’t Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn, helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin.
Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend vereenigen verbena’s en geraniums haar kleuren tot een heerlijk schoonen krans.
’t Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den vlinder voort, die een oogenblik in ’t zonnelicht drijft, en blaast zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel goud, met purperen glans overtogen.
Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters.
“Heerlijk weer, goddelijk!” zegt hij zacht en kijkt naar de lucht, naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche geuren van het groen in.
Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en nadert de ontbijttafel, die in het middender kamer gereedstaat. Het keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche kopjes noodigen tot aanzitten uit.
De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige lekkernij vrijmoedig aan.
De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden.
“Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag,” zegt de dokter, terwijl hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in een zwarthouten lijst aan den wand hangt.
Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert: “Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn jongen, mijn stamhouder,” voegt hij er bij; terwijl hij het grijze hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan, dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin, waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het herboren leven.
Feldeinwärts flog ein Vögelein
Und sang im munteren Sonnenschein
Mit süssem, wunderbaren Ton:
Adé—ich fliege nun davon!
Weit! weit! weit!
Reis’ ich noch heut!
zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen.
Weit! weit! weit!
Flieg’ ich noch heut!
klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader toeroept: “Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?”
Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: “Tientje, Tientje! wat ben je laat; ik heb op je gewacht.”
Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk, heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks: “Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u gewacht. ’k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb bloemen geplukt.” Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend: “Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan.”
“Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!”
“Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op.”
“Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar gauw een kopje thee in.”
“Dadelijk, papa.”
Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt, slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt: “Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder en hetzelfde weelderige, blonde haar; ’t is alsof ik mijn goede Anna verjongd en frisch weer voor me zie!” En nogmaals richt zich zijn blik op het portret tegenover hem.
Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje, dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt voor een kindervoetje berekend.
“Nog een kopje, papa?” vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke beweging het zilveren trekpotje opneemt.
“Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven.”
Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn horloge en zegt: ”’t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje; nog een klein kwartiertje en...”
“En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te spelen,” en opstaande voegt zij er bij: “Ja, ja! ik ken mijn vadertje: zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?”
“Kind! je bederft me!”
“Of u mij, papa!” Albertine staat op een slaat het kostbare instrument open. “Chopin, papa?”
“Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet, hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt.”
“Niet; scheelt er wat aan, papa?” Het meisje wipt vlug van de pianokruk op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij hem in de oogen ziet, vraagt ze: “U is immers toch wel?”
Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: “Zeker, kind ; ’t is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!”
“Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?”
“Ja, ja, malle meid!”
Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt:
“Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!”
“Och, kind!”
“En u heeft zoo’n prachtig instrument.”
“’k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten altijd samen muziek en...”
“Mama is nu al bijna twee jaren dood, is ’t niet zoo papa?”
“Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar.”
’t Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig klinkt de melodie van ”Es ist bestimmt in Gottes Rath,” uit den vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn borst verbergt en zachtjes zegt: “Maar wij hebben elkaar toch nog, niet waar?”
“Ja, mijn schat, ja!”
“Mijnheer, het rijtuig is voor!” roept de knecht, die in de tuindeur verschijnt.
“Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!”
“Dag, papa!”
Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt hij zich tot den huisknecht, met de woorden: “Jacob, denk er om, dat je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn, die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?”
“Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren...”
“Juist.”
Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: ”’t Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer, dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide.”
Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel; nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart.
Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.—Zij speelt voort, terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft; ’t is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort, in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit.
“Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?” klinkt plotseling Jakobs stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk antwoord te kunnen geven.
De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: “Kun jij geen antwoord geven, leelijke bochel?” vat hij hem bij den kraag en trekt hem een eind den tuin in.
Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen; hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand, dat hij den knecht in het gezicht werpt.
“Vervloekte jongen!” roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem weer poogt te grijpen. “Houd hem vast!” roept hij den tuinman toe, die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt.
“Laat me los!” gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de handen van den tuinman poogt te ontwringen.
Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: “Wat is hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?”
Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om te ontkomen, als Jakob antwoordt:
“Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene bochel....” Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt hem de woorden: “Kijk me maar zoo valsch niet aan; ’k zal je straks wel nader spreken.—’k Zag hem door de kleine deur sluipen en in den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt, want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken, ’t Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn ganglaten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis gaan en door de ramen kijken. U was net aan ’t spelen, juffrouw; toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was.”
“Dat lieg je.”
“Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij naar binnen gaan.”
“’t Is een leugen, juffrouw, ’t is een leugen!” roept hartstochtelijk de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen en over zijn bleeke wangen rollen. “Ik luisterde naar de muziek, anders niet. Laat me toch los!”
Albertine ziet hem medelijdend aan en zegt: “Laat hem maar los, Pieter.”
“Dan gaot ie er vandeur, juffer!”
“Neen, neen! ’k zal niet wegloopen, ’k hoef het niet te doen, want ik heb niets kwaads gedaan.”
Op een wenk van het meisje laat de tuinman den arm, dien hij vastgreep, vrij, en de knaap blijft bedaard staan, terwijl hij met een blik vol haat op Jakob zegt: ”’k Kwam niet om te stelen, juffrouw; hij liegt het. Dat ik hem zand in de oogen heb gegooid, is waar, maar dat deed ik, omdat hij me uitschold en omdat ik op dat oogenblik mijzelf niet was door de muziek, die ik hoorde.”
