1Veenhuizen.
1Veenhuizen.
Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde, dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen, van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De groote gele letters met zwarte randen maakten aan het “gedistingeerde publiek” kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo’s honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts, vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis, waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin, bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar ineengeroldetricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes, een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor Carlo verblijf hielden.
Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord gezocht.
De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader voorgesteld als “het wonderkind Miss Betty,” balanceerde half in de deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.
“Kijk dan toch uit, Betty!” riep vrij knorrig de jongenheer Carlo junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op het hoofd staan. “Schei er liever uit, als je die flesschen telkens laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd.”
“Dat zou jammer wezen,” antwoordde zijn broer Paulo, die een eind verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten poedel.
“Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!” riep de heerCarlo zijn geslacht op tamelijk barschen toon toe. “Zoolang ik aan mijn toilet bezig ben, wil ik rust hebben.”
De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot “productiën” in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.
Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht, dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn geruite pantalon, zooals hij het noemde “sjiek” uit.
“Allo!” riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe, “laat eens een paar van de artisten buiten komen.”
“Wie?” klonk het terug.
“Eerst Jack, dan Minca en Tom.”
In den wagen blafte een hond; ’t was Tom, hij had zijn naam gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met denstaart tusschen de beenen, op zijn buik tot voor Carlo’s voeten en keek hem toen aan met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.
“Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet jij dat wel, hè?” Het rietje zwiepte door de lucht. “Je moest strieps hebben.—Rechtop, Minca!—Hier Jack! Moet ik je afstraffen?”
Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.
“Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste ook niet.” Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.
“We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack.” De twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo’s zoon vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën begonnen.
“Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog eens! Hoepla! hoepla!—Daar heb je het waarachtig weer, net als gisterenavond! Allo, hier, Tom!” Angstig kwam de hond nader; hij trok met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! “Ik voel toch niets verkeerds,” gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals: “Allo! Hoepla! Vooruit!”
Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak voor den hoepel neer.
“Kom hier!” Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:
“Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. ’t Zou wat moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; ’t is de beste van den heelen troep.—Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets is gebeurd; ik vat het niet....”
“Ik wel!” klonk plotseling een stem uit den drom vanjongens, die zich langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.
“Verwonderd keek Carlo op en vroeg: “Wie zegt dat daar?”
“Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel,” riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was het, vooruit.
“Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?” zei de directeur en wenkte Dorus tot zich.
Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor Carlo en zei, op den poedel wijzend: “Zie je, daar begint ’t weer, dat’s kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die ’t gedurig weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel.”
“Had jou vader er dan verstand van?”
“Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij.”
“Ei!”
“Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken.”
“Wat was je vader?”
“Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!”
“Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ...”
“Als je bochel zegt, vertel ik niets!”
Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.
“Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens dichter bij, ventje.”
Dorus bleef staan en schudde het hoofd.
Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken, een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.
Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor den kunstenmaker neergezet.
“Dat’s valsch!” gilde hij.
Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesdmet een hoogroode kleur en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: “Nu zeg ik heelemaal niets.”
“Daar zit ras in,” mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden: ”’k Zal je wel eens even bijlichten!”
“Sla me niet!” riep het kind. ”’k Heb je toch niets gedaan; ik hoef toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je ’t me vriendelijk gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ...”
Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; ’t was zijn vrouw, die hem vroeg: “Laat mij eens met den jongen praten; met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de stumper er uitziet?”
Carlo liet den jongen los en bromde: “Je kunt het probeeren, Keetje, maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan.”
Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: “Je hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit; kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben je smerig!—Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd, en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet, ’t is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu, nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst je bekomst en vertel dan.”
Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij haar met de oogen, en toen zijweer bij hem kwam en hem, in plaats van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep hij eensklaps hare hand en zei: “Juffrouw, ik zal u alles vertellen, en ook hoe of je ze op de klok leert kijken.”
Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker aan en lachte haar toe; ’t was ook sinds langen tijd de eerste maal, dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte.
Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo’s gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus’ leiding een der andere honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen.
Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus’ oog een vonk van toorn, als Betty hem na eenkibbelpartij verachtelijk over den schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde.
Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige, vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe, onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond, die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen, gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid, die aan liefde grensde.
Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen; menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl hij zijn tengere hand op haren arm legde: “Juffrouw Keetje, laat me nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u.”
“Gekke jongen,” zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit de oogen streek en medelijdend aanzag, “weet je wat je voor me doen kunt? Vrede houden met Betty.”
Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: ”’k Beloof het u”, en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind, om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte.
Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot een zegen te zijn,voor hare omgeving. Zij was de dochter van een dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest; ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die ’t jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig van de wereld gezien, dat ’t Carlo weinig moeite had gekost haar argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand, was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men het noemt, onder den duim te krijgen; maar ’t was een bijna onmerkbare druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag, dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo’s acrobatenhoofd draaide.
Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben, dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal aan Carlo de woorden had toegevoegd: “Kies!—de flesch of mij.” Het was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo tot haren man sprak. Hij had gekozen—gelukkig voor hem—niet de flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was, een oogje dicht te doen en het spreekwoord: “Langzaam gaat zeker,” altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin, dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen, terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond, en het was vermakelijk hem tot anderen te hoorenzeggen: ”’k Heb een best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet, en dat is het eenigste wat me hindert.”
Door vrouw Keetje’s invloed heerschte er dan ook in het gezin van den kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig zou verwacht hebben.
Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor Carlo’s gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand hem “krates” of “bochel” noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje.
Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt, den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige familieleden zei: “Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?”
Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap straalden.
“Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen aan het gedistingeerd publiek presenteeren.”
“’k Zal je een mooi kostuum maken,” zei juffrouw Keetje; en terwijl zij hem goed aankeek, vervolgde zij: “Jongens,Dorus, je zult er zelf schik in hebben, dat je mee helpt verdienen.”
Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: “Voor u ook, juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je.”—Hij dacht een oogenblik na en zei: “Juffrouw!”
“Dorus?”
“Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens zoo groot lijkt?”
“Waarom?”
“Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen,” antwoordde de jongen losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat.
Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo’s troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de hansworst den meesten bijval; zoo’n grappigen bochel had men ook nog nimmer gezien.
Ruim anderhalf jaar later bevond het gezelschap van Signor Carlo zich in een klein Geldersch stadje op de kermis. De directeur had zich sedert eenigen tijd geassocieerd met een zekeren Hermans, den bezitter van een houten kermistent, waarin, behalve een cyclorama, koordedanserskunsten, wilde menschen en meer dergelijke wonderen werden vertoond. Carlo’s troep had nooit eigen muzikanten gehad, maar de kunstverrichtingen steeds met een groot draaiorgel begeleid; daarom voelden de leden er van, sedert de vereeniging met het cyclorama, dat behalve een trombone, twee trompetten, een keteltrom en een klarinet bezat, zich als ’t ware in een hoogere artistenklasse verplaatst en hieven zij fier het hoofd op. Hermans had na de associatie zijn koordedansers ontslagen, omdat de familie Carlo door hunne veelzijdige talenten in alle behoeften van het theater voorzag. Hij wreef zich in de handen over den goeden ruil, dien hij gedaan had, en kon het met allen goed vinden. De twee compagnons waren derhalve beiden tevreden en maakten doorééngenomen vrij goede zaken.
De kermis was in vollen gang; op de markt van het plaatsje stonden kramen met allerlei koopwaar en tentjes met zeemeerminnen en kalveren met twee koppen, dikke dames en kijkspellen. Wafel- en broedertjeskramen waren overal,waar slechts een plaatsje was, opgezet. En midden tusschen al die kleinere heerlijkheden, verhief zich de vrij groote tent, waarin hetThéatre des Nouveautésonder directie van Carlo & Hermans speelde, alleen geëvenaard door een “Groot Amerikaansch Circus,” waarin op acht magere knollen drie schoone écuyères en drie heeren met spitse snorren en geblankette wangen hunne kunstverrichtingen voor enkele stuivers lieten bewonderen.
