1Bargoensche uitdrukking voor gelijk- op deelen.
1Bargoensche uitdrukking voor gelijk- op deelen.
Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop hij bij juffrouw Keetje’s sterfbed knielde?
De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels’ woning gesneld.
Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed.
“Ze is dood, van morgen gestorven!” was alles wat hij uitbrengen kon, terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel.
Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan, die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet en op niets en niemand scheen te letten.
“’k Zal wat voor dien jongen doen”, zei de dokter tot Albertine, terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te Groenendaal te rijden.
Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest, toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen de kist in den schoot der aarde wegzonk...
“Dat is mijn ondergang,” mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de begrafenis terugkwamen. “Dat’s mijn ondergang,” herhaalde hij een paar dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had.
Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en ’t verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, ’t was hem onmogelijk, en trots de dreigementen van Carlo’s mededirecteur Hermans bleef hij weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans ’s avonds zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: ”’t Lijkt wel een treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit; kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk; je hadt aanspreker moeten worden.”
Alleen de oude Löbell nam hem ’s avonds na de voorstelling ter zijde en vroeg medelijdend: “Bin jij nou nog zoo schwermoedig, Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht voor de moeziek wordt opgebracht; ’k wol, dat ik geld had; ich liet je stoedeeren, wenn’s auch op das jammerholz ist.”
Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht, en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen.
Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling van hetThéatre des Nouveautésbijgewoond en Dorus nogmaals hooren spelen.
De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij eindelijk verrukt zei: “Die jongen kan een groot man worden; ’t is een talent, zooals ik zelden heb gehoord,”stond dokter Abels’ besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen en voor de kunst te behouden.
Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg: “Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo vandaan?” De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : “Ik kan niets meer zeggen, meneer!”
Met leedwezen zag de directie van hetThéâtre des Nouveautéshun hansworst vertrekken. Carlo bromde: “Dat heb je er nu van, als je een jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit.” Hermans beweerde : “Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet meer te gebruiken.” Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met het mondstuk van zijn pijp op ’t hoofd tikte: “Doe schwerenöther! noe kann noch ’mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach’s goed.”
Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; ’t overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer.
’s Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel, aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen, ter ruste zou gaan, zuchtte hij: “Als het maar geen droom is.”
Neen! ’t was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar stond in den hoek een muzieklessenaar endaar, op den stoel, hing een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad.
Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, ’t Was alsof zij hem toeriep: “Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik.”
’t Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij gonsde naar binnen.
Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed om weer naar buiten te komen.
“Szoemm! szoemm!” gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit.
“Wou je er uit, kameraad?”
“Waf! waf! waf!” klonk een kort blaffen buiten.
“Boppie!” Dorus boog zich uit het venster.
“Waf! waf!”
“Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?”
“Waf!”
“Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet bij mij; koest, dan, Bop!”
’t Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. ’t Werd weer stil in den tuin.
“Dat’s aardig,” lachte Dorus in zichzelf, “hij is me nageloopen. Goed beest!” Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in ’t grasperk en keek omhoog naar ’t openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan ’t raam zag, blafte hij zachtjes.
“Koest!”
“De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk,” dacht de knaap. “Ze is veel glimmender danvroeger; ik wou wel eens hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis; ik durf niet, ze zullen wakker worden.” Hij nadert de tafel. “Zouden ze het beneden hooren?—Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint; dat moet er toch af.”
“Ting!” kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat “ting” was beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in het paarlmoeren belegsel van den stok.
“’t Is toch een mooi stokje,” dacht hij. Hij greep er naar en woog het in de hand. “Hè! licht als een veer en toch sterk....” Beneden in de huisgang sloeg de klok zeven uren. ”’t Is nog te vroeg om te spelen. Och, maar als ik ’t heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet.”
Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; ’t was een vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje klonk.
Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was; hij speelde voort,—het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht bezielden hem.
“Waf! waf! waf!” blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige stem daarboven.
Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. “Bravo! Bravo! mijn jongen,” klonk eensklaps de stem van Dorus’ mentor, den muziekmeester Tournel, die zachtjes was binnengekomen.
“Bravo!” herhaalde hij, “heel aardig gespeeld; maar ’t is wildzang, en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht.” Verwonderd zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield en vervolgde: “Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?”
“Als het noodig is, zeker.”
“Goed! berg dan nu je instrument maar op;—laat ’k het eens zien.” De muziekmeester hield de viool schuinsvoor het venster, zoodat het licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en mompelde, een paar akkoorden grijpende: ”’t Is een aardige viool; ’t lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons.”
“Waf! waf!” klonk het buiten.
“Dat is Boppie, mijnheer!”
Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg:
“Wat bedoel je?”
“Hij is me nageloopen.”
“Wie?”
“Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?”
“Hm! ’k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek; dat’s lastig.”
“O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat ’k hem maar houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen, en....” Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots den heer Tournel aan, ”’t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien, domino spelen en tellen.”
“Dus een professor onder ’t hondengeslacht,” lachte Tournel.
“Waf! waf!”
Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: “Bop!”
“Waf!”
“Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?” Dorus maakte een bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon.