“Een mooi praatje,” bromt Jakob.
“Daar mot-de niks van geleuven, juffer, dat bennen allemoal proatjes. As ’k ’em goed oankiek, dan geleuf ik, dâ ’k ’em al eerder gezien heb, eergiesteren, toen ’k op de kârmis gewêst bin, moar toen zag ie anders uit. Zinen bult was wel êns zoo groot en ie had zoo’n potsenmoakers pak an.—Zeg, hed-de gij niet in ’t thrioater met hundjes gespeuld?”
“Dat heb ik,” klonk het bedaard terug.
“En hed-de gij niet op de fidel gespeuld?”
“Dat is ook waar.”
“Zie-de wel, juffer, dat ’t der een van ’n spul is? Dâ’s allemoal schunnig volk, doar mot-de veurzichtig mee wêzen.G’leuf me, loat ’k em noar den veldwachter brengen, dan bint wie der af, en dan kriegt ie wat ’em toekumt.” Pieter grijpt den arm van den jongen weer vast.
“Wacht eens even, Pieter, ik geloof dat je overdrijft; de jongen ziet er niet uit, alsof hij kwam stelen,” zegt Albertine, terwijl zij, een stap voorwaarts doende, vraagt:
“Waarom kwam je hier? Zeg me de waarheid.”
“Ik wou den dokter spreken, juffrouw.”
“Mooi smoesje!” pruttelt Jacob. “Dan kost ge toch oan de veurdeur gebeld hebben. Een fatsoenleke mins kruupt toch niet ’t achterhuus in.”
“Ja, dat is waar. Waarom heb je niet gescheld?” vraagt het meisje.
“Ik hoorde u spelen en toen vergat ik verder te gaan.”
“Allemaal gekheid, juffrouw, u moet het niet gelooven,” bromt Jakob.
“Ben jij dan zelf zoo’n leugenaar, dat je niemand anders gelooft?” bijt de knaap hem toe, en tot Albertine gewend vervolgt hij : ”’k Heb u de waarheid gezegd, juffrouw. ’k Zal u alles vertellen; maar laat hen heengaan.”
“Nu, goed dan. Ga maar aan je werk, Pieter; en jij, Jakob, laat mij met den jongen alleen.” Knorrig verwijdert zich de laatste, en de tuinman gaat weer naar zijn bloembedden, echter niet dan nadat hij gezegd heeft:
“’k Goai, moar rêken der op, da ’k oe in de goaten houw!”
Albertine neemt op een bank bij het huis plaats en wenkt den jongen nader te komen. Vriendelijk ziet zij hem aan, als ze vraagt:
“Zeg me nu eens de waarheid. Wat kwam je hier doen?”
“Ik kwam den dokter zoeken, juffrouw.”
“Zoo! Hoe heet je?”
“Dorus.”
“Ben je dan ziek ?”
“Neen, ik niet,” en nu verhaalt Dorus haar, wie en wat hij is; hoe juffrouw Keetje reeds maanden lang erge koorts heeft en dag aan dag zwakker wordt; hoe hij gehoord heeft, dat dokter Abels als de knapste geneesheer van denomtrek bekendstaat; en hoe hij hoopt, dat hij de juffrouw kan genezen.
“En het is niet je moeder?”
“Neen, juffrouw, mijn moeder en mijn vader zijn allebei dood.”
“Al lang?—En hield je veel van je moeder?”
“Ik herinner mij van mijne moeder alleen nog maar, dat ze me ’s avonds op haar schoot nam en me zoende, vóór ik ging slapen. ’k Weet niet anders meer van haar, dan dat ze lief en goed voor me was en me nooit “krates” of “bochel” noemde. Maar juffrouw Keetje is net even goed; ze is altijd vriendelijk en ze is de eenigste, die van me houdt. Daarom zou ik voor haar door het vuur loopen en daarom houd ik me in, als de anderen me schelden of plagen. Och, juffrouw, ze is zoo ziek, en alles wat ze haar gegeven hebben helpt niet. Als de dokter maar eens kwam, zou ze wel weer beter worden; hij is zoo geleerd, zeggen ze allemaal; daarom ben ik van morgen van Groenendaal hierheen geloopen.”
“Maar dat is ruim twee uren gaans!” zegt Albertine verwonderd.
“O, dat is minder, al was het nog eens zoo ver. Zou u denken, dat de dokter zou willen?” En terwijl hij haar eenigszins verlegen aanziet, grabbelt hij in den diepen zak van zijn wijde pantalon en haalt een toegevouwen papier te voorschijn, dat hij opent, en waarvan hij haar op de vlakke hand den inhoud toont, bij de woorden: “Zou hij komen voor drie gulden? Meer heb ik niet.”
Een zonderling gemengd gevoel van medelijden en sympathie doorstroomt het meisje, als zij vraagt: “Hoe kom je aan dat geld?”
Dorus’ oogen staren haar vrijmoedig en schitterend aan, bij het antwoord: “Eerlijk verdiend, juffrouw! Opgespaard van mijn douceurs.”