Tusschen al die kramen en tenten met bontgekleurde zeilen en tableaux bewoog zich de vroolijke menigte, lachend en stoeiend, noten krakend, koek hakkend en etend, heen en weer. In de herbergen klonk vedel en bas en zongen de meisjes bij den vroolijken dans, terwijl de boerenjongens de biervaten ledigden en het “slukske” ook niet onaangeroerd lieten.
Buiten op het kermisterrein schetterde de trompet van ’t paardenspel en trommelde de witgeblanklette clown met groote vaardigheid op een ouden soldatentrommel, terwijl hij onophoudelijk: “Er in! er in! Allo! allo! aan ’t bureau!” schreeuwde. De directie van het “Théatre des Nouveautés” zette haar beste beentje vooruit. De “spelrecommandeerder” deed zijn welsprekende taal steeds luider hooren.
“Boeren en burgers!” schreeuwde hij, “omstanders en liefhebbers van iets schoons en remarkabels, van iets wat ge nog nimmer hebt gezien op eenige kermis in ons dierbaar vaderland, staat niet te weifelen voor de deur, maar voorziet u van kaartjes. Ik zijn overtuigd, dat een elk en een iedereen, die onzen kunstacademie heeft bezocht, ten volle content zal zijn over datgenige wat hij heeft aanschouwd. Vraagt ’t aan de menschen, die er uitkomen, of ze content zijn of niet. Ge ziet hier primus, nommero één, miss Betty, bijgenaamd het wonderkind, in haar onvergelijkelijke equilibritische toeren en het jongleeren met diverse artikelen; tweedens, de Icarische spelen, voorgesteld door den directeur Carlo en deszelfs zonen. Een cyclorama van de schoonste beelden uit alle windstreken: de St. Pieterskerkte Rome bij nacht en de slag bij de Balaklawa; het vergaan van een storm op zee en een schip in nood. Men ziet geheel naturel de sloeproeiers van de reddingsboot bewegelijk voorgesteld. De heilige familie naar den beroemden Franschen schilder Correggio; een jacht op nijlpaarden in den stillen Oceaan en Simeon in den tempel; den keizer van Solo en de huwelijksplechtigheid van Napoleon III met keizerin Eugénie; den Vesuvius bij maanlicht en het opkomen der sterren.—Voorziet u van plaatsen! De groote geregeleerde avondvoorstelling zal een aanvang nemen. Plaatsen van twaalf, acht, zes en vier stuivers en nog beste staanplaatsen van een dubbeltje! Allo! Allo! Allo! Allo! Aan ’t bureau! Gij ziet hier verder de hoogere dressuur van honden en apen, in vrijheid gedresseerd door den directeur Carlo en den weergaloozen Engelschen clown, den jongeheer Theodorus. Deze productiën alleen zijn ruimschoots de entrée waard, maar bovendien wordt de representatie besloten door een stille pantomine, waarin al de leden van het gezelschap zullen optreden, terwijl de jeugdige clown Theodorus in dezelve nogmaals zich produceert met zijn geleerde honden. We zullen eenige van de artisten laten buiten komen, ten einde zich aan het gedistingeerde publiek te presenteeren, terwijl de muzikanten de laatste waarschuwing spelen.”
Eenige boeren en boerinnen, die met open mond en oogen de aanspraak van den spellebaas hebben aangehoord, steken de hoofden bijeen en overleggen: “Kom, loaten we ook èns goan kieken; ik hê zoo’n spul nog nooit ’ezien; ’t kost wel veul, moar ’t mot er nou moar deur! ’t Is moar èns karmis!”
