Exilis domus est, ubi non et multa supersunt,Quæ dominum latent, et prosunt furibus.
Exilis domus est, ubi non et multa supersunt,Quæ dominum latent, et prosunt furibus.
Deze dieven zijn tijd en volstrekte vergetelheid. Doch, ontstaat er iets, waar door wy gelegenheid vinden of nemen, om een ledig vakjen te meubileeren, of een vertrek anders dan eerst te stoffeeren, zoo worden zy voor den dag gehaald, geboend, en opgekuischt, en zy worden ons door de plaats die zy nu verkrijgen, van belang en waarde, schoon ze ons eerst in den weg stonden.—Onder het geen my in vroeger tijden als eene belachlijkheid voorkwam, was het gevoelen van eenige dier Joodsche Geleerden, dat het Paradijs, by de omwenteling des zondvloeds, van den aardbodem weggenomen en op zekere hoogte in de lucht was gevestigd en daar nog bestond. Men heeft dit gevoelen in de Geologische stelsels somtijds aangevoerd als eene bevestiging dat het paradijs op een hoogeren grond dan de tegenwoordige aardbodem gelegen had, maar die door den zondvloed verzwolgen is. Thands kwam het by my, als een stem uit de diepte of een licht uit den afgrond, weêr op, en te gelijk het denkbeeld: Zou ook op een dezer ondermanen het paradijs kunnen zijn? zou een van die ook dat afgescheiden brok des eersten aardbodems kunnen zijn, niet (als het overige) verzwolgen door den watervloed, maar van den rotsgrond, waar het paradijs op geplant was, losgebroken? En zou het ook misschien op dezenzelfden bol waar ik my nu tegenwoordig bevinde, bestaan?—-Zoo ongerijmd het my-zelven voorkwam, iets dergelijks te stellen, zoo bleef het my echter door ’t hoofd malen; het hield mijne inbeelding bezig, en dreef my, als ware ’t, mijns ondanks, om toch mijn planeetjen wel en ter deeg te doorzoeken.
Ik had tot dus verre geen voetspoor of schijn van iets dat menschen kon doen vermoeden, ontwaard. Ik had geene verslindende dieren gezien, maar alleen onschadelijke soorten. Ik ging dus in de allervolmaaktste gerustheid op weg, overkruiste eene bergrij en eene breede vlakte daar achter, waar ik overvloed van aardvruchten vond, en eenig geboomte dat my nog niet was voorgekomen; maar mede onvruchtbaar, anders dan van een soort van stakkelbezien, en met een byzonder ras van torren of kevers bezet. Ik had my nu een stok afgesneden, ten einde de diepten des waters te kunnen peilen; nadien ik my voorstelde, dat verscheiden meertjens die ik telkens ontmoette, wellicht waadbaar zijn mochten; in welk geval ik begreep vele omwegen te kunnen afsnijden. Ik vond my echter bedrogen, en nergens zoodanige doorgaande en gelijkmatige ondiepten als waarop ik my wagen dorst. Nu stapte ik een opgehoogd en geëffend pad, als het scheen, op, doch waarvan my echter het byzondere niet in het oog viel, en ik kwam na een kleine bocht, tusschen struiken en heesters en eenige grootere dikgestamde boomen door, op een soort vanhoenderwerf als het zich aan liet zien, waar een menigte van kalkoenen, graauw van gevederte, door elkaâr liepen.
Naauwlijks had ik hier eenige voetstappen gedaan, of een geweldig geschreeuw ging van het midden van dit gevogelte uit, en een goed deel viel stout op my aan en beet my verwoed in de beenen. Ik sloeg hen af; maar nu vlogen zy alle, met uitgebreide vlerken, van alle kant toe, en ik voelde my te gelijk in het aanzicht, van voren, van achteren, over het geheele lichaam en aan alle leden, zoo wel met hun nagels als snavels besprongen; en dit, onder een oorverdovend getier dat my vreemd was, en zeer van de stem dezer dieren by ons verschilde. Ik zwaaide met mijn stok dapper in ’t rond, maar de aanranding was zoo algemeen, zoo heftig, en zoo onverwacht, dat ik onder hun woede geloofde te moeten bezwijken eer ik de helft van hun, buiten gevecht kon stellen; en daar ik verre de grootste menigte voor my had, keerde ik my om, om door de genen, van wie ik van achter bloedig in den nek en kuiten gebeten wierd, heen te slaan, en my dus een te rug tocht te maken.
Ik stroomde, van ’t afloopende bloed uit mijn wonden, die zelfs op mijn borst door de kleederen heen het vleesch opgescheurd hadden; overal was ik van kneuzingen bedekt: ja, geheele vlokken hairs, van mijn baard uitgerukt, hingen my hier en daar in de plooien der kleederen. Ik schaamde my voor my-zelven, door kalkoenen verjaagd te zijn.Maar my docht, hier moest meer achter schuilen; en ik week ter zijde, baadde my, en strekte my uit in de groente, waar ik een geruimen tijd toebracht, alvorens ik mijn leden volstrekt tot mijn wil kreeg.
De zwelling en pijn was genoegzaam verdwenen, en er bleef my, by de lidteekens, die ik altijd behouden zal, (die nog rood waren,) voor ’t overige een geweldige stramte, wanneer ik besloot om dit oord der kalkoenen van rondom waar te nemen, en uit te vorschen, wat van deze belachlijke maar gants niet verachtbare krijgsmacht toch zijn mocht.
Ik vond een van rondom rijzenden grond, tusschen heuvelen ingevat, die met de zoo even gemelde stakkelbezien zeer dicht omzet waren, en geen anderen open toegang verleenden, dan dien waar uit ik te rug was gedreven. Ik wilde my eerst door het uitrukken van eenige dier heesters een weg maken, maar vond het ondoenlijk door gebrek aan alle gereedschap; te meer, daar de stammen en takken met dorens bezet waren, en de uitgestrektheid van de diepte waarop zy stonden te groot was, dan dat ik het met eenige vrucht ondernemen kon. Ik besloot dan, een niet wijdgelegen rotsachtigen berg te beklimmen, of ik van daar in de omperking, door de heuvelen ingesloten, eenig inzicht mocht hebben. Met veel moeite besteeg ik den ruwen en weinig begroeiden steenberg, en bloosde, dat de vrees van door kalkoenen mishandeld te worden, my dien arbeid kostte. Dan, ik drong my op,dat het dit gevogelte niet was, maar de plicht van voorzichtigheid, die my drong om wel toe te zien, wat my uit eene zoo besloten natuurlijke verschansing, maar die wel door kunst voltooid kon zijn, en die vooral niet het voorkomen had van aan louter kalkoenen toe te behooren, onverhoeds opdagen mocht.
