The Project Gutenberg eBook ofKrates: Een LevensbeeldThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Krates: Een LevensbeeldAuthor: Justus van MaurikIllustrator: Joh. BraakensiekRelease date: January 19, 2006 [eBook #17549]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES: EEN LEVENSBEELD ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Krates: Een LevensbeeldAuthor: Justus van MaurikIllustrator: Joh. BraakensiekRelease date: January 19, 2006 [eBook #17549]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/
Title: Krates: Een Levensbeeld
Author: Justus van MaurikIllustrator: Joh. Braakensiek
Author: Justus van Maurik
Illustrator: Joh. Braakensiek
Release date: January 19, 2006 [eBook #17549]
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES: EEN LEVENSBEELD ***
Bertha: “Weg, Bultenaar!”
Arnold: ”’k Werd zoo geboren, moeder.”
Byron.
’t Heeft er jaren lang gestaan: “Philip Strijkman koopt alle soorten van kleederen en andere artikelen in, tot den hoogsten prijs,” en ’t zou er misschen nog even duidelijk met zwarte letters op ’t witte bord te lezen staan, wanneer niet sedert ettelijke jaren de eigenaar tot zijn vaderen vergaderd was.
Aan de geschiedenis, die ik wil vertellen, hindert het evenwel in het minst niet, want op het oogenblik, dat mijn verhaal begint, pronkt het bordje nog in volle fleur boven tegen het snijraam der smalle deur van het ouderwetsche huis in de Egelantiersdwarsstraat, dat ik met u wil binnengaan.
’t Ziet er niet zeer aanlokkelijk uit, dat smalle perceel; de verf van het houtwerk is langzamerhand door weer en wind ontbonden en overgegaan tot een schilferige korst van een onmogelijke kleur. De steenen der pui zijn sinds onheuglijken tijd niet geolied en hier en daar laat de kalk los uit de voegen, die nattig en vuil u aangapen. De nok van het huis hangt treurig voorover en de vermolmde hijschbalk steekt er als een ontvleesde arm uit.
Let eens op de scheeve kozijnen der vensters, waarvan twee breedere aan elke boven-, twee smallere aan iedere onderverdieping, door de kleine groenachtige ruitjes een karig licht laten vallen in de vertrekken, die van achterengeen ramen hebben, maar een beplakt schotwerk, dat hen van de achterkamer scheidt.
Naast de deur bemerkt ge een gelijkvormige dito, die toegang geeft tot de trap, welke naar de bovenwoningen leidt.
Even verveloos en verwaarloosd als haar buurvrouw, onderscheidt zich die deur alleen door een papier, dat boven tegen de gebarsten ruitjes van het snijraam geplakt is en den voorbijganger vertelt, dat op de onderste voorkamer woont:
N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in de kost.
N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in de kost.
Voordat wij die trap opgaan, willen we eens even met de woning van den pandjeshuishouder Philip Strijkman kennis maken.
Ga met mij het smalle gangetje door en pas op dat ge uw hoogen hoed niet deukt, als ge het lage deurtje binnentreedt, dat naar de zijkamer voert, waar de winkel, of eigenlijk het pandjeshuis wordt gehouden.
Voorzichtig! want het is donker, als ge binnenkomt; de eene helft der vensters wordt in beslag genomen door een dichte groene hor, en de andere wordt verduisterd door het dikke geelkatoenen valgordijn, dat vingerdik stof in zijn plooien heeft en daardoor nog ondoorschijnender is.
Er heerscht een zekere nevelachtige toon in die kamer, en juist dat grauwe duister is in overeenstemming met de plaats, waar wij ons bevinden; want in de woning van Strijkman heerscht de geest des woekers, en die schuw het licht, evenzeer als zijn slachtoffers, die hem gewoonlijk tusschen licht en donker of des avonds hun schatting komen brengen.
Neem u in acht en struikel niet tegen de lage balie, die u belet verder in de kamer te komen dan een voet of vier: leun met uw ellebogen op de plank, die boven op die leuning is aangebracht, en zie oplettend rond.