“Waf! waf! waf! waf!” blafte Bop.
“Hoort u ’t?”
“Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen om zoo raar met hem te spreken.”
“Ja, meneer!”
De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokterAbels Dorus’ opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de villa van den dokter stond. ’t Was een vriendelijk man en een type in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet boven het middelmatige zich verheffend.
In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke stukken.
Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia, gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje aan dat instrument waagde.
“Methode,” was zijn geliefkoosd stopwoord,—“School,” het tweede, wat hij gebruikte. ’t Was geheel een musicus van den ouden stempel; hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode komenden Offenbach en andere dergelijke “muziekfabrikanten”, zooals hij ze noemde.
Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid, dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tandente veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem, zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel, en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen en voeten daaraan dankte.
Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken, was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon.
Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond er iets onregelmatigs aan gaf.
De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen, dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone frissche bloem ontwikkelen zou.
Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te kunnen zeggen: “Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden, zoodra ze wat meer “school” heeft.”
Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine huishouden en hield rekening met de inkomsten, ietswat de muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en had geen “school”. Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het noemde “den duim op ’t laadgat te houden”, Tournel zou het lot gedeeld hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten Debet en Credit op weinig na.
’t Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was ’t dan ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen “in mineur” klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef, die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara’s begrippen over den godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees naliep, omdat het zoo de mode was.
Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch, die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal ’s jaars naar ’t avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar, droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken staat met gelatenheid.
Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: “Als je er wat mee verdient, Tournel, is ’t goed, maar anders zou ik er niet op gesteld zijn zoo’n kermisklant in huis te nemen. ’t Is gewoonlijk raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. ’n Virtuoos steekt in dien jongen, zeg je? ’t Zal wat wezen, als ’t voor de heeren komt...”
Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorusverheugd. Vooral de omstandigheid, dat de knaap “kermisklant” was geweest, maakte hem in haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen.
Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken; hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar.
’t Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor ’t eerst de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep:
“Ba! een bochel!”
Juffrouw Barbara zei: “Wat een ongelukkige kromme krates”, en Tournel antwoordde: “Dat doet er niet toe; hij heeft talent.”
Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording, alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij, dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg.
Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en juffrouw Barbara zelfs zeide: “Hij merkt goed op en neemt aan; hij zit nu al fatsoenlijker bij ’t eten en dat is al veel, want je kunt aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit.”
Augusta riep nu niet meer: “Ba! een bochel,” want eenige maanden waren voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van nicht Barbara te beschermen.
Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te maken; hij bewees duizend kleine dienstenin het huishouden, zonder dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte.
Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet; haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar humeur in “mineur” gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon: eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden, zich het woord “kermisklant” liet ontvallen, vergat hij zich zoover, dat hij haar “een serpent” noemde.
Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling einde gemaakt, en ’t was Augusta, die hem overreedde om aan nicht Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord.
Trouwhartig zei Dorus: ”’k Doe het, omdat u het hebben wilt, jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat ’t mij spijt, maar dat ze toch een serp....”
“Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk,” antwoordde Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei.
“Ben ik dan nu nog een kermisklant?”
“Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw.”
“Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk verveel en liever thuis viool studeer?”
“En waarom ga je er dan naar toe?”
“Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik ’t waarachtig niet.”
“Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan.”
“Om mij zelf?”
“Ja, omdat God ’t wil.”
“Hm! ’t zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de kerk komt.”
“Foei, Dorus, je moogt niet spotten.” Augusta kon nauwelijks een lach bedwingen.
“Ik spot niet.”
“Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij aan tafel ’s middags bidden, dan....”
“Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw.”
“Niet? Wat is dan bidden?”
“Dat weet ik zelf niet recht.”
“Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?”
“Ja, éénmaal.” Plotseling werd Dorus’ gelaat ernstig en bleek, zijn oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: “Ja, éénmaal, toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden.”
Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: “Wanneer, Dorus?”
“Toenzijstierf, daar ’s morgens vroeg in de herberg te Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet, maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet.”
“Moet?”
“Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara heeft ’t mij gebakken, dat ik er heen moet, om....”
“Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door,” lachte Augusta. “Dokter Abels vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden bent en ruw; wie zegt er nu “gebakken”.
“Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw.”
Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd, en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit.
’t Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de geheeleViolinschulevan Kreutzer door testudeeren, maar Tournel hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester, hem goedkeurend de hand op het hoofd leggend: “Je gaat goed vooruit, Dorus; je stand is goed, de stokvoering wordt beter en je toon is veel krachtiger. Wanneer je zóó je best blijft doen, dan kun je al gauwer dan ik dacht naar een conservatoire gaan”.
Hoe glinsterden de bruine oogen van den knaap bij zulk een loftuiting, en hoe vriendelijk vroeg hij dan: “Mag ik nu ook nog eens een half uurtje phantaseeren?” Niet al te dikwijls stond Tournel het hem toe, en deed hij het, dan zei hij met een barsch gezicht: “Nu, een kwartiertje dan, maar langer niet; je speelt toch nog niets degelijks.”