Ik zag van de rots werklijk een hoek der onbeperkte vlakte, en aldaar koren, te veld staande, waarin en waaromtrent het van deze vogels krioelde. Dit koren geleek op dien afstand naar gerst. Of het daar natuurlijk groeide en dit soort van hoenders zich daar, om dit voedsel, gezeteld had, dan of het gebouwd, en voor hun gebouwd was, kon ik niet onderscheiden, maar het eerste kwam my het waarschijnlijkst voor. Blijken van hutten of menschenbewoning zag ik er niet.—Ik oordeelde ’t voorwerp, niet belangrijk genoeg, immers niet dringend genoeg, om er my langer by op te houden en ging voort.—Afklimmende, zag ik op eenigen afstand een rook opgaan. Hier dacht ik nu menschen te vinden. Ik was, eer ik het wist, aan de plaats; maar het was een rook uit den moerassigen grond opgaande, die zwavelachtig stonk, en vrij heet was; en ik verwijderde my van dien plek.
Nu zag ik de zon na aan den zichteinder, en vond dus de nacht spoediger nu ik tegen de zon ingegaan was, dan ik langs den anderen weg gedaan had, waar op zy my achterhaalde, en vooruitging. Dit was my nu klaar, door de kromte der loopbaan die mijn bol beschreef, en waardoor het punt dat naar de aarde gekeerd was, zich in het tweede vierde deel van dien cirkel naar de zon toewendde, de haar nadere punten afkeerende. Ik zag schemering, duisternis, maar dit in een oord, niet naar de aarde gekeerd, en waar dus de nacht donker was, haar verlichting ontbeerende. Ook de maan was aldaar niet zichtbaar, want zy was zoo verr’ niet vooruitgeschoten dat zy op dit deel eenig licht had kunnen werpen, zijnde haar duister gedeelte derwaart gekeerd, en zij in haar parahelischen halven cirkel. De duisternis was dus aaklig. Ik zag nu de starren flikkeren en herkende hare beelden; maar alles was niet te min vreemd voor my daar de Noordpool my faalde. Ik kon my nietorienteerenals men zegt, en had geen behulp van werktuigen. Ik verdwaalde met het oog in den hemel, die eene andere beweging had dan ik gewoon was, en alles werd verward voor mijn geest. Men begrijpt licht, dat ik nooit sterk in de oefening van de Astronomie was geweest, noch er my eigenlijk meê had opgehouden.
In die volle duisternis te willen voortwandelen om waarnemingen nopens het land te doen, zou dwaasheid geweest zijn. Daar was niets by te winnen. Ik nam het besluit, naar het daglicht te rug te keeren, maar mijn weg zoo veel ’t wezen kon, langs den boord der schemering te nemen, het geen my door nieuwe velden moest brengen,en waarby ik mijn pad aan de linkerhand liet. Intusschen werd ik toen ook een soort van vleêrmuizen gewaar, die, het schijnt, aan het ander gedeelte des bols, waar de nachten zoo helder zijn van het schijnsel des aardbodems, niet gevonden worden, maar hier by de dieper duisternis t’ huis zijn.
Ik had dan mijn weg in deze nieuwe richting ingesteld, en volgde die, (als ik plach) met verpozingen, waarin ik my nederzette om uit te rusten, en somwijlen insluimerde. Sints lang nam ik de voorzorg niet meer van een bedtentjen op te rechten, maar wanneer de slaap my beving, was de bloote grond mijn leger, meest overal door de natuur-zelve met kruiden gespreid; en de bolle wind, die ik altijd gelijkmatig vond woei over my heen. Vijanden of bespringers duchtte ik niet, en zelfs, had ik niets dat ik vreezen kon te verliezen. Wat mijn voedsel betreft, zelden was ik lang zonder aardvruchten weêr te vinden, en ook de onrijpe waren eetbaar, en hadden iets van de kastanjes, doch minder hard zijnde. Echter droeg ik er altijd eenige by my, in den doek geknoopt, die my eenmaal voor wrong om mijn tulband diende, en dien ik nu om mijn middel wond. Ik had daar mijn mes by, of het stak in mijn gordel; en mijn stok was in mijn hand. Mijne Perzische pantoffelen waren lang doorgesleten, maar mijn voeten hadden zich door het gaan, zonder mijn kosten, met eelt verzoold. Mijn kruik of fles (want zy had een lange hals en was van palmhout gedraaid) hong myaan een koord over de schouder, nu eens op de rug wapperende, dan aan mijn linker heup, dan over den arm. Nu en dan baadde ik my in de plassen of meeren die ik overal op mijn weg vond, en dit gaf my by de vermoeidheid de meeste verkwikking: doch ook dan behoefde ik voor mijn kleederen niet beducht te zijn. Overreed van het eenig menschelijk schepsel te zijn in een land, dat ook geene verslindende of anders gevaarlijke dieren bevattede, was ik voorlang t’ eenen maal zorgloos geworden, en ofschoon de ontmoeting met de kalkoenen een zonderlingen indruk op my gemaakt had, en my ook wel eenige achterdocht deed ontstaan, of er niet wellicht menschlijke bewoners in den omtrek zijn mochten, ik had nog niet weder gedacht om my te bedekken. Thands echter, ik weet niet door welk eene oorzaak, viel het my in, en, zonder eenig besef uit wat hoofde, ving ik aan, eenige takken af te snijden. Doch het was tot mijn groote schade en leedwezen; want ik brak er mijn mes op, en had toen geen ander werktuig meer, hoe genaamd, waar ik iets meê kon doorsnijden. Ik begreep nu eerst recht het belang van dit zoo eenvoudig gereedschap, wond de stukken in mijn doek, en nam voor, naar een bekwamen steen te zoeken, dien ik tot een mes of een bijl slijpen mocht: dan, daar het hout dat ik vond, uitermate taai was, en zich niet door liet breken, moest ik van het toestellen eener slaapstede afzien. Ik deed dus, en sliep ook in zonder my te bekommeren.
Ik ontwaakte door een onaangenaam gevoel van knijping in den arm en in ’t aangezicht; en terstond zag ik een’ mijner vijanden; een zeer donkergraauwen kalkoen, die op mijn borst stond en stout op my inpikte. Ik bewoog my zoo dra niet, of hy was van mijn lijf: hy keek my boos aan, vloog op, scheen zich te bedenken, vloog achterwaarts, en stapte voorts met een fieren tred, en nu en dan omziende, van my af naar een kleine hoogte, daar niet verr’ van afgelegen. Ik begreep nu, aan de andere zijde van het kalkoenenrijk te zijn, waar ik kort te voren zoo wel onthaald was geworden. Ik stond een poos in beraad wat te doen; had geen trek, om my andermaal dat geheele leger op ’t lijf te schennen; maar was echter brandend om dat verblijf van een anderen kant te beschouwen. Ik besloot dan, het beest zachtkens en op eenigen afstand te volgen. Ik deed zoo, en zette my by dien heuvel, die my voorkwam uit gevelde boomstammen, die deels zelfs in de rondte behouwen waren, brokken steen, en aarde te bestaan, en dus eene lang begroeide en oude ruïne aan te wijzen, die gewrochten van menschlijke handen te kennen gaf. Alles echter lag vast in een, en was door de lucht derwijze vergaan dat er niets stelligs uit op was te maken. Ik stiet met mijn stok in dien hoop; en na dit etlijke malen, nu hier, dan elders gedaan te hebben, klonk er iets, als of men op metaal stiet. Ik wroette zoo wat in die opening, en daar kwam een verroest stuk koper voor den dag, hetgeen, hoe verknaagd en misvormd, echter duidlijk de gedaante van het blad van een bijl had. Wel bezien bleek het dit inderdaad, en volkomen te zijn. Deze vond was van groot gewicht voor my: ik eigende my dit stuk gereedschaps, en wroette voort, nu met mijn stok, dan met mijne handen en nagels; maar het was zonder eenig verder gevolg, dan dat ik met het afkrabben van eenige door- en overwortelde aard, de punt van een kennelijk vierkanten schoon genoegzaam verrotten en zich in splinters of vezels verdeelenden balk van geringe dikte voor den dag deed komen. Te vergeest wenschte ik om een spade of houweel; en alles zat te dicht en te stijf op een gepakt om door my verwrikt te worden.