Langs den muur, naast en boven de deur, die naar het achterkamertje leidt, ziet ge vakken, ruw van withouten planken getimmerd en gevuld met bundels en pakken vanallerlei grootte en kleur, alle voorzien van briefjes en nummers. Recht tegenover u is een groot vak vrijgebleven: daar hangen winterjassen en parapluies, die dikwijls gehaald en gebracht worden en daarom voor de hand moeten blijven. Iets meer links zijn weer andere vakken, met doozen en kistjes, waarin allerlei artikelen van kleinere afmetingen, alle genummerd, bijeenliggen; rechts ontdekt ge een hoogen lessenaar met een groengazen scherm aan de eene zijde en een hooge kantoorkruk er voor. Een paar liassen zijn aan het scherm opgehangen.
Onder dat meubelstuk eindelijk zoudt ge tal van laden kunnen zien, die, steeds gesloten, de voorwerpen van meer waarde, zooals horloges, ringen, halskettingen en ander klein goud- en zilverwerk herbergen. Op het oogenblik, dat mijn verhaal begint, zit de eigenaar van het pandjeshuis in de achterkamer bij de tafel in een groot, dik boek te schrijven.
’t Is er zoo donker, dat hij, hoewel ’t pas vier uren in den namiddag is, zijn olielamp reeds heeft opgestoken. Haar rosachtig schijnsel steekt onaangenaam af bij ’t vale, doffe licht, dat door de vervuilde, hoornachtige ruitjes van het eenige venster, een zoogenaamd hooglicht, binnenvalt. Het kleurt Strijkmans voorovergebogen gestalte en zijn naaste omgeving met een zonderlinge tint. Een groote grijze pet met een groen lichtscherm er aan dekt zijn hoofd en beschut zijn kalen, slechts hier en daar met dunne vlokken lang grijs haar beplanten schedel voor koude en warmte.
De diep in hun kassen gezonken, sluwe, grijze oogen, ontsierd door roodgerande oogleden, zijn thans strak op het voor hem liggende boek gevestigd. De dunne bloedelooze lippen, vast op elkander gedrukt, doen den tandeloozen ingevallen mond nog breeder schijnen dan hij in werkelijkheid is, terwijl de spitse kin en de kromme neus aan het geheele gelaat iets havikachtigs geven. Ongeschoren en onzindelijk, met scherp geteekende lijnen langs neus en wangen doorgroefd, is zijn geheele gelaat terugstootenden geven de diepe plooien tusschen de wenkbrauwen, gevoegd bij een zekere trilling der mondhoeken en der dunne lippen, er een uitdrukking van boosaardigheid aan, wanneer hij spreekt.
Een versleten grijze jas en een vest, dat slechts met een paar knoopen wordt dicht gehouden, doen een oud blauw-baaien hemd zien, dat hem tevens als borstrok dient. Een geruite pantalon, die eenmaal voornamer beenen omkleedde, hangt slordig op de verschoten pantoffels, waarin zijn groote met wollen kousen bekleede voeten steken.
Voor hem op tafel zit een magere zwarte kat zich te koesteren in de warmtestralen der lamp. Nu en dan likt zij aan haar poot en wascht zich daarmede over den neus, terwijl ze de groenachtig grijze oogen dichtknijpt, om ze een volgend oogenblik op haar meester te vestigen, die onafgebroken zit te rekenen.
Gedurende geruimen tijd telt de pandjesbaas ongestoord verder.
“Achthonderd zesenvijftig en vijftien is achthonderd éénenzeventig, en twaalf is achthonderd drieëntachtig. Hè! hè! hè! hè! ’t is van deze drie maanden nog al aardig aangeloopen. Er zullen een heele boel pandjes moeten verkocht worden. Hè! hè! hè! dat geeft beter dan die miserale percenten. Verkoopen maar, dat’s de baas, daar draai ik het altijd naar toe,” zegt Strijkman, als tot zichzelf, terwijl hij zijn magere, klauwachtige handen wrijft.
“Achthonderd drieëntachtig, daar kan wel eens een traktatie op staan vandaag, hé poes?” De oude man zet eerst zijn pet, dan zijn bril af, wrijft met den rug der hand over zijn oogen, trekt de wenkbrauwen een paar malen op en neer en herhaalt:
“Daar kan wel wat lekkers af, hé poes?”
“Maauw!” zegt de kat, terwijl zij een hoogen rug trekt, als haar meester haar aanspreekt.