Dorus had eens moeten weten, dat, iederen keer als hij zijn phantasie op de viool den vrijen teugel liet, zijn mentor in de kamer beneden of er naast zat te luisteren en dat hij dikwijls Augusta riep, om met hem te hooren naar “dien wildzang”, die hem herhaaldelijk de woorden ontlokte: ”’t Is bepaald eenig; dat’s een discipel, daar ik plezier van zal hebben.”
Gedurende den tijd, dat Dorus bij Tournel in huis was, kreeg hij behalve muziek, dank zij de vrijgevigheid van dokter Abels, in allerlei andere vakken les. ’t Was ongeloofelijk welke moeite de jongen zich gaf om te leeren. Het had er iets van alsof men een uitgehongerd mensch plotseling een rijk maal had voorgezet en deze alles op eens trachtte in te zwelgen.
In korten tijd maakte Dorus groote vorderingen, hij verslond boeken en noten om ’t hardst; maar evenals de onverzadelijke, die te snel eet en te veel op eens, zich de maag overlaadt en onpasselijk wordt, zóó ging het ook hem. Hij zag er bleek, afgemat en zwak uit. Niemand had ’t evenwel opgemerkt dan juffrouw Barbara, die niettegenstaande zij dikwijls om allerlei kleinigheden met Dorus kibbelde, den knaap toch gaarne mocht lijden en hem even goed, zoo niet beter dan een der andere huisgenooten, verpleegde enbewaakte. Zij merkte ook het eerst op, hoe Dorus begon te hoesten en te kuchen, hoe zijn eetlust verdween, en hoe zijn groote oogen mat van uitdrukking werden en diep in de kassen lagen.
“’t Is net of de jongen langer en magerder wordt,” zei ze tot Tournel.
“Hij groeit, Barbara!”
“Jij laat hem te hard werken, Tournel.”
“Ik?”
“Ja, jij! Je moet zoo’n jongen ook wat rust gunnen. Maar je bent altijd zoo geweest; men kan nooit genoeg doen naar jou zin; ’t is jagen, jagen, jagen!”
“O, zoo, heb ik het weer gedaan?” pruttelde de musicus.
“O! dacht jij dan soms, dat ik dien jongen zoo aanzette om te studeeren? Zet nu maar zoo’n onnoozel gezicht niet; je weet heel goed, dat....”
“Dat jij vandaag weer in de “kleine terts” bent gestemd. Adieu!”
“Ja, daarmee zou jij je wel van alles willen afmaken, met dat adieu; ik zeg je, Tournel, dat ik den jongen zoo niet langer in huis wil houden. Ik bedank er voor om voor ziekenoppaster te moeten spelen.”
“Maar, Barbara! de jongen studeert uit eigen beweging zooveel en....”
“Wel zeker, veeg jij je pad maar schoon; nu heeft de stakker ’t zelf gedaan, hé?”
“Natuurlijk, ’t is zijn eigen wil....”
“Zet jij hem dan niet elken dag meer en meer aan? ’k Word naar van dat onophoudelijke gezaag daarboven; ik hoor tegenwoordig niet anders dan études.”
“Mijn goeie Barbara, bemoei jij je nu asjeblieft met de keuken en kom weer in “majeur”; wil je?”
“Die flauwe oudbakken aardigheid van je kan ik missen; begrepen?”
“Ze gaat over met een dissonant, die zich niet oplost,” pruttelde Tournel, terwijl hij de deur uitging.
“Drink jij dat eens op, Dorus,” zei Barbara een half uur daarna, terwijl zij hem een kop bouillon, waarin zij een ei gemengd had, voorhield; je ziet er slapjes uit. Je bent toch wel?”
“U is wel goed, juffrouw Barbara, maar ik kan het heusch niet drinken; ’t staat me tegen,” antwoordde de knaap, terwijl hij moede en mat op een stoel bleef zitten.
Een dag of wat later had Dorus een hevige koorts, die hem noodzaakte in bed te blijven; de koorts hield aan en een zware drukkende hoofdpijn deed hem voortdurend kreunen, terwijl hij nu en dan onverstaanbare woorden mompelde.
Dokter Abels, aan wien men kennis had gegeven, dat zijn beschermeling ongesteld was, kwam dadelijk en verklaarde, dat de knaap zich overwerkt had en dringend rust behoefde.
“Ik zal hem eens een dag of veertien bij mij buiten nemen; dat zal hem goeddoen.”
Dorus hield rust, en toen de koorts voorgoed verdwenen was, bracht hem het rijtuig van dokter Abels naar diens villa. Zwak en zenuwachtig kwam hij er aan, tot ergenis van den tuinman, die bij zijn aankomst zei: ”’k Kan maar niet begriepen, wat de dokter veur oarigheid an zoo’n jong hêt.”
Dorus staat voor den spiegel in de logeerkamer van dokter Abels’ villa “Mon Repos”. Hij is ruim zestien jaren oud, en pas uit de ziekte, die hem vrij hevig heeft aangegrepen, hersteld.
Met de handen op de marmeren penanttafel geleund, ziet hij aandachtig naar zijn spiegelbeeld.
