wat hij toeschreef aan een onuitgesproken verlangen naar de vrijheid,—toen verloor ook hij allen levenslust. Hij besloot, een verzoekschrift tot den Gouverneur van Siberië te richten, om in vrijheid gesteld te worden. Zijne ballingschap had nu reeds twaalf jaren geduurd. Hij stelde zijn geschrift aan een officier ter hand, die hem beloofde het aan den Gouverneur over te brengen en tevens zijn voorspraak te zullen zijn.Eerst wachtte hij geduldig af, wat er het gevolg van zou zijn. Maar toen de eene koerier na den anderen van Tobolsk kwam, zonder eenig antwoord op zijn brief te brengen, toen verviel hij langzamerhand tot groote somberheid, en begon hij jammerlijkte klagen over zijn bitter lot, en stortte hij tranen, als hij aan zijn kind dacht, dat opgroeide in ellende, niet het minste onderwijs had genoten en op het land onder vreemden arbeidde als een lijfeigene.Erheerschtetoen somberheid zoowel in als buiten de armoedige stulp, die zij bewoonden. Elken avond, voordat Prascovia naar bed ging, knielde zij neer en bad God om uitredding voor haar arme ouders, die wegkwijnden van verdriet. En eenmaal, toen zij weer hare gebeden opzond tot den Allerhoogste, schoot haar plotseling als een bliksemstraal de gedachte door het hoofd:“Waarom zou ik zelf niet naar Petersburg gaan en den machtigen Czaar om genade voor mijn vader smeeken?”Die gedachte verliet haar geen oogenblik meer, maar zij durfde er met hare ouders niet over spreken.’t Was immers toch een onmogelijkheid?Toch kon zij er eindelijk niet langer over zwijgen, en sprak zij er hare ouders over.Haar vader keek haar eenigszins spottend aan, en zeide tot zijne vrouw:“Zoo’n dwaas kind! Dat wil naar Petersburg gaan, naar den Czaar, om genade voor mij te vragen! Hoe bedenkt ze het in vredesnaam!”“Ze deed beter met op haar werk te letten,” sprak hare Moeder. En toen Prascovia in tranen uitbarstte, gaf hare moeder haar een laken, en zei lachend:“Hier, mijn kind, dek de tafel voor het eten,—en dan mag je naar Petersburg gaan.”Prascovia hield echter, nu zij er eenmaal over begonnenwas, voet bij stuk en verdedigde haar plan met al de middelen, die haar ten dienste stonden. Telkens kwam zij er opnieuw op terug en geen dag ging er voorbij, dat zij haar ouders niet smeekte haar toestemming te geven om de groote reis te ondernemen. Haar vader werd er eindelijk wrevelig over en verbood haar kort en goed, dit onderwerp ooit weer aan te roeren. ’t Was immers eene onmogelijkheid? Hoe zou een jong meisje geheel alleen die groote reis maken, zonder zelfs eenig geld tot hare beschikking te hebben. En dan eene reis zoo moeilijk en vol gevaren als deze?“Ik verbied je er ooit weder een woord over te spreken. ’t Is een onzinnig plan, dat je zoo spoedig mogelijk uit je gedachten moet zetten!”Zoo gingen weer drie jaren voorbij, jaren, waarin de ellende in de kleine kluis nog grooter werd, daar hare moeder door eene ernstige en langdurige ziekte werd aangetast, die haar aan den rand van het graf bracht.Toen eerst leerden hare ouders de groote liefde van hun kind kennen. Niet alleen had zij voor de huishouding te zorgen, maar bovendien moest zij hare zieke moeder verplegen, van welke zware taak zij zich met zooveel liefde en zelfopoffering kweet, dat hare ouders haar niet langer als een kind beschouwden, en voortaan met meer ernst toeluisterden, als zij weer haar plan ter sprake bracht.Eindelijk gelukte het haar toestemming te verkrijgen, om de groote reis te ondernemen. Maar daaraan had zij niet genoeg. Zonder toestemming vanden Gouverneur mocht zij Ischim niet verlaten. Ze zou, indien ze het toch deed, ongetwijfeld binnen korten tijd weer naar haar dorpje worden teruggevoerd. Zij had een paspoort noodig, en het verkrijgen daarvan scheen een moeilijke zaak. Verzoekschrift op verzoekschrift zond zij aan den Gouverneur, maar al hare brieven bleven onbeantwoord.Zoo gingen weer zes maanden voorbij, toen eindelijk een koerier het lang gewenschte stuk bracht. Zij kreeg werkelijk verlof, Siberië te verlaten en de groote reis te ondernemen.Maar zie, nu het gewichtige oogenblik eindelijk was gekomen, trok haar vader, bevreesd voor de gevaren, die zijn geliefd kind op den grooten tocht bedreigden, zijne toestemming in, en weigerde hij haar te laten gaan. Het paspoort nam hij onder zijne berusting en sloot het weg.Prascovia barstte in tranen uit, en smeekte zoo lang, dat haar vader ten slotte toegaf. Toch beproefde hij nog, haar van haar plan terug te brengen.“Goed,” zei hij, “je kunt gaan, kind, omdat ik zie, dat je niet anders wilt. Maar heb je wel bedacht, dat je niet eens tot den keizer zult worden toegelaten? Weet je wel, dat schildwachten zijn paleis bewaken en dat het je nooit gelukken zal, den drempel daarvan te overschrijden? En zou je in je armelijke kleeren bij den keizer toegelaten willen worden? Kom, kom, er is geen denken aan.”“Toch ga ik, en God zal mij helpen,” hield Prascovia vol. Zoo had zij dan eindelijk alle bezwaren overwonnen en zou zij met toestemming van hareouders de reis ondernemen. Het vertrek werd op den 8enSeptember bepaald. Bij het krieken van den dag stonden zij op. Zij had het weinige, dat zij op haar tocht zou meenemen, geborgen in een klein zakje, dat zij om den hals droeg onder hare kleeren.Vader, moeder en dochter waren hoogst ernstig gestemd en spraken weinig. Toen de eerste zonnestraal door het venster naar binnen drong, begaven zij zich volgens Russisch gebruik in het gebed, en smeekten zij God om Zijn hulp en bijstand. Daarna breidde de vader zijne armen over het hoofd van zijn dochter uit en gaf haar zijn zegen. Hij reikte haar ook een zilveren roebel toe, een geldstuk ter waarde van ongeveer twee gulden. ’t Was alles, wat hij haar kon meegeven.“Och, waartoe zou dat geld mij dienen,” zei Prascovia. “’t Is te weinig, om mij van nut te kunnen zijn, terwijl het voor u een groote waarde vertegenwoordigt. Houd u het maar.”Hiervan wilde haar vader echter niet weten en hij dwong haar het geldstuk aan te nemen. Er kwamen ook nog twee van de armste bannelingen, die haar dertig kopekken aanboden en een stukje zilverwerk. Maar Prascovia, hoewel getroffen door deze eenvoudige daad, weigerde beslist, ze aan te nemen.Toen nam zij een teeder afscheid van hare ouders en ging op weg. Hare ouders staarden haar met betraande oogen na, tot zij haar niet meer zien konden. En de beide arme vrouwtjes vergezelden haar zoover het haar geoorloofd was. Voordat zij afscheid van haar namen, achterhaalden zij eenige meisjes, die opeen der dorpen woonden, waar Prascovia langs moest. Deze meisjes waren zeer vriendelijk voor haar en een van haar bood haar zelfs een nachtverblijf aan, waarvan Prascovia dankbaar gebruik maakte. ’s Morgens vroeg vervolgde zij haar tocht weer, maar ’t was moeilijk voor haar, den rechten weg te vinden. Als zij iemand den weg naar Petersburg vroeg, keek men haar aan, of zij niet goed bij haar verstand was, of wel men lachte haar smakelijk