“Ja! ja! jij krijgt ook wat, poes; als ’t op den eenen regent, druipt het op den anderen,” vervolgt de oude man opstaande. Hij sloft langzaam naar een hoekkastje, grabbeltin zijn diepen jaszak naar den sleutel en ontsluit eindelijk de deur er van.
Een vieze, bedompte lucht komt hem te gemoet, als hij de kast opent.
Zijn neusgaten worden wijder, als hij die lucht opsnuift en grinnekend zegt: “Lekker! hm! lekker, hé poes? Ja, jij krijgt ook wat;” en als de kat met hoogen rug en opgeheven staart langs zijn beenen strijkt, voegt hij er bij: “Zoete poes, jij krijgt de korstjes; wees jij maar gerust.”
Uit een hoek der kast brengt hij, in een krant gewikkeld, een vrij groot stuk kaas te voorschijn, dat hier en daar reeds groenachtig is uitgeslagen door ’t lange liggen. Hij ruikt er aan en meesmuilt: “Lekker, lekker!”
Voorzichtig snijdt hij er een gedeelte van af en bergt de rest zorgvuldig weer in ’t papier en in de kast, waaruit hij achtereenvolgens een stuk brood, wat boter, een flesch met brandewijn en een glas neemt.
Met welgevallen beschouwt hij de flesch tegen het licht der lamp, en terwijl hij met zijn duim en voorvinger tegen den buitenkant der flesch een zekere hoeveelheid van den inhoud afmeet, schenkt hij het vocht in het glas en kurkt de flesch weder dicht, nadat hij met zijn tong den druppel, die aan den hals bleef hangen, heeft verwijderd.
Hij snijdt een stuk brood af en legt dat bij de kaas en ’t glas op een stuk papier, dat dienst doet als bord.
Als de rest der kostbare artikelen weer opgeborgen is, slaat Strijkman zijn boek dicht en zet zijn bril weer op, voordat hij gaat eten; waarschijnlijk omdat door ’t brillenglas de hoeveelheid brood en kaas grooter schijnt.
Met de eene hand onder het hoofd gesteund zit hij bij de tafel en eet langzaam zijn traktatie.
“Hè! dat doet een oud mensch goed. Ja, poes, kaas is een heerlijke kost, maar te duur, eigenlijk veel te duur voor een burgermensch. Dáár, poes, dat is voor jou,” en na zooveel mogelijk het weeke gedeelte er van te hebben afgebeten, met de enkele stompjes tand die hemresten, legt hij het korstje voor de kat, die het even besnuffelt en dan met scheef gehouden kop opknauwt. Met uiterst langzame teugjes drinkt hij het glaasje brandewijn ledig, smakt een paar malen met de dunne lippen en strijkt liefkoozend met de rechterhand over zijn maag, terwijl hij mompelt:
“Dat’s warm, dat’s lekker, dat brandt op je hart, dat doet goed,—maar ’t is te duur, veel te duur. Voor een enkele maal kan het er door, maar ’t is eigenlijk zonde van ’t geld.”
De kat kijkt hem met haar groene oogen aan en miaauwt zachtjes, als wilde zij zeggen: krijg ik niemendal?
“Wou jij ook wat hebben, hè! hè! hè! Lust jij ook brandewijn?” In Strijkmans oogen vlamt het boosaardig.
“Miaauw!”
“Wou je ’t ook eens proeven, hè, poes?”
“Miaauw!”
Eensklaps pakt Strijkman de kat bij haar nekvel, trekt haar op den schoot en laat de paar laatste druppels uit het glaasje op haar neus en in den halfgeopenden bek loopen.
De kat schreeuwt angstig en wringt zich onmachtig onder de handen van haar pijniger.
Proestend en met den kop schuddend springt het dier van zijn schoot, als hij ’t eindelijk loslaat; het blaast nijdig tegen zijn meester, die grijnzend zegt: “Lekker, hé? Hè! hè, hè! hè! Heb ik je nou getrakteerd, heb je ’t goed bij den baas? Hè! hè! hè!” ’t Arme dier schudt en proest voortdurend door ’t sterke vocht, en de pandjesbaas ziet met duivelachtige vreugde, hoe de kat eindelijk, onder de kast kruipend, een schuilplaats zoekt. Hij lacht totdat de tranen hem in de roode oogen komen, bukt zich om onder de kast te kijken en roept: “Hè! hè! hè! poes! poes!”
