1Geschreven 1890.—Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf van Hooft’s Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, druk bedoeld.2Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de XVeeeuw kennen wij enkel nogCorreggio’sCefalo. In 1545 voerdeCinthio, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi zijnsatyrdrama Egleop, dat niet ten onrechte èn alsLand-, èn alsSatyrspeltot de soort gerekend wordt.Tien jaar later volgdeBeccari’sIl Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheenLollio’sL’Aretusa,daaropLo SfortunatovanArgenti. OngarovormdeAmintatot eenVisschersdrama: Alceoom. Tusschen Aminta en den Pastor fido liggen o.a.Il Pentimento amorosovanLuigi GrotoenIngegneri’sLa Danza di Venere. De XVIIeeeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al meer dan 200 herdersspelen (“aussi absurdes pour la plupart qu’ insipides”. Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikelLe Tasse, son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], uit Carducci,Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).3Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso):Aucun poète n’a mieux chanté l’amour idéal, tragique et souverain—; mais ce dévot n’était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi faits que les passions qu’ils peignent le mieux, sont celles qu’ils ressentent le moins, et qu’ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve les tourmente; ils s’en delivrent en le mettant en vers.—Le Tasse est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, “prompt à s’enflammer, excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, le plus versatile des hommes”.En zoo voorts.“Ce poète idéaliste n’a connu en réalité d’autre amour que celui qui est l’étoffe de la nature, brodée par l’imagination.”4Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van Heeckeren, die 20 jaar geleden Catszagen beoordeelde als men zien kan in zijn opstelVader Cats, meegedeeld inTaal en LetterenV, 73–106.Een eigen oordeel,tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn LezingJacob Cats als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper,Het Calvinisme en de Kunst31–39, 83–87. Duidelijk merkbaar is het, dat de opinie omtrent Cats verandert.—1890.—1906: Zie nu de opstellen over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.5Jonckbl.6Zie onze Bijlage.7Maar vgl. Dr. Worp,Een onbekend Lofdichtje van Brederoin ’t LeidscheTijdschr.IX: uit C. Kina’s opdracht van Heliodorus’Moorenlandsche Geschiedenissenaan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, blijkt, dat de Trouwe Batavier toen “onlangs”, dus zeker nog in 1609 ten tooneele geweest is. Naar Kina’s oordeel is er niemand geweest, “of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int binnenste van zijn herte behouden” etc.8Men mag aannemen datBredero’svierde liefde, waartoe deAngenietin betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet een groot aantal plaatsen herhaalt uit deLof vande Ryckdom(1613, 26 October) en deLofvande Armoede(1614, 4 Januari), voorkomende in deNederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.9Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor Fido,—een en ander aangewezen bij Leendertz.10Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van ’t eerste Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, met behulp van eenige “van onse kloeckste Jonge letterluyden”, van plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en de latere “Voormaning” tot het fragment, I, 284–285. Vgl. Jorissen,Huygens, 153–156.11Bredero’s ingenomenheid metGranidabewijzen anders niet slechts zijn liederen op de wijze van “Windeken daer het Bosch af drilt” en “Ghy lodderlijcke Nymphen soet”, maar ook een lied inDe Groote Bron der Minnen, waar hij zijn beminde alsGranidaaanspreekt en zich-zelf als “slaaf en pagie” stelt. De inhoud en de toon van ditAmoreus Liedekenherinneren aan Hooft’s spel. Zeker staat het in verband met zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).12Evenwel, Hooft is niet zoo’n uit den hemel gevallen wonder, als hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen.Verweybracht (1895) Jonker Jan van der Noot aan ’t licht en—“zonder hèm was er geen Hooft geweest”: “Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding en Aanteekeningen. Vgl. Kalff inGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, II.—1906: Vermeylen,Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, 1899. Over denNederduytschen Heticonvan 1610: het voorloopige bij Kalff,XVIeEeuw, II, en te Winkel’s opstel in het LeidscheTijdschrift, XVIII (1899).13Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet’sHooft’s Poëzie(Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII);Land van RembrandII, 2; 3, XXX–XXXV;H.C. Poot(Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw;J. te Winkel’sBladzijden; A.S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de drie boekjesHooft, Bredero, R. Visscher-Feitamaen in zijnInleiding tot VondelenGedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in Moltzer’s opstel inStudiën en Schetsen.