“... doar zulde ôk weet af hebben, jeungske. ’t Was krek ’n moeder veur oe,—niewoar?”“... doar zulde ôk weet af hebben, jeungske. ’t Was krek ’n moeder veur oe,—niewoar?”
“... doar zulde ôk weet af hebben, jeungske. ’t Was krek ’n moeder veur oe,—niewoar?”
“... doar zulde ôk weet af hebben, jeungske. ’t Was krek ’n moeder veur oe,—niewoar?”
“Sakkerloot! wat is het koud vandaag, ik kan mijn vingers maar niet warm krijgen, en die miserabele kachel wil niet trekken; ’k geloof, dat de wind op den schoorsteen staat.” Met die woorden nam de eerste klerk op het procureurskantoor van den heer Verhagen den pook uit het haardstel, begon met een ontzettend geweld de ouderwetsche kolomkachel op te poken en veroorzaakte daardoor een geraas zoo sterk, dat de jongste bediende, die met opgetrokken knieën en de handen in de zakken op een hooge kantoorkruk zat, ongestraft het miauwen van een kat nadeed, tot groot vermaak van den tweeden klerk, die, tegenover hem zittend, op zijn vingers blies en met de voeten op zijn bankje trappelde, om ze eenigermate warm te krijgen. Mijnheer Krasser bukte zich met den pook in de hand voorover, zoodat de panden van zijn belijdenisrok, dien hij sedert onheuglijken tijd van staatsiekleed tot kantoorjas had gedegradeerd, als een zwaluwstaart achteruitstonden, waardoor zijn korte pantalon nog korter scheen en het bewijs leverde, dat het lappertje, ’t welk voor hem werkte, bij het verstellen met de harmonie der kleuren geen rekening hield.
De kachel begon te snorren. Nog een paar geweldige aanvallen met den pook, en mijnheer Krasser richtte zich in zijn volle lengte op, plaatste zich met de handen op denrug voor de kachel en vestigde zijn groenachtige oogjes, die onder een paar reeds naar het grijze zweemende wenkbrauwen uitkeken, op Keesje den jongsten bediende, terwijl hij hem met een verkouden neusklank in zijn stem toevoegde:
“Jij schijnt te rentenieren vandaag!”
“Mijn vingers zijn zoo koud, mijnheer Krasser.”
“Ga er op zitten, dan worden ze warm,” antwoordde de eerste klerk, terwijl hij met zijn magere, stokkerige vingers de dunne, bruingrijze haarlokken, die spaarzaam op zijn hoekigen schedel verspreid lagen, bij elkander zocht; om zich daarna te overtuigen, dat het half dozijn haartjes, ’t welk onder zijn kin uitbotte, nog niet afgevroren was.
“Heeft u die scheiding van tafel en bed van De Witt onderhanden?” vroeg Krasser aan Van Blaak, zijn collega, die juist begonnen was om met een houtje den inkt in den koker tot den gewenschten staat van vloeibaarheid te brengen.
“Ik dacht er juist aan te beginnen.”
“En jij, Cornelis, als nu je handen eindelijk warm zijn, kunt die wisselprotesten overschrijven.”
“Akkoord Van Putten,” bromde binnensmonds Keesje, die intusschen bezig was met een radeermesje een inktvlak van een protocol, dat voor hem lag, af te schaven.
Het kantoor van den procureur Verhagen was in de zijkamer van zijn huis op de Heerengracht gevestigd; de oostenwind, die vlak op de ramen stond, hield de bloemen, die de wintervorst op de ruiten had getooverd, in stand, niettegenstaande de kachel bloosde van inspanning om ze te doen verdwijnen. Waarschijnlijk was ook de wind oorzaak, dat mijnheer Krasser, wiens lessenaar vlak bij de ramen stond, nog geen roeping gevoelde om zijn warm plaatsje te verlaten.
Het cylinderbureau van den procureur was gesloten; de lederen armstoel er voor stond nog ledig, en deze omstandigheid, gevoegd bij de gehoorigheid van het huis, bracht het drietal er waarschijnlijk toe, het goddelijkefestina lentein eere te houden.
Van Blaak geeuwde heimelijk, terwijl hij uit een doosje pennen na langdurig onderzoek een driegaatjes-pen nam en, na herhaaldelijk de deugd van het staal op den nagel van zijn linkerduim te hebben beproefd, er toe overging een houder te nemen, waar die in paste.
Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open- en dichtgeschroefd en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet, omdat hij voor die geradeerden vlek, bij rijpelijk indenken, geen sandrak noodig had. Krasser inspecteerde de kachelpijp en de schuif, keek in den kolenemmer, deed den turfbak open, overtuigde zich van den voorraad turf en blokjes, nam uit zijn hoornen doos een snuifje en maakte de geestige opmerking, “dat het geen zomer was,” een aardigheid, die bij van Blaak een gegrinnik uitlokte en Keesje de gedenkwaardige woorden deed fluisteren: “Als hij van achteren braadt, is hij van voren nog koud.”
De groote ouderwetsche hangklok met beweegbare scheepjes, die in de gang stond, liet tienmaal zijn klassieken slag hooren.
Met drie stappen van zijn ooievaarsbeenen begaf Krasser zich naar zijn lessenaar.
Van Blaak’s pen dook in den den zwarten poel van den inktpot en op Keesjes zegel verscheen als met een tooverslag het woord “protest.”
In de huisgang klonk een voetstap: de kantoordeur werd geopend en met een deftig: “goeden morgen, heeren!” verscheen de procureur Verhagen op den drempel.