De kat houdt zich schuil en de oude woekeraar mompelt in zichzelf, terwijl hij zich weer aan tafel zet en een paar overgebleven broodkruimels met de toppen der vingers opneemt en in den mond steekt: ”’k Lust’m beter dan hij.”
Een hevig gestommel op de trap, die onmiddellijk aan zijn kamertje grenst, doet hem opschrikken.
Een verward gedruisch van stemmen en eenige luide vloeken geven hem de zekerheid, dat er bij de buren iets buitengewoons voorvalt.
“Wat is dat voor een spektakel?” vraagt hij in zichzelven, en terwijl hij naar de deur gaat om te zien wat er gebeurt, voegt hij er bij: “Dat’s zeker weer Claas Makko, dien ze dronken thuis brengen.”
Nog voor hij de deur bereikt heeft, komt hem een buurvrouw te gemoet, met de woorden: “O! heere! buurman, wat een geval! Ga gauw ereis mee naar boven; zóó erg heeft hij ’t nog nooit gehad ...”
“Is ’t al weer zóó-laat met Makko?”
Strijkman gaat even terug, sluit zijn winkeldeur dicht en staat nu met de vrouw op straat. Beiden zien naar boven.
“Is hij erg dronken?” vraagt de pandjesbaas.
“Veel erger, buurman; hij heeft op straat het lirium gekregen; de kruier van den hoek en de man van de groenvrouw hebben hem hierheen gebracht; hij slaat met handen en voeten als een razende en ... Hoor eens, hoe hij aangaat! Allemachtig! net een dier ... O! wat een beest van een vent; en hoor die honden eens,” de vrouw houdt de handen voor de ooren.
“’t Is verschrikkelijk, juffrouw Ram,” antwoordt Strijkman, als eensklaps van boven een gebrul klinkt, dat niets menschelijks heeft en dat zelfs ’t hevig hondengeblaf overstemt.
“Heere! heere! wat gaat hij te keer ... Hoor eens! ... Mooi! de boel gaat kort en klein, hij slaat de glazen in, God bewaar me, dat was bijna raak. Mensch! ’t schiet me in mijn knieën,” zegt, bleek wordend, de juffrouw, als een stuk glas en een gebroken aarden schotel rakelings langs haar heen op straat vallen.
Met de woorden: “Ik zal toch eens even gaan kijken,” slaat Strijkman zijn loshangende jas dicht en strompelt, zoo spoedig zijn neergetrapte pantoffels het toelaten, detrap op naar de onderste voorkamer, gevolgd door de vrouw, die telkens herhaalt:
“O! genade! O, Heere! zoo erg heeft hij ’t nooit gehad.”
De voorkamer, die door Makko den hondenscheerder bewoond wordt, is een beeld van de meest onbeschrijfelijke verwarring. Vastgehouden door de twee mannen, die hem tehuis brachten, staat de dronkaard midden in de kamer en schopt zoo ver hij kan om zich heen. Doodsbleek, met stukgebeten lippen en ’t schuim op den mond, de oogen met bloed beloopen, brult hij als een bezetene. Met de kracht van den waanzin tracht hij zich los te rukken uit de handen der mannen, die hem met de grootste inspanning vasthouden. Zijn haren hangen verwilderd over zijn voorhoofd en zijn kleederen zijn bijna aan flarden gescheurd.
Eensklaps staat hij als aan den grond genageld, de oogen puilen hem schier uit het hoofd en onafgebroken staart hij naar een hoek der kamer, terwijl een siddering door zijn lichaam vaart. Met heesche stem roept hij:
“Weg, daar!—Vervloekt! dat beest vliegt mij aan. Draai hem zijn nek om. Geef hem een doodschop! Hij komt, hij komt!”
“Hou hem goed vast, Manus,” roept de kruier tot zijn makker, die, evenals hij, niet dan met de grootste moeite de armen van den hondenkoopman in bedwang kan houden.
“Wees nou een beetje bedaard, Makko! Je verbeeldt het je eigen maar; er is geen bulhond, waarachtig niet,...”
“Daar! daar! Zie je hem dan niet ... Daar vliegt hij op me aan ... Hou hem weg! Verd..md hij is dol,” en geweldig schopt hij voor zich uit, als wilde hij het denkbeeldige dier van zich afweren. “Daar! daar! Hij komt weer,” gilt de door den drank waanzinnige man, als het gehuil en geblaf der honden, die in de kamer in hokjes zitten of aan kettingen liggen, heviger dan te voren weerklinkt.