—1906: Kalff’sStudiën over Nederlandsche dichters der17eeeuw, Koopman’s opstellen overHooft, Vondele.a. inTaal en Letteren, ten deele verzameld in zijnLetterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als Christen-synbolist),1906; Vermeylen’sJan van der Noot;Kalff’s opstellen overVondelin het LeidscheTijdschrift, en zijnLiteratuur en Tooneel te Amsterdam in de XVIIeeeuw.14Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence, inElsevier’s Maandschr.1893.15Uit:Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.161603.17Leendertz I, 30:aan W. B. 1602 of 1603.18Leendertz I, 21:aan C. B. 1602?19Leendertz I, 37: 1603 of 1604.20Leendertz I, 35:Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen. Voor Ida Quekel23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34:Voor Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298–299, str. X van liet Lied op den Rijkdom.21Vgl. vooral Granida’s zang in bedrijf V.22Vgl. Granida 363–368 met str. IX in hetLied op den Rijkdom,LeendertzI, 36.23Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279–300; etc.24ZieVelsenenBaetopassim, met name denRey van Iofferenin het IVebedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van het andere.25Leendertz I, 53:aan A. S. 1605;Baeto, Rey van Nonnen,IIebedrijf.26Leendertz I, 54:Sang, aan A. J. S1605; 58:Sang, aan A. J. S. 1606; 46–48:Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook de Liederen voorIda Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.27Huet.28Vers 861–876, te vergelijken met denRey van Iofferen, bedrijf III.29Vs. 872.30Vers 448–453, e.e.31Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284–300; Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.32Vers 1392–1407; 1829.33Vers 1289–1290.34Vers 1531.35Vers 618–622; 932–933.36Miles gloriosus. Maar vlg. Graf,Der Miles gloriosus im Englischen Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.37I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34–38 met Granida 938–940.38Slot van het laatste tooneel.39Vers 1730; 1834.40Vers 1738–1739:Grandia.41Vers 1088–1091.42Vers 734–736.43Vers 877–880; 802–824.441187–1188; 1528–1530.45301–313; 339–372.46=afkomst.47Vers 1156–1157.48Vers 1830–1833.49Vers 489–515; 717–726; 1141–1142; 1205–1208; 1289–1298.50lichaam.511294–1298.521600–1605.53Herderskoorvan de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso’sAminta.54Vers 377.55Vers 1085–1087.Reden= de Rede.56geheim voorbehoud.57Vgl. vers 1718 met 1683–1687.58beproefd, ervaren.59Geniet het oogenblik.60Zie hierna XLI–XLIII.61Vgl. Kollewijn’sHooft en de meisjes SpiegelinTaal en Letteren, XIII (1903).62Leendertz I, 16.—13–14.63C.B.—M.V.S.—L.W.64C.B.—M.V.S.—L.W.65Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de dissertatie vanSchönheer,Jorge de Montemayor und sein Schäferroman Die “Siete Libros de la Diana”, 1886.66Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot—350.In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genrein. Zie Leendertz, Inleid. XXI. In 1625 deHarderskoutvanBosman(Hooft) enHaeghenaer(Huygens) overGloorroos(Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen (153–154) in verband gebracht met MachteldvanCampen.67De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.68Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte,Berlin, 1893. In zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.69Zie Bolte,InleidingV, X, XI.70En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het LeidscheTijdschriftX, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, van Granida. Dr. G. Kalff heeftGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in ’t begin van ’t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en door Granida’s onderworpenheid (1601–1605) aan Mellibea, de heldin in de Celestinaherinnerdworden. Maar met de bewering van Dr. Bolte kunnen wij ’t volstrekt niet eens zijn. WatMucedorus aangaat, kan nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen “ànklang” met Granida zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in ’t beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want ’t eene als ’t andere is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716–1717), ook in het laatste tooneel (Segasto’s optreden) van ’t Vierde Bedrijf.71Door Dr. Joh. Bolte is in het LeidscheTijdschriftX (1891), 286–289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven dramatische collectieThe Wits, or Sport upon Sport:een dialoog tusschenDiphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met het laatste gedeelte van ’t Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,—wat aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een ring. Granida eindigt met:Then lead on forwards to my fathers court, We’l grace our nuptials with some princely sport.Dit documentje lijkt ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft’s Granida ontleend, dan is het niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is ’t niet iets heel bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelschegrootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van ’t stuk van Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu is The wits, or Sport upon Sport, een “zweibändige Sammlung von kurzen Theaterstücken odervielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen”. Aan zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog denken door ’t geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier hoe het spelbegint: “I once a shepherd was upon the plains, Courting my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid adieu And here a melancholy life pursue. This shade’s my Covering, this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, Yet now I take this course, and life forlorn”. Denkt men hier niet onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.—Vgl.:Granida, uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII–XIII. 1906: Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler’sA History of Pastoral Drama in England until 1700inEnglische Studien, 1905.72Leendertz I, 37 en 39.73Navorscher, 130–131.74Leendertz, I, 22–27.—Leendertz merkt hier bij op, datindien zijn betoog juist is, de chronologie vanzijneditie onjuist is: want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.75Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.76Zie het soptasme 901–903;—dan 904–922.77Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd.”78Vgl. nog 1Neophilologus134, 135.79Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als deze in een drama van rondom 1600 “iets vreemds” genoemd moet worden.