“De dokter zal komen, dat beloof ik je; steek je geld maar weer bij je,” zegt Albertine met een zweem van aandoening in haar stem.
“Zal hij, juffrouw?”
“Je kunt er op rekenen. Maar, waar staat de tent?”
“De tent, juffrouw? Die is al lang vooruit naar Westwijk, met Hermans en de anderen. Wij, Signor Carlo en ik, zijn met den wagen te Groenendaal achtergebleven, omdat juffrouw Keetje het rijden, door de erge hoofdpijn, niet langer verdragen kon; maar morgenochtend moeten we vroeg weer op weg, om ’s avonds in Westwijk te kunnen spelen.”
“Speel jij ook mee? En als wat?”
Een sterke blos kleurt Dorus’ wangen. Waarom, weet hij zelf niet recht, maar ’t is alsof het woord “hansworst” hem niet van de lippen wil, en hij stottert bij het antwoord: ”’k Presenteer gedresseerde honden, juffrouw! en ’k speel viool.”
“Nu, daarvoor hoef je je niet te schamen. Waarom krijg je zoo’n kleur? ’k Geloof, dat je mij wat wilt wijsmaken.”
“’k Ben ook de paljas,” antwoordt hij min of meer verlegen.
“Paljas! En vind je dat aardig?”
“Neen, juffrouw, maar ik moet wel.—Zal ik nu maar gaan? ’k Wou graag weer terug.—Komt de dokter gauw?”
“’k Hoop van middag.”
Dorus stottert een paar malen een bedankje en verlaat den tuin. Jakob ziet hem heengaan en pruttelt:
“’k Zou hem anders getrakteerd hebben, zoo’n rakker!” En de tuinman roept hem, met zijn hark dreigend, na:
“As ge ’t hart hêt om ooit weer hier te kommen, dan sloa ’k oe de been’ stuk, begriept-de?” en in zichzelven zegt hij: “De jongejuffer is veuls te goed om met zoo’n jong nog proatjes te maken;”—en Dorus naziende: ”’t Is toch en miserable bult, as je ’em goed bekiekt.”
In den groenen wagen van Signor Carlo is het benauwd; de zon heeft den geheelen dag met kracht op het rijtuig geschenen, en daardoor is de temperatuur daarbinnen buitengewoon hoog.
Niettegenstaande die bijna ondraaglijke hitte ligt vrouw Keetje in het bed, met een wollen deken dicht tot aan den hals toegedekt. De koorts is weer aan ’t opkomen en doet haar onophoudelijk rillen en huiveren, terwijl haar hoofd gloeit, de tong droog is en de slapen kloppen.
Met een bezorgd gelaat staat Carlo bij zijn vrouw en tracht haar een lepel vol medicijn in te geven.
“Ik kan het niet meer nemen, Carlo, ’t walgt me zoo,” zegt de zieke, die de hand aan het brandende voorhoofd brengt en herhaaldelijk naar adem hijgt.
“Maar ’t is toch zoo goed voor je, Keetje; ’t is tegen de koorts. Hermans heeft het ook gebruikt, ’t zijn alsem-knoppen op brandewijn.”
“Laat mij met rust: ikkanhet niet innemen.”
“Wil je drinken?”
“Ja! geef mij water, veel water! En dan wil ik slapen.”
Voorzichtig licht de acrobaat het hoofd der zieke op en brengt haar een glas aan de lippen. Eenigen tijd ligt zij roerloos, en alleen aan het hijgen, dat ze doet, is het merkbaar dat zij lijdt. Carlo zit op de trap van den wagen en staart naar den straatweg.
De avond valt en in het westen kleurt zich de gezichteinder met een bloedroode tint. Het scheidend licht der zon verft de toppen der boomen met een gulden gloed.
De schaduwen worden al langer en zwakker, vervloeien al meer en meer, en de schemering begint. Allengs wordt aarde en hemel grauw: in het zwerk pakken zich de wolken tot een donkere massa samen, en hier en daar steken lichtere, rotsachtige koppen uit de wolkenmassa op; ’t wordt nu eens donkerder, dan weer iets lichter. Meer en meer verdikken zich de wolken, flauwer wordt de roode tint aan den horizont, grauwer de kleur van het loof der boomen en geler hun kruin en toppen. Een broeiende, matte, loodzware hitte, angstig voor het gevoel, belemmert den adem. De amechtige natuur smacht naar verfrissching.
’t Stof warrelt eensklaps, door een plotselingen windstoot gezweept, omhoog. In een kring, als dansten zij een heksendans, vliegen enkele afgevallen bladeren en verdorde grasscheuten op den straatweg rond. De wind vaart spookachtig door de kruinen der boomen en gaat dan weer liggen, als loerde hij op een geschikt oogenblik om zijn prooi, de aarde, te bespringen.
’t Is zonderling geheimzinnig stil. In het noordoosten hangt de bui,—’t rommelt in de verte. ’t Suist in de lucht, enkele dikke druppels beginnen te vallen; ’t wordt een oogenblik nog drukkender, nog benauwder en donkerder; weer rommelt het onheilspellend in het zwerk.