Met Strijkman en de buurvrouw zijn intusschen tal van andere buren nieuwsgierig in het portaaltje, op de trap enin de kamer gekomen, om het akelige schouwspel te genieten.
Allerlei stemmen spreken te gelijk.
“Makko is weer dol,” roept de één.
“Wat wonder! Hij is drie dagen onder water geweest,” verzekert een ander.
“Laten we hem naar ’t gasthuis brengen,” zegt een derde.
“Wat is er aan de hand?” vraagt een buurvrouw, die, achter de anderen staande in de kamer, met uitgerekten hals over hun schouders tracht te zien.
“Makko heeft ’t op zijn zenuwen,” grinnikt iemand uit den hoop.
“Daar blijft hij in,” zegt verschrikt een der vooraanstaanden tot zijn achterbuur.
“Och, ben je mal, hij komt wel weer bij zijn positieven,” schreeuwt een vrouw terug.
“’t Is al voor den vijfden of zesden keer dat hij lirium heeft, maar zoo erg als vandaag heeft hij ’t nog niet gehad,” merkt juffrouw Ram aan, die na Strijkman in de kamer is gedrongen en zich, met hem, angstig in een hoek bij de armoedige bedstede verscholen houdt. Binnensmonds mompelt de pandjesbaas: “Hij ruïneert mijn boel, alles gaat stuk; nu moet hij er bepaald af; ik kan die kamer wel zesmaal, en beter verhuren.”
“Laat dan toch iemand om een dokter of een meester gaan,” roept een der mannen, die hem vasthouden. “Gauw dan toch: de kerel is razend,—ik kan hem niet houden.—Gauw dan! ...”
De verwarring neemt met elk oogenblik toe: een paar van de honden zijn losgebroken en loopen blaffend en huilend, verschrikt door ’t rumoer, door de kamer, of janken erbarmelijk, als zij door de vechtenden nu en dan getrapt en geschopt worden. Enkele vrouwen beginnen luidkeels te gillen, en daartusschen klinkt een grove mannenstem, die schreeuwt: “Hou toch jelui snaters ...”
“Moord!” roept op gesmoorden toon een der mannen, de kruier, als plotseling, met een verraderlijken ruk, de honden-koopmanzijn rechterhand bevrijdt en hem daarmede de keel dichtknijpt.
Strijkman siddert van angst; terug kan hij niet, want de opening der deur en ook ’t portaal is door de aangroeiende burenmassa geheel ingenomen.
“Moord!” rochelt nogmaals de aangevallene, als de ijzeren greep van den waanzinnige hem de keel toeschroeft.
Eenige mannen dringen nu de kamer binnen en komen den kruier te hulp, die eindelijk bleek en ontdaan, half gewurgd, met de bloedige indruksels van Makko’s nagels aan den hals tegen den wand tuimelt, met de woorden: “Hij is dol. Haal den meester! Haal den meester!”
Op eens houdt het gebrul op; de handen van den hondenkoopman worden slap, hij biedt geen tegenstand meer, zijn hoofd zinkt voorover, en terwijl een zucht snerpend en schel zijn borst ontvlucht, zakt hij ineen. Nog een paar malen trilt zijn geheele lichaam; de oogen dringen bloedig uit hun kassen; de tong, blauwachtig opgezwollen, hangt een eind over de onderlip; de neusvleugels verwijden zich een oogenblik, om dadelijk daarna weer samen te trekken en aan den neus den eigenaardigen spitsen vorm te geven, die de voorbode is van den dood. Al de wezenstrekken worden slap, de oogen breken; rochelend blaast hij den laatsten adem uit en de vale doodskleur trekt over zijn gelaat, terwijl zijn geheele lichaam zich op den grond uitrekt en daarna roerloos blijft liggen.
De omstanders dringen met ingehouden adem hoe langer hoe meer vooruit. Zonderling steekt de plotselinge, akelige stilte, die nu in het vertrek heerscht, af bij het ontzettende geweld van zoo even. “Ik geloof, dat oom Kool er geweest is,” zegt de groenboer, zich met de hemdsmouw het zweet van ’t voorhoofd wisschend. “Sakkerloot, wat was dat een toer!”