1Geschreven 1890.—Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf van Hooft’s Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, druk bedoeld.2Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de XVeeeuw kennen wij enkel nogCorreggio’sCefalo. In 1545 voerdeCinthio, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi zijnsatyrdrama Egleop, dat niet ten onrechte èn alsLand-, èn alsSatyrspeltot de soort gerekend wordt.Tien jaar later volgdeBeccari’sIl Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheenLollio’sL’Aretusa,daaropLo SfortunatovanArgenti. OngarovormdeAmintatot eenVisschersdrama: Alceoom. Tusschen Aminta en den Pastor fido liggen o.a.Il Pentimento amorosovanLuigi GrotoenIngegneri’sLa Danza di Venere. De XVIIeeeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al meer dan 200 herdersspelen (“aussi absurdes pour la plupart qu’ insipides”. Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikelLe Tasse, son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], uit Carducci,Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).3Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso):Aucun poète n’a mieux chanté l’amour idéal, tragique et souverain—; mais ce dévot n’était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi faits que les passions qu’ils peignent le mieux, sont celles qu’ils ressentent le moins, et qu’ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve les tourmente; ils s’en delivrent en le mettant en vers.—Le Tasse est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, “prompt à s’enflammer, excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, le plus versatile des hommes”.En zoo voorts.“Ce poète idéaliste n’a connu en réalité d’autre amour que celui qui est l’étoffe de la nature, brodée par l’imagination.”4Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van Heeckeren, die 20 jaar geleden Catszagen beoordeelde als men zien kan in zijn opstelVader Cats, meegedeeld inTaal en LetterenV, 73–106.Een eigen oordeel,tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn LezingJacob Cats als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper,Het Calvinisme en de Kunst31–39, 83–87. Duidelijk merkbaar is het, dat de opinie omtrent Cats verandert.—1890.—1906: Zie nu de opstellen over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.5Jonckbl.6Zie onze Bijlage.7Maar vgl. Dr. Worp,Een onbekend Lofdichtje van Brederoin ’t LeidscheTijdschr.IX: uit C. Kina’s opdracht van Heliodorus’Moorenlandsche Geschiedenissenaan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, blijkt, dat de Trouwe Batavier toen “onlangs”, dus zeker nog in 1609 ten tooneele geweest is. Naar Kina’s oordeel is er niemand geweest, “of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int binnenste van zijn herte behouden” etc.8Men mag aannemen datBredero’svierde liefde, waartoe deAngenietin betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet een groot aantal plaatsen herhaalt uit deLof vande Ryckdom(1613, 26 October) en deLofvande Armoede(1614, 4 Januari), voorkomende in deNederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.9Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor Fido,—een en ander aangewezen bij Leendertz.10Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van ’t eerste Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, met behulp van eenige “van onse kloeckste Jonge letterluyden”, van plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en de latere “Voormaning” tot het fragment, I, 284–285. Vgl. Jorissen,Huygens, 153–156.11Bredero’s ingenomenheid metGranidabewijzen anders niet slechts zijn liederen op de wijze van “Windeken daer het Bosch af drilt” en “Ghy lodderlijcke Nymphen soet”, maar ook een lied inDe Groote Bron der Minnen, waar hij zijn beminde alsGranidaaanspreekt en zich-zelf als “slaaf en pagie” stelt. De inhoud en de toon van ditAmoreus Liedekenherinneren aan Hooft’s spel. Zeker staat het in verband met zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).12Evenwel, Hooft is niet zoo’n uit den hemel gevallen wonder, als hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen.Verweybracht (1895) Jonker Jan van der Noot aan ’t licht en—“zonder hèm was er geen Hooft geweest”: “Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding en Aanteekeningen. Vgl. Kalff inGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, II.—1906: Vermeylen,Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, 1899. Over denNederduytschen Heticonvan 1610: het voorloopige bij Kalff,XVIeEeuw, II, en te Winkel’s opstel in het LeidscheTijdschrift, XVIII (1899).13Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet’sHooft’s Poëzie(Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII);Land van RembrandII, 2; 3, XXX–XXXV;H.C. Poot(Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw;J. te Winkel’sBladzijden; A.S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de drie boekjesHooft, Bredero, R. Visscher-Feitamaen in zijnInleiding tot VondelenGedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in Moltzer’s opstel inStudiën en Schetsen.