uit over zoo’n domme vraag. Petersburg immers lag op zoo’n verbazend grooten afstand, dat men hier in Holland even goed aan een voorbijganger zou kunnen vragen: “Loop ik zoo goed naar Rome?”Den tweeden dag dwaalde zij dan ook van den rechten weg af en kwam eenige uren na haar vertrek tot hare verbazing in hetzelfde dorp terug, waar zij den nacht had doorgebracht. Zij gaf echter den moed niet op, maar begon haar tocht opnieuw. ’t Was uiterst moeilijk voor haar, om eenigszins de richting te bepalen, die zij nemen moest, want namen van steden en dorpen, die zij op haar weg passeeren moest, kende zij niet. Eindelijk meende zij, dat de stad Kiev wel de eerste plaats van beteekenis was, die zij bereiken moest, en zoo vroeg zij steeds, hoe zij loopen moest, om daar te komen.Als de avond viel, trachtte zij hier of daar bij vriendelijke menschen een nachtverblijf te vinden. Op kleinere plaatsen gelukte haar dat meestal nog al goed, maar op de grootere kostte het haar niet weinig moeite. Meestal werd zij aan de deur op ruwe wijze afgesnauwd, en menigmaal moest zij hooren,dat men voor dieven en landloopsters geen nachtverblijf beschikbaar had. Als zij honger en dorst kreeg, bedelde zij aan de huizen om een bete broods of een dronk waters, wat haar in de meeste gevallen gaarne gegeven werd.Toen zij eens den geheelen dag geloopen had en vermoeid was, werd zij tegen den avond overvallen door een vreeselijken storm, en de regen viel bij stroomen neder! ’t Werd zwaar weer, zoo zelfs, dat op korten afstand vóór haar een boom ontworteld werd en met een zwaren slag op den grond neerplofte. Bijna was zij er onder verpletterd geworden. Angstig keek zij uit, of zij ergens in den omtrek huizen ontwaarde, maar zij zag er geen. Alleen een dicht kreupelbosch bood haar eenige bescherming aan. Zij zocht daar dan ook haar toevlucht. Zij werd doornat en beefde van koude. En met schrik zag zij, dat de duisternis snel toenam en dat zij gedwongen zou zijn, den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen. Een vreeselijke gedachte voor de arme Prascovia. De wind loeide door het geboomte en deed haar huiveren van koude en angst. Hare kleeren waren doorweekt van den regen en de honger kwelde haar. Met den rug tegen een boomstam geleund, bracht zij den langen nacht onder angst en beving door. Eindelijk bedaarde de storm, en bij zonsopgang verliet Prascovia hare schuilplaats, om haar tocht voort te zetten.Gelukkig reed haar een boer achterop, die haar een plaatsje op zijne kar aanbood. Zoo bereikte zij tegen acht uur een dorp, waar de boer haar middenop de straat afzette. Het arme meisje zag er ontoonbaar uit. Hare kleeren zaten vol modder en waren doornat. Zij vroeg aan verscheidene huizen om een stuk brood en smeekte hare kleeren te mogen drogen, maar zij werd overal afgewezen. De jongens jouwden haar uit voor dievegge en landloopster en wierpen haar met steenen. Uitgeput, half verhongerd en moedeloos ging zij voor een huis op den stoep zitten, maar zij werd er al spoedig vandaan gejaagd. Voor eene andere woning was ze al even ongelukkig. Ten slotte bereikte zij de kerk. Ha, dáár zou men haar toch den toegang niet weigeren. Haastig snelde zij er heen, maar helaas, de deur was gesloten. Ze ging voor het portaal zitten en barstte in tranen uit.Op dat oogenblik naderde haar eene vrouw, die blijkbaar medelijden met haar had.“Wat scheelt u, meisje?” vroeg ze.Toen vertelde Prascovia haar van den verschrikkelijken nacht, dien zij had doorgebracht, en hoe hongerig en moede zij was.“Ga mede naar mijn huis,” sprak de vrouw.Prascovia wilde opstaan, maar hare beenen weigerden haar den dienst. Zij waren geheel verstijfd, en hare voeten waren gezwollen. Ook had ze een van hare schoenen verloren.Er kwamen meer menschen toeloopen, en toen zij hoorden, hoe dit meisje hier gekomen was en hoe zij den nacht onder den blooten hemel had doorgebracht, en toen zij zagen, hoe pijnlijk hare voeten waren,—toen hadden zij medelijden met haar en brachten haar op eene kar naar de woning van degoede vrouw, die vol medelijden haar een onderdak aanbood.Prascovia was zoo uitgeput, dat zij verscheidene dagen in de vriendelijke woning moest blijven, eer zij haar tocht kon voortzetten. Van een der dorpelingen kreeg zij een paar nieuwe schoenen. Zij toonde hare dankbaarheid, door voor haar vriendelijke gastvrouw naaiwerk te verrichten. Toen zij hersteld was, nam zij afscheid en ging verder.Op een anderen keer had zij eene ontmoeting, waaraan zij later niet dan met ontzetting kon terugdenken.Ze was tegen den avond in een dorp gekomen en had overal tevergeefs om een nachtverblijf gevraagd. Eindelijk kwam zij aan het laatste huis, en herhaalde ook daar hare bede. De man keek haar een oogenblik scherp onderzoekend aan, en wees haar toen op ruwe wijze af.Maar een oogenblik later riep hij haar terug. Zij trad dus de woning binnen, doch zag tot haar schrik, dat de deur door palen werd afgesloten. En ook zag ze, dat zoowel de man als de vrouw een zeer ongunstig uiterlijk hadden.“Waar kom je vandaan?” vroeg de man.“Van Ischim,” zei ze. “Ik ga naar Petersburg.”“Naar Petersburg? En heb je geld genoeg voor zoo’n groote reis?”“Slechts 80 kopekken,” antwoordde Prascovia, die blij was, dat ze op dat oogenblik niet meer geld in haar bezit had. Ze was stellig overtuigd, dat de menschen, bij wie ze in huis was, slechte bedoelingenhadden en haar wilden bestelen, misschien zelfs wel vermoorden.“Je liegt!” schreeuwde de man haar toe. “Niemand maakt zoo’n groote reis zonder geld.”En toen Prascovia volhield, dat zij niet meer bezat, werd de man ruw en woest, wat haar zeer beangstigde. Gaarne was zij dit ongastvrije dak ontvlucht, maar de deur was zorgvuldig gesloten en zij zag geen kans haar te openen. Bovendien zou haar dat stellig belet zijn.Eindelijk zette de vrouw haar wat gekookte aardappelen voor en zei, dat ze op de kachel mocht liggen om te slapen, zooals dat bij de arme Russen gebruikelijk is.Prascovia deed dat, maar zij durfde niet te gaan slapen. Zij was overtuigd, dat de menschen slechte bedoelingen hadden. In die overtuiging werd zij versterkt, toen zij de vrouw haar man hoorde toefluisteren:“Zij moet meer geld hebben. Ik zag om haar hals een koord met een zakje er aan. Daar moet het geld in zijn.”Prascovia lag doodstil. Opeens bemerkte zij tot haar schrik, dat de vrouw op de kachel klom en, in de meening, dat zij sliep, haar het taschje van den hals nam en keek, hoeveel geld het bevatte. Ook onderzocht zij hare kleeren en zelfs hare schoenen. De man lichtte haar bij tijdens dat onderzoek.Toen de beide menschen alles doorsnuffeld hadden, gingen zij slapen. Prascovia had een verschrikkelijk oogenblik doorleefd. Zij meende niet anders, of diemenschen zouden haar vermoorden. Maar nu zij sliepen, werd zij kalmer en viel eindelijk ook in een diepen slaap, waaruit zij niet ontwaakte, dan toen de vrouw haar riep.Deze was nu zeer vriendelijk voor haar en gaf haar een uitstekend ontbijt, en ze deed Prascovia allerlei vragen. ’t Scheen wel een heel ander mensch dan den vorigen avond. Ze sprak ook over het onderzoek, dat zij toen had ingesteld.