Daar schittert op eens een felle bliksemstraal. De enkele boer, die nog op den weg is, ziet angstig omhoog en telt zachtkens “een, twee, drie, vier,” tot zestien, dan ratelt de slag. ”’t Is nog veraf!” Hij kijkt naar de lucht en haast zich naar huis.
Een tweede lichtstraal volgt, en bijna zonder tusschenpoos een donderslag, die aarde en hemel doet sidderen.
“Carlo! Carlo!” roept op eens de zieke in den kermiswagen. “Carlo! kom hier; ’k heb zoo’n angst.”
“Wees maar bedaard, Keetje; ’t zal wel zoo gedaan zijn.”
“O God! wat een slag, en wat is het donker! Waar is Dorus?”
“Hij is den straatweg op geloopen, om te zien... Hè! dat’s vreeselijk; dat slaat zeker ergens in.”
Bevend klemt vrouw Keetje zich aan den arm van haar man. “Goddank! ’t begint harder te regenen, dat ’s goed. Heb je ’t paard bezorgd?”
“’t Stalt aan de herberg.”
“Och! als die Dorus maar terugkwam. O! wat een licht, en de slag er dadelijk bovenop; o God, mijn hoofd!”
“Wees toch niet zoo bang: ’t heeft niets geen nood, de bui trekt al over.”
Een zonderling vuur schittert in Keetjes oogen; haar lippen zijn droog; in haar slapen tintelt en klopt het onuitstaanbaar.
“Daar is Dorus,” zegt de zieke eensklaps op droevigen toon.
“Waar?” Carlo wendt het hoofd om, maar ziet niemand.
“Ha! ha! ha! wat staat hem dat pakje grappig. Speel nog eens voor me; toe, laat ik nog eens wat hooren, maar niet dat treurige, dat van laatst, hoor!”
“Mijn God! Keetje, wat zeg je?”
“Stil! je moet Betty niet wakker maken! Ze slaapt nog, ze heeft gisteren te veel gewerkt. Wat een leven is er buiten. God! wat een geweld.”
“’t Dondert nog: het ontweert, en....”
“Waarom sta jij hier? Waar is Carlo?”
“Hier ben ik, vrouw!”
“Ik ken jou niet; ’k wil mijn man zien; roep hem dan toch.—Spelen, Dorus! spelen; tralalala! la! la! tralala.”
De zieke ijlt verschrikkelijk, ze wil met alle geweld het bed uit, en de sterke acrobaat heeft moeite om haar in bedwang te houden.
“Je doet me pijn; ik wil er uit!”
’t Angstzweet parelt hem op het voorhoofd; hij weet niet wat aan te vangen, neemt werktuigelijk een bak met water, die bij ’t bed staat en doopt er een doek in, dien hij op ’t brandende voorhoofd van Keetje legt.
“Dat’s koud, hu! dat’s koud.”
“’t Zal je goed doen.”
“Daar komt hij! Daar komt hij!” roept nog op den weg eensklaps Dorus, die, zoo snel zijn reeds vermoeide beenen het hem veroorloven, komt aanrennen. Ademloos bereikt hij den wagen en herhaalt: “Dokter Abels komt er aan, Carlo! Hoe is ’t er mee?”
“Bitter naar, ze is heelemaal buiten westen.”
’t Gromt, rommelt en dondert nog onophoudelijk, dan in de verte, dan van nabij, maar toch trekt het onweer over, het wordt iets lichter en de stortbui maakt plaats voor een zachten, milden regen. De droge, harde grond heeft gretig het vallende water verzwolgen, maar op enkele plaatsen is de toevoer te groot geweest en hebben zich plassen gevormd, waarin de bliksem, als hij neerschiet, een ondeelbaar oogenblik weerkaatst. Rondom den kermiswagen heeft zich een soort van meertje gevormd; de zandweg is in een poel van leem en modder veranderd.
Het rijtuig van dokter Abels heeft de plek, waar Carlo’s wagen staat, bereikt.
“Hierheen, dokter!” roept Dorus hem te gemoet. “Hierheen! Kom langs den berm, want ’t is alles modder dáár. O! dokter, wat is u goed, dat u komt.”
“Waar is de zieke? Nog in den wagen?”
“Ja, dokter.—Pas op! daar is een plas.—Hier is het droog.—Zoo! nu het trapje op.”
De medicus treedt den wagen binnen, waar Carlo hem met een stroom van dankbetuigingen ontvangt.
“Kun je geen licht maken? ’t Wordt al zoo donker.”
“Zeker, dokter, dadelijk.”
Terwijl Carlo de hanglamp aansteekt, beven zijn handen. Zachtkens murmelt de zieke:
“Ze zullen tweemaal repeteeren.—Wat brandt die kachel fel.—Dorus! Dorus!”
“Wat blieft u, juffrouw!”
“Stil! zij schijnt te ijlen,” zegt de dokter.
“Dorus! Dorus! speel dan toch voor mij, toe dan.”
“Houd het licht eens vast, mijn jongen, dat ik haar goed zien kan.”
De knaap neemt de lamp en licht den dokter bij.