—1906: Kalff’sStudiën over Nederlandsche dichters der17eeeuw, Koopman’s opstellen overHooft, Vondele.a. inTaal en Letteren, ten deele verzameld in zijnLetterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als Christen-synbolist),1906; Vermeylen’sJan van der Noot;Kalff’s opstellen overVondelin het LeidscheTijdschrift, en zijnLiteratuur en Tooneel te Amsterdam in de XVIIeeeuw.14Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence, inElsevier’s Maandschr.1893.15Uit:Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.161603.17Leendertz I, 30:aan W. B. 1602 of 1603.18Leendertz I, 21:aan C. B. 1602?19Leendertz I, 37: 1603 of 1604.20Leendertz I, 35:Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen. Voor Ida Quekel23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34:Voor Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298–299, str. X van liet Lied op den Rijkdom.21Vgl. vooral Granida’s zang in bedrijf V.22Vgl. Granida 363–368 met str. IX in hetLied op den Rijkdom,LeendertzI, 36.23Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279–300; etc.24ZieVelsenenBaetopassim, met name denRey van Iofferenin het IVebedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van het andere.25Leendertz I, 53:aan A. S. 1605;Baeto, Rey van Nonnen,IIebedrijf.26Leendertz I, 54:Sang, aan A. J. S1605; 58:Sang, aan A. J. S. 1606; 46–48:Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook de Liederen voorIda Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.27Huet.28Vers 861–876, te vergelijken met denRey van Iofferen, bedrijf III.29Vs. 872.30Vers 448–453, e.e.31Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284–300; Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.32Vers 1392–1407; 1829.33Vers 1289–1290.34Vers 1531.35Vers 618–622; 932–933.36Miles gloriosus. Maar vlg. Graf,Der Miles gloriosus im Englischen Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.37I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34–38 met Granida 938–940.38Slot van het laatste tooneel.39Vers 1730; 1834.40Vers 1738–1739:Grandia.41Vers 1088–1091.42Vers 734–736.43Vers 877–880; 802–824.441187–1188; 1528–1530.45301–313; 339–372.46=afkomst.47Vers 1156–1157.48Vers 1830–1833.49Vers 489–515; 717–726; 1141–1142; 1205–1208; 1289–1298.50lichaam.511294–1298.521600–1605.53Herderskoorvan de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso’sAminta.54Vers 377.55Vers 1085–1087.Reden= de Rede.56geheim voorbehoud.57Vgl. vers 1718 met 1683–1687.58beproefd, ervaren.59Geniet het oogenblik.60Zie hierna XLI–XLIII.61Vgl. Kollewijn’sHooft en de meisjes SpiegelinTaal en Letteren, XIII (1903).62Leendertz I, 16.—13–14.63C.B.—M.V.S.—L.W.64C.B.—M.V.S.—L.W.65Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de dissertatie vanSchönheer,Jorge de Montemayor und sein Schäferroman Die “Siete Libros de la Diana”, 1886.66Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot—350.In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genrein. Zie Leendertz, Inleid. XXI. In 1625 deHarderskoutvanBosman(Hooft) enHaeghenaer(Huygens) overGloorroos(Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen (153–154) in verband gebracht met MachteldvanCampen.67De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.68Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte,Berlin, 1893. In zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.69Zie Bolte,InleidingV, X, XI.70En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het LeidscheTijdschriftX, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, van Granida. Dr. G. Kalff heeftGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in ’t begin van ’t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en door Granida’s onderworpenheid (1601–1605) aan Mellibea, de heldin in de Celestinaherinnerdworden. Maar met de bewering van Dr. Bolte kunnen wij ’t volstrekt niet eens zijn. WatMucedorus aangaat, kan nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen “ànklang” met Granida zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in ’t beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want ’t eene als ’t andere is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716–1717), ook in het laatste tooneel (Segasto’s optreden) van ’t Vierde Bedrijf.71Door Dr. Joh. Bolte is in het LeidscheTijdschriftX (1891), 286–289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven dramatische collectieThe Wits, or Sport upon Sport:een dialoog tusschenDiphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met het laatste gedeelte van ’t Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,—wat aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een ring. Granida eindigt met:Then lead on forwards to my fathers court, We’l grace our nuptials with some princely sport.Dit documentje lijkt ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft’s Granida ontleend, dan is het niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is ’t niet iets heel bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelschegrootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van ’t stuk van Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu is The wits, or Sport upon Sport, een “zweibändige Sammlung von kurzen Theaterstücken odervielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen”. Aan zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog denken door ’t geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier hoe het spelbegint: “I once a shepherd was upon the plains, Courting my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid adieu And here a melancholy life pursue. This shade’s my Covering, this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, Yet now I take this course, and life forlorn”. Denkt men hier niet onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.—Vgl.:Granida, uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII–XIII. 1906: Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler’sA History of Pastoral Drama in England until 1700inEnglische Studien, 1905.72Leendertz I, 37 en 39.73Navorscher, 130–131.74Leendertz, I, 22–27.—Leendertz merkt hier bij op, datindien zijn betoog juist is, de chronologie vanzijneditie onjuist is: want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.75Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.76Zie het soptasme 901–903;—dan 904–922.77Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd.”78Vgl. nog 1Neophilologus134, 135.79Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als deze in een drama van rondom 1600 “iets vreemds” genoemd moet worden.