Ik ging het heuveltjen om, en zag daar in de laagte twee of drie kleine vogels, die ik niet wist of ik voor by uitstek schrale en kleine hoenders moest houden, dan voor iets anders, op iets wits pikken het geen uit de aarde of groente scheen uit te steken. Ook dit trok mijn nieuwsgierigheid, door de vorige ontdekking ontvlamd geworden. Het was, zoo ik dra bemerkte, de knokkel van eens menschen dijbeen, zeer wit van de lucht uitgebleekt, half vergaan, en als verkalkt. Het been-zelf lag hellend, met de geleding der knie opwaarts gestoken. De schenkel met de knieschijf, een overblijfsel van ’t kuitbeen, en een stomp van den voet, waar de teenen en het meest van den metatarsus aan ontbraken, lag wat lager, meest bedekt door kleineheesterplanten daarover gewassen. Ik trok de struiken en planten rondom uit, en het geheele geraamte ontdekte zich dus, vrij volkomen wat de deelen of leden betrof, doch, even als de geleding des dijbeens, krijtachtig wit, en meestal geheel sponsachtig geworden; ook op vele plaatsen met een fijn mosch begroeid. Daar ik ’t omkeeren wilde, brak de ruggegraat in haar wervels af, en de ribben stortten in, met het borstbeen en de sleutelbeenen. Doch by dit breken rammelde iets, dat wederom metaalachtig klonk. ’t Was een koperen plaatjen, door de roest zeer afgeknaagt, maar dat kennelijke overblijfsels van letters of naar letters gelijkende teekens droeg. Meer kon ik hier niet ontdekken; doch van eenige der zwaarste boomstammen die ik tot nog gezien had, en die daar by één stonden, was op gelijke hoogte niet slechts een goed deel van de schors, maar het hout daar binnen tot op een derde der dikte uitgekapt, en ik zag daar ook sporen van letters op. Vele dier boomen stonden dood in den grond; anderen lagen omgeworpen; eenige droegen een verouderde en zeer schrale kruin. Mijn zucht om dit na te sporen groeide. Ik streek met de handen en met den gevonden bijl over deze vlakte of uitholling der boomen, om er het mosch en de kleine takjens die er zich opgezet hadden, van af te vegen. Doch het grootst gedeelte der oppervlakte was week, en tot dieper dan de insnijding verrot. Op slechts weinige plaatsen had de ingesneden grond zoo veel vastheid,dat zy zich samenhield. Ik zag dus op den eersten boom by het lijk Grieksche letters van een zeer oude form, en die my woorden schenen op te leveren en ik las:
Inscriptie
de overige schrappen verdwenen. Op den tweeden boom las ikInscriptie, niets meer. En op de vijf overigen (want het waren er zeven die dus uitgekapt waren) was niets overig dat zich herkennen liet. Ik maakte hiervan:
ξενε (ξεινε), τις ἀν ἐιῃς ὁς.....vreemdeling, wie gy zijn moogt, die...
ξενε (ξεινε), τις ἀν ἐιῃς ὁς.....
vreemdeling, wie gy zijn moogt, die...
Dat ditτὶς ἄν ἔιῃςslecht Grieksch was, bekommerde my niet: het behoefde geen taalkundige te zijn die het gesneden had. ’t Was genoeg, docht my, dat het iemand was, die een vreemdeling, welke daar aan mocht komen, iets had willen meêdeelen.
Het geen dit behelsde was weinig, maar ik trok er groote gevolgen uit. ’t Scheen my nu zeker genoeg, dat ik in dit oord van den bol ten minste, en hoogst waarschijnelijk nergens, geene menschen vermoeden mocht. Iemand, die, daar gestorven, aan een vreemdeling, wien het geval na verloop van eeuwen derwaart moest voeren, een bericht wilde nalaten, en ook in dit tijdverloop niet ontdekt en naar de algemeene menschelijkheid begraven geworden was, was daar zeker alleen, en hy vond zich op een land van geen menschdom bewoond;het zij dan dat dit land geen menschenvaderland was, of dat het door een der ontzachlijkste omwentelingen ontvolkt geworden mocht zijn, en dees doode zijn geslachtgenooten overleefd had. Dat hy daar alleen geleefd had, en zich eene woning, een akker, met eene omperking voor gevogelte gebouwd had, kwam my voorts zeer waarschijnlijk voor; zoo wel, als dat het graan zich daar zelf had voortgeplant, en ’t gedierte na zijn dood verwilderd geworden was, schoon het, van een tammen aart zijnde, zich by een, en aan een plaats waar het zijn voedsel vond en gewoon was, bleef ophouden. Het had mogelijk om het bezit van dit erf en het graan dat er groeide, alreeds dikwijls met de struissen of eendvogels gevochten, en my in het zelfde daglicht beschouwd en als roover en vrijbuiter afgekeerd.—Maar wat had alle sporen van menschen zoo geheel kunnen verdelgen, en dien eenigen kunnen doen overblijven?—Het was waar, ik had den geheelen bol niet doorzocht; maar ten minste een groot gedeelte; vooral, waar menschen woonden, daar moesten zich wijd en zijd blijken van hun aanwezen opdoen: vooral, daar noch koude, noch overmatige hette, noch moeielijkheid van gebergten, ja niets, hunne verwisseling van verblijf of hun doorreizen verhinderde.—-Alleen mocht ergens in een groot meer, eenig eiland besloten zijn, waaruit zy zich niet begeven konden, het zij by gebrek van boomen of verstandelijk doorzicht; en van daar kon die doode afkomstig endoor eenig onnagaanbaar toeval over het water gebracht zijn.—Maar die doode schreef Grieksch—wist den bijl te hanteeren—gaf door die omsluiting en het geen uit de gevonden ruïne besloten kon worden, een bewijs van beschaafdheid, grooter dan by dus bepaalde eilanders van een meertjen te stellen was.—Dit verbijsterde my.—Honderdmaal drong ik my op, dat het geen ik voor Grieksche letters gehouden had, vormlooze en niets beteekenende schrappen waren, door de lucht, door gewormte, en wat niet al, in de boomen veroorzaakt.