“Kun je niet wat lucht maken, want het is hier om te stikken. ’t Is voor een gezond mensch om ziek te worden.”
Carlo opent een paar van de raampjes en een luikje boven in de kap van den wagen. Wel vallen eenige regendruppels naar binnen, maar de drukkende, benauwde lucht vermindert, en de zieke haalt gemakkelijker adem.
De dokter buigt zich over de lijderes, spreekt haar zacht en vriendelijk toe, luistert op haar borst en naar den hartslag en tracht zich door haar te doen begrijpen. Tevergeefs; zij antwoordt niet, of verward. Een vlammend rood kleurt haar gelaat, de met bloed beloopen oogen rollen woest heen en weer; zij vliegt van haar legerstede op, hevig benauwd, en met de armen om zich slaande, zinkt ze terug op het bed. Een oogenblik wordt haar gelaat kalmer en doodsbleek; zij beweegt de lippen en zegt nogmaals: “Speel dan, Dorus, speel dan!”
“Wat bedoelt ze toch?” vraagt de dokter aan Carlo, die bij het bed geknield, eenige doeken in den bak met water legt.
“Zij wil muziek hooren, dokter. Dorus zijn viool ... Hij moet dikwijls voor haar spelen.”
“Zonderling,” mompelt de medicus. “Probeer het eens; misschien wordt ze dan kalmer.”
“Dat kan ik nu niet, onmogelijk!” antwoordt de knaap, die aan het hoofdeneinde staande, nu en dan zijn hand op het voorhoofd der vrouw legt, of haar de wangen streelt. “Niet waar, juffrouw Keetje,” zegt hij zacht, “nu kan ik niet spelen?”
“Speel dan toch,” herhaalt zij.
Dorus neemt, zonder meer te zeggen, zijn viool van de plank en verlaat den wagen. Als hij in de deur staat, vraagt de dokter: “Ga je heen?”
“Hier kan ik niet, ’k zou geen toon uitbrengen, maar ik zal probeeren of ik het buiten kan; dan klinkt het ook niet zoo hard.”
Op de onderste trede van het trapje gaat de knaap zitten, brengt zijn instrument aan de kin en zet den strijkstok aan; deze beeft in zijn hand. Onzeker klinken de eerstetonen, maar langzamerhand herkrijgt hij kalmte en vastheid. Wat hij speelt, weet hij zelf niet: hij phantaseert. Week en mollig klinken de tonen in een langzaam tempo, als wilden zij een schreiend kind in slaap wiegen; allengs versnelt de maat, glijdt de strijkstok luchtiger over de snaren, en eindelijk zingt de viool een zachte, opwekkende melodie.
De zieke wordt rustiger; ’t is in werkelijkheid alsof de tonen der muziek haar verademing geven. Zij blijft nu stilliggen, met de handen onder het hoofd. Over haar gelaat verspreidt zich een uitdrukking van kalmte. Carlo legt haar een natten doek op het hoofd, maar zij weert hem zachtjes af en fluistert: “Hoor! hoor!”
Dorus speelt voort, en de dokter, die tot dusver zijn patiënt geen oogenblik uit het oog heeft verloren, staat op en gaat naar de geopende deur. Aandachtig luistert hij toe, en als de knaap eindelijk met een wegsmeltend akkoord zijn spel besluit, kan hij een halfluid “bravo!” niet onderdrukken.
’t Regent nog buiten, maar zachtjes en afgebroken, want het onweer is voorbij en slechts enkele wolken, die door het uitspansel trekken, ontlasten zich over de aarde. Heel in de verte rommelt het nog dof en in het zuiden flikkert enkele oogenblikken het weerlicht.
Dorus zit nog altijd op de onderste trede der trap, met het hoofd voorovergebogen. Hij schreit. Arme knaap! Angst voor het leven van haar, die hij liefheeft, omdat zij goed voor hem is, perst hem heete tranen uit de oogen. Hij hoort het “bravo!” van den dokter niet; zijn geest dwaalt af.—Waarheen? Hij kan er zich geen rekenschap van geven. Hij gevoelt iets in zijn binnenste, dat hij niet onder woorden kan brengen. Hij kent er geen uiting voor, dan in de tonen, die hij, plotseling de viool weer aanzettend, aan het speeltuig ontlokt.
“Luister, luister!” zegt de zieke, terwijl zij zich opricht en met onnatuurlijk schitterende oogen voor zich uit staart.
“Waar heeft die jongen dat geleerd?” vraagt de medicus. ”’t Is buitengewoon—zeer buitengewoon—geniaal!”
“Hij heeft ’t zichzelf geleerd,” antwoordt Signor Carlozachtkens; “maar,” voegt hij er bij, “zóó heb ik hem ook nog nooit hooren spelen; daar word je koud van.”
De dokter wenkt met de hand, dat hij zwijgen moet, en luistert met ingehouden adem.
“Dorus, Dorus!” roept vrouw Keetje, als de viool verstomt.
In een oogwenk staat de knaap naast haar, vat haar hand en vraagt: “Is het nu goed? Heb je ’t minder benauwd?”
Als uit een zwaren slaap ontwakend, zucht zij diep, ligt een paar minuten doodstil en zegt dan fluisterend: ”’k Ben zoo koud, en toch brandt het daarboven in mijne hersens.”