1Geschreven 1890.—Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf van Hooft’s Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, druk bedoeld.2Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de XVeeeuw kennen wij enkel nogCorreggio’sCefalo. In 1545 voerdeCinthio, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi zijnsatyrdrama Egleop, dat niet ten onrechte èn alsLand-, èn alsSatyrspeltot de soort gerekend wordt.Tien jaar later volgdeBeccari’sIl Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheenLollio’sL’Aretusa,daaropLo SfortunatovanArgenti. OngarovormdeAmintatot eenVisschersdrama: Alceoom. Tusschen Aminta en den Pastor fido liggen o.a.Il Pentimento amorosovanLuigi GrotoenIngegneri’sLa Danza di Venere. De XVIIeeeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al meer dan 200 herdersspelen (“aussi absurdes pour la plupart qu’ insipides”. Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikelLe Tasse, son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], uit Carducci,Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).3Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso):Aucun poète n’a mieux chanté l’amour idéal, tragique et souverain—; mais ce dévot n’était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi faits que les passions qu’ils peignent le mieux, sont celles qu’ils ressentent le moins, et qu’ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve les tourmente; ils s’en delivrent en le mettant en vers.—Le Tasse est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, “prompt à s’enflammer, excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, le plus versatile des hommes”.En zoo voorts.“Ce poète idéaliste n’a connu en réalité d’autre amour que celui qui est l’étoffe de la nature, brodée par l’imagination.”4Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van Heeckeren, die 20 jaar geleden Catszagen beoordeelde als men zien kan in zijn opstelVader Cats, meegedeeld inTaal en LetterenV, 73–106.Een eigen oordeel,tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn LezingJacob Cats als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper,Het Calvinisme en de Kunst31–39, 83–87. Duidelijk merkbaar is het, dat de opinie omtrent Cats verandert.—1890.—1906: Zie nu de opstellen over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.5Jonckbl.6Zie onze Bijlage.7Maar vgl. Dr. Worp,Een onbekend Lofdichtje van Brederoin ’t LeidscheTijdschr.IX: uit C. Kina’s opdracht van Heliodorus’Moorenlandsche Geschiedenissenaan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, blijkt, dat de Trouwe Batavier toen “onlangs”, dus zeker nog in 1609 ten tooneele geweest is. Naar Kina’s oordeel is er niemand geweest, “of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int binnenste van zijn herte behouden” etc.8Men mag aannemen datBredero’svierde liefde, waartoe deAngenietin betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet een groot aantal plaatsen herhaalt uit deLof vande Ryckdom(1613, 26 October) en deLofvande Armoede(1614, 4 Januari), voorkomende in deNederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.9Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor Fido,—een en ander aangewezen bij Leendertz.10Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van ’t eerste Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, met behulp van eenige “van onse kloeckste Jonge letterluyden”, van plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en de latere “Voormaning” tot het fragment, I, 284–285. Vgl. Jorissen,Huygens, 153–156.11Bredero’s ingenomenheid metGranidabewijzen anders niet slechts zijn liederen op de wijze van “Windeken daer het Bosch af drilt” en “Ghy lodderlijcke Nymphen soet”, maar ook een lied inDe Groote Bron der Minnen, waar hij zijn beminde alsGranidaaanspreekt en zich-zelf als “slaaf en pagie” stelt. De inhoud en de toon van ditAmoreus Liedekenherinneren aan Hooft’s spel. Zeker staat het in verband met zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).12Evenwel, Hooft is niet zoo’n uit den hemel gevallen wonder, als hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen.Verweybracht (1895) Jonker Jan van der Noot aan ’t licht en—“zonder hèm was er geen Hooft geweest”: “Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding en Aanteekeningen. Vgl. Kalff inGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, II.—1906: Vermeylen,Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, 1899. Over denNederduytschen Heticonvan 1610: het voorloopige bij Kalff,XVIeEeuw, II, en te Winkel’s opstel in het LeidscheTijdschrift, XVIII (1899).13Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet’sHooft’s Poëzie(Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII);Land van RembrandII, 2; 3, XXX–XXXV;H.C. Poot(Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw;J. te Winkel’sBladzijden; A.S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de drie boekjesHooft, Bredero, R. Visscher-Feitamaen in zijnInleiding tot VondelenGedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in Moltzer’s opstel inStudiën en Schetsen.