“Daar is de meester!” klinkt een stem onder aan de trap, en eenige oogenblikken daarna maakt men ruimte bij de deur der kamer om een chirurgijn binnen te laten, die inderhaast door een der buren is opgezocht. In eenoogenblik is nu de kamer overvol. Allen verdringen zich om den medicus, die bij het lichaam van den hondenscheerder neerknielt, diens oogleden omhoogheft en, na ’t hart betast te hebben, kortweg zegt: “Hij is dood. Jeneverberoerte!”
“Ja, dat dacht ik wel: hij heeft van morgen ook beestachtig gedronken,” zegt de kruier, die weer wat van zijn schrik bekomen is. “Kijk eens, meneer, hij had mij bijna ook om gaies1geholpen,” en hij toont de krabben aan zijn hals.
“Doe er maar wat azijn en water op; en haal een raderbaar, dan kan dat lijk naar ’t politiebureau gebracht worden. Of heeft de man hier familie?” vraagt de chirurgijn.
“Fermielie?” antwoordt juffrouw Ram. “Och neen, meneer, de man leefde hier alleenig met zijn kleinen jongen, een bocheltje van een jaar of elf, een rakkerd van een jongen, ’n plaaggeest voor de heele buurt.”
“Had hij geen vrouw?”
“Dood, meneer, voor drie jaar geleden. Een zegen voor ’t mensch! De juffrouw was goed, zachtzinnig; ze had dan erg het water, daar laboreerde ze lang aan. O! meneer een lichaam als drie, en dikke beenen, o! je werdt er akelig van, en dan ...”
“Dank je voor de rest, juffrouw. En ’t kind?”
“Zooals ik uwé zei, een rakkerd.”
“Waar is het?”
“Och, die zwerft zeker ergens in de buurt; of misschien zit hij wel hier of daar verstopt; dat levert hij meer. Zoo ga je zonder erg de trap op: flap! dan vliegt je op eens die “krates” tegen je beenen. Een plaag voor de buren, maar een stumperd; ik geef hem wel af en toe ereis een boterham of een kliekje, omdat hij er soms zoo akelig hongerig uitziet; maar ....”
“Al goed, vrouwtje,” en tot de omstanders gewend, vervolgt de medicus: “Laat het lijk dadelijk naar ’t politiebureau brengen; over een half uur ben ik er zelf.”
Vijf, zes stemmen verzekeren den meester, dat er nietsaan mankeeren zal. Een kwartier later is de raderbaar voor de deur en wordt het lichaam van den gestorvene er in gelegd en, begeleid door jongens, straatslijpers en buren, die nieuwsgierig medeloopen, weggebracht.
Nog een kwartier later is de kamer ontruimd en gaat ieder der buren zijns weegs, alsof er niets gebeurd was.
Een menschenziel is de eeuwigheid ingegaan en niemand van de overgeblevenen vraagt zich af: hoe? of waarheen? Zij dolen verder door het leven, tot ook het raadsel van ’t sterven voor hen wordt opgelost.
Strijkman heeft den kamersleutel tot zich genomen en eigent zich reeds in gedachten de honden of liever de opbrengst er van toe. Handenwrijvend denkt hij: “Er is toch niemand, die er gading naar kan maken. Hè! hè! hè! ik ruk ’t boeltje in;—wat er van komt is pure winst.”
1Amsterdamsche volksuitdrukking voordood.
1Amsterdamsche volksuitdrukking voordood.
’t Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust, zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. ”’k Moet toch zien, dat zij mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is, kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer bedorven en gebroken heeft,” zegt hij meesmuilend, want hij berekent, dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt.
“En wat zal er nu van dien krates worden?” vraagt juffrouw Ram.
“Dat weet ik niet. ’t Gaat mij ook niet aan, buurvrouw.”
“’t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim is voor drie.”
“Ja, goochem is hij.”
“Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman.”
De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof hij denkt: “dat kon je nog tegenvallen,” en antwoordt: “Neem jij hem bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen met boodschappen doen.”
“Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai; en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo’n soortement bediende kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en een paar stukjes kleeren ben je klaar. ’t Is wel geen mooi gezicht, zoo’n bult in je kantoortje, maar ...”
“Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans kind te eten te geven; ’k heb zelf werk, dat ik rondkom.”