“Een zonderlinge toestand,” denkt de dokter, als hij het bed weer nadert en de zieke nauwkeurig gadeslaat.
Met een angstig bevenden toon in zijne anders zoo ruwe stem, vraagt de kunstenaar, den geneesheer ter zijde nemende: “Wat dunkt u er van, dokter? Zou ze beter worden?”
“Dat kan niemand zeggen; ze is gevaarlijk ziek, zeer gevaarlijk. Gij kunt haar onmogelijk langer in den wagen laten en in geen geval kun je haar meenemen naar Westwijk.”
“Waar moet ze dan heen? In de herberg te Groenendaal zal men haar niet willen opnemen. En hoe zou ik er haar krijgen?”
Een oogenblik denkt de dokter na, vóór hij antwoordt: “Ik zal je helpen. Wikkel haar in een deken en draag haar in mijn rijtuig. ’k Zal zelf meegaan en zorgen, dat ze onder dak komt. De knaap kan wel hier bij den wagen blijven.”
“Och, laat me ook meegaan!” roept Dorus.
“Dat kan niet; er moet hier iemand bij den boel blijven,” antwoordt Carlo, terwijl hij, geholpen door den dokter, de zieke vrouw een deken omslaat, haar, als ware zij een kind, in zijn armen neemt en naar het rijtuig van den dokter draagt.
Barend, de koetsier, die in zijn glimmende regenjas naast de paarden staat, ziet hen aankomen en neemt de dekens van de bruinen, terwijl hij in zijn baard bromt: “Dat is bepoald weer zoo’n akkefietje, zooals ie er al veul hêt gehad. Afijn, ie is altied zoo; ie moet het moar eiges weten.”
Met zorg wordt vrouw Keetje in de kussens van het rijtuig geplaatst. Carlo ondersteunt haar; dokter Abels neemt tegenover hem plaats en doet haar voeten op zijn knieën rusten.
“Naar Groenendaal, in ’t Moortje. Vooruit, Barend; stapvoets!”
Dank zij dokter Abel’s bemiddeling lag vrouw Keetje sedert acht dagen in een frissche, ruime bovenkamer van de herberg het Moortje te Groenendaal. Aanvankelijk scheen de ziekte een gunstiger keer genomen te hebben, want de wilde, ijlende vlagen hadden opgehouden en de lijderes was kalmer, maar doodelijk zwak.
De vrouw uit de herberg bezocht haar gedurig, toen Carlo genoodzaakt was, wilde hij zijn mede-directeur niet in den steek laten, zich naar de tent, die te Westwijk opgeslagen stond, te begeven. Elk oogenblik kwam zij boven, om de zieke in te geven, of het een of ander te doen.
“Hed-de gij ’t wel goed genogt?” vroeg zij dikwijls. “Zie-de! onzen dokter hêt oe an ons anrekommediert en nou zul-de gij ’t ook zoo goed meugelijk hebben. Och erm! ge zult verlangst hebben noar oe kienders, hè; ge ligt toch zoo alleinig ; zoo niks geen oansproak. ’k Heb êrst gedocht, dat dien bult ók een kiend van oe was. ’t Het er veul van alsof ge nog meer van hum holdt als van de anderen; ’t liekt ook zoo’n bedoard, stil jeungske,” zoo snapte de kasteleines, als zij haar gast bezocht. Gewoonlijk echter gaf vrouw Keetje weinig antwoord; zij was met alles tevreden, voor alles dankbaar, en daarom ook verzekerde de herbergierster aan den dokter, “dat ’t en fersoendelik mins was, dat ze in huus had; heel anders as gemeinlijk dat spullevolk.”
Een paar malen hadden de kinderen van vrouw Keetje hunne moeder bezocht, maar ’t was in ’t drukst van den kermistijd en daarom konden zij, evenmin als hun vader of Dorus, voortdurend bij de zieke blijven. Wie van hen even kon, zocht haar op, wanneer de afstand niet al te groot was; maar telkens zei de zieke: “Je moet om mijniets verzuimen; ik zal wel weer beter worden. Als ik maar niet zoo moe en zoo zwak was!”
“Dokter, wat zeg-de er van?” vroeg de kasteleinsche op een avond, toen de geneesheer, die vrouw Keetje bezocht had, weer in zijn rijtuig stapte.
“’t Is een langzaam heengaan, vrouw Carels.”
“Och erm!”
Dienzelfden nacht bleef het licht veel langer dan gewoonlijk branden in de bovenkamer van de herberg. Den vorigen dag waren Carlo en zijn zoons nog bij de zieke geweest en had zij hun bij ’t vertrekken gevraagd: “Waarom is Dorus niet meegekomen?”
“Hij moest spelen.”
“Zoo. Maar morgen of overmorgen komt hij toch even?”
“Als ’t niet te ver is.”