“Wij dachten, dat je oneerlijk was, maar je zult later wel merken, dat wij geen dieven zijn of slechte bedoelingen hadden,” zei ze tot Prascovia.Deze was blij, toen zij de woning goed en wel verlaten had, maar toen zij later haar taschje nakeek, zag zij, dat er geen 80 kopekken in waren, maar 120. De oude vrouw moest er dus 40 bijgedaan hebben, en Prascovia had haar ten onrechte gewantrouwd.Eenigen tijd later werd zij door eenige dorpshonden aangevallen. Verschrikt hief ze haar stok op en trachtte de woeste dieren te verjagen, maar dat gelukte haar niet. Met woest geblaf sprongen zij om haar heen. Vol angst liet zij zich eindelijk voorover op den grond vallen, haar gelaat met de handen bedekkende. O, ongetwijfeld zouden de beesten haar thans verscheuren!—Maar zie, de honden besnuffelden haar maar even en deden haar in ’t geheel geen kwaad. En een voorbijkomende boer joeg hen weg met zijn stok.Zoo reisde Prascovia steeds verder, tot zij eindelijk in haar tocht werd gestuit door een hevigen sneeuwstorm,die niet minder dan acht dagen aanhield en de aarde met een dikke laag sneeuw bedekte.Gelukkig vond Prascovia een gastvrij onderdak, waar zij door het doen van de wasch en het verrichten van naaiwerk zich verdienstelijk trachtte te maken. Toen de storm uitgewoed had, wilde Prascovia vertrekken, maar de boeren verklaarden, dat het zelfs een sterken man het leven zou kosten, indien hij te voet eene lange reis door de sneeuwvelden ondernam. Zij raadden haar aan te wachten, tot er een convooi van sleden door het dorp kwam, dat elk jaar daar langs trok, om naar Jekaterinenburg te gaan met goederen voor het kerstfeest. Na eenige dagen verschenen de drijvers dan ook met hunne sleden. De boeren vertelden hun, dat Prascovia op weg was naar Petersburg, om genade voor haar vader te vragen, en verzochten aan de drijvers, haar een plaatsje op een van de sleden te geven. Dat wilden zij gaarne doen. De drijvers hadden medelijden met haar en bewonderden ook hare liefde voor haar ouders en haar moed.’t Was heerlijk voor Prascovia, op deze gemakkelijke manier hare reis te kunnen voortzetten, want zij was door en door vermoeid. Maar ongelukkig waren hare dunne kleeren totaal onvoldoende, om haar tegen de snerpende koude te beschutten, en zelfs, toen de mannen haar met hunne mantels bedekten, bleek de koude nog te hevig. Na eene reis van vier dagen tilde men haar aan een eenzame halte verstijfd van de slede, en bleek het, dat hare wang bevroren was. Dadelijk wreven de drijvers haar metsneeuw, waardoor erger voorkomen werd, maar zij durfden haar toch niet verder meenemen, als zij geen schapenvacht had om zich te verwarmen. Prascovia had geen geld om er een te koopen, en toen hare brave geleiders het geld bij elkaar hadden gelegd, bleek er zelfs op deze eenzame plaats geen te koop te zijn.Toen besloten zij, Prascovia een schapenvacht van een hunner af te staan, en het om beurten zelf zonder zulk een onmisbare pels te doen. Zoo kwam Prascovia te Jekaterinenburg aan, vol dankbaarheid jegens de goede lieden, die haar met zooveel zelfopoffering hadden voortgeholpen.In deze stad hoorde zij veel spreken over de menschlievendheid van zekere Madame Milim, en zij besloot de hulp van deze vrouw in te roepen. Toen zij bij eene kerk eene dame ontmoette en haar vroeg, waar Madame Milim woonde, bleek het de aangesprokene zelf te wezen, en deze brave vrouw vatte eene groote genegenheid voor het meisje op. Zij nam haar mede naar hare woning en hield haar den geheelen winter bij zich. Zij vond het onverantwoordelijk, het jonge meisje in het barre jaargetijde verder te laten gaan. Zij leerde haar lezen en schrijven en bracht haar zooveel algemeene ontwikkeling bij, als in zulk een korten tijd maar mogelijk was. Toen de lente intrad, vertrouwde zij Prascovia toe aan de hoede van een harer kennissen, die naar Niezjnii-Nowgorod voor zaken op reis ging. Op de boot werd hij echter zwaar ziek, zoodat men hem in een klein plaatsje moest achterlaten. Onderweg trof Prascovia nog een anderongeluk. Zij werd met nog twee andere passagiers door een noodlottig toeval overboord geworpen. Zij werden wel dadelijk gered, maar hadden geen gelegenheid om zich te verkleeden, wat hare gezondheid in gevaar bracht. Te Niezjnii-Nowgorod overviel haar eene ernstige ziekte. Gelukkig werd zij in een klooster opgenomen, waar zij met de grootste liefde werd verpleegd. De dokter vreesde, dat zij sterven zou, doch Prascovia zeide: “Dat geloof ik niet. De goede God zal mij niet laten sterven, vóór ik mijne taak volbracht heb.”En ze genas inderdaad, maar zoo langzaam, dat de zomer voorbij was, eer ze de reis kon voortzetten.Eindelijk vertrok ze in eene slede naar Moskou. Ze was toen nog erg zwak, te zwak zelfs om in rammelende en schokkende postwagens te rijden. Gelukkig had Madame Milim haar van eenig geld voorzien, zoodat ze nu althans niet meer te voet het land behoefde door te trekken, bedelende om een stuk brood. Ook had hare weldoenster haar brieven medegegeven voor vrienden. Van Moskou vervolgde zij haar tocht naar Petersburg, waar zij aankwam 18 maanden na haar vertrek uit Ischim. Zij was ook in het bezit van een aanbevelingsbrief voor een Prinses, maar het gelukte haar niet, deze te ontmoeten.Op raad van een harer kennissen stelde zij een verzoekschrift op om het vonnis van haar vader te herzien, en met dit geschrift in de hand plaatste zij zich voor het regeeringsgebouw, in de hoop, dat een der hooge personen, die daar dagelijks in en uitgingen, het van haar zou willen aannemen. Er werdechter niet naar haar geluisterd, soms zelfs werd zij met ruwheid bejegend. Zoo gingen verscheidene weken voorbij.Gedurende dien tijd was zij gastvrij opgenomen ten huize van een koopman, die echter voor zaken op reis was naar Riga.Hoe dikwijls Prascovia ook werd teleurgesteld, zij verloor nooit den moed. Nu eens beproefde zij hier, dan weer elders haar geluk. Zij wendde zich tot verscheidene hooggeplaatste personen, en ontmoette zelfs de Prinses, voor wie zij een aanbevelingsbrief bij zich had, en al die menschen waren wel vriendelijk voor haar, maar deden weinig of niets, om haar te helpen bij het bereiken van haar doel. Tot zij eindelijk het geluk had kennis te maken met een der Secretarissen van Keizerin Maria, de weduwe van den vorigen en de moeder van den regeerenden Czaar. Hij hoorde haar droevig verhaal met groote belangstelling aan en beloofde haar, een goed woord voor haar te zullen doen bij Keizerin Maria, die om hare zachtmoedigheid en vriendelijkheid algemeen bekend en bemind was. Deze was dan ook dadelijk bereid, Prascovia te ontvangen en hare wenschen te vernemen.Toen Prascovia dat hoorde, werd ze doodsbleek van ontroering en klopte haar hart van dankbare vreugde. Zij sloeg de armen ten hemel, en stamelde:“O God, dan heb ik niet tevergeefs op u vertrouwd!”Nog dienzelfden avond begaf ze zich naar het paleis van de Keizerin, en dacht bij zichzelf:“O, als mijn vader mij nu eens kon zien, wat zou hij blij zijn!”De Keizerin-Moeder liet Prascovia bij zich in haar eigen kamer komen. Eerst was het meisje wel wat beschroomd, maar de hooge Vrouw had zulke eenvoudige manieren, dat zij zich spoedig op haar gemak voelde. Prascovia vertelde toen van het rampzalig lot harer ouders, die nu al sedert vele jaren als bannelingen in Siberië vertoefden, en van hare langdurige reis en van hare vergeefsche pogingen, om bij den Keizer toegelaten te worden. De Keizerin hoorde haar met de grootste belangstelling aan en was diep getroffen door het ongekunstelde verhaal van het eenvoudige, brave meisje.