“Toe, Jan, jij veuruut.”
“Nou, Bert, wacht en hortje! Loat me erst èns kieken wat ze buuten veur’n spektoakel moaken, ’t is nog tied’s genog; ze begint nog lange niet binnen.”
“Och jong! zoanik toch niet—toe moar—der in moar, anders kommen we zoo achteraf te zitten.”
“Alla dan moar!”
Het spreekwoord, dat zegt: “Als één schaap over dendam is, volgen er meer,” wordt hier bewaarheid; want aangemoedigd door het voorbeeld van het jolige groepje, stroomt weldra jong en oud de tent binnen.
Tsching taterata. Boem! la, la—Tsching, taterata boem! boem! boem! Tèttètterêtetê Tsching, boem!
Oorverdoovend klinken groote trom en bekkens. Merg en been doordringend schettert de trompet en oorverscheurend gilt de klarinet, terwijl de schuiftrompet haar zware klanken onophoudelijk laat hooren.
De artisten zijn buiten gekomen; zij vertoonen zich op een soort van stellage, die boven den ingang is aangebracht. Signor Carlo schittert in een fluweelen wambuis met pailletten bezaaid; zijn beenen zijn in hoogroode tricots gestoken en om de bloote armen, die uit de korte mouwtjes steken, draagt hij aan de polsen manchetten van fluweel met gouden belegsels, terwijl zijn polka-haar door een rood lint om het hoofd in bedwang wordt gehouden. Zijn twee zoons, eveneens gekleed als hij, vormen met hem een kunstvolle groep, terwijl het wonderkind in een soort van paardrijdsterskostuum uitgedost, met een overvloed van krullende lokken en een lustelooze uitdrukking in hare fletsche oogen, het publiek aanstaart en met een onverschillig lachje nu en dan een paar koperen ballen met ééne hand opwerpt en vangt. Aan de andere zijde van de stellage staat Carlo’s compagnon in een Duitsche huzarenuniform, en naast hem een ondergeschikt lid van het gezelschap, die in een berenvel gestoken, niet zonder verdienste “Bruin” voorstelt.
“Zou dat nou en aèchten beer zin? Hij duut er lêlijk genogt veur,” zegt fluisterend een der boerenmeisjes tot een andere, die met haar voor de tent staat.
“Zij de gek, deêrn, ’t is en mins in en bêrevel; houd, em moar èns en borrel veur, dan zulde èns kieken!” antwoordt een jonkman, die achter haar staande, plotseling zijn arm om haar middel slaat en, terwijl hij een kus op haar frissche koonen drukt, vraagt:
“Goa-de mee der in, Leen? Ik betoal.”
“Ik wil wel meegoan, moar dat gekus kun-de wel loaten; ’t is nog veuls te vroeg.”
“Kiek, daar kumt wat moois oan! Da’s kemiek! hè, hè, hè, hè!”
Een schaterend gelach gaat onder de menigte op, als de jeugdige Theodorus te voorschijn treedt in een pakje, half rood, half geel en met een groote roode pruik op, waarvan de blauwe kuif spits en statig omhoogsteekt. Een zwarte poedel, met een rood rokje aan en een steek op, volgt hem op de achterpooten loopend. Een klein hondje, evenals hij in een half rood, half geel pakje, dribbelt er achteraan.
“Jandozie! kiek den dieën èns, wat hévt die en alleminschelijken bult! Doar kunnen der wel twee uut, en wat is ie mooi toegetoakeld!” roept er één.
“’t Is allemoal noamoak,” zegt een ander.
“Zij-de gek, ie is zoo gegreuid!” schreeuwt een derde.
“Nou, maar dan is ’t en stumper, dan mot je er meêlije mee hebben.”
Paljas, maak je compliment voor het geëerde publiek. “Laat me los!” gilt de knaap.Paljas, maak je compliment voor het geëerde publiek.“Laat me los!” gilt de knaap.