Nu zette ik my om het koperen plaatjen met alle my mogelijke opmerkzaamheid te beschouwen. Dat mijne gedachten te vlug waren om hierbij stil te staan, moet hier niemand verwonderen, die den aart van zijn geest kent, en weet welke de drift is, waar meê de verbeelding als voortbruischt, wanneer zy, eens met een geliefd voorwerp bezig, zich een nieuw open ontsloten ziet, waar zy door wil breken. Alsdan wacht zy den geleibrief noch de reiskaart des verstandigen overlegs niet af, noch het geen haar op den tocht die zy aangaat, het noodigst zal zijn. Ongelaarsd, ongeschoeid, vliegt zy voort; maar het is om, by de eerste hindernis van den weg, neêr te storten, of op hare treden te rug te komen.—Ik onderzocht dan het koperen plaatjen.
Het was, hoe zeer door de roest rondom afgevreten en ongelijkvormig geworden, van eene langrondegedaante, en had nagenoeg de groote eener handpalm. Daar was een oogjen of gaatjen in, als ware ’t, om een snoer door te trekken, en ik twijfelde niet, of het was geschikt om het op de borst te dragen. Ik hield het dus in het eerst voor eenamuleet, of, gelijk men in ’t Oosten zegt,talisman. Ik wiesch het zorgvuldig af, krabde de verhevenheden van het spaangroen daar af, voor zoo verre ik dit met mijn nagels vermocht, en niet schroomde zoo veel van de oppervlakte weg te schrappen, dat de letters daar mede verloren gingen. ’t Was aan beide zijden beschreven, of liever diep ingekrast, hier en daar als ingehouwen, elders meer oppervlakkig als ingevijld; en alles droeg het voorkomen van blijken zoo van het gebrek aan bekwame werktuigen voor dit beschrijven, als van het belang dat men moest gesteld hebben in er kennelijke en duurzame lettermerken in te groeven. Beide zijden hadden de zelfde soort van letters, en deze letters kwamen overeen met die van de opschriften der boomen: beide hadden onder het oogjen dat voor het snoer scheen gediend te hebben, de letters
Inscriptie
en lager, twee en een halve regel, waar van ik aan de eene zijde niets maken kon, doch die aan de andere dit opleverden:
Inscriptie
Het geen ik met uitlating van het onvolkomen woord in de middelste regel, dus las:
Ἀβρ, ὁ καλουμενος Ἀβαρις..... ὁυτος ἐγω.Abr, die genoemd wordt Abaris... deze (ben) ik.
Ἀβρ, ὁ καλουμενος Ἀβαρις..... ὁυτος ἐγω.
Abr, die genoemd wordt Abaris... deze (ben) ik.
Nu dacht ik dadelijk aan den Hyperborischen Abaris, die voor derdhalf duizend jaren (zoo de Chronologie in dit punt juist is) in Griekenland gereisd heeft, en wien men den naam gaf, dat hy op een pijl door de lucht reisde.—Deze hier! Dit gaf mijn verbeelding een nieuw en een vruchtbaar veld om door te draven, en zy was niet traag om het zich ten nutte te maken.
Ik zal hier niet ophalen, al wat my al inschoot; al wat ik voor of na, ’t zij terstond by den inval, het zij na er een poos aan gefatsoeneerd te hebben, verwierp; en dat, het een somtijds belachlijker dan het ander, my echter in my-zelven een soort van onderhoud verschafte, waarin ik my gelukkiger gevoelde dan ik sedert mijne aanlanding in die wareld nog gedaan had. Een voorwerp te hebben waarover men denken mag, en dat ons belangrijk genoeg is om de aandacht wel vast te houden, is zeer veel in de eenzaamheid. Maar mijn lezers zijn niet in het zelfde geval, en ik heb hun verveling te ontzien. Ik zal dus alleenlijk dat aanvoeren, wat het uitsluitsel van al die bedenkingen en overwegingen wierd. En dit bestond in de volgende punten, die ik den geleerden als gissingen voorstelle, waarop zy, behaagt het hun, nadenken mogen. Misschien zijn zy sommigen onder hen deze moeite waardig.
1o. Dat de Noordlijke Reiziger Abaris hier aangeland en gestorven was en deze opschriften van hem waren.
2o. Dat die Abaris een naam had, in ’t Oosten bekend (het geen by een Schyt gants niet vreemd zijn kan), en dat deze naam, by de Grieken door hun uitspraak en den uitgang dien zy er, naar hunne gewoonte, aan gaven, dus als wy hem plegen te noemen, veranderd, in wezen de zelfde was met het OosterscheAbram, of wel, met de wortel אנר.
3o. Dat deze Abaris niet slechts by de Grieken den naam had van door de lucht te reizen, maar ook de daad. Van waar misschien de naamAber, in de beteekenis vanVlieger, in de Noordlijke taaltakken nog over inEberenAdebaar(nu in het HollandschOoievaar), aan hem gegeven en door hem aangenomen is.
4o. Dat hy, naamlijk, den luchtbol, en wel niet slechts deMontgolfiere, maar dien met de brandbare of eene andere gelijksoortige, en ons mooglijk onbekende lucht, gekend heeft, en zich van dien bediende.
5o. Dat de oorsprong van het fabeltjen van zijn vliegenden pijl, waar hy op reed, of, te zoeken is in het zeggen, dat hyals een pijldoor de lucht vloog; of wel, dat men den naam vanbol, (baul),bal, ofbel(alle talen oorspronklijk gemeen), waarmeê hy zijn voertuig benoemde (by de Grieken veellicht totβαλος, ofβολος, ofβηλος, gemaakt), met hun Grieksche woordβελοςverwarde.
6o. Dat hy op gelijke wijze als ik, op dien planeet aangekomen, by zich in zijn vaartuig eenige gereedschappen gehad heeft, die ik miste; waarvan de bijl, die een Grieksche of Oostersche gedaante had, en van zeer hard koper was[5].
[5]Dat de Oostersche Schyten koperen bijlen gebruikten, meldt Strabo, XI, 10.
[5]Dat de Oostersche Schyten koperen bijlen gebruikten, meldt Strabo, XI, 10.
7o. Dat hy veellicht uit eenig Oostersch landschap, waar de kalkoenen inlandsch zijn, ook een paar of meer vogels met zich meêgenomen had, met voornemen om die in zijn vaderland voort te telen. En dat hy veellicht op gelijke wijze en met het zelfde voornemen de garst en nog andere vogels en zaden of granen by zich had, wanneer hy op mijn bol aanlandde: alwaar zich de vogels voortplantten, de garst in wezen bleef, en het overige met den tijd in den vreemden grond en lucht weêr uitstierf.
8o. Dat hy door behulp zijner gereedschappen, zich daar eene woning, en akker- en vee- of vogelteelt maakte, welke echter zeer gebrekkig waren, als alleen kunnende bestaan uit de soorten die hy daar vond, of toevallig by zich had.
9o. Dat hy, zijn voertuig misschien verongelukt zijnde, niet weder te rug kon, en zijn leven aldaar heeft moeten eindigen.
