INLEIDING1I.De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).In de Litteratuur van Rome ging zij over.Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.
INLEIDING1I.De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).In de Litteratuur van Rome ging zij over.Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.
INLEIDING1I.De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).In de Litteratuur van Rome ging zij over.Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.
I.De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).In de Litteratuur van Rome ging zij over.Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.
I.
De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).In de Litteratuur van Rome ging zij over.Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.
De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVdeen de XVIdeeeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkeldekinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.
Hier handelen wij enkel over dePastorale(Herdersdrama).
De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem.Theocritus(± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarinIdyllend.i.Tafereeltjesuit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm,daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze IdyllenBukolischepoëzie (boukolos = herder).
In de Litteratuur van Rome ging zij over.
Omtrent 40 v. Chr. dichtteVergiliuseen tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De termEclogakreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet.Vergiliusis de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.
Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof vanKarel den Grootehad zij tot navolginguitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, dieAllegorieviel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ookDanteliet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op.Petrarca(† 1374) enBoccaccio(† 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijnNinfale d’Ametoschilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVdeeeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen vanBenivienienBoninsegnigetuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde inSannazaro’sArcadiavan 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot denHerdersromangeweest.
Tegen het laatst der XVdeeeuw begon het Bukolischedrama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVdeIdylle:De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale isPoliziano’sOrfeo± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geeneigenlijkEpos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van tweenieuwegenres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera,Rinuccini’sDafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIdeeeuw was het Herdersspel een der voorloopers van hetDramma per Musica. Opmerkelijk dat inSpanjede eerste proef met muziek in het Drama genomen werd metLope de Vega’sgedramatiseerdeEcloge Selva sin amor.
InOrpheusspeelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIdeeeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen inTorquato Tasso’sAminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, isGuarini’sIl Pastor fidovan 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIdeeeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont heteenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van denherdersroman der XVIdeen XVIIdeeeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta enIl Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek:Arkadië.