“Je hebt een gulden daad verricht, mijn kind,” zei ze, toen Prascovia haar verhaal geëindigd had. “Ik beloof je, bij den keizer uw voorspraak te zullen zijn. Houd maar goeden moed, je zult weldra van mij hooren.”Ze gaf haar 300 roebel, om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Vol hoop verliet Prascovia het paleis, en nog geen twee dagen later betrad zij het opnieuw. De Keizerin-Moeder had haar laten ontbieden, om met haar een bezoek te brengen aan haar zoon Czaar Alexander en diens gemalinne Keizerin Elizabeth. Prascovia beefde van ontroering, nu zij eindelijk haar doel zou bereiken en den keizer van aangezicht tot aangezicht zien zou.En weldra zag zij hem. Zij wierp zich voor hem op de knieën en smeekte voor haar vader om genade.Wat er verder gebeurd is in dat keizerlijk paleis,meldt de geschiedenis niet. Alleen dit weten we, dat de keizer haar 5000 roebel schonk en haar toevoegde:“Uw vader zal van dit oogenblik af vrij zijn.”Zoo was dan eindelijk het groote doel bereikt. Een ongekend gevoel van vreugde doortintelde haar gansche lichaam, en ’t was haar, of zij in een droom leefde. Tranen droppelden haar uit de oogen en de tong weigerde haar den dienst. Zij kon niet anders, dan enkele woorden van dank stamelen.Men liet haar de verschillende deelen van het paleis zien, en zoo kwam ze ook in de troonzaal, waar men haar den troon des keizers wees.“Is dat de troon?” zei ze zacht. “De troon van den Keizer, die mijn vader zijne vrijheid hergaf?”Met eerbied trad zij nader, boog de knieën en kuste de treden van den troon. En ze bad:“Vader in den hemel, zegen dezen troon en zegen hem, die er op zetelt, en maak hem gelukkig, zooals hij mij gelukkig heeft gemaakt.”Met moeite slechts kon men haar van den troon verwijderen.Een paar dagen later kwam een gezant van den Keizer haar vragen, of zij misschien ook iets voor zichzelve wenschte.“Neen,” sprak Prascovia eenvoudig, “maar als het Zijne Majesteit behagen mocht, de beide arme bannelingen, die mij uitgeleide deden, toen ik Ischim verliet en mij hare weinige kopekken schonken, genadig te zijn, zooals hij mijn vader genadig is geweest, dan zou ik mij zeer gelukkig achten en hem innig dankbaar zijn.”De Keizer kon zijne ooren bijna niet gelooven, toen hij dit antwoord vernam.“Wenscht zij niets voor zichzelf, zij, een jong meisje, dat toch ongetwijfeld een tal van wenschen zal koesteren? En vraagt zij alweer voor anderen? Zij is een edel en goed kind. Haar wensch zal worden vervuld.”Prascovia meende God niet beter haar groote dankbaarheid te kunnen toonen, dan door haar verder leven als non in een klooster door te brengen, en ’t allerliefst zou ze dat doen in het klooster, waar zij zoo liefderijk was verpleegd.Ze werd daar inderdaad als non aangenomen en mocht het genoegen smaken daar hare ouders te ontmoeten, toen dezen uit Siberië terugkeerden.’t Was een aandoenlijk en gelukkig wederzien. Hare ouders bleven langer dan een week bij haar en zetten toen hunne reis voort.Prascovia bleef in het klooster, maar kwam nooit de gevolgen van hare moeitevolle reis te boven. Hare gezondheid was kwijnend, en voortdurend werd zij zwakker. Den 9enDecember 1809 blies zij den laatsten adem uit.
Lopouloff was een kapitein van het Russische leger onder de regeering van Czaar Paul I en had, om ons onbekende redenen, een vreeselijk vonnis tegen zich hooren vellen. Een misdadiger kon hij in geen geval genoemd worden. Vermoedelijk had hij eene onvoorzichtigheid begaan, die het wantrouwen van zijn keizerlijken meester had opgewekt, en dat alleen was reeds voldoende, om levenslang naar Siberië te worden verbannen. Een vreeselijke straf! Siberië wordt het land der verschrikking genoemd, en duizenden bij duizenden hebben daar in den loop der eeuwen hun leven in droefheid en ellende gesleten. Ook nu nog wordt die straf maar al te dikwerf toegepast. Ook nu nog worden de ongelukkige bannelingen, met kettingen aan elkander verbonden en door zweepslagen voortgedreven, naar dat rampzalige oord getransporteerd. Wèl wordt de straf tegenwoordig niet meer in al hare gestrengheid toegepast, wel zijn aan de arme bannelingen enkele voorrechten toegestaan, maar nog altoos is eene verbanning naar Siberië voor elken Rus een straf, die den veroordeelde menigmaal tot vertwijfeling brengt.
Ook Lopouloff werd daarheen gevoerd, niet alseen misdadiger, aan handen en voeten in ketenen geklonken, en veroordeeld om zijn verder leven door te brengen als arbeider in de mijnen,—maar als staatsgevangene. Hij mocht zijn gezin meenemen en kreeg van den Staat eene kleine toelage, waarvan hij op armoedige wijze in zijn nooddruft kon voorzien. Was die toelage onvoldoende, dan kon hij door jacht of landbouw zijne inkomsten eenigermate vergrooten. Maar—het koude klimaat en de dorre grond waren voor den landbouw ongunstig, en de jacht leverde ook bitter weinig op.
Kapitein Lopouloff werd naar het dorp Ischim gevoerd, dat gelegen was ten noorden van Tobolsk. ’t Was voor den armen banneling een groote troost, dat zijn vrouw niet van hem wilde scheiden en met hem meetrok naar het oord der verschrikking. En ook zijn eenig kind, zijn driejarig dochtertje Prascovia, bleef nu voor hem behouden. O, als hij ook dat kind, zijn oogappel, had moeten missen, als hij haar lief, kinderlijk gebabbel niet meer had gehoord, hare lachjes niet meer had gezien, hare mollige armpjes niet meer om zijn hals had gevoeld,—dan zou de dood hem welkomer zijn geweest. Hij ontving slechts tien kopekken per dag, niet meer dan twintig cents dus, om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Wel een klein bedrag voor iemand, die tot nog toe als kapitein bij het Russische leger in de hoogere standen der maatschappij in weelde had geleefd. Gelukkig, dat zijn vrouw hem in de grootheid van haar hart ter zijde bleef en hem troostte en bemoedigde. Met een moed boven ieders lof verheven schikte zijzich in de moeilijke omstandigheden, waarin het lot haar had geplaatst, en toonde zij haar man en kind steeds een blij gezicht. Zij was het zonnetje in het huis der ellende, dat met hare stralen de huisgenooten verkwikte en verwarmde.