10o. Dat hy de hem mooglijke voorzorgen genomen heeft, om door middel van opschriften de gedachtenis of kennis van dit zijn lot te bewaren en over te brengen aan den gene, die op gelijke wijze daar aanlanden mocht.
11o. Dat hy zich hiertoe beide van de Grieksche, en van zijne eigen taal bediend heeft, en dat deze beide talen toen ter tijd de zelfde letters hadden, doch het Schytsch als het Oostersch, waarmeê het nog zeer veel gemeen had, in omgekeerde richting van ’t Grieksch geschreven wierd.
Het is zeker, dat Herodotus en de verdere oude Grieken niet altijd liegen, wanneer men het daar voor houdt. Wanneer zy verhalen, dat in het Noorden de lucht dikwijls geheel vervuld is met neêrvallende vederen, ’t geen het reizen aldaar moeilijk maakt, is het zeker, dat zy van de sneeuw spreken, waarvan die hun dit meêgedeeld had zich geen denkbeeld had kunnen maken dan uit vergelijkende beschrijvingen, die het uiterlijk aanzien der vlokken betroffen. Even weinig konnen zy, of die genen, van wie zy het overnamen, zich het reizen door de lucht voorstellen; maar het naaste denkbeeld was, als een vogel, of als een pijl. Als een vogel geschiedde het niet, want er waren geen vleugels by, door wier middel de opheffing geschiedde: zie daar al wat men wist. De pijl bleef dus overig, en het denkbeeld van een ingedrukte beweging als een afgeschoten schicht eigen is. Men plaatste hem dus in verbeelding op zijn pijl, waartoe zelfs de naam van zijn voertuig, als gezegd is, iets doen kon. Dit inbeeldsel was zoo belachlijk als onmooglijk; maar de bol maakte zijn luchtreis, waar van toch getuigen en blijken waren, voor hun allen even zeer onmooglijk, en veel beternog wist de verbeelding zich van een pijl dan een bol te bedienen, om van deze vlucht eenig schijntafereeltjen te vormen. De ongeloovigheid der menschen, waarin zy bewijs van verstand stellen, is veelal niet dan een gevolg hunner onkunde. De eenoogigen van Herodotus (Arimaspen) zijn in een volk van schutters, dat zich gewend heeft het eene oog te sluiten—; de menschen met de oogen in de borst, in de zwaar gekarpoesde Eskimaux of Tsuchties—; de meermannen in de half in hun schuitjens genaaide en daarmeê in en onder het water omtuimelende ijskustbewoners weêrgevonden. Voor weinige jaren nog werd Abaris reizen door de lucht als een bloot verdichtsel aangezien. Latere ontdekkingen zullen nog meer verhalen der oudheid, waarmeê wy nog thands den spot drijven, bewaarheden. En wellicht wordtde ware geschiedenisvan Luciaan (hoe zeer ter beschimping, uit loutere ongerijmdheden saamgesteld) zoo de wareld slechts voortduurt, nog eens vol van zeer wezendlijke en t’ eenigen tijd algemeen bekende waarheden bevonden, en hy, tegen zijn’ dank, eenἀληθογραφος.Il ne faut desesperer de rien.
Dat Abaris, de Noordsche reiziger, die uit zucht om wetenschap te verzamelen verre landen bezocht, Natuurkundige begrippen had, welke de Grieken nooit gekend hebben en die by ons nog zoo nieuw zijn, behoeft niet te verwonderen. Wat zijn onze kundigheden, dan het geen van sedert kort voor onze jaartelling uit de Grieken tot ons overgebrachtwas? En hoe deerlijk was de vervallen, verwoeste, en verwilderde staat van de in woedende horden verkeerde volken, afschrik van het zuidelijk deel van ons warelddeel, geworden. Een staat, die te minder verwonderen moet, als men de geweldige natuurschokken die de grond van dat Noorden blijkt ondergaan te hebben, in aanschouw neemt. De Grieken stelden er denouden Hof van Febus,Φοίβου παλαιὸν κῆπον(als Sofokles zegt by Strabo VII, 1); roemden de schoonheid der Hyperboréën[6]: en dat zy van hun, zelfs godsdienstplechtigheden hadden overgenomen, is kennelijk. Doch wat ook de Grieken daarvan hielden, kinderen in verstand en in volksouderdom, en die toch bekennen dat zy van Anacharsis (een Noordlander) den vuurslag, het anker, en het pottenbakken geleerd hebben (Strab. ib. 8.): dat oudtijds in het Noorden een machtig en zeer beschaafd volk gebloeid heeft, onmiddelijk uit het Oosten daar heen gewandeld, en dat in verstand en kennissen uitmuntende, de leeraar des overigen menschdoms geweest is, dit getuigt heel het Oosten, dat aan hen zijn beschavingen de mededeeling van de belangrijkste kennissen dankt. En dat ook dit volk Natuurkundige en Chemische kennissen had, waar van men twijfelen mag of zy de onzen niet in vele opzichten te boven gingen, maakt alles waarschijnlijk. Tot in het diepste van Indien, is niet de algemeene overlevering onder de Bramannen alleen, maar zijn de geheiligde boeken vol van een (om het dus uit te drukken) heilig ontzag voor het Noorden. Daarin wordt het Noorden, bestendig voorgesteld en met levendige kleuren geschilderd, als de zetel van welvaart en rijkdom. Daar stellen zy sedert onnagaanbare eeuwen den wonderbaren bergMeru, waarinKuvero, de God van den rijkdom, zijn throon heeft gebouwd. De rijkheid der mijnen van het (eertijds een geheel ander aanzien hebbende) Scandinavie, mag dit laatste denkbeeld verwekt hebben; maar het bewijst, dat men, van zoo oud als dien narichten, vertellingen, en haar aanteekeningen of overleveringen heugt, aldaar deze mijnen bewerkte en sints lang met veel vrucht bewerkt had; en zoodanig een volk kon niet missen in Natuurkundigheden en Scheikundige wetenschap alle andere verre te boven te gaan; maar het kon ook, daarin gants oorspronkelijk zijnde, vorderingen gemaakt hebben, die wy, naar systemaas geleerd, die wy van Arabers en Grieken ontleenden (zelve onkundige en uit nabootsing en naprating denkende en handelende volken), niet dan na eeuwen op eeuwen, en dan nog niet anders dan door een gelukkig toeval, bereiken konden.
[6]Men zie, by voorbeeld, Kallimachus in zijnen Hymnus aan Delos. Diogenes Laërtius verhaalt, dat Pythagoras om zijne uitstekende welgemaaktheid niet slechts eenApollogenoemd, maar voor denApollo van uit het Noordendoor zijn leerlingen gehouden werd.Καὶ ἀυτοῦ ὁι μαθηταὶ δόξαν εἶχον περὶ ἀυτου, ὡς ἑίη Ἀπόλλων ἐξ Ὑπερβορέων ὑφιγμένος.
