De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 16361. Andere varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).—De volgende drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; 1373 das’ er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de punt achter “regenen” werd een komma; 1101: de punt achter “beswaer” werd een komma; 1180: achter “proeven” kwam een punt; 1196: achter “wat” een komma; 1260: de komma achter “weet” werd een punt; 1463 verdween de komma achter “besindt”; 1628: de punt achter “krenckt” werd een komma; 616: “nae staet” voor “naestaet”; 773: “uyt rijsen” voor “uytrijsen”; 1287: “aenhoore” voor “aen hoore”; 1628: “toe ghesellen” voor “toeghesellen”. Veranderd is ook in 1625: “grondloose” in “grondeloose”: in 929 werd “is” ingelascht, en in 1653 “een”; in 934 kwam eenkomma achter ver’ (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: punt achternietenver’. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook bleef “welckeen” in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft met een komma achter 629. Aan het teeken ’ (Daifilo’ u, ’t, t’, ’t’ etc.), het teeken ^ en het teeken „ werd nergens geroerd; ook Daifiló voor Daifilo’ bleef. Verbeterd werd: 183 ’teedre; 270 ű; 667 verheft’; 1497 wallecht’; 1745 űlie. 1173–1174 is in den tekst één doorloopende regel met hoofdletter in ’t midden. Gelijk aan den tekst is 155, hoewel zeker wel voor “een groot”; 925 hoogh (’T = Et?), vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in “schoonpratich” (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 “hoopt” staan?In 1615 en 1636 vormen 802–808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.1Een nieuw handschrift van eenige van Hooft’s vroegste werken, daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend is met:Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter meermalen.—Zie over de beide H.S. in ’t Leidsche Tijdschrift van 1917 Dr. F. Kossmann’s verhandelingDe varianten van Hoofts Granida.
De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 16361. Andere varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).—De volgende drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; 1373 das’ er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de punt achter “regenen” werd een komma; 1101: de punt achter “beswaer” werd een komma; 1180: achter “proeven” kwam een punt; 1196: achter “wat” een komma; 1260: de komma achter “weet” werd een punt; 1463 verdween de komma achter “besindt”; 1628: de punt achter “krenckt” werd een komma; 616: “nae staet” voor “naestaet”; 773: “uyt rijsen” voor “uytrijsen”; 1287: “aenhoore” voor “aen hoore”; 1628: “toe ghesellen” voor “toeghesellen”. Veranderd is ook in 1625: “grondloose” in “grondeloose”: in 929 werd “is” ingelascht, en in 1653 “een”; in 934 kwam eenkomma achter ver’ (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: punt achternietenver’. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook bleef “welckeen” in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft met een komma achter 629. Aan het teeken ’ (Daifilo’ u, ’t, t’, ’t’ etc.), het teeken ^ en het teeken „ werd nergens geroerd; ook Daifiló voor Daifilo’ bleef. Verbeterd werd: 183 ’teedre; 270 ű; 667 verheft’; 1497 wallecht’; 1745 űlie. 1173–1174 is in den tekst één doorloopende regel met hoofdletter in ’t midden. Gelijk aan den tekst is 155, hoewel zeker wel voor “een groot”; 925 hoogh (’T = Et?), vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in “schoonpratich” (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 “hoopt” staan?In 1615 en 1636 vormen 802–808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.1Een nieuw handschrift van eenige van Hooft’s vroegste werken, daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend is met:Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter meermalen.—Zie over de beide H.S. in ’t Leidsche Tijdschrift van 1917 Dr. F. Kossmann’s verhandelingDe varianten van Hoofts Granida.
De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 16361. Andere varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).—De volgende drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; 1373 das’ er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de punt achter “regenen” werd een komma; 1101: de punt achter “beswaer” werd een komma; 1180: achter “proeven” kwam een punt; 1196: achter “wat” een komma; 1260: de komma achter “weet” werd een punt; 1463 verdween de komma achter “besindt”; 1628: de punt achter “krenckt” werd een komma; 616: “nae staet” voor “naestaet”; 773: “uyt rijsen” voor “uytrijsen”; 1287: “aenhoore” voor “aen hoore”; 1628: “toe ghesellen” voor “toeghesellen”. Veranderd is ook in 1625: “grondloose” in “grondeloose”: in 929 werd “is” ingelascht, en in 1653 “een”; in 934 kwam eenkomma achter ver’ (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: punt achternietenver’. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook bleef “welckeen” in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft met een komma achter 629. Aan het teeken ’ (Daifilo’ u, ’t, t’, ’t’ etc.), het teeken ^ en het teeken „ werd nergens geroerd; ook Daifiló voor Daifilo’ bleef. Verbeterd werd: 183 ’teedre; 270 ű; 667 verheft’; 1497 wallecht’; 1745 űlie. 1173–1174 is in den tekst één doorloopende regel met hoofdletter in ’t midden. Gelijk aan den tekst is 155, hoewel zeker wel voor “een groot”; 925 hoogh (’T = Et?), vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in “schoonpratich” (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 “hoopt” staan?In 1615 en 1636 vormen 802–808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.
De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 16361. Andere varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).—De volgende drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; 1373 das’ er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de punt achter “regenen” werd een komma; 1101: de punt achter “beswaer” werd een komma; 1180: achter “proeven” kwam een punt; 1196: achter “wat” een komma; 1260: de komma achter “weet” werd een punt; 1463 verdween de komma achter “besindt”; 1628: de punt achter “krenckt” werd een komma; 616: “nae staet” voor “naestaet”; 773: “uyt rijsen” voor “uytrijsen”; 1287: “aenhoore” voor “aen hoore”; 1628: “toe ghesellen” voor “toeghesellen”. Veranderd is ook in 1625: “grondloose” in “grondeloose”: in 929 werd “is” ingelascht, en in 1653 “een”; in 934 kwam eenkomma achter ver’ (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: punt achternietenver’. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook bleef “welckeen” in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft met een komma achter 629. Aan het teeken ’ (Daifilo’ u, ’t, t’, ’t’ etc.), het teeken ^ en het teeken „ werd nergens geroerd; ook Daifiló voor Daifilo’ bleef. Verbeterd werd: 183 ’teedre; 270 ű; 667 verheft’; 1497 wallecht’; 1745 űlie. 1173–1174 is in den tekst één doorloopende regel met hoofdletter in ’t midden. Gelijk aan den tekst is 155, hoewel zeker wel voor “een groot”; 925 hoogh (’T = Et?), vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in “schoonpratich” (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 “hoopt” staan?
In 1615 en 1636 vormen 802–808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.
De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.
De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.
1Een nieuw handschrift van eenige van Hooft’s vroegste werken, daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend is met:Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter meermalen.—Zie over de beide H.S. in ’t Leidsche Tijdschrift van 1917 Dr. F. Kossmann’s verhandelingDe varianten van Hoofts Granida.
1Een nieuw handschrift van eenige van Hooft’s vroegste werken, daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend is met:Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter meermalen.—Zie over de beide H.S. in ’t Leidsche Tijdschrift van 1917 Dr. F. Kossmann’s verhandelingDe varianten van Hoofts Granida.