—1906: Kalff’sStudiën over Nederlandsche dichters der17eeeuw, Koopman’s opstellen overHooft, Vondele.a. inTaal en Letteren, ten deele verzameld in zijnLetterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als Christen-synbolist),1906; Vermeylen’sJan van der Noot;Kalff’s opstellen overVondelin het LeidscheTijdschrift, en zijnLiteratuur en Tooneel te Amsterdam in de XVIIeeeuw.14Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence, inElsevier’s Maandschr.1893.15Uit:Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.161603.17Leendertz I, 30:aan W. B. 1602 of 1603.18Leendertz I, 21:aan C. B. 1602?19Leendertz I, 37: 1603 of 1604.20Leendertz I, 35:Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen. Voor Ida Quekel23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34:Voor Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298–299, str. X van liet Lied op den Rijkdom.21Vgl. vooral Granida’s zang in bedrijf V.22Vgl. Granida 363–368 met str. IX in hetLied op den Rijkdom,LeendertzI, 36.23Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279–300; etc.24ZieVelsenenBaetopassim, met name denRey van Iofferenin het IVebedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van het andere.25Leendertz I, 53:aan A. S. 1605;Baeto, Rey van Nonnen,IIebedrijf.26Leendertz I, 54:Sang, aan A. J. S1605; 58:Sang, aan A. J. S. 1606; 46–48:Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook de Liederen voorIda Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.27Huet.28Vers 861–876, te vergelijken met denRey van Iofferen, bedrijf III.29Vs. 872.30Vers 448–453, e.e.31Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284–300; Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.32Vers 1392–1407; 1829.33Vers 1289–1290.34Vers 1531.35Vers 618–622; 932–933.36Miles gloriosus. Maar vlg. Graf,Der Miles gloriosus im Englischen Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.37I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34–38 met Granida 938–940.38Slot van het laatste tooneel.39Vers 1730; 1834.40Vers 1738–1739:Grandia.41Vers 1088–1091.42Vers 734–736.43Vers 877–880; 802–824.441187–1188; 1528–1530.45301–313; 339–372.46=afkomst.47Vers 1156–1157.48Vers 1830–1833.49Vers 489–515; 717–726; 1141–1142; 1205–1208; 1289–1298.50lichaam.511294–1298.521600–1605.53Herderskoorvan de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso’sAminta.54Vers 377.55Vers 1085–1087.Reden= de Rede.56geheim voorbehoud.57Vgl. vers 1718 met 1683–1687.58beproefd, ervaren.59Geniet het oogenblik.60Zie hierna XLI–XLIII.61Vgl. Kollewijn’sHooft en de meisjes SpiegelinTaal en Letteren, XIII (1903).62Leendertz I, 16.—13–14.63C.B.—M.V.S.—L.W.64C.B.—M.V.S.—L.W.65Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de dissertatie vanSchönheer,Jorge de Montemayor und sein Schäferroman Die “Siete Libros de la Diana”, 1886.66Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot—350.In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genrein. Zie Leendertz, Inleid. XXI. In 1625 deHarderskoutvanBosman(Hooft) enHaeghenaer(Huygens) overGloorroos(Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen (153–154) in verband gebracht met MachteldvanCampen.67De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.68Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte,Berlin, 1893. In zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.69Zie Bolte,InleidingV, X, XI.70En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het LeidscheTijdschriftX, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, van Granida. Dr. G. Kalff heeftGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in ’t begin van ’t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en door Granida’s onderworpenheid (1601–1605) aan Mellibea, de heldin in de Celestinaherinnerdworden. Maar met de bewering van Dr. Bolte kunnen wij ’t volstrekt niet eens zijn. WatMucedorus aangaat, kan nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen “ànklang” met Granida zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in ’t beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want ’t eene als ’t andere is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716–1717), ook in het laatste tooneel (Segasto’s optreden) van ’t Vierde Bedrijf.71Door Dr. Joh. Bolte is in het LeidscheTijdschriftX (1891), 286–289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven dramatische collectieThe Wits, or Sport upon Sport:een dialoog tusschenDiphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met het laatste gedeelte van ’t Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,—wat aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een ring. Granida eindigt met:Then lead on forwards to my fathers court, We’l grace our nuptials with some princely sport.Dit documentje lijkt ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft’s Granida ontleend, dan is het niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is ’t niet iets heel bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelschegrootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van ’t stuk van Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu is The wits, or Sport upon Sport, een “zweibändige Sammlung von kurzen Theaterstücken odervielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen”. Aan zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog denken door ’t geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier hoe het spelbegint: “I once a shepherd was upon the plains, Courting my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid adieu And here a melancholy life pursue. This shade’s my Covering, this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, Yet now I take this course, and life forlorn”. Denkt men hier niet onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.—Vgl.:Granida, uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII–XIII. 1906: Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler’sA History of Pastoral Drama in England until 1700inEnglische Studien, 1905.72Leendertz I, 37 en 39.73Navorscher, 130–131.74Leendertz, I, 22–27.—Leendertz merkt hier bij op, datindien zijn betoog juist is, de chronologie vanzijneditie onjuist is: want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.75Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.76Zie het soptasme 901–903;—dan 904–922.77Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd.”78Vgl. nog 1Neophilologus134, 135.79Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als deze in een drama van rondom 1600 “iets vreemds” genoemd moet worden.
1Geschreven 1890.—Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf van Hooft’s Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, druk bedoeld.
2Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de XVeeeuw kennen wij enkel nogCorreggio’sCefalo. In 1545 voerdeCinthio, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi zijnsatyrdrama Egleop, dat niet ten onrechte èn alsLand-, èn alsSatyrspeltot de soort gerekend wordt.Tien jaar later volgdeBeccari’sIl Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheenLollio’sL’Aretusa,daaropLo SfortunatovanArgenti. OngarovormdeAmintatot eenVisschersdrama: Alceoom. Tusschen Aminta en den Pastor fido liggen o.a.Il Pentimento amorosovanLuigi GrotoenIngegneri’sLa Danza di Venere. De XVIIeeeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al meer dan 200 herdersspelen (“aussi absurdes pour la plupart qu’ insipides”. Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikelLe Tasse, son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], uit Carducci,Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).
3Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso):Aucun poète n’a mieux chanté l’amour idéal, tragique et souverain—; mais ce dévot n’était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi faits que les passions qu’ils peignent le mieux, sont celles qu’ils ressentent le moins, et qu’ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve les tourmente; ils s’en delivrent en le mettant en vers.—Le Tasse est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, “prompt à s’enflammer, excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, le plus versatile des hommes”.En zoo voorts.“Ce poète idéaliste n’a connu en réalité d’autre amour que celui qui est l’étoffe de la nature, brodée par l’imagination.”
4Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van Heeckeren, die 20 jaar geleden Catszagen beoordeelde als men zien kan in zijn opstelVader Cats, meegedeeld inTaal en LetterenV, 73–106.Een eigen oordeel,tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn LezingJacob Cats als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper,Het Calvinisme en de Kunst31–39, 83–87. Duidelijk merkbaar is het, dat de opinie omtrent Cats verandert.—1890.—1906: Zie nu de opstellen over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.
5Jonckbl.
6Zie onze Bijlage.
7Maar vgl. Dr. Worp,Een onbekend Lofdichtje van Brederoin ’t LeidscheTijdschr.IX: uit C. Kina’s opdracht van Heliodorus’Moorenlandsche Geschiedenissenaan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, blijkt, dat de Trouwe Batavier toen “onlangs”, dus zeker nog in 1609 ten tooneele geweest is. Naar Kina’s oordeel is er niemand geweest, “of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int binnenste van zijn herte behouden” etc.
8Men mag aannemen datBredero’svierde liefde, waartoe deAngenietin betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet een groot aantal plaatsen herhaalt uit deLof vande Ryckdom(1613, 26 October) en deLofvande Armoede(1614, 4 Januari), voorkomende in deNederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.
9Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor Fido,—een en ander aangewezen bij Leendertz.
10Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van ’t eerste Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, met behulp van eenige “van onse kloeckste Jonge letterluyden”, van plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en de latere “Voormaning” tot het fragment, I, 284–285. Vgl. Jorissen,Huygens, 153–156.
11Bredero’s ingenomenheid metGranidabewijzen anders niet slechts zijn liederen op de wijze van “Windeken daer het Bosch af drilt” en “Ghy lodderlijcke Nymphen soet”, maar ook een lied inDe Groote Bron der Minnen, waar hij zijn beminde alsGranidaaanspreekt en zich-zelf als “slaaf en pagie” stelt. De inhoud en de toon van ditAmoreus Liedekenherinneren aan Hooft’s spel. Zeker staat het in verband met zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).
12Evenwel, Hooft is niet zoo’n uit den hemel gevallen wonder, als hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen.Verweybracht (1895) Jonker Jan van der Noot aan ’t licht en—“zonder hèm was er geen Hooft geweest”: “Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding en Aanteekeningen. Vgl. Kalff inGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, II.—1906: Vermeylen,Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, 1899. Over denNederduytschen Heticonvan 1610: het voorloopige bij Kalff,XVIeEeuw, II, en te Winkel’s opstel in het LeidscheTijdschrift, XVIII (1899).
13Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet’sHooft’s Poëzie(Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII);Land van RembrandII, 2; 3, XXX–XXXV;H.C. Poot(Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw;J. te Winkel’sBladzijden; A.S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de drie boekjesHooft, Bredero, R. Visscher-Feitamaen in zijnInleiding tot VondelenGedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in Moltzer’s opstel inStudiën en Schetsen.—1906: Kalff’sStudiën over Nederlandsche dichters der17eeeuw, Koopman’s opstellen overHooft, Vondele.a. inTaal en Letteren, ten deele verzameld in zijnLetterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als Christen-synbolist),1906; Vermeylen’sJan van der Noot;Kalff’s opstellen overVondelin het LeidscheTijdschrift, en zijnLiteratuur en Tooneel te Amsterdam in de XVIIeeeuw.
14Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok,P.C. Hooft in Venetië en Florence, inElsevier’s Maandschr.1893.
15Uit:Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.
161603.
17Leendertz I, 30:aan W. B. 1602 of 1603.
18Leendertz I, 21:aan C. B. 1602?