[6]Men zie, by voorbeeld, Kallimachus in zijnen Hymnus aan Delos. Diogenes Laërtius verhaalt, dat Pythagoras om zijne uitstekende welgemaaktheid niet slechts eenApollogenoemd, maar voor denApollo van uit het Noordendoor zijn leerlingen gehouden werd.Καὶ ἀυτοῦ ὁι μαθηταὶ δόξαν εἶχον περὶ ἀυτου, ὡς ἑίη Ἀπόλλων ἐξ Ὑπερβορέων ὑφιγμένος.
Veel ware er nog aan te merken, over de verkeerde wijze, waarop deze wetenschap altijd behandeld is geweest, en vooral over de tot in onze dagen altijd verwaarloosde beoefening der uitzettende vloeistoffen, door het welke al onze ontbindingen altijd onvolkomen gebleven zijn, en het allergewichtigst werkmiddel in de hand der natuur en in die van haar nabootster, de kunst, nutloos bleef. Men verongelijkt een beter, een wijzer, een minder vervallen menschengeslacht, dat ons op zoo groot eenen afstand, zoo reusachtig voorging, wanneer men het de onnoozele verkeerdheden aanwrijft, die in het nietige, ijdelhoofdige Griekenland of Arabie de opkomst der wetenschappen, die er niet geboren waren, of in Italie hare overbrenging uit Griekenland of Arabie, zoo vele eeuwen later vergezeld hebben. Gewis kenden zy de uitzettende vloeistoffen, die wy daadlyk gekend hebben, zoo dra wy op ’t rechte pad raakten om de Scheikunde recht te beoefenen. En kenden zy die, hoe konden zy niet, daar eenige aanwending van maken op de Weegkunde? Hoe kon het missen, of een doorzichtig, een recht wijsgeerig brein moest er een middel in zien, om zich in de lucht op te heffen, en op het geleide van den wind, van oorden en landstreken te verwisselen.
Het is ongetwijfeld ook door de verwantschapping en het verband der Schei- en Natuurkundige kennissen met Genees- en Heelkunde, dat de Noordlijke volken by de Grieken-zelf in dit laatste vakzoo beroemd waren. Plato maakt daar, op meer dan één plaats, gewag van. Hy spreekt van Zamolxis Artsen, die den naam hadden de onsterflijkheid te kunnen meêdeelen, en wien het bygeloof der vertellers, by ’t aanwenden hunner bereidingen of artsenyen, bezweeringen toedichtte, waar in Plato-zelf onnoozel genoeg was om de heelkracht te stellen; dan die niemand zekerlijk thands in aanmerking nemen zal.
Abaris is ook de eenige Schyt of Hyperboreër niet geweest, die de Grieksche wareldstreken bezocht. Verscheiden worden er door de Historieschrijvers der Grieken, door Dichters en Filozofen, genoemd; alle als liefhebbers van wijsheid, en verlichte verstanden. Zoodanige reizen toonen beschaafdheid en kunde by ’t volk waartoe zy behoorden; en dit volk woonde diep in het Noorden, als de hun gegeven naam medebrengt. Geen wilde, reist om kundigheden op te doen. Maar de beschaafde geest der genen die van uit dit volk tot de Grieken kwamen, bewijst, op wat punt van verlichtheid en kunde, zoo wel als rechtschapenheid dit volk toen gesteld wierd. Zy boezemden alom door hunne hoedanigheden verbazing en achting in, en gingen voor toovenaren, bovenmenschlijke verrichtingen machtig.
Niets overzulks is er onwaarschijnlijks in, dat zoo my deze hachlijke reis naar een planeetbol, die in onzen dampkring met den zijnen als samensmelt, toevalliger wijze heeft kunnen gebeuren, zy ookAbaris den luchtreiziger gebeuren kon, wiens naam niet alleen als reiziger, maar ook meê als Natuur- en Scheikundige of als Arts der toenmalige tijden bekend staat. En natuurlijker wijs berust ons verstand in de opschriften die geen ander dan hem schijnen aan te kondigen.
Ik zal voorts mijnen Lezer met geenen geleerden Commentarius over deze inscriptien ophouden. Ik wil alleen aanmerken, dat de Alpha daarin voorkomende, zichtbaar de oude Fenicische form heeft, die naar het getuigenis van Plutarchus den ploegenden os afbeeldde, en nergens zoo duidelijk voorkomt: Dat er geen onderscheid tusschen deρen deϛis: Dat deκhaar standaart niet heeft, welke dus van een later tijd schijnt, maar de omgezette Oostersche כ is, als de Roomsche C: en de N de form derπheeft. In een byzonder Hoofdstuk hoop ik by de nader ontwikkeling dezer byzonderheden de geschiedenis der letterfiguren niet weinig toe te lichten, wanneer ik mijn uitvoeriger reisverhaal en beschrijving in ’t licht geve.
In de middelste regel van het Grieksche opschrift van ’t plaatjen verbeeldde ik my ook het woordΟΔΟΠΟΡΟΣ(ὁδοιπορος) op te maken, doch de plaats was zeer uitgevreten, en mijne lezing onzeker.
Van de tegenzijde wist ik niets uit te brengen. De taal, voor zoo verre ik iets gewaar werd, was my onverstaanbaar, en het plaatjen had daar ongelijk meer geleden.
Ik heb gezegd, dat ik my onder ’t ontcijferenvan de opschriften, en in het gewoel van de denkbeelden, die dit in my deed opkomen, gelukkiger vond, dan ik op mijn planeet nog geweest was. Dit ging zoo verr’, dat ik, lang genoeg, my met niets anders ophield dan wat hier betrekking toe had. Ik stelde my mijnen Schytschen lotgenoot voor in zijne oprichting van de ingestorte woning en van zijne huishouding. Ik dacht om hem daarin na te volgen, terwijl ik zijn bijl op een steen scherpte, of er een boomtak mede afscheidde die ik er tot een steel in vastmaakte. Ik dacht, hoe my best van de kalkoenbende meester te maken. Ik bedacht, hoe deze weerbare vijanden te beloeren, te verstrikken, by kleine partyen aan te vallen en t’ onder te brengen. Ik rekende uit, hoe velen er om moesten komen, om my heer van de overigen te maken; nam maatregelen om dezen op te sluiten, en de jongen die zy voort zouden brengen, vervolgens te voederen en daaruit een nieuw tam geslacht te vormen. Nu dacht ik my in Abaris plaats, als zijn opvolger, gevestigd, en wilde myAbaris den tweedenoemen. Zelfs was het my geen gering voorwerp van overleg, of ik myAbarisop zijn Grieksch, dan (gelijk mijne opschriften als den eigenlijken naam medebrachten)abraofabirzou heeten. Indien ik geweten had hoede tweedein datzelfde Schytsch waar ikabraofabirtoe bracht, uit te drukken, ik had ongetwijfeld het laatste verkozen als ongemeener. Nu helde ik meer tot het eerste, enἉβαρις ὁ δευτεροςklonk my al vrij welluidendin de ooren, Maar nu schoot my in, dat de ouden de personen van éénen naam zoo niet onderscheidden. Dat dit nietAbaris de tweede, in den hedendaagschen zin, zijn zoude, maarde tweede Abaris, en een vergelijking met Abaris als met een model of voorbeeld, te kennen geven, waarmede ik veel minder gekuifd was.