“’k Ben toch erg leelijk; een leelijke bochel,” zegt hij met een zucht, terwijl hij zich langzaam met de hand over het voorhoofd strijkt. “Ach! ik wou, dat ik anders was...” Een oogenblik blijft hij nog in gedachten verzonken naar zijn beeld staren, glimlacht bitter en wendt zich dan af, terwijl hij in zichzelven herhaalt: “Ach God! waarom ben ik toch zoo,—’k wou, dat ik anders was.”
’t Venster van de net gemeubeleerde kamer staat open en de frissche, gezonde, geurige lucht dringt er in breede stroomen naar binnen.
’t Is reeds najaar; de boomen en heesters van den tuin bieden aan ’t oog een aangenaam rustpunt door de zachte herfstkleuren, die het groen schakeeren. De bloemperken zien er nog meestal kleurig en frisch uit, en ’t gras heeft een fluweelachtige tint. Hij nadert het raam en buigt zich over de vensterbank, als hij beneden de stem van den tuinman hoort, die luide roept: “Allo vort! Wil-de wel moaken, dâ’ je wegkumt, miseroabele hond; allo! vort dan!”
’t Is Boppie, die des tuinmans toorn heeft opgewekt, door in de bloembedden de aard om te krabben.
Jacob, de huisknecht, staat met de handen op den rug bij de veranda en fluit schel en aanhoudend, maar tevergeefs!
Boppie amuseert zich kostelijk in de rulle aarde, rolt heen en weder, blaft en keft, en zet het eerst op een loopen, als Pieter hem een paar kiezelsteenen uit het pad achternagooit.
“Ik kan oe verzekeren, Joacob, dat ik best die’n hond nekken kos, als juffer Albertine niet zooveul op hem gesteld woar.”
’t Is stil in den tuin, geen windje beweegt de bladeren, en duidelijk verstaat Dorus zelfs de vrij zacht gesproken woorden van Jacob, als hij tot Pieter zegt:
“De juffrouw is net zoo gek op dat mormeldier als die jongen met zijn bochel op de juffrouw is.”
“Wat meen ie, Joacob?”
“Wel, heb je nog niet gemerkt, dat hij dol op onze Albertientje is?”
“Wat zeg ie doar?” vraagt de tuinman verwonderd terug. “Minsch, minsch, ’t is toch niet woar? Hie is nog ’n kiend!”
“Heb jij dan nooit gezien, hoe hij haar aankijkt? ’k Wil er een daalder onder verwedden, dat hij smoorlijk van haar is.”
“Zij-de gek, Joacob, zoo’n kwoajongen, kwoalijk zestien joar old; ’t om oe eiges ’n bult te lachen. Kom! de juffer is wel een joar of vief older, geleuf ik.”
“Dat zou ook wat. Ik verzeker je, Pieter, dat hij haar aankijkt met een paar oogen—hmmm!—en juist altijd, als zij niet naar hem kijkt.”
“Wel! wel! Harrejennig!”
“Die jongen is niet van haar af te slaan; als hij ’t maar eenigszins kan, is hij bij haar. Hij loopt haar als een hond na en is zoo verliefd als een groot mensch.”
“Nou ge ’t zegt, hed-de geliek, dat hê ’k ook gezien, ze bent altied soamen. Ha! ha! ha! ’k zal mien eigen nogziek lachen, als ik bedenke, dat zoo’nen bult zich wat verbeeldt. Moar ie kunt nooit wèten, meiskes hebben al roare grillen; ’t kan best zîn, dat de juffer angehoald wil wezen deur....”
Meer hoort Dorus niet, want eensklaps treedt hij terug van ’t venster. Bleek, met starende oogen en vast opééngeklemde lippen, staat hij een oogenblik midden in de kamer stil. De aderen aan zijn slapen zwellen op en schemeren blauwachtig door de bleeke huid; eindelijk opent zijn mond zich voor een diepen zucht. Hij grijpt werktuiglijk naar een stoel en laat er zich op neervallen. Roerloos, met de armen slap langs het lijf hangend en ’t hoofd voorovergebogen, blijft hij zitten.
Wat ging daar om in dat jeugdige brein?
Hij wist het zelf niet. ’t Was alsof een koude, harde hand hem uit een schoonen droom had wakker geschud; alsof, een ruwe stem hem had doen ontwaken uit een heerlijken slaap. Zonder zelf te weten welk gevoel hem bezielde, was hij van het oogenblik, dat hij weder in dokter Abels’ huis kwam, gelukkig geweest in de nabijheid van Albertine, tot wie hij opzag als tot eene heilige. Zonder zich rekenschap te kunnen geven van zijne gewaarwordingen, had hij den invloed gevoeld van haar reine maagdelijke schoonheid, de weldadige uitwerking van haar zachte manieren en vriendelijke belangstelling op zijn geheele persoonlijkheid ondervonden.