19Leendertz I, 37: 1603 of 1604.
20Leendertz I, 35:Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen. Voor Ida Quekel23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34:Voor Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298–299, str. X van liet Lied op den Rijkdom.
21Vgl. vooral Granida’s zang in bedrijf V.
22Vgl. Granida 363–368 met str. IX in hetLied op den Rijkdom,LeendertzI, 36.
23Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279–300; etc.
24ZieVelsenenBaetopassim, met name denRey van Iofferenin het IVebedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van het andere.
25Leendertz I, 53:aan A. S. 1605;Baeto, Rey van Nonnen,IIebedrijf.
26Leendertz I, 54:Sang, aan A. J. S1605; 58:Sang, aan A. J. S. 1606; 46–48:Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook de Liederen voorIda Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.
27Huet.
28Vers 861–876, te vergelijken met denRey van Iofferen, bedrijf III.
29Vs. 872.
30Vers 448–453, e.e.
31Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284–300; Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.
32Vers 1392–1407; 1829.
33Vers 1289–1290.
34Vers 1531.
35Vers 618–622; 932–933.
36Miles gloriosus. Maar vlg. Graf,Der Miles gloriosus im Englischen Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.
37I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34–38 met Granida 938–940.
38Slot van het laatste tooneel.
39Vers 1730; 1834.
40Vers 1738–1739:Grandia.
41Vers 1088–1091.
42Vers 734–736.
43Vers 877–880; 802–824.
441187–1188; 1528–1530.
45301–313; 339–372.
46=afkomst.
47Vers 1156–1157.
48Vers 1830–1833.
49Vers 489–515; 717–726; 1141–1142; 1205–1208; 1289–1298.
50lichaam.
511294–1298.
521600–1605.
53Herderskoorvan de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso’sAminta.
54Vers 377.
55Vers 1085–1087.Reden= de Rede.
56geheim voorbehoud.
57Vgl. vers 1718 met 1683–1687.
58beproefd, ervaren.
59Geniet het oogenblik.
60Zie hierna XLI–XLIII.
61Vgl. Kollewijn’sHooft en de meisjes SpiegelinTaal en Letteren, XIII (1903).
62Leendertz I, 16.—13–14.
63C.B.—M.V.S.—L.W.
64C.B.—M.V.S.—L.W.
65Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de dissertatie vanSchönheer,Jorge de Montemayor und sein Schäferroman Die “Siete Libros de la Diana”, 1886.
66Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot—350.
In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genrein. Zie Leendertz, Inleid. XXI. In 1625 deHarderskoutvanBosman(Hooft) enHaeghenaer(Huygens) overGloorroos(Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen (153–154) in verband gebracht met MachteldvanCampen.
67De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.
68Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte,Berlin, 1893. In zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.
69Zie Bolte,InleidingV, X, XI.
70En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het LeidscheTijdschriftX, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, van Granida. Dr. G. Kalff heeftGesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIeeeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in ’t begin van ’t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en door Granida’s onderworpenheid (1601–1605) aan Mellibea, de heldin in de Celestinaherinnerdworden. Maar met de bewering van Dr. Bolte kunnen wij ’t volstrekt niet eens zijn. WatMucedorus aangaat, kan nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen “ànklang” met Granida zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in ’t beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want ’t eene als ’t andere is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716–1717), ook in het laatste tooneel (Segasto’s optreden) van ’t Vierde Bedrijf.
71Door Dr. Joh. Bolte is in het LeidscheTijdschriftX (1891), 286–289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven dramatische collectieThe Wits, or Sport upon Sport:een dialoog tusschenDiphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met het laatste gedeelte van ’t Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,—wat aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een ring. Granida eindigt met:Then lead on forwards to my fathers court, We’l grace our nuptials with some princely sport.Dit documentje lijkt ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft’s Granida ontleend, dan is het niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is ’t niet iets heel bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelschegrootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van ’t stuk van Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu is The wits, or Sport upon Sport, een “zweibändige Sammlung von kurzen Theaterstücken odervielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen”. Aan zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog denken door ’t geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier hoe het spelbegint: “I once a shepherd was upon the plains, Courting my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid adieu And here a melancholy life pursue. This shade’s my Covering, this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, Yet now I take this course, and life forlorn”. Denkt men hier niet onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.—Vgl.:Granida, uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII–XIII. 1906: Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler’sA History of Pastoral Drama in England until 1700inEnglische Studien, 1905.
72Leendertz I, 37 en 39.
73Navorscher, 130–131.
74Leendertz, I, 22–27.—Leendertz merkt hier bij op, datindien zijn betoog juist is, de chronologie vanzijneditie onjuist is: want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.
75Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.
76Zie het soptasme 901–903;—dan 904–922.
77Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd.”
78Vgl. nog 1Neophilologus134, 135.
79Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als deze in een drama van rondom 1600 “iets vreemds” genoemd moet worden.