Dit alles was goed en wel. Ik had daar, op een planeet waar ik geen mededinger had, koning kunnen zijn even als Adam; maar het schortte my, waar het Adam aan faalde. En hier was geen hulpmiddel voor. Mijn rijk moest als dat van mijn Schytschen voorzaat eindigen, zijne nagedachtenis in my verdwijnen, en de mijne verloren gaan. Want hoe kon ik my vleien, dat spoedig weder een ander luchtreiziger hier mocht aanlanden, en dat er met de aarde eene gemeenschap ontstaan zou. Ja was die gemeenschap-zelve wel eens zoo te wenschen voor den wareldkoning wiens eenige legermacht in het overschot der kalkoenen bestaan moest, die hy om zijn throon te bestijgen, op zeer weinige na, uit moest roeien. Deze denkbeelden kwamen niet op, of zy kregen vat by my.—En echter, altijd alleen en ellendig, hier om te komen als Abaris, de oogen misschien uitgepikt door mijn hoenders! mijn beenders voor ’t minst door hen uitgepikt als zy dor wierden!—En geheel geene nagedachtenis van my!—Ja, wist men op den aardbol, daar is hy, daar leeft hy, daar woont hy, daar geneert hy zich als een kleinonafhanklijk prinsjen, ’t waar wel. Maar daar was ter wareld geen uitzicht op.
Ik gevoelde nu eerst in volle kracht, dat alleen voor zich-zelven te bestaan, geen bestaan is; dat men niet leeft, dan wanneer men in anderen leeft, en dezen in ons; en nu werd ik in een groote mate naargeestig. Alle lust verging my om waarnemingen te doen. Ik zag den hemel niet meer aan; ik bereisde mijn planeet niet meer. Ik raakte al meer en meer in mijmeringen verzonken, die hoe langer hoe onduidlijker waren, en van langzamerhand in een stompe gevoelloosheid overgingen, die niet afgebroken werd dan door slaap, of door ’t zoeken van aardvruchten, wanneer de behoefte van voedsel my daartoe aanprikkelde.
Dus had ik verscheiden malen den aardbol vol en nieuw, en in zijn kwartierstanden gezien, en derhalve (naar de tijdrekening, op hem gebruiklijk) etlijke maanden doorgebracht; wanneer ik, zonder oogmerk of doel omwandelende, op den plek gronds kwam waar ik ’t eerst aangeland was, en mijn bol en vaartuig weêrom vond. Dit gezicht wekte my hevige aandoeningen op, en ik raakte aan het schreien. De zucht om op het gemeene vaderland aller menschen, de aarde, weder te keeren, verhief zich in my. Ik zag daar geene mooglijkheid op. Echter onderzocht ik mijn bol en bootjen. De eerste was ledig, gelijk men begrijpen kan, maar had slechts een geringen scheur van niet meer dan twee vingers lengte, in een van de naden. Hetschuitjen was gaaf, behalven dat de onderkielbalk er af gestoten was, het geen tot de zaak weinig deed. En, daar ik al het ijzervijlsel en al de vitrioolgeest die ik van mijn Perzianen gevorderd, maar niet half gebruikt had, in verscheiden tonnetjens, en glazene met hout overtogen bussen, by my in het schuitjen genomen had, had ik dezen deels in, en gedeeltelijk in de rondte om dat bootjen op den grond wedergevonden, en ook weder by een gepakt.—Wat (dacht ik nu) zoo ik de breuk van mijn bol herstelde, en op nieuw opging? Eens tot eene genoegzame nabyheid der aarde genaderd, zou deze my wederom tot zich trekken; en, men moet iets wagen in een’ staat als de mijne is.
Het denkbeeld echter van zoodanig eenen overgang was zoo weinig klaar by my, als dat van mijn vorigen overgang naarSelenion. Tusschen de twee aantrekkingen opgaande, begreep ik in het punt des evenwichts (daar naamlijk waar de nabyheden der bollen hunne aantrekkingen gelijk maakten) te moeten blijven staan, en zoo had ik zeker moeten doen by mijn opgang van de aarde. Doch ik had toen mijn bol veel te licht gemaakt, en dit had my een geweldige vaart naar de hoogte gegeven, en deze vaart moest geduurd hebben tot over en door dat evenwicht van de twee tegenstrijdige aantrekkingen heen: als wanneer de aantrekking des naasten schoon kleineren bols over moest wegen. Mijn schuitjen, als zwaarder, onderging dieaantrekking sterkst, de bol minder, maar hy had veellicht alreeds een gedeelte van zijn lichter lucht verloren; en het was op deze wijze dat ik was overgeraakt. Een duidelijker denkbeeld wist ik er my niet van voor te stellen; maar zoo duister en onvolkomen dit denkbeeld was, ik vergenoegde my daar meê. Ik meen opgemerkt te hebben, dat de Selenische lucht voor mijn denkvermogen niet gunstig was, en ik was in mijn naargeestigheid en verstrooiing voor geene Logische netheid meer vatbaar. Ik was, zonder zelfs my veel te bekommeren of ik de zaak wel dan kwalijk begreep, tot het waagstuk gereed, zoo ik ’t vullen van den bol op nieuw in het werk kon stellen. Wat ongeluk toch, zoo ik omkwam? Zoo te leven, was in der daad geen leven, dat eenig genoegen meer had of hebben kon. En beter, door een halsbrekenden val uit de hoogte verpletterd, dan door de ontzetlijke langzame dood eener krankte, of, by eenig toeval van verlamming, door den neep des hongers verteerd!
Ik ontrafelde dan een lap van mijn kleed, en zocht kleine dorentjens om voor naalden te dienen. Het was een werk van geduld, en dat my ten hoogste onhandig afging, den geopenden naad van mijn bol weder te heelen. Het gelukte. De stof was zeer vochtig, en de bol werd in de hoogte in zon en wind te droogen gehangen. Nu zocht ik naar eenige klevende taaie stof. Ik vond niets dan een soort van smerige of vetachtige lijm van een moeras. Met dezen bestreek ik, tot meerder zekerheid,zoo dezen vernieuwden als de overige naden. Ik begreep, dat het gelukken mijner reis van de snelheid der vaart in het opgaan moest afhangen. Dit deed my zoo veel ik maar kon, van de zwaarte van mijn schuitjen verminderen. Het had den kielbalk onder den bodem verloren: de ribben naamlijk zaten slechts in een dunnen balk, welke met dezen versterkt was. Ik brak nu het tafeltjen met de twee zitplaatsen af, nam den vlakken bodem uit, waar onder ik by mijn eerste opgaan, de ballast had willen vastleggen. Van den voor- en achtersteven kapte ik weg wat ik kon, en stelde daarvoor slechts een soort van horde, uit lichte takken bestaande, in de plaats.