Onwillekeurig had hij geluisterd naar de innerlijke stem, die zwakker of sterker zich vroeg of laat doet hooren in ieder hart. Zijn hartstochten evenwel sluimerden nog; ’t was alleen het onbekende gevoel van sympathie, dat hem onweerstaanbaar tot Albertine had getrokken. Dat gevoel, uit dankbaarheid en bewondering geboren, was nog onvermengd en zuiver.
Het denkbeeld van verliefd te zijn, was nooit bij hem opgekomen; hij had alleen met schroomvalligen eerbied opgezien tot zijn weldoenster en aan ’t woord liefde hij geen oogenblik gedacht. Hij was ook nog zoo jong.
’t Is waar, een goedkeurende blik, een vriendelijk aanmoedigendwoord van Albertine maakte hem onuitsprekelijk gelukkig en zijn oogen lazen als het ware elken wensch van hare lippen, nog vóór zij dien uitgesproken had.
Hij wilde slechts bij haar zijn, haar zien en hooren spreken; verder had hij ook niet gedacht of gewenscht. Zijn gedachten wijlden ook slechts dan bij haar, wanneer zij in zijne nabijheid was,—en dat hij haar gezelschap zocht, was geheel natuurlijk. ’t Was voornamelijk door Albertines invloed dat hij al meer en meer beschaafd werd, maar evenmin als hij zelf het wist, vermoedde het meisje er iets van, dat zij zoo krachtig medewerkte om Dorus’ geestes- en gemoedsleven te ontwikkelen. Zij van haar kant beschouwde hem met medelijdende belangstelling en verheugde zich even hartelijk in zijn herstel als in zijn ontwikkeling.
Het belang, dat haar vader in het lot van den knaap stelde, was de eenige drijfveer geweest, die haar tot hem had gebracht, maar toch was er iets in Dorus, wat haar, niettegenstaande zijn mismaakt figuur, tot hem trok. Waren het de zwaarmoedige bruine oogen, die, als zij tot haar opzagen, zoo kinderlijk vertrouwelijk blikten? Was het de innemende trek om den mond, of waren het de parelwitte tanden, die tusschen de welgevormde lippen schitterden? Misschien! maar zeker was het de vereeniging van een en ander met het geniale, dat, zonder dat Dorus zelf het wist, op zijn voorhoofd en in zijn oogen te lezen was.
Er ligt in den blik, in de uitdrukking der oogen van sommige menschen iets vreemds, onverklaarbaars en wonderlijks, dat aantrekt en sympathie inboezemt, ook dan zelfs, wanneer de uiterlijke lichaamsvorm in alle opzichten veel te wenschen overlaat. Soms schijnt het genie bij voorkeur krachtig en breed zijn stempel te hebben gedrukt op een gelaat, dat zonder dien afdruk onmogelijk, zelfs niet voor een kort oogenblik, de aandacht van anderen zou kunnen wekken.
Toen Dorus overwerkt en moede, bleek en koortsig op “Mon Repos” kwam, had Albertine dadelijk opgemerkt hoe groot de verandering was, die hij reeds had ondergaan. De ruwe,opvliegende knaap was zacht en gedwee geworden; zijn taal was die van een fatsoenlijk mensch, en al ontvielen hem nu en dan nog enkele uitdrukkingen, die aan zijn vroeger beroep of stand herinnerden, toch zou niemand aan hem gezegd hebben, dat hij voor nog geen jaar geleden als kermisklant in een tent meereisde.
Enkele malen was Dorus, gedurende zijn verblijf bij Tournel, op dokter Abels’ villa te gast geweest, en elken keer als hij na een afwezigheid terugkwam, kon men zien welke vorderingen hij in alles maakte. Er woonde in dat wanschapen lichaam een krachtige geest, vatbaar voor elken indruk, zoowel ten goede als ten kwade, een geest, begaafd met een opmerkingsvermogen, zoo volledig en fijn, als slechts weinigen bezitten, juist en te rechter tijd onderscheidende, instinctmatig goed en kwaad schiftende, eenvoudig, natuurlijk en waar, maar gevoelig en prikkelbaar in de hoogste mate. Die prikkelbaarheid, aan alle artistieke naturen eigen, uitte zich nu eens door een snel gesproken, scherp en snijdend woord, dan weer door een zenuwachtigen lach of een traan, die, niet te weerhouden, zijn oog ontsprong. In dat jeudige gemoed trilde een snaar, die zachtkens bewogen een heerlijken toon voortbracht, maar een schrille dissonant liet hooren, zoodra zij ruw werd aangeraakt.
Hoe meer hij werkte, des te meer wilde en kon hij werken; hoe meer de factoren van zijn geest arbeidden, des te sneller en onvermoeider spanden zij zich in om alles in zich op te nemen, wat nieuw en belangrijk was.
Dorus’ lichaam evenwel leed er onder. In zijn vollen groei—hij was langer en magerder geworden—stond de werkzaamheid van geest en lichaam niet in goede evenredigheid, en daarom was het juist te rechter tijd, dat dokter Abels hem noodzaakte eenige rust te nemen, door hem een kamer in zijn villa af te staan en hem het “dolce far niente” te leeren. Rust, naar lichaam en geest, was alles wat hij behoefde; hij vond beide op “Mon Repos”.