Paljas, maak je compliment voor het geëerde publiek. “Laat me los!” gilt de knaap.
Paljas, maak je compliment voor het geëerde publiek.“Laat me los!” gilt de knaap.
“Paljas! maak je compliment voor het geëerde publiek!” roept Signor Carlo, terwijl hij met het rechterbeen vooruit en de linkerhand op de heup, met een sierlijke beweging der rechterhand op de omstanders wijst.
De hansworst knikt tegen de menigte en geeft een tikje tegen zijn achterhoofd, waardoor zijn kuif in beweging komt.
“Paljas! vertel jij nu nog eens aan het gezelschap, wat hier in dit gerenommeerd theater wordt vertoond.”
De clown buigt zich over de lage leuning, beweegt de lippen, trekt zijn mond in allerlei vreemde plooien, verdraait de oogen en beweegt de handen heen en weer, alsof hij een redevoering uitspreekt.
Het publiek wordt kalmer, en hier en daar hoort men een: “Ssst! sst! houd oe toch stille doar! Loat wie èns heuren wat ie zegt.”
“Hie zegt niks, niemendal.”
“Joawel! moar ie kunt hem niet verstoan van de hurrie.”
“Paljas! De heeren en dames kunnen je niet verstaan;ik zal de vrijigheid nemen om je mijn zondagsche stem te verleenen.” De directeur overhandigt hem een reusachtigen scheepsroeper, die door den clown met een dwaze beweging wordt aangenomen en aan den mond gebracht. Hilariteit onder het publiek.—Hij beweegt het instrument omlaag, omhoog, rechts en links, heen en weer. De vroolijkheid der menigte wordt grooter, als men na een oogenblik van stilte tot de overtuiging komt, dat paljas geen enkelen toon doet hooren.
“Koezijn!” schreeuwt Carlo, “je verdient hier alle gulden zes weken, den kost als je ze krijgt, en vrij licht over dag, en je doet er niets voor. Je hebt een stem als een garnaal; ik geloof, dat je hondjes het nog beter kunnen.”
“Woef, woef!” blaft Tom, terwijl hij kwispelstaartend naar den directeur loopt. Het kleinste hondje gaat opzitten en ziet den hansworst aan.
De vroolijkheid van het publiek stijgt ten top, als de jeugdige clown, na een bankje gehaald te hebben, den poedel een bijna onmerkbaar teeken geeft en deze met één sprong er op wipt en gaat zitten. Hij houdt hem den roeper voor, en dadelijk laat Tom een schel en aanhoudend geblaf hooren. Nu wipt ook de kleine hond op het bankje, staat op zijn achterpooten en beweegt de voorpooten al smeekend heen en weer.
“Koezijn! de jongeheer Bop wil ook een woordje meepraten.”
“Waf, waf! waf!” keft de kleine door den roeper, en als de hansworst het instrument wegneemt, staat de groote hond op en maakt dezelfde beweging met de voorpooten.
“Paljas! ze kunnen er niet genoeg van krijgen, om met het geachte publiek te spreken. Ga jij maar heen; ik kan jou niet meer gebruiken. Laat de lichten opsteken, want de muzikanten gaan aanstonds naar binnen.”
De hansworst verdwijnt en de honden blijven zitten.
Opnieuw gaan eenige bezoekers de tent binnen, en nogmaals spreekt de “spelrecommandeerder” op hoogdravenden toon het geachte gezelschap aan. De muziek geeft tentweeden male de laatste waarschuwing, en de jongeheeren Carlo voeren met Bruin, den beer, een soort van horlepijp op de stellage uit, terwijl Signor Carlo met vaderlijk welgevallen zijn geslacht ziet dansen en in stilte denkt: ”’t Gaat nog maar slapjes vandaag; we zullen straks de muzikantennogeen laatste waarschuwing moeten laten geven.”