Nu begon ik te overleggen of het my raadzamer ware, mijne oprijzing te doen op een plaats waar ik de aarde in het zenith had dan waar niet. Dit problema hield my langer op dan het verdiende. Ik wilde de aantrekking des aardbols: de kortste lijn tot den aardbol was derhalve my dienlijkst. Maar het scheen my aan den anderen kant, dat eene aantrekking, die eenigzins zijdelings werkte, mijne omwending beter en geregelder uitwerken moest. Ik bleef dus voor de oplossing staan, en besloot eindelijk om daar op te gaan, waar ik was, en daartoe zonder verder uitstel het tijdstip van morgen te nemen. Dus namelijk, had ik my aangewend de tijd van ontwaking te heeten, na dat ik geslapen zou hebben. En zoodanige tijden vanmorgenvielen er naar mijn gissing tusschen de dertigen veertig in den natuurlijken dag van mijn planeet. Zy waren zich ongelijk, daar zy bloot door mijne behoefte van rust geregeld wierden, die van velerlei oorzaken afhing.
Ik stak drie gevorkte takken door den ring, die boven aan den bol was, en waardoor hy nu ter vulling boven mijn schuitjen verheven wierd. By gebrek van touwen, sneed ik van mijn kleed stroken om door dien ring te halen en hem dus te overspannen, en ik maakte deze stroken met pinnen in de aarde vast. Ik bond voorts eenige dergelijke maar kortere stroken aan de koorden waarmeê mijn bootjen aan het overnet van den bol vast was, om als ik over eind stond, my voor het uitvallen te hoeden. Ik had te voren trechters van verschillende grootte in gereedheid gehad, om de invloeiing des damps die zich ontwikkelde door de buis te besturen; een van die was in ’t schuitjen gebleven en diende my weêr. Ik voorzag wel dat de bol door mijn pinnen niet genoegzaam vastgehouden zou worden om niet op te gaan eer hy rond uitgespannen zou zijn, maar ik begreep hem in ’t opgaan-zelf nog te kunnen blijven vullen, om daardoor een meerder drift aan de vaart der oprijzing te geven. Eindelijk ik beval my den Hemel, sloot mijne oogen voor alle gevaar, maakte mijn dozen of bussen open, verlengde de zuren en begon de dampvorming en vulling.—Weldra ging ik op; ik hield aan te vullen, tot het gezicht my verging. Toen wierp ik mijn uitgediende metaalschorien uit. Ik gaf nu wederom bloed op,had geweldige pijn in de borst en ingewanden, en het was my of ribben en buik my openberstten. Ik had geenerlei voedsel noch versterking meê, werd geheel buiten besef; en, hoe lang dit duurde, dit gevoelt ieder dat my onmooglijk was na te gaan.
Toen ik my wedergevoelde was het met een verward maar ontzettend besef van klaterend of klapperend geluid en een pijnlijke gewaarwording van kwetsing die my aan mijn kalkoenbeten herinnerde. Ik bloedde werklijk en het scheen of my dit de bedwelming waar ik in was verlichtte. Maar daar zweefde ook iets geweldigs om my heen, dat my daar ik oprijzen wilde om verr’ sloeg, en zonder dat ik ’t zoo dra herkende, na eenige allergezwindste in ’t ronddraaiingen, woedende aanviel. Het was erger dan een kalkoen: ’t was een arend, en dit overtuigde my eensklaps dat ik in den dampkring der aarde zweefde. Ik had Abaris bijl by my, en dien lang gesteeld; ik hieuw mijnen vijand een wond in de hals, en hy verdween. Ik waagde ’t nu uit en naar beneden te schouwen, maar geen grond was voor my te zien. Ik had een wonde in de borst door mijn kleed heen ontfangen, en zoo vleesch als huid waren my weggescheurd, en de wond hol en diep. Eenige schrappen van minder belang deden my ’t aangezicht bloeden; en de linker arm was my doof en als lam. Ik verbond mijn borstwonde met een lap van mijn kleed, na haar met verlengde vitrioolgeest die by my stond gebaad te hebben, doch de pijn die zy my deed was hevig, en tot stuiptrekking toe. Ik zag wederom uit, maar het zijdat ik nog werklijk te hoog was, om met mijn verzwakt gezicht den bodem waarboven ik zweefde te kunnen bereiken, het zij de bedwelming van geest my verblindde, ik herkende geen grond onder my, zelfs geen wolken, en scheen steeds op gelijke hoogte te blijven. Te vergeefs zag ik weder en weder uit. Eindelijk werd ik radeloos van een angst, die steeds aangroeide, en my docht, dat ik uit- en inwendig verstijfde. In vertwijfeling en zonder te weten wat ik deed greep ik den bijl en sloeg eene opening in den bol waar hy wijdst was. Nu zonk ik welhaast, maar de beweging naar benedenwaart versnelde verbazend en ik stelde een verpletterend nederkomen onvermijdelijk. Ik gaf ’t op, lei my plat neder op den rug, en neep mijne oogleden toe. Behoud viel niet meer in den kring van mijn denkbeelden.
Het was echter bestemd, dat ik nog bij het leven bewaard moest blijven. Ik was, als by de uitkomst gebleken is, boven den grooten oceaan. Een Russisch schip dat zich op 12° breedte bevond, zag mijn voertuig op kleinen afstand van zich, met geweldige snelheid in zee storten, doch na eenigen tijd boven komen, omgekeerd, en ledig, mij-zelven eenige vademen verr’ daar van daan. De boot was juist uitgezet, en men redde my, schoon ik in dat oogenblik en nog een geruimen poos lang voor dood werd gehouden. De omstandigheden die hier by plaats hadden en de gevolgen van deze behoudenis beware ik voor mijn reeds meermaal gemeld uitvoeriger Reisverhaal. Zy behoorenniet tot dit verhaal.—Ik wilde hier alleen de door my gedane ontdekking der ondermanen beschrijven; waarvan ik de verdere nasporing aan de Starrekundigen onzes tijds aanbevele. Ik laat daarby aan de Natuurkundigen over, de noodige proeven en waarnemingen in het werk te stellen, hoe het mogelijk zijn of gemaakt worden mag, de snelheid der vaart van den luchtbol zoodanigerwijs te regelen en te bestieren, dat men veilig van de overwegende werkingskreits der aantrekkingskracht van den aardbol in die van eene der ondermanen gerake; en daar den koers naar toezette, en aan- en weêr van te rug kome, waar ik zoo onwillig aanlandde en op een zoo hachlijke wijze van wederkeerde. De eerste reis te water, en daarby toevallige kustontdekking, was by eenen veel onwetender staat van het menschdom toch niet verloren; en ik verbeeld my niet, dat deze luchtreis en planeetaandoening het zou moeten zijn. Ten minste heb ik haar, voor zoo veel het van my afhing, niet onnut willen maken, en dit is al wat ik vermag. Om haar te herhalen, gevoel ik my in mijn tegenwoordigen toestand en na al het geen ik daarop geleden heb, even weinig de lust als de krachten. Maar ik steun op den moed, op de inspanningskracht des verstands van mijn tijdgenooten; en dit doet my, van nu aan, de hemelbollen niet slechts als bereikbaar, maar als reeds met onze aarde vereenigd beschouwen.
Fancy line