’t Was zoo heerlijk kalm daarbuiten en de menschen waren er zoo vriendelijk. Dokter Abels was voor hem zoo vaderlijkgoed en zorgend, Albertine zoo schoon en lief; en toch was Dorus niet volmaakt gelukkig: iets ontbrak hem,—zijn viool!
“Drie weken lang mag je geen streek doen,” had de dokter bevolen. “Maar, dokter,” zei Dorus, “dat zal ik niet uithouden.”
“Zou je denken? Probeer ’t maar. Alles kan, als ’t moet, als men ’t ernstig wil.”
“Dat zal hem in de techniek achteruitzetten”, bromde Tournel.
Onverbiddelijk bleef de medicus bij zijn besluit. “Muziek hooren moog je, zooveel als je wilt. Albertine zal je alle dagen wat voorspelen, maar zelf muziek maken, niet. Zoodra je wat aangesterkt zult zijn, zal ik je viool weer uit den ban doen.—Leeren moog je ook niet.”
“Maar, dokter, wat mag ik dan ?”
“Wandelen, lucht happen, naar de wolken, de bloemen, de vogels kijken, desnoods in den moestuin werken.”
“En lezen, dokter?”
“Hm! van tijd tot tijd, maar alleen wat ik je geef.”
“Als ik dat maar uithouden kan; ik word juist ziek, als ik niet spelen mag. Och toe, dokter, laat mij...”
“Stil! ik weet beter wat nuttig en noodig voor je is.”
Dorus boog het hoofd en zweeg.
Hij dacht, dat hij ’t nooit zou kunnen volhouden; maar de veranderde omgeving, de zon, de bloemen, de tuin, de gezellige toon in dokter Albels’ huis deden het hunne er toe om de drie weken, die op raad van den geneesheer verdubbeld waren, te doen voorbijgaan, voordat hij het eigenlijk wist.
Tournel en Augusta waren herhaaldelijk op “Mon Repos” geweest, juffrouw Barbara een paar malen, en allen waren het eens, dat de jongen er veel beter en gezonder uitzag, minder zenuwachtig en prikkelbaar was. Tot aller verwondering was Dorus zelfs niet boos geworden, toen juffrouw Barbara, zonder hem evenwel te willen kwetsen, onnadenkend vroeg: “Vind je ’t hier niet vrij wat plezieriger dan in zoo’n kermistent?”
Slechts eenmaal was Dorus weer zenuwachtig en gejaagd geweest, namelijk op een avond dat Augusta met Albertine zong.
De twee frissche meisjesstemmen klonken harmonisch en liefelijk in ’t eenvoudig schoone duët:Ich wollt’ meine Liebe ergösse sich. Eensklaps was Dorus de kamer uitgesneld en in den tuin in snikken uitgebarsten. Juffrouw Barbara, die hem was nageloopen, had hem met het hoofd voorover op de tafel in ’t prieel vinden liggen en gezegd: “Ben je gek, Dorus, ga je nu grienen; foei, dat is laf voor zoo’n grooten jongen!”—en hij had haar toegevoegd: “Jij hebt geen hart in ’t lijf, ouwe heks!” Maar toen hij, een kwartier daarna, haar wederzag, had hij haar hand gegrepen, die gedrukt en gevraagd:
“Ben je nog boos, juffrouw Barbara?”
“Ja, kwaje jongen!”
“Kom! word maar weer goed. ’k Heb er spijt van, dat ik ’t gezegd heb; ik meen het niet zoo kwaad; ik kon ’t alleen maar niet velen, omdat ik die muziek had gehoord; ze was mij in mijn ziel gegaan, en toen u dat zei, was ’t mij net alsof er iets in mijn binnenste brak.”
“Rare jongen, je moest liever geen muzikant worden, als je zoo’n kruidje-roer-mij-niet bent.”
“’t Zal wel beter met mij worden, als u maar dikwijls een schietgebedje voor mij doet.” Dorus trok een vroom gezicht.
“Als je spot, worden we weer kwade vrienden; pas op!”
“Zijn we dan nu weer goede vrienden?” en hij keek haar vleiend lachend, maar toch ietwat ironisch aan.
“Ja, kwaje jongen!”
“’t Is een wonderlijke jongen,” zei ’s avonds onder het naar huis gaan juffrouw Barbara tot Tournel; “je kunt niet kwaad op hem blijven. Als hij je zoo aankijkt, is hij in ’t geheel niet leelijk; je vergeet, dat hij een bochel heeft, en ik zou hem heusch een zoen hebben kunnen geven.”
“Daar zou je hem zeker erg veel pleizier mee hebbengedaan,” antwoordde Tournel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vertrok en de onderlip vooruitstak.
“Akeligheid!” bromde de matrone en zei geen woord meer, totdat ze thuis waren.
Nog zat Dorus in gepeins verzonken in de kamer en keek doelloos voor zich uit: de woorden van Jacob en de schampere lach van Pieter den tuinman klonken hem nog in de ooren.