In de tent zelf is het nog vrij donker. Een enkele olielamp, hier en daar aan den wand opgehangen, verlicht de bezoekers, die vol ongeduld naar de voorstelling uitzien.
“Doar gaot de pias! roepen een paar van hen, als zij Dorus langs de banken, het trapje op, dat naar het tooneel leidt, zien naderen.
“Nu zal het beginnen!” denken zij, als ze zien, hoe hij het grof geschilderde, door den tijd en door lekkage onoogelijk geworden voorscherm ter zijde duwt en er achter verdwijnt. De knaap loopt over het tooneel en de achterdeur van de tent uit. Zijn pruik heeft hij afgezet en in de zak van zijn hansworstenkleed gestoken, als hij den ons bekenden wagen, die vlak achter de tent staat, nadert.
Behoedzaam gaat hij het trapje op, opent de deur, kijkt naar binnen en luistert.
“Zou ze slapen?” zegt hij zacht en gaat op de teenen naar het achtereind, waar in de slaapplaats vrouw Keetje onder een wollen deken ligt. Een hanglamp, waarvan de pit is neergedraaid, verlicht flauw het binnenste van den wagen en het bleeke gelaat der vrouw, als zij haar hoofd omwendt en op zwakken toon vraagt: “Is daar iemand?”
“Ik ben het, juffrouw! Heb je ook iets noodig? Wil je ook eens drinken?”
“O, ben jij het, Dorus? Loopt het druk vandaag? Je hebt het warm, kind; ’k zie het aan je voorhoofd; die pruik is te benauwd voor je. Neen, neen! ’k heb geen koorts meer, geloof ik, maar hoofdpijn.”
Dorus opent een van de raampjes, blijft er een oogenblik voor staan, om te voelen of het ook tocht, en nadert de zieke met een apothekersfleschje en een lepel in de hand.
“’t Is tijd om in te nemen. Leelijk, hé! Hier, drink maar gauw op, juffrouw! Zoo; neem dit na! Toe, hap dan op!” en hij steekt haar een stuk chocolaad in den mond.
“Wat is dat? Chocolaad? Hoe kom je daar aan, Dorus? Van je zakcenten gekocht? Je bent toch een goeie jongen. Neen, gerust niet, ik voel geen koorts meer,” en zachtjens strijkt zij met de hand over Dorus’ hoofd, dat deze tot haar overbuigt met de woorden: ”’k Zal je straks weer komen ingeven, hoor! Hij grijpt haar hand tusschen de zijne, streelt ze herhaaldelijk, en vraagt: “Kan ik ook nog iets voor je doen?”
“Neen, kind! ik dank je! Laat me nu maar liggen; ’k zal zien of ik slapen kan, want ik ben zoo moe, zoo erg moe.” De knaap schikt zorgvuldig haar kussens terecht, trekt de wollen deken over haar voeten en buigt zich nogmaals over juffrouw Keetje, die hij op innigen toon toefluistert: “Je moet gauw weer beter worden! Zul je niet lang ziek blijven? Ligt je hoofd wel goed? Als je goed inneemt, gaat het over. Wel te rusten, juffrouw!”
Even zacht en voorzichtig als hij gekomen is, gaat de knaap weer uit den wagen. Bij de deur keert hij zich nog even om en fluistert: “Genacht!”—Een vriendelijk licht blinkt in zijn oogen, als hij het trapje afgaat.
Een half uur later schatert het publiek het uit bij de “productiën” van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling rondgaat, om een “douceur of drinkgeld voor den paljas”, valt menig cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend.
Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo’s gezelschap geweest en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als hij partij tetrekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over ’t algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn jeugdigen leeftijd,—hij telde even dertien jaren—met een weinig meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen, strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen.
Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen een verandering in Dorus’ wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd, zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan.
Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend muzikant geworden en eindelijk bij Hermans’ gezelschap zooveel als muziekdirecteur.
De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de schelle tonen van het blaasorkest te kunnen.
“Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen,” vroeg Dorus op zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was.
Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot begon te dampen: “Kottbewahre,was wol jij? Daar ist jouw broest nicht voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.—Trompete blasen, das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied.”
“O! ik kan ook blazen,” antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon te spelen.
“Ei! sieh’ mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?”
“Niemand, Löbell!”
“Was?—Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend...”
“Afgeluisterd, als jelui ze speelde.”
“Das ist ja ganz nett.—Gib das ding mal her.”—Hij bracht het aan den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk neer, met de woorden: “Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr’op zoe spielen?—’s Ist jammerschade, dat jij zoo’n schwache broest hebt, want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör...”
“Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?”
“Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was existirt; ich hèv’t geleerd, oend noe ich es kenne, is ’t goed, maar ’t ist kein instrument mit ehren. ’s Ist der reinste quinkelierkasten; daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo’n schmachtriemen von ’m schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren, weiter nichts.”—De brave Löbell zag als een echte, trompetter met verheven minachting op elk strijkinstrument neer. “Lern jij maar eins erst goed trommelen.”
“O ho! dat ken ik lang.”
“Auch den roffel?”
“Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; ’k zal je de helft van mijn aandeel in ’t douceur geven.”
“Teufelskerl,” bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap,die op zijn fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. “Sakkerment, wenn daar kein moesikant d’rin steckt, will ich ein hondsfott sein.”
“Nu, Löbell, wil je? ’k Deel tusschenbeide wel een halven gulden; dat zou dan een kwartje voor jou wezen.”
“Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je, dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo’n boeckelorum bint,—maar eine violinstunde voor ’n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!”
’t Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma’s studeerde; maar Dorus hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken, zei Löbell: “Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar ’s ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument: da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d’rin.”
De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte; ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: “Toe, Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op.”
De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond.
Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder ’t bijna zelf te weten. Het was alsof een nieuw leven voorden knaap begon; wanneer hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig, vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten.
Eens op een Zondag—de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar op den sabbat niet gespeeld mocht worden—stond Dorus alleen op het ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart, eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd, dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant, als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af; langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit.
“Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!” riep eensklaps Löbell, maar met een stem zoo week, alsof ’t eene moeder was, die tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone ruwe stem volgen: “Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl; daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d’rin, wie in meine trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?”
“Van jou, Löbell,” antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met welgevallen zijn viool beschouwde.
“Von mir—das soll der teufel! Ich wol, dat ich ’t zoo kon, versta je?”
“Och kom, Löbell!”
“Waar hèv je die noten van dat schtuk?”
“De noten?—Wat bedoel je?”
“Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?”
“Wel neen!” antwoordde Dorus verwonderd. “Ik speelde maar zoo wat uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam.”
“Donneroenddoria? waar das fantasie,—alles aus de kànes gespielt?—Waarhaftig?”
“Natuurlijk, Löbell.”
“Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell nog beleven, dat jij een virtuoos wirst.”
“Een virtuoos, wat is dat?”
“Das?”—De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.—“Das? Das ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen kapoet schlagen, bei ’m applaudiren, oend der liebe herr Kott das herz im leibe lacht.”
Er was in Dorus’ geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor Carlo de opmerking: “Die viool is het bederf van Dorus’ productiën; hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen, dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden.”
Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte verwijten antwoordde, was: “Ik kan het niet laten, maar ik zal mijn best doen om mijn werk niet te bederven.” Toen, als door een plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: “Laat me het hansworstenpak uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt.”
“Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo’n paljas gehad!’t Publiek lacht al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas: ’t zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu, zet maar zoo’n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt, speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar mopjes, dan zal ik je op het programma den “muzikalen clown” noemen”.
“Maar, Carlo!”
“Wil je, of wil je niet?”
“In dat leelijke pak?” vroeg Dorus met een zucht.
“Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?”
“In Gods naam, ik zal spelen.”