De kleine Prascovia leed het minst van allen onder de veranderde omstandigheden. ’t Ging met haar als met een vogel, die nooit de vrijheid heeft gekend, nooit op trillende wieken het zonnelicht al zingende is tegemoet gesneld, nooit rondgedarteld heeft in de takken en twijgen der boomen. Hij beschouwt immers zijne kooi als de wereld en haakt niet naar de vrijheid.
Ook Prascovia had de schoone wereld met al hare heerlijkheden niet gekend. Het koude, donkere Siberië was al spoedig háár wereld geworden, waarin zij lachte en speelde, danste en zong. Heerlijk vond zij het, op haar vaders knie te zitten en paardje te rijden, of te luisteren naar de vertellingen van hare moeder.
En toen zij ouder werd, hielp zij haar vader werken op het land, of arbeidde zij zelfs wel in het dorp bij de andere bannelingen, om als loon een bundeltje rogge thuis te kunnen brengen.
Zoo groeide zij op tot een meisje van vijftien jaar, te midden van veel ijs, sneeuw en duisternis. Maar toen ook begon het langzamerhand tot haar door te dringen, hoe diep ellendig hare ouders zich wel moesten gevoelen in dit rampzalige oord, waar de zon niet door de nevelen kon dringen, waar de aarde bijna een woestenij was, en waar een ellendige huthun tot woning diende. O, Prascovia had hare ooren goed open gehad, zoo dikwijls zij anderen hoorde spreken over die andere wereld, ver van daar, waar alles zooveel heerlijker was en waar de menschen mochten gaan en staan, waar zij wilden, en waar vroolijkheid heerschte en levenslust.
En dáár hadden immers hare ouders eenmaal gewoond, dat heerlijke leven hadden zij gekend en genoten, daar hadden zij in volle vrijheid geleefd en zich gelukkig gevoeld. En van dien tijd af werd het meisje stil en in zichzelf gekeerd. Hare vroolijkheid verdween meer en meer, en al hare gedachten waren samengetrokken op een enkel punt, namelijk hoe zij hare ouders zou kunnen verlossen uit den poel van ellende, waarin zij waren nedergestort.
Lopouloff had zich tot nog toe goed gehouden, maar nu hij bij zijn geliefd kind alle vroolijkheid en opgeruimdheid meer en meer zag verdwijnen, wat hij toeschreef aan een onuitgesproken verlangen naar de vrijheid,—toen verloor ook hij allen levenslust. Hij besloot, een verzoekschrift tot den Gouverneur van Siberië te richten, om in vrijheid gesteld te worden. Zijne ballingschap had nu reeds twaalf jaren geduurd. Hij stelde zijn geschrift aan een officier ter hand, die hem beloofde het aan den Gouverneur over te brengen en tevens zijn voorspraak te zullen zijn.
Eerst wachtte hij geduldig af, wat er het gevolg van zou zijn. Maar toen de eene koerier na den anderen van Tobolsk kwam, zonder eenig antwoord op zijn brief te brengen, toen verviel hij langzamerhand tot groote somberheid, en begon hij jammerlijkte klagen over zijn bitter lot, en stortte hij tranen, als hij aan zijn kind dacht, dat opgroeide in ellende, niet het minste onderwijs had genoten en op het land onder vreemden arbeidde als een lijfeigene.
Erheerschtetoen somberheid zoowel in als buiten de armoedige stulp, die zij bewoonden. Elken avond, voordat Prascovia naar bed ging, knielde zij neer en bad God om uitredding voor haar arme ouders, die wegkwijnden van verdriet. En eenmaal, toen zij weer hare gebeden opzond tot den Allerhoogste, schoot haar plotseling als een bliksemstraal de gedachte door het hoofd:
“Waarom zou ik zelf niet naar Petersburg gaan en den machtigen Czaar om genade voor mijn vader smeeken?”
Die gedachte verliet haar geen oogenblik meer, maar zij durfde er met hare ouders niet over spreken.
’t Was immers toch een onmogelijkheid?
Toch kon zij er eindelijk niet langer over zwijgen, en sprak zij er hare ouders over.
Haar vader keek haar eenigszins spottend aan, en zeide tot zijne vrouw:
“Zoo’n dwaas kind! Dat wil naar Petersburg gaan, naar den Czaar, om genade voor mij te vragen! Hoe bedenkt ze het in vredesnaam!”
“Ze deed beter met op haar werk te letten,” sprak hare Moeder. En toen Prascovia in tranen uitbarstte, gaf hare moeder haar een laken, en zei lachend:
“Hier, mijn kind, dek de tafel voor het eten,—en dan mag je naar Petersburg gaan.”
Prascovia hield echter, nu zij er eenmaal over begonnenwas, voet bij stuk en verdedigde haar plan met al de middelen, die haar ten dienste stonden. Telkens kwam zij er opnieuw op terug en geen dag ging er voorbij, dat zij haar ouders niet smeekte haar toestemming te geven om de groote reis te ondernemen. Haar vader werd er eindelijk wrevelig over en verbood haar kort en goed, dit onderwerp ooit weer aan te roeren. ’t Was immers eene onmogelijkheid? Hoe zou een jong meisje geheel alleen die groote reis maken, zonder zelfs eenig geld tot hare beschikking te hebben. En dan eene reis zoo moeilijk en vol gevaren als deze?
“Ik verbied je er ooit weder een woord over te spreken. ’t Is een onzinnig plan, dat je zoo spoedig mogelijk uit je gedachten moet zetten!”
Zoo gingen weer drie jaren voorbij, jaren, waarin de ellende in de kleine kluis nog grooter werd, daar hare moeder door eene ernstige en langdurige ziekte werd aangetast, die haar aan den rand van het graf bracht.
Toen eerst leerden hare ouders de groote liefde van hun kind kennen. Niet alleen had zij voor de huishouding te zorgen, maar bovendien moest zij hare zieke moeder verplegen, van welke zware taak zij zich met zooveel liefde en zelfopoffering kweet, dat hare ouders haar niet langer als een kind beschouwden, en voortaan met meer ernst toeluisterden, als zij weer haar plan ter sprake bracht.
Eindelijk gelukte het haar toestemming te verkrijgen, om de groote reis te ondernemen. Maar daaraan had zij niet genoeg. Zonder toestemming vanden Gouverneur mocht zij Ischim niet verlaten. Ze zou, indien ze het toch deed, ongetwijfeld binnen korten tijd weer naar haar dorpje worden teruggevoerd. Zij had een paspoort noodig, en het verkrijgen daarvan scheen een moeilijke zaak. Verzoekschrift op verzoekschrift zond zij aan den Gouverneur, maar al hare brieven bleven onbeantwoord.
Zoo gingen weer zes maanden voorbij, toen eindelijk een koerier het lang gewenschte stuk bracht. Zij kreeg werkelijk verlof, Siberië te verlaten en de groote reis te ondernemen.
Maar zie, nu het gewichtige oogenblik eindelijk was gekomen, trok haar vader, bevreesd voor de gevaren, die zijn geliefd kind op den grooten tocht bedreigden, zijne toestemming in, en weigerde hij haar te laten gaan. Het paspoort nam hij onder zijne berusting en sloot het weg.
Prascovia barstte in tranen uit, en smeekte zoo lang, dat haar vader ten slotte toegaf. Toch beproefde hij nog, haar van haar plan terug te brengen.