“Jij? Laat naar je kijken!”
“Hoe zoo?”
“Jij hebt ze, Strijkman,”—juffrouw Ram maakt de beweging van geld tellen,—“en dik ook, dat weet de heele buurt.”
Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: “Praatjes, allemaal praatjes!—’k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder voor de panden gaf; want gewoonlijk ...”
“Nou, ’t is goed, ’k zal je voor dezen keer gelooven”, grinnikt juffrouw Ram en vervolgt: “Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit.”
“Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?”
“Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond”.
“Zoo, hm! dus hij kan lezen?”
“Ja, en schrijven ook, wat netjes,” antwoordt snel de juffrouw, die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die anders naar hetgestichtmoet, zooals zij het noemt en, evenals de meeste vrouwen van haar stand, hetgesticht1als het toppunt van ellende beschouwt.
Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: “Als ik den jongen neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel” (een oude schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) “missen; dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet misschien voor drie ... En dan zoo’n kijk-in-den-pot ... Neen, ’k zal vrouw Sabel maar houden.”
“Nou, Strijkman, hoe denk je er over?”
“’k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.—Waar zit die jongen?”
“’k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem bij je sturen,” antwoordt de juffrouw zich verwijderend.
Waar zit die jongen?
Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt kind, een jongen van ongeveer elf jaren.
Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt, rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig, zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek, iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje, een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje staart, dat rusteloos heen en weer gaat.
Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.
“Ze bennen weg; jij was ook bang voor ’t leven. Hu!wat was dat akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z’n eigen dood gedronken; ’t is wel m’n vader, maar ik hield niet van hem, hij kon mij ook niet uitstaan ... ’k Heb niets geen spijt, dat hij dood is. ’t Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen.”
“St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij ’t tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten, koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!”
Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en gaat voelend en tastend naar de deur.
“Gesloten,” mompelt hij. “O! maar dat’s niet erg, ik weet wel raad,” en naar de vervelooze latafel gaande—de duisternis hindert hem niet, hij kent elken hoek van ’t vertrek—haalt hij uit de bovenste lade een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur, terwijl hij grinnikt: “Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet, en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot.”
“Komt, jongens!” fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen doen hooren. “Zoo! nu maar vooruit.” Hij zet de deur wagenwijd open en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij het zevental honden de kamer uit.
Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het blaffen en ’t leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.
Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt, vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.
De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.
“Niets, niemendal!” bromt Strijkman. “Hoe komt die deur open?—Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek; ik ben bestolen. Wie heeft ...”
Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.
“Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft.” Met die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.
“’n Avond, baas Strijkman,” grinnikt de jongen, die met zijn beenen tegen het houten beschot trommelt.
“Satanskind! heb jij die honden losgelaten?”
“Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!”
“Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!”
Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de knaap doodkalm den ouden man in ’t gelaat, terwijl hij antwoordt:
“Ze waren toch niet van jou, wel?”
“Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en...”
“Vader heeft verleden week toch de huur betaald....”
“Hou je mond, krates, en kom van dat bed af.”
“Neen.”
“Waarom niet?”
“Omdat je “krates” tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen.”
“Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.—Allo, gauw! kom er af.”
“Neen.”
“Wil je niet?—Wacht ik zal je beenen maken.” Strijkman grijpt een hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.
“Sla maar toe, als je durft, maar als je ’t doet, bijt ik je,” en evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;—“ik ben niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij me krijgen kon. Ha! ha! ha!”
Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van ’t bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan, terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:
“Sla nou maar toe, als je kunt.”
“Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden met je spreken,” zegt Strijkman, met ingehouden drift.
“Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel.”
“Hoe heet je dan eigenlijk?”
“Dorus.”
“Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen.”
“Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!”
“Nu goed dan. Ben je nu tevreden?” De zweep vliegt in een hoek.
Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep, die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: “Nou, wat moet je dan?”
“Bijdehand genoeg,” mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:
“Waar moet je naar toe?”
“Weet ik het!”
“Heb je geen oom of tante?”
“Neen.”
“Geen andere familie?”
“Neen.”
“Dan moet je naar ’t Gesticht?”
“Mij een zorg,” bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der kisten slaat; “in ’t gesticht krijgen ze eten genoeg....”
“Zou je denken?” grinnikt Strijkman.
De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede wijst:
“Mag ikhemdaar meenemen?”