Een van de zoons had het aan Dorus verteld, en hoewel het plaatsje, waar zij voorstellingen gaven, bijna drie uren van Groenendaal verwijderd lag, was hij twee dagen later, na de voorstelling, zoo spoedig hij kon, op weg gegaan. Een medelijdend koetsier, die met een eigen rijtuig denzelfden weg opreed, zag den bultenaar, die zoo haastig zijn beenen repte en nam hem een eind weegs mede; maar toch had ’t reeds lang elf uren geslagen, eer hij zijn bestemming bereikte.
In de herberg zelf was ’t al donker, maar op de bovenkamer brandde nog licht.
Hij klopte; men hoorde hem niet. Hij klopte nogmaals. Eindelijk verscheen vrouw Carels en vroeg van binnen: “Wie is doar?”
“Ik ben het; Dorus!”
Zij opende de deur met een licht in de hand. “O! zij-de gij ’t; kom der in. ’t Is goed, dâ ge der zijt; ze is zoo miseroabel benauwd gewêst; ’k geloof nooit, dâ ze ’t lange mêr moaken zal; ’k ben blied, dâ ge der bint, want ’k bin zelfs niet als te fiksch en kost toch niet sloapen goan, veur...”
“Is zij zooveel erger geworden?” vroeg Dorus angstig.
“Ge zult ’t wel zien; ’t goeie mins is zwoar ziek. As ge me neudig hebt, môt-de moar gelieks roepen.”
Toen Dorus boven kwam, lag vrouw Keetje afgemat en hijgend in de kussens. Zij stak hem de hand toe en zei: ”’t Is goed, dat je mij nog eens komt zien, Dorus, want ik geloof, dat het niet lang meer met mij duren zal.”
“Zoo moet je niet spreken, juffrouw!”
“’k Heb sedert van middag zoo’n vreemd gevoel, wat, weet ik niet, maar ik denk, dat ik sterven ga. Ben jij daar nog, Dorus?”
“Ja, juffrouw!”
“Kom wat dichter bij; ik zie je niet goed, draai de lamp wat op. Zijn ze allemaal wel,—en is Betty’s knie weer beter?”
“Ze moesten van avond tot over tienen spelen, maar ik was voor negenen klaar en toen ben ik hierheen gegaan.”
“Ik ben blij, dat ik ze eergisteren nog heb gezien en jou vandaag. Luister eens, Dorus!—Kom heel dicht bij mij; ’t spreken is mij zoo moeielijk.—Als ik dood ben...”
“O neen! spreek zoo niet: je zult beter worden.”
“Wanneer ik er niet meer ben, zul je dan ook goede vrienden met Betsy blijven—je bent soms nog zoo driftig—beloof je ’t me? Hu! wat ben ik koud; dek mij wat beter toe.—Goeie jongen, zoo’n eind voor mij te komen loopen! Laat mij eens drinken; ’t begint weer te gloeien in mijn hoofd.”
“Zou je niet wat gaan slapen, juffrouw?”
“Ja! Geef mij je hand, Dorus; laat ik die vasthouden. Misschien slaap ik zóó in.”
Onbeweeglijk blijft de jongen zitten, met haar hand in de zijne. Met de andere onder het hoofd zit hij peinzend op den stoel voor het bed en staart naar de vlam der lamp, die op de tafel staat. Buiten is het doodelijk stil, de natuur is in de rust, alles slaapt, geen windje suizelt door de boomen.
“Kri! kri! krikri! kri! krikri!” zingt de krekel, benedenachter den haard; ’t is zoo stil in huis, dat men op de bovenkamer het geluid vernemen kan. Vermoeidheid en slaap overweldigen den knaap, en ’t hoofd zinkt hem eindelijk op de borst.
De zieke droomt. Kille druppels parelen op haar voorhoofd en moeielijk haalt zij adem. Langzamerhand worden haar trekken kalmer. In den droom ziet zij een engel, die over haar sponde zweeft; zacht glanzen zijn vleugels, kalm en rustig is zijn aangezicht. In ’t schitterend witte kleed, omstraald door zacht en liefelijk licht, nadert hij en raakt met zijn vingers haar voorhoofd aan. Met zijn vleugelen overschaduwt hij haar lichaam, en eensklaps is alle pijn en angst geweken. Een wonderzalig gevoel van rust en vrede doorstroomt haar geheele zijn; met zachte hand wischt hij haar de parels van de slapen en met den frisschen palmtak, dien hij draagt, wuift hij haar koelte toe, terwijl hij haar in ’t oor fluistert:
“Heb geen angst! Ik ga u voor in ’t rijk van ’t eeuwig licht.... Ik ben de dood, maar ook het leven; ’k doe u inslapen, opdat gij ontwaken kunt in het onbegrepen oord, dat niemand zonder mij binnentreedt....”
Een beweging der kranke doet Dorus opschrikken en vragen:
“Wilt ge iets?”
Vrouw Keetje heeft geen herinnering van haar droom, maar als ze ontwaakt, is een weldadig, kalm gevoel haar bijgebleven.
“Kun je bidden, Dorus?”
“Bidden...? Neen!...” Ontsteld ziet hij haar aan. Bidden! wie zou ’t hem hebben geleerd?
“Ik wil bidden, Dorus.”