“Goed,” zei hij, “je kunt gaan, kind, omdat ik zie, dat je niet anders wilt. Maar heb je wel bedacht, dat je niet eens tot den keizer zult worden toegelaten? Weet je wel, dat schildwachten zijn paleis bewaken en dat het je nooit gelukken zal, den drempel daarvan te overschrijden? En zou je in je armelijke kleeren bij den keizer toegelaten willen worden? Kom, kom, er is geen denken aan.”
“Toch ga ik, en God zal mij helpen,” hield Prascovia vol. Zoo had zij dan eindelijk alle bezwaren overwonnen en zou zij met toestemming van hareouders de reis ondernemen. Het vertrek werd op den 8enSeptember bepaald. Bij het krieken van den dag stonden zij op. Zij had het weinige, dat zij op haar tocht zou meenemen, geborgen in een klein zakje, dat zij om den hals droeg onder hare kleeren.
Vader, moeder en dochter waren hoogst ernstig gestemd en spraken weinig. Toen de eerste zonnestraal door het venster naar binnen drong, begaven zij zich volgens Russisch gebruik in het gebed, en smeekten zij God om Zijn hulp en bijstand. Daarna breidde de vader zijne armen over het hoofd van zijn dochter uit en gaf haar zijn zegen. Hij reikte haar ook een zilveren roebel toe, een geldstuk ter waarde van ongeveer twee gulden. ’t Was alles, wat hij haar kon meegeven.
“Och, waartoe zou dat geld mij dienen,” zei Prascovia. “’t Is te weinig, om mij van nut te kunnen zijn, terwijl het voor u een groote waarde vertegenwoordigt. Houd u het maar.”
Hiervan wilde haar vader echter niet weten en hij dwong haar het geldstuk aan te nemen. Er kwamen ook nog twee van de armste bannelingen, die haar dertig kopekken aanboden en een stukje zilverwerk. Maar Prascovia, hoewel getroffen door deze eenvoudige daad, weigerde beslist, ze aan te nemen.
Toen nam zij een teeder afscheid van hare ouders en ging op weg. Hare ouders staarden haar met betraande oogen na, tot zij haar niet meer zien konden. En de beide arme vrouwtjes vergezelden haar zoover het haar geoorloofd was. Voordat zij afscheid van haar namen, achterhaalden zij eenige meisjes, die opeen der dorpen woonden, waar Prascovia langs moest. Deze meisjes waren zeer vriendelijk voor haar en een van haar bood haar zelfs een nachtverblijf aan, waarvan Prascovia dankbaar gebruik maakte. ’s Morgens vroeg vervolgde zij haar tocht weer, maar ’t was moeilijk voor haar, den rechten weg te vinden. Als zij iemand den weg naar Petersburg vroeg, keek men haar aan, of zij niet goed bij haar verstand was, of wel men lachte haar smakelijk uit over zoo’n domme vraag. Petersburg immers lag op zoo’n verbazend grooten afstand, dat men hier in Holland even goed aan een voorbijganger zou kunnen vragen: “Loop ik zoo goed naar Rome?”
Den tweeden dag dwaalde zij dan ook van den rechten weg af en kwam eenige uren na haar vertrek tot hare verbazing in hetzelfde dorp terug, waar zij den nacht had doorgebracht. Zij gaf echter den moed niet op, maar begon haar tocht opnieuw. ’t Was uiterst moeilijk voor haar, om eenigszins de richting te bepalen, die zij nemen moest, want namen van steden en dorpen, die zij op haar weg passeeren moest, kende zij niet. Eindelijk meende zij, dat de stad Kiev wel de eerste plaats van beteekenis was, die zij bereiken moest, en zoo vroeg zij steeds, hoe zij loopen moest, om daar te komen.
Als de avond viel, trachtte zij hier of daar bij vriendelijke menschen een nachtverblijf te vinden. Op kleinere plaatsen gelukte haar dat meestal nog al goed, maar op de grootere kostte het haar niet weinig moeite. Meestal werd zij aan de deur op ruwe wijze afgesnauwd, en menigmaal moest zij hooren,dat men voor dieven en landloopsters geen nachtverblijf beschikbaar had. Als zij honger en dorst kreeg, bedelde zij aan de huizen om een bete broods of een dronk waters, wat haar in de meeste gevallen gaarne gegeven werd.
Toen zij eens den geheelen dag geloopen had en vermoeid was, werd zij tegen den avond overvallen door een vreeselijken storm, en de regen viel bij stroomen neder! ’t Werd zwaar weer, zoo zelfs, dat op korten afstand vóór haar een boom ontworteld werd en met een zwaren slag op den grond neerplofte. Bijna was zij er onder verpletterd geworden. Angstig keek zij uit, of zij ergens in den omtrek huizen ontwaarde, maar zij zag er geen. Alleen een dicht kreupelbosch bood haar eenige bescherming aan. Zij zocht daar dan ook haar toevlucht. Zij werd doornat en beefde van koude. En met schrik zag zij, dat de duisternis snel toenam en dat zij gedwongen zou zijn, den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen. Een vreeselijke gedachte voor de arme Prascovia. De wind loeide door het geboomte en deed haar huiveren van koude en angst. Hare kleeren waren doorweekt van den regen en de honger kwelde haar. Met den rug tegen een boomstam geleund, bracht zij den langen nacht onder angst en beving door. Eindelijk bedaarde de storm, en bij zonsopgang verliet Prascovia hare schuilplaats, om haar tocht voort te zetten.
Gelukkig reed haar een boer achterop, die haar een plaatsje op zijne kar aanbood. Zoo bereikte zij tegen acht uur een dorp, waar de boer haar middenop de straat afzette. Het arme meisje zag er ontoonbaar uit. Hare kleeren zaten vol modder en waren doornat. Zij vroeg aan verscheidene huizen om een stuk brood en smeekte hare kleeren te mogen drogen, maar zij werd overal afgewezen. De jongens jouwden haar uit voor dievegge en landloopster en wierpen haar met steenen. Uitgeput, half verhongerd en moedeloos ging zij voor een huis op den stoep zitten, maar zij werd er al spoedig vandaan gejaagd. Voor eene andere woning was ze al even ongelukkig. Ten slotte bereikte zij de kerk. Ha, dáár zou men haar toch den toegang niet weigeren. Haastig snelde zij er heen, maar helaas, de deur was gesloten. Ze ging voor het portaal zitten en barstte in tranen uit.
Op dat oogenblik naderde haar eene vrouw, die blijkbaar medelijden met haar had.
“Wat scheelt u, meisje?” vroeg ze.
Toen vertelde Prascovia haar van den verschrikkelijken nacht, dien zij had doorgebracht, en hoe hongerig en moede zij was.
“Ga mede naar mijn huis,” sprak de vrouw.
Prascovia wilde opstaan, maar hare beenen weigerden haar den dienst. Zij waren geheel verstijfd, en hare voeten waren gezwollen. Ook had ze een van hare schoenen verloren.
Er kwamen meer menschen toeloopen, en toen zij hoorden, hoe dit meisje hier gekomen was en hoe zij den nacht onder den blooten hemel had doorgebracht, en toen zij zagen, hoe pijnlijk hare voeten waren,—toen hadden zij medelijden met haar en brachten haar op eene kar naar de woning van degoede vrouw, die vol medelijden haar een onderdak aanbood.
Prascovia was zoo uitgeput, dat zij verscheidene dagen in de vriendelijke woning moest blijven, eer zij haar tocht kon voortzetten. Van een der dorpelingen kreeg zij een paar nieuwe schoenen. Zij toonde hare dankbaarheid, door voor haar vriendelijke gastvrouw naaiwerk te verrichten. Toen zij hersteld was, nam zij afscheid en ging verder.