“Wie?” Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.
“Boppie?”
“Wie is dat? Je broertje?”
“’k Heb geen broertje,—nooit gehad,” antwoordt de knaap, die aanstonds daarop even fluit en met de vingers knipt.
Een kort blaffen en ’t slaan van Boppie’s staartje tegen de beddeplank doet den ouden man verwonderd vragen:
“Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg.”
“Dan wil ik er ook niet heen.—Pst! hier Boppie, kom bij den baas.”
’t Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.
“Ba! wat een mormeldier!”
“Vind je, baas?” Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: “Wij blijven bij mekaar, hé Boppie!” en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.
Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl hij vraagt:
“Hoe kom jij aan dien sleutel?”
“Die lag altijd in de latafel, dáár!”
Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig ziet hij ze door en mompelt: “Trouwakte, geboortebewijs.—Jij heet Theodorus Johan, hé?”
“Dorus heet ik.—Laat je me nu haast de deur uit?”
“Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! ’t lijkt wel een broer van Makko.—Had je nog een oom?”
“Ja! maar wat gaat jou dat aan?”
Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt: ”’k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is.”
De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden: “Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen op jou kriek.”
“Dief!” schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.
Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de woorden: “Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren.”
De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt: “Laat me er uit! Laat me er uit! of...”
De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: “Allo! marsch dan!”
“Dief, dief!” gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor Strijkmans voeten.
“En zoo’n jongen zou ik in huis nemen,” mompelt Strijkman, terwijl hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent, hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.
Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de straat op; waarheen weet hij zelf niet.
’t Is donker; ’t is koud en nat in de straten, maar hij merkt het niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachtendooreen en draaien zich om één hoofddenkbeeld: “Niet weer terug naar die akelige kamer en niet naar het Gesticht.”
Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht, dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen, die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij gaat verder. “Hè! ’k wou, dat ik zoo’n broodje had,” zucht hij in stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, ’t Spui op en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand over de pijnlijke plaats en mompelt: “Wacht maar; als ik groot ben, zal ik het hem betaald zetten! Zoo’n leelijke dief! Hé, Boppie, ’t is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest dan, hondje. Kijk!” hij raapt een paar koude aardappels op, die bij een stoep liggen, “dat is voor jou, hond!” En op de vlakke hand houdt hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. “Dat is lekker, hé? Ja, smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat doet mijn rug zeer.” Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.
“Loop jij ook met lucifers?” vraagt plotseling een opgeschoten jongen met een brutaal, van de pokken geschondengezicht, die naast hem op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes waslichtjes toont.
“Neen.”
“Zoo! ’t is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg; er is geen droog zout meer aan te verdienen. ’k Geef ze nou al voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen ... Waslucifers,—waslucifers! allemaal zonder vergif.—Waslucifers, heeren! ... Loop jij met een marmotje?”
“Neen.”
“Wat heb je daar dan?”
“Een hondje.”
“Verdien je daar centen mee?”
“Neen.”
“Loop je dan niet om centen?”
“Neen.”
“Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe jij voor den kost?”
“Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon.”
“Waar woon je?”
“Nergens.”
“Heb je dan geen vader of moeder?”
“Allebei dood.”
“Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?”
“Neen. ’k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal.”
“Dan ben jij een zwerver.” De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam aan en zegt dan: “Zeg! je hebt een bochel.”
“Dat weet ik wel.”
“Daar kun je geld mee verdienen.”
“Hoe zoo?”
“Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers, heeren! Allemaal goed, vijf centen ’n doos!”—De jongen staat op en gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.
“Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!” roept Dorusden jongen achterna, terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit zijn bakje is gevallen. “Je hebt een pakje doosjes verloren.” Hij staat op, loopt hem te gemoet en zegt: “Daar heb je ze terug.”
“Dat is mooi van je,” antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer opbergt. Daar heb je twee centen.”
“Dank je, houd ze maar.”
“Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?” Dorus aarzelt. “Pak aan dan!—Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze gehouden; ’k had ze verpast, hoor!”
Dorus steekt de centen in den zak.
“Ik woon in den Duivelshoek,” vervolgt de jongen, “in een gang; in ’t huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in van den baas uit hetKraaiende Haantje, daar kun je van nacht in slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg je een pak ransel.”
“Ik ben niet bang voor slaag.”