III.

III.Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

III.Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

III.Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

III.Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

III.

Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

Het handschrift derGranidadraagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerstedramadat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw vanFrederik Hendrikdaar was, had hij in zijnLyrische Poëzieal van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12

Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op demiddeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIdeeeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van deItaliaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijkAntiekis.13Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelfontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14

Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar deprecieseenaanschouwelijkevoorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, diescheppenwilde, en scheppenkon.

Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de AntiekeFortunatot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de GriekscheMoiraheeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterendegeestesbeschavingver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij hader de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter vanGranidawas dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:

Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15

Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;

Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15

Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheiden gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.

Had de auteur derGranidavan 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—dekeuzezou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uitdientijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger vanWeet yemant beter saus als honger tot de spijsen16zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voorDiana.17Galatheauit het liedVluchtige Nimph18heeft in Granida haar naam metDorileaverwisseld; in den dialoog voorIda Quekel19, heet zijAmaryllisen koestert tegenCephalus(d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23komt hem dieGeeraerdt van Velsen(1612 of 1613) ofBaeto(1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26

Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, hetwaarschijnlijkte maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn27, maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in ’t oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.

Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:

Wat ’s al des werelts lustAls ’t hart niet is gherust?

Wat ’s al des werelts lust

Als ’t hart niet is gherust?

Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.

O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!

O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!

De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.

Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIdeeeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,

Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29

Doen ’s werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech,29

toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenennoch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.

Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, halftendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden,welkede voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover hetHof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.

Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft.Ostrobasis de Tyran: deConinghis de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van eenChristelijkenJob, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de menschis, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:

Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34

Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.34

Geheel anders dan de Koning, braveert en tergtOstrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin.35Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerdePyrgopolinicesuit het blijspel vanPlautus)36verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance.Daifilo(die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen:DavidenGoliath.37

Tegenstelling van den Parth is ookTisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij.38De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes’ vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hemdompelt, de melancholie van zijn “peinsachtig gemoed” misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijkeChristelijkegevoelens als de Koning39, en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:

Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40

Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?

Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven.40

“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.GranidaenDaifilo!Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:

Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41

Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,

Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,

Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,

Die de natuyre prent in ’t redelijck verstandt.41

Zij beroept zich op de natuur.Harenatuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,—van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet!42Ontbering is overvloed, van ’t alleronontbeerlijkste!43Wat weet de Herder van “’t gezwind ramps overrompelen”, van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht?44Granida’s scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan45. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft’s Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw inRousseauconcentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:

’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46De deucht maeckt eedel.47

’K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen,46

De deucht maeckt eedel.47

Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het ishierniet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.

Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen.48Wederom heeft de dichterzijneopvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten—zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,—het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,—er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystiekePlatonischetermen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt.49Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning:

Recht of die sielen met elckander onderlinghenGhepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51

Recht of die sielen met elckander onderlinghen

Ghepaert hadden gheweest, al eer zij lijf50ontfinghen.51

In dit soort taal heeft men in de XVdeen XVIdeeeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingenen gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag.52

Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord:Wat behaagt is geoorloofd,53enditis de zin van den leefregel waarom deRey van Iofferende Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is,als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat deVoester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:

Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.

Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,

Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.

Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listigereservatio mentalis56van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw.57De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, methet op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo’s zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:

Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!

Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!

Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de “Coningh” zegt:“Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht58verstandt”. Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: “Mijnheer, u lust de deucht.” Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.

Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is eenchaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.

Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, datHooftde Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden.Niet om het “Carpe diem!”59, dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante’sVita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie—om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?

Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voorW.B.enIda Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15denJanuari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aanMontemayor’sromanDiana,62uitDon Diegoos clacht,62uit de namen van zijn schoonen. ZijnGalathea63is zonder twijfel deGalateavan den roman vanCervantes,Chariclea64de heldin vanHeliodorus’Chariklea en Theagenes.W.B.heetDiana.Juliette64mag iets hebben uit te staan metMontreux’Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. MaarBrechjeheet, in 1604, wederomCharife, deXarifauit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hijFelicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aanElectra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doetGranidazelve dienst.Mithra Granidawordt dan voor goed de zondagsnaam vanChristina, de echtgenootein spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voorW. Diaeen dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66

De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.

Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.

Ondertusschen67heeft Dr. Joh. Bolte Tieck’s vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche dramaMucedorusin ’t licht gegeven.68Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij nietaarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney’s romanArcadia(1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia69. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.

Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.

Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.

Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.

Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.

De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.

Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.

Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.

Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.

Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.

Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger vanTisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.

Defabelvan Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken alsdrama’s.Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.

De twijfel aan Hooft’s auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprongvan de fabelniet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama’s en herders-romans70; en Hooft is het,volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama—uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van hetdramaGranida.71

Leendertz, de Uitgever van Hooft’s Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voorDaer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van ’t stuk, vervaardigd afschrift. Bij ’t overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is ’t bij ongeluk blijven staan. Met “Cephalo” nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoogAch Amarillisen in het daarmee annexeAmaryl de deken sacht72: Cephalo is zijn eigen naam in ’t Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefdeIda Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uitItalië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals “Cephalo” op hèm zag zoo zag, de naam Granidaop Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij “ptalo” in “filo” (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij “Ida” om in “Dai” en kreeg zoo “Daiphilo” d.i., naar dezen uitleg. “Ida’s Vriend”, een naam die in het rhythme van de verzen “Cephalo” overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.

Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping.73Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met ’s dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het “Chariclea” geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden.74Is dit vermoeden juist,dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.

Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode75. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden ente scheidenhebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.


Back to IndexNext