Op een anderen keer had zij eene ontmoeting, waaraan zij later niet dan met ontzetting kon terugdenken.
Ze was tegen den avond in een dorp gekomen en had overal tevergeefs om een nachtverblijf gevraagd. Eindelijk kwam zij aan het laatste huis, en herhaalde ook daar hare bede. De man keek haar een oogenblik scherp onderzoekend aan, en wees haar toen op ruwe wijze af.
Maar een oogenblik later riep hij haar terug. Zij trad dus de woning binnen, doch zag tot haar schrik, dat de deur door palen werd afgesloten. En ook zag ze, dat zoowel de man als de vrouw een zeer ongunstig uiterlijk hadden.
“Waar kom je vandaan?” vroeg de man.
“Van Ischim,” zei ze. “Ik ga naar Petersburg.”
“Naar Petersburg? En heb je geld genoeg voor zoo’n groote reis?”
“Slechts 80 kopekken,” antwoordde Prascovia, die blij was, dat ze op dat oogenblik niet meer geld in haar bezit had. Ze was stellig overtuigd, dat de menschen, bij wie ze in huis was, slechte bedoelingenhadden en haar wilden bestelen, misschien zelfs wel vermoorden.
“Je liegt!” schreeuwde de man haar toe. “Niemand maakt zoo’n groote reis zonder geld.”
En toen Prascovia volhield, dat zij niet meer bezat, werd de man ruw en woest, wat haar zeer beangstigde. Gaarne was zij dit ongastvrije dak ontvlucht, maar de deur was zorgvuldig gesloten en zij zag geen kans haar te openen. Bovendien zou haar dat stellig belet zijn.
Eindelijk zette de vrouw haar wat gekookte aardappelen voor en zei, dat ze op de kachel mocht liggen om te slapen, zooals dat bij de arme Russen gebruikelijk is.
Prascovia deed dat, maar zij durfde niet te gaan slapen. Zij was overtuigd, dat de menschen slechte bedoelingen hadden. In die overtuiging werd zij versterkt, toen zij de vrouw haar man hoorde toefluisteren:
“Zij moet meer geld hebben. Ik zag om haar hals een koord met een zakje er aan. Daar moet het geld in zijn.”
Prascovia lag doodstil. Opeens bemerkte zij tot haar schrik, dat de vrouw op de kachel klom en, in de meening, dat zij sliep, haar het taschje van den hals nam en keek, hoeveel geld het bevatte. Ook onderzocht zij hare kleeren en zelfs hare schoenen. De man lichtte haar bij tijdens dat onderzoek.
Toen de beide menschen alles doorsnuffeld hadden, gingen zij slapen. Prascovia had een verschrikkelijk oogenblik doorleefd. Zij meende niet anders, of diemenschen zouden haar vermoorden. Maar nu zij sliepen, werd zij kalmer en viel eindelijk ook in een diepen slaap, waaruit zij niet ontwaakte, dan toen de vrouw haar riep.
Deze was nu zeer vriendelijk voor haar en gaf haar een uitstekend ontbijt, en ze deed Prascovia allerlei vragen. ’t Scheen wel een heel ander mensch dan den vorigen avond. Ze sprak ook over het onderzoek, dat zij toen had ingesteld.
“Wij dachten, dat je oneerlijk was, maar je zult later wel merken, dat wij geen dieven zijn of slechte bedoelingen hadden,” zei ze tot Prascovia.
Deze was blij, toen zij de woning goed en wel verlaten had, maar toen zij later haar taschje nakeek, zag zij, dat er geen 80 kopekken in waren, maar 120. De oude vrouw moest er dus 40 bijgedaan hebben, en Prascovia had haar ten onrechte gewantrouwd.
Eenigen tijd later werd zij door eenige dorpshonden aangevallen. Verschrikt hief ze haar stok op en trachtte de woeste dieren te verjagen, maar dat gelukte haar niet. Met woest geblaf sprongen zij om haar heen. Vol angst liet zij zich eindelijk voorover op den grond vallen, haar gelaat met de handen bedekkende. O, ongetwijfeld zouden de beesten haar thans verscheuren!—Maar zie, de honden besnuffelden haar maar even en deden haar in ’t geheel geen kwaad. En een voorbijkomende boer joeg hen weg met zijn stok.
Zoo reisde Prascovia steeds verder, tot zij eindelijk in haar tocht werd gestuit door een hevigen sneeuwstorm,die niet minder dan acht dagen aanhield en de aarde met een dikke laag sneeuw bedekte.
Gelukkig vond Prascovia een gastvrij onderdak, waar zij door het doen van de wasch en het verrichten van naaiwerk zich verdienstelijk trachtte te maken. Toen de storm uitgewoed had, wilde Prascovia vertrekken, maar de boeren verklaarden, dat het zelfs een sterken man het leven zou kosten, indien hij te voet eene lange reis door de sneeuwvelden ondernam. Zij raadden haar aan te wachten, tot er een convooi van sleden door het dorp kwam, dat elk jaar daar langs trok, om naar Jekaterinenburg te gaan met goederen voor het kerstfeest. Na eenige dagen verschenen de drijvers dan ook met hunne sleden. De boeren vertelden hun, dat Prascovia op weg was naar Petersburg, om genade voor haar vader te vragen, en verzochten aan de drijvers, haar een plaatsje op een van de sleden te geven. Dat wilden zij gaarne doen. De drijvers hadden medelijden met haar en bewonderden ook hare liefde voor haar ouders en haar moed.
’t Was heerlijk voor Prascovia, op deze gemakkelijke manier hare reis te kunnen voortzetten, want zij was door en door vermoeid. Maar ongelukkig waren hare dunne kleeren totaal onvoldoende, om haar tegen de snerpende koude te beschutten, en zelfs, toen de mannen haar met hunne mantels bedekten, bleek de koude nog te hevig. Na eene reis van vier dagen tilde men haar aan een eenzame halte verstijfd van de slede, en bleek het, dat hare wang bevroren was. Dadelijk wreven de drijvers haar metsneeuw, waardoor erger voorkomen werd, maar zij durfden haar toch niet verder meenemen, als zij geen schapenvacht had om zich te verwarmen. Prascovia had geen geld om er een te koopen, en toen hare brave geleiders het geld bij elkaar hadden gelegd, bleek er zelfs op deze eenzame plaats geen te koop te zijn.
Toen besloten zij, Prascovia een schapenvacht van een hunner af te staan, en het om beurten zelf zonder zulk een onmisbare pels te doen. Zoo kwam Prascovia te Jekaterinenburg aan, vol dankbaarheid jegens de goede lieden, die haar met zooveel zelfopoffering hadden voortgeholpen.
In deze stad hoorde zij veel spreken over de menschlievendheid van zekere Madame Milim, en zij besloot de hulp van deze vrouw in te roepen. Toen zij bij eene kerk eene dame ontmoette en haar vroeg, waar Madame Milim woonde, bleek het de aangesprokene zelf te wezen, en deze brave vrouw vatte eene groote genegenheid voor het meisje op. Zij nam haar mede naar hare woning en hield haar den geheelen winter bij zich. Zij vond het onverantwoordelijk, het jonge meisje in het barre jaargetijde verder te laten gaan. Zij leerde haar lezen en schrijven en bracht haar zooveel algemeene ontwikkeling bij, als in zulk een korten tijd maar mogelijk was. Toen de lente intrad, vertrouwde zij Prascovia toe aan de hoede van een harer kennissen, die naar Niezjnii-Nowgorod voor zaken op reis ging. Op de boot werd hij echter zwaar ziek, zoodat men hem in een klein plaatsje moest achterlaten. Onderweg trof Prascovia nog een anderongeluk. Zij werd met nog twee andere passagiers door een noodlottig toeval overboord geworpen. Zij werden wel dadelijk gered, maar hadden geen gelegenheid om zich te verkleeden, wat hare gezondheid in gevaar bracht. Te Niezjnii-Nowgorod overviel haar eene ernstige ziekte. Gelukkig werd zij in een klooster opgenomen, waar zij met de grootste liefde werd verpleegd. De dokter vreesde, dat zij sterven zou, doch Prascovia zeide: “Dat geloof ik niet. De goede God zal mij niet laten sterven, vóór ik mijne taak volbracht heb.”