Verliefd? Was dat dan liefde, wat hij voor Albertine gevoelde? Hij wist het niet. Een gloeiende blos overtoog zijn gelaat, terwijl hij er over dacht, dat anderen zijn voorkeur voor de dochter van zijn beschermer hadden opgemerkt, en hij had een gevoel, als zou hij haar niet meer onder de oogen durven komen. Als Albertine het ook eens had gedacht en hem innerlijk uitlachte, evenals de tuinman deed!—Neen, dat kon toch niet! Zij was immers altijd zoo vriendelijk en lief, zij was vroolijk, opgeruimd en lachte, maar niet om hem, neen, neen!... Foei, wat een akelig gevoel hadden hem die spottende woorden bezorgd. Tot nog toe was hij zoo vrij en onbevangen mogelijk geweest in Albertines nabijheid. Het scheen hem nu toe, alsof hij haar niet meer zonder te kleuren in het gelaat zou durven zien; alsof haar oogen, als zij op hem rustten, hem zouden zeggen... Ja, wat zouden zij hem eigenlijk zeggen? Hij wist het niet, hij gevoelde alleen maar, dat zijn onbevangenheid voorgoed weg was. In een oogwenk vloog hem al het bloed naar ’t hoofd; hij beefde van drift. Die lompe tuinman! de oude wijsneuzige Jacob, hij zou ze wel inpeperen, dacht hij. Onwillekeurig stond hij op, om te zien of zij nog in den tuin stonden. In zijn oog flikkerde de oude toornige vonk, toen hij Pieter ontdekte, die doodbedaard de tuinpaden opharkte en een deuntje floot. Werktuigelijk greep hij naar een looden presse-papier, die naast het raam op eene étagère stond, maar zijn hand bereikte het voorwerp niet;—hij hoorde Albertines stem, die den tuinman toeriep:
“Pieter, doe eens gauw het tuinhek open! Gauw! daar is neef Otto!”
De tuinman liep haastig heen. Een paar seconden later zag hij een jongmensch door den tuin komen en met veerkrachtigen vluggen tred naar het huis snellen.
Albertine vloog hem te gemoet, halverwege den tuin, reikte hem haar beide handen, stond even stil en wandelde toen, arm in arm, met den nieuwaangekomene naar de veranda. Dorus merkte op, hoe gelukkig zij er uitzag, hoe haar gelaat straalde, terwijl zij naar hem opkeek. Zij hield vertrouwelijk haar arm in den zijnen en vouwde de handen over zijn arm samen. Hij keek haar aan met een paar glanzende oogen en fluisterde haar iets in ’t oor. Zij lachte hem toe.—Wat ze spraken, kon hij niet hooren, maar hij zag, hoe hij haar onder ’t wandelen een kus gaf op de frissche roode lippen, die zij hem lachend bood.
De tuinman keek het paartje uit de verte na en hield de hand boven de oogen, om ’t zonlicht af te weren. Jacob kwam juist uit het koetshuis en vertrok zijn breeden mond tot een lach, terwijl hij den tuinman toewenkte en met den duim over zijn schouder heen, op de twee jongelieden wees.
Dat alles zag Dorus, terwijl hij voor het raam stond en hij mompelde in zichzelf: “Wat een knap man, wat een mooi gezicht, wat een flinke houding; hoe innig keek hij haar aan, en hoe gelukkig zag zij er uit. Wat zullen die twee elkaar liefhebben!”
’t Was hem plotseling duidelijk geworden, dat Albertine haar neef Otto liefhad. Hij zag het, neen, hij gevoelde het, hoe of waardoor, dat begreep hijzelf niet, maar hij was er zeker van en.... hij was er niet ongelukkig door, hij leed er niet door, integendeel het deed hem goed te weten, dat zij, die hij vereerde, nu niet langer zou kunnen blootstaan aan de ruwe of spottende opmerkingen van anderen. Hij gevoelde als het ware een soort van verlichting en toch.... hij wou liever, dat Otto niet gekomen was.... Zonderlinge tegenstrijdigheid in zijn binnenste, waarvan hij niets begreep, dan dat zij bestond.
Toen hij ’s middags beneden in de kamer kwam tegen ’t etensuur, zaten neef Otto en Albertine vertrouwelijk pratend op de canapé en dokter Abels in een leunstoel bij hen.
Otto had zijn rechterhand op Albertines schouder geslagen en hield met de andere hand de hare vast.
Een oogenblik bleef Dorus in de geopende deur staan. “Daar heb je nu Dorus, onzen logé,” zei vroolijk dokter Abels, hem ziende, tot neef Otto. “Kom eens hier, vriendlief, en maak je compliment aan de jongelui. ’t Is vandaag een feestdag, want mijn dochter heeft zich geëngageerd met haar neef Otto Van Vliet.”
Dorus zweeg en boog even het hoofd.
Otto stond op en reikte hem de hand, terwijl hij vroeg: “Ben je weer beter? Ik hoorde van Albertine, dat je lang ongesteld waart.”
“O ja! meneer,” stotterde Dorus, en eensklaps zich tot Albertine wendend, zei hij, met een lichten blos op de wangen: “Juffrouw, ik hoop, dat u gelukkig wordt, heel erg gelukkig;” en toen Albertine hem de hand toestak, drukte hij die zoo hartelijk, dat zij een kleinen kreet van pijn niet onderdrukken kon.
