II.Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
II.Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
II.Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
II.Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
II.
Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIdeeeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijnHouwelick(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekendeCatsden codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIdeeeuw, denatiein haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar dewijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIdeeeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—deLeeuwendalersvan 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe wasVondeltot het plàn van zijnLandspelgekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en eenLandelijke Allegorieleek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook wasRodenburger hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen vanHeeremanenVrederijckgemeen hebben, bewijst voldoende,dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning inKrul’sAmsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het RomantischPastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft deAngenietvanBredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had deTrouwen Bataviervan Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin isHeeremanhoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijkZeegheervan God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.
Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet overHeemskerk’sdidactischeArcadiaof over gedichten alsHuyghen’sUytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.
Als Cats’ Pastorale van deKoningklijcke Harderin Aspasiawordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts deGranida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang.Granidais uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht vanHooft’sliefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt denBataviereen “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen deLeeuwendalersen deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijnAchillesen zijnAriadnevoor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk datjuist vlak na GranidaRodenburg zijnBatavierweer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero denAngenietopzet8en in 1618 de eerste vertaling eener ItaliaanschePastorale, door Mr.G. van der Eembdverschijnt en wel juist van Guarini’sGetrouwen Herder, waarmee deGranidaannex was9, dien deBataviernagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van denPastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’sAmintaduurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. ZijnAngenietis niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11En deLeeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.