En ze genas inderdaad, maar zoo langzaam, dat de zomer voorbij was, eer ze de reis kon voortzetten.
Eindelijk vertrok ze in eene slede naar Moskou. Ze was toen nog erg zwak, te zwak zelfs om in rammelende en schokkende postwagens te rijden. Gelukkig had Madame Milim haar van eenig geld voorzien, zoodat ze nu althans niet meer te voet het land behoefde door te trekken, bedelende om een stuk brood. Ook had hare weldoenster haar brieven medegegeven voor vrienden. Van Moskou vervolgde zij haar tocht naar Petersburg, waar zij aankwam 18 maanden na haar vertrek uit Ischim. Zij was ook in het bezit van een aanbevelingsbrief voor een Prinses, maar het gelukte haar niet, deze te ontmoeten.
Op raad van een harer kennissen stelde zij een verzoekschrift op om het vonnis van haar vader te herzien, en met dit geschrift in de hand plaatste zij zich voor het regeeringsgebouw, in de hoop, dat een der hooge personen, die daar dagelijks in en uitgingen, het van haar zou willen aannemen. Er werdechter niet naar haar geluisterd, soms zelfs werd zij met ruwheid bejegend. Zoo gingen verscheidene weken voorbij.
Gedurende dien tijd was zij gastvrij opgenomen ten huize van een koopman, die echter voor zaken op reis was naar Riga.
Hoe dikwijls Prascovia ook werd teleurgesteld, zij verloor nooit den moed. Nu eens beproefde zij hier, dan weer elders haar geluk. Zij wendde zich tot verscheidene hooggeplaatste personen, en ontmoette zelfs de Prinses, voor wie zij een aanbevelingsbrief bij zich had, en al die menschen waren wel vriendelijk voor haar, maar deden weinig of niets, om haar te helpen bij het bereiken van haar doel. Tot zij eindelijk het geluk had kennis te maken met een der Secretarissen van Keizerin Maria, de weduwe van den vorigen en de moeder van den regeerenden Czaar. Hij hoorde haar droevig verhaal met groote belangstelling aan en beloofde haar, een goed woord voor haar te zullen doen bij Keizerin Maria, die om hare zachtmoedigheid en vriendelijkheid algemeen bekend en bemind was. Deze was dan ook dadelijk bereid, Prascovia te ontvangen en hare wenschen te vernemen.
Toen Prascovia dat hoorde, werd ze doodsbleek van ontroering en klopte haar hart van dankbare vreugde. Zij sloeg de armen ten hemel, en stamelde:
“O God, dan heb ik niet tevergeefs op u vertrouwd!”
Nog dienzelfden avond begaf ze zich naar het paleis van de Keizerin, en dacht bij zichzelf:
“O, als mijn vader mij nu eens kon zien, wat zou hij blij zijn!”
De Keizerin-Moeder liet Prascovia bij zich in haar eigen kamer komen. Eerst was het meisje wel wat beschroomd, maar de hooge Vrouw had zulke eenvoudige manieren, dat zij zich spoedig op haar gemak voelde. Prascovia vertelde toen van het rampzalig lot harer ouders, die nu al sedert vele jaren als bannelingen in Siberië vertoefden, en van hare langdurige reis en van hare vergeefsche pogingen, om bij den Keizer toegelaten te worden. De Keizerin hoorde haar met de grootste belangstelling aan en was diep getroffen door het ongekunstelde verhaal van het eenvoudige, brave meisje.
“Je hebt een gulden daad verricht, mijn kind,” zei ze, toen Prascovia haar verhaal geëindigd had. “Ik beloof je, bij den keizer uw voorspraak te zullen zijn. Houd maar goeden moed, je zult weldra van mij hooren.”
Ze gaf haar 300 roebel, om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Vol hoop verliet Prascovia het paleis, en nog geen twee dagen later betrad zij het opnieuw. De Keizerin-Moeder had haar laten ontbieden, om met haar een bezoek te brengen aan haar zoon Czaar Alexander en diens gemalinne Keizerin Elizabeth. Prascovia beefde van ontroering, nu zij eindelijk haar doel zou bereiken en den keizer van aangezicht tot aangezicht zien zou.
En weldra zag zij hem. Zij wierp zich voor hem op de knieën en smeekte voor haar vader om genade.
Wat er verder gebeurd is in dat keizerlijk paleis,meldt de geschiedenis niet. Alleen dit weten we, dat de keizer haar 5000 roebel schonk en haar toevoegde:
“Uw vader zal van dit oogenblik af vrij zijn.”
Zoo was dan eindelijk het groote doel bereikt. Een ongekend gevoel van vreugde doortintelde haar gansche lichaam, en ’t was haar, of zij in een droom leefde. Tranen droppelden haar uit de oogen en de tong weigerde haar den dienst. Zij kon niet anders, dan enkele woorden van dank stamelen.
Men liet haar de verschillende deelen van het paleis zien, en zoo kwam ze ook in de troonzaal, waar men haar den troon des keizers wees.
“Is dat de troon?” zei ze zacht. “De troon van den Keizer, die mijn vader zijne vrijheid hergaf?”
Met eerbied trad zij nader, boog de knieën en kuste de treden van den troon. En ze bad:
“Vader in den hemel, zegen dezen troon en zegen hem, die er op zetelt, en maak hem gelukkig, zooals hij mij gelukkig heeft gemaakt.”
Met moeite slechts kon men haar van den troon verwijderen.
Een paar dagen later kwam een gezant van den Keizer haar vragen, of zij misschien ook iets voor zichzelve wenschte.
“Neen,” sprak Prascovia eenvoudig, “maar als het Zijne Majesteit behagen mocht, de beide arme bannelingen, die mij uitgeleide deden, toen ik Ischim verliet en mij hare weinige kopekken schonken, genadig te zijn, zooals hij mijn vader genadig is geweest, dan zou ik mij zeer gelukkig achten en hem innig dankbaar zijn.”
De Keizer kon zijne ooren bijna niet gelooven, toen hij dit antwoord vernam.
“Wenscht zij niets voor zichzelf, zij, een jong meisje, dat toch ongetwijfeld een tal van wenschen zal koesteren? En vraagt zij alweer voor anderen? Zij is een edel en goed kind. Haar wensch zal worden vervuld.”
Prascovia meende God niet beter haar groote dankbaarheid te kunnen toonen, dan door haar verder leven als non in een klooster door te brengen, en ’t allerliefst zou ze dat doen in het klooster, waar zij zoo liefderijk was verpleegd.
Ze werd daar inderdaad als non aangenomen en mocht het genoegen smaken daar hare ouders te ontmoeten, toen dezen uit Siberië terugkeerden.
’t Was een aandoenlijk en gelukkig wederzien. Hare ouders bleven langer dan een week bij haar en zetten toen hunne reis voort.
Prascovia bleef in het klooster, maar kwam nooit de gevolgen van hare moeitevolle reis te boven. Hare gezondheid was kwijnend, en voortdurend werd zij zwakker. Den 9enDecember 1809 blies zij den laatsten adem uit.