De knaap vouwt werktuigelijk de handen, als vrouw Keetje fluistert: “Onze vader, die in de Hemelen zijt”... Die in de Hemelen zijt,” herhaalt onwillekeurig Dorus. Zij kent het Onze Vader niet meer, maar toch bidt zij verder: “Wees mij genadig, want Uwer is de macht........”
“Uwer is de macht,” fluistert Dorus eerbiedig mede.
“....En de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen,”
“....In eeuwigheid, amen.”
’t Daagt in het oosten, ’t gloort aan de kim, langzaam overwint de dag den nacht en het ruischt in de boomen als een zucht bij ’t ontwaken. De eerste grijs schemerende lichtstralen dringen door het venster. De lamp op de tafel brandt flauw, de olie is verteerd; al zwakker en doffer wordt haar schijnsel; eindelijk gloeit nog slechts een randje licht aan de pit. Ook dat verdwijnt, eerst aan de eene zijde, daarna aan de andere; één vonkje nog, en dan stijgt een draaiend, lichtblauw, teringachtig rookzuiltje uit het glas omhoog. De lamp is uitgegaan.
Nog bewegen zich Keetjes lippen, maar Dorus hoort geen woorden meer; de ademhaling wordt korter en korter. Zij ziet hem nog even aan, als hij zich angstig over haar heen buigt en sidderend vraagt: “Ben je zoo benauwd?” Even beweegt zij ontkennend het hoofd, bijna onmerkbaar, dan komt de adem nog hooger; het gorgelt en borrelt in haar keel en een klein, heel klein luchtblaasje hecht zich aan een der mondhoeken. Onzichtbaar nadert de engel des doods en neemt den laatsten adem van haar trillende lippen, die hij tot een vriendelijken, gelukkigen glimlach plooit. En als hij haar zijn kus op ’t voorhoofd drukt, glijdt over het geheele gelaat der vrouw een uitdrukking van oneindig kalmen vrede, die er op blijft rusten, zelfs als het marmerkoud zal geworden zijn.
Vrouw Keetje is dood!
Arme Dorus! ge weet het nog niet, ge begrijpt nog niet, dat zij, die u liefhad, is heengegaan.—Ge kust haar beide wangen, maar zij voelt het niet meer.—Ge legt uw hand op haar voorhoofd, en ’t is nog warm. Schijnt het niet alsof zij u nog aanziet met die halfgesloten oogen? Maar ’t is geen licht meer, dat er uit straalt.... Druk haar de oogen toe, Dorus! ’t Is de laatste dienst, dien ge haar bewijzen kunt.
Bevend staat hij bij de doode; de herinnering aan hetsterven van zijn vader komt een oogenblik in zijn geest op; hij huivert, als hij er aan terugdenkt, en werktuigelijk ziet hij naar den grond, als zag hij daar nog die akelig verwrongen trekken. En als hij dan de kalme uitdrukking op ’t vriendelijke gelaat der vrouw ziet, barst hij eensklaps in tranen uit.
’t Wordt lichter buiten. Zilveren strepen vervangen het karmozijn aan den horizont. Violette wolkjes drijven voort of smelten samen met het azuur en tintelend trilt het licht door hun floers, totdat het plotseling scheurt. Schitterend breken de zonnestralen zich baan en spiegelen zich triomfeerend in den dauwdroppel, die op de grasscheuten en bladeren beeft.
Eindelijk is het dag. De morgenwind wuift de kruinen der boomen zachtkens heen en weer, uit het gras stijgt de leeuwerik omhoog en zijn lied juicht door de lucht als een groet aan de ontwakende natuur, als een hulde aan het licht, dat alles bezielt en verwarmt.
Maar daarbinnen in de kamer luistert niemand er naar. De gestorvene hoort het niet. De knaap ligt met de handen voor het gelaat op de knieën voor het bed; hij schreit en snikt hartverscheurend.
Nog nooit heeft hij zóó geschreid, maar hij heeft ook nog nooit iemand verloren, die hem—die hij liefhad; zij was de eenigste—en nu.... hij wou, dat hij ook dood was.
“Bim Bam!—Bim Bam!” men luidt voor de vroegmis.
De vrouw in de herberg is reeds op; zij zal naar de kerk gaan... Wacht! eerst nog even naar de zieke kijken.
Met ’t kerkboek in de hand gaat zij naar boven.
“Bim Bam!—Bim Bam!”
“Zou ze nog sloapen? ’s Is zoo arg stille doarbinnen; dien bult is zêker ôk in in sloap gevallen. Loat ik gauw êns kiêken....”
“Bim Bam!—Bim Bam!”
“Zij de al wakker, juffer?—Za’k moar êns bie oe kommen?—’k Hè moar ’n hortjen tied!”
“Bim Bam!—Bim Bam!”
Vrouw Carels opent eindelijk de deur; zij heeft haar tijd noodig, als zij de mis niet verzuimen wil.
Ontzet treedt zij terug, wanneer zij binnenkomend de treurige groep ontwaart; en met medelijdende stem zegt ze:
“Och erm! is ze uut den tied?—Och erm! doar zul-de ôk weet af hebben, jeungske. ’t Was krek ’n moeder veur oe,—niewoar?”
“Bim Bam!—Bim Bam!”
Vrouw Carels verzuimt de mis.