“En wat zeg je daar nu wel van, Dorus?” vroeg dokter Abels, achteroverleunend in zijn stoel en met welgevallen het tweetal vóór hem beschouwend. “Vind je dat niet aardig om zoo’n jong paartje te zien, he? Misschien kom ik ook nog eens bij jou feliciteeren, als jij de bruigom bent. Je ziet vandaag weer wat bleeker dan anders; voel je je niet wel? ’n Beetje geïrriteerd? Heb je hoofdpijn?”
“Neen, dokter.”
“Dus je voelt je goed, evenals gisteren, normaal? Niet zoo zenuwachtig meer?”
“Neen, meneer!”
“Best, dan zal ’t voor jou vandaag ook een feestdag zijn.”
Vragend vestigden zich de groote bruine oogen op des dokters gelaat.
“Je moogt vandaag weer eens spelen, phantaseeren zelfs,ter eere van mijn aanstaanden schoonzoon. Otto, je zult pleizier in mijn jongen hofmusicus hebben,” lachte dokter Abels.
“’k Ben er zeer verlangend naar; ’k heb er al zooveel van gehoord door Albertine.”
“Altijd weer Albertine,” dacht Dorus, terwijl hij, den dokter aanziende, zei: “Maar mijn viool is niet hier.”
“Dat’s minder, Dorus; je zult toch kunnen spelen.”
“Hoe dan, mijnheer?”
“Op mijn viool; ze is in orde gebracht, en...” hij lachte erg vriendelijk, “je moogt haar behouden ook. ’t Is een echte Cremona; ik geef ze je als aandenken aan dezen dag... den verlovingsdag van mijn kind, dat ik zoo graag gelukkig zie.”
“Lieve, beste papa!” zeide Albertine.
“Och! dat had je goede moeder nog moeten beleven.”
De viool van dokter Abels was een prachtig instrument, en toen Dorus ’s avonds, na langen tijd zijn vriendin te hebben ontbeerd, haar in de armen hield en de snaren geheimzinnig fluisterend tot hem spraken, speelde hij, phantaseerde hij en liefkoosde hij zijn instrument als een minnaar zijne geliefde. Hij was naar zijn kamer gegaan, hij wilde alleen zijn; er lag egoïsme in dien wensch, maar ook poëzie.
Hoe zong die viool, hoe heerlijk golfde de toon uit de bruine, schoone Cremona. Alles vergat hij om zich heen. ’t Was hem alsof hij droomde, droomde van zijn idealen, idealen, die hij nog niet anders dan in onbestemde vormen kende; en toen hij eindelijk den strijkstok neerlei, hoorde hij onder zich in den tuin Otto’s stem, die verrukt uitriep:
“Dat is heerlijk, verrukkelijk! Ik gaf er alles om, als ik zoo kon spelen.”
“Mij ook?” vroeg Albertine lachend.
“Neen, jou niet, liefste, jou niet!”
Een paar dagen later vertrok Dorus weder naar Tournels woning, en de oude muziekmeester zag met vreugd zijn leerling terugkeeren.
Augusta toonde hem een vroolijk gelaat en drukte hem hartelijk de hand, maar juffrouw Barbara zei:
“Nu begint het spektakel weer; maar als hij ’t me te bont maakt, dan moet hij de deur uit.”
“Dat heb je al zoo dikwijls gezegd, Barbara,” riep Tournel lachend, “dat we best weten, hoe je ’t meent.”
De nieuwe viool was een welkome gast. Tournel werd niet moede den lof er van te bezingen. “Jongens, jongens! Dorus, je bent zeker onder een gelukkig gesternte geboren. Een viool met dien toon is alles voor je waard. ’t Is een lot uit de loterij.”
Opnieuw begon Dorus nu te leeren en te werken. Het verblijf en de rust op “Mon Repos” hadden hem goedgedaan; met kracht zette hij zijn studiën voort, en toen nogmaals een jaar verstreken was, zei de heer Tournel:
“Beste jongen, nu is het tijd, dat je naar het conservatoire gaat; ik zal er met dokter Abels over spreken.”
’t Was voor Dorus een groot geluk, dat de dokter nooit iets ten halve deed en rijk genoeg was om wat hij wilde geheel en ten volle te kunnen doen. Daardoor werd het hem mogelijk gemaakt op het conservatoire te Brussel een plaats te vinden.
Tournel zelf bracht hem er heen, en toen zij te zamen vertrokken waren, schreide Augusta, en juffrouw Barbara zei:
“Huil je, omdat die kromme krates weg is, malle meid?—Ja? Mocht je hem zoo graag lijden?—En hij plaagde je zoo dikwijls.—O, zoo! vond je dat wel aardig?—Nu, huil maar niet meer: hij komt terug.—Ja, ’t was wel een driftkop, maar toch een erg goedige jongen, en ’t spijt mij ook, dat hij gaat: ik begon nu juist aan hem te wennen.”