Een heilige stilte heerscht in dezen tempel van Themis, als de procureur zijn schrijfbureau opent en eenige papieren ordent; zij duurt voort; totdat hij het eerwaardig grijze hoofd halverwege omwendt en met de hand langs de onberispelijk geschoren kin strijkend aan Krasser vraagt: “Wil u zoo goed zijn om mij eens even den brief uit New-York te geven; hij ligt op de G.; u weet wel, het is die brief, waarin Galway schrijft over de nalatenschap van een zekeren Makko; ’k meen, dat hij Adriaan heet.”
Krasser heeft reeds bij de eerste woorden van zijn chef den brief uit het loket genomen en reikt hem nu over, terwijl hij er een Handelsblad bijvoegt.
“Hier is de brief en de krant, waarin de oproeping is geplaatst.”
“Dank u.” De procureur kijkt den brief even in en ontvouwt daarna de krant. Na een oogenblik zoekens legt hij het blad voor zich en leest overluid: “Oproeping. Zij, die nabestaanden of erfgenamen zijn van Adriaan Makko, in leven handelaar in leder en huiden te Klengstown (Massachusets), overleden te New-York op den 17denApril 1865, worden uitgenoodigd zich in hun belang aan te melden ten kantore van den procureur C.D. Verhagen te Amsterdam.—Hm, hm! we zullen haar nog eens laten plaatsen. Meneer Van Blaak, wil u die oproeping even overschrijven, met deze verandering—”erfgenamen zijn of kunnen aanwijzen.”
De tweede klerk overtreft zichzelven in vlugheid, als hij schrijft, en de procureur vervolgt tot Krasser: “Heeft u onderzoek gedaan aan het stadhuis en bij de buurtsecretarissen?”
“Om u te dienen, mijnheer, maar’t heeft tot niets geleid.”
“Dus er schijnt niemand van dien naam hier in de stad te wonen. We zullen de oproeping nog eens plaatsen, en leidt dat tot geen resultaat, dan zullen we den brief ad acta leggen en aan Galway antwoorden, dat ...”
Een kloppen op de deur breekt zijn woorden af en doet hem “binnen” roepen.
’t Is Janus, de kantoorlooper, die met den hoed in de hand binnentreedt. Hij legt eenige dossiers op mijnheer Verhagen’s schrijftafel, met de woorden:Gerhard versus Kist—koud weertje, meneer,—Legalisatie Schomberg—hè! mijn vingers vallen haast af.—Agemaaanstaande week voor het hof.—Zes gulden vijf-en-veertig en een kleinen cent van Hopkamp—een brutale snuiter, meneer.—Een-en-dertig gulden zestig centen van den betaalmeester; vier-en-dertig centen af voor zegel.—Is het zoo niet akkoord, meneer?”
“In orde, Janus. Niets nieuws?”
“Neen, meneer. Ja toch; ’k heb casuweel gehoord, alsdat er voor een jaar of wat geleden in de Egelantiersdwarsstraat een zekere Klaas Makko heeft gewoond.”
“Zoo; en waar?”
“Dat dacht ik wel, dat u dat vragen zou, en daarom ben ik er meteen maar op uitgesnoven en heb eens geïnformeerd. De buren wisten er mij niets anders van te vertellen, dan dat hij boven het pandjeshuis van een zekeren Strijkman een kamer had bewoond, en dat hij het lirium had gehad en daarin gebleven was.”
“Zoo; dus overleden.”
“Toen ben ik bij den pandjesbaas gegaan,—Och, meneer, wat een droogstok van een vent, daar is meneer Krasser, met verlof gezegd, nog vet bij.”
Een onverstaanbaar gebrom en een toornige blik van den aldus gevleiden doen Keesje op zijn kruk heen en weer schudden, terwijl Van Blaak in zichzelven grinnikt: “die is goed.”
Met onverstoorbare kalmte vervolgt Janus:
“De pandjesbaas woont in het benedenhuis; het ziet er daar nog al wonderlijk uit; zoo’n echte hurriewinkel—een pan, zooals ze hier zeggen—van alles door elkaar. Afijn, dat hinderde mij niet: ik maakte een praatje en zei: “Rappeleert u je, dat hier een zekere Makko heeft gewoond?”—“Jawel,” zei hij; ”’t was wat een likkebroer; ’k ben nog geld aan hem te kort gekomen.” Toen vroeg ik: “Weet je ook of hij permetasie in Amerika had?” Hij dacht, dat het wel kon wezen, maar sekuur wist hij het niet.—Ziet u, meneer, die pandjesbaas bevalt me niet: hij heeft zoo iets raars in zijn oogen.”
“Dat interesseert me niet, Janus.”
“Dat interesseert uwé wel, met verlof; want ik geloof, dat die Strijkman er meer van weet, maar het niet zeggen wil.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Nou, meneer, ik kon niks meer uit hem krijgen en daarom liep ik de trap eens op en vroeg bij een paar vande buren. Niemand wist er iets van; het waren allemaal menschen, die er nog zoo lang niet woonden. Maar casuweel liep ik een juffrouw tegen het lijf, die me zei: “Ik ben er toevallig bij geweest, toen op de voorkamer de meester bij den dooie kwam, maar gekend heb ik hem niet; als je er meer van weten wilt, moet je maar eens naar juffrouw Ram gaan; een huis of drie verder in de straat heeft zij een winkeltje.”—Toen daar heen.”
“Maak een beetje voort, Janus! Je vertelt erg langzaam.—Cornelis, bemoei je met je werk.”
“’t Protest is af, meneer!”
“Zeg dat dan,” bromt Van Blaak, als hij hem over den lessenaar heen een ander blad ter overschrijving toereikt.
“Die juffrouw Ram wist er meer van en zei, dat die Makko een hondenscheerder was geweest en dat hij een heele knappe vrouw had gehad, maar dat die vóór hem gestorven was en dat hij later alleen met zijn zoontje had gewoond.”
“Hm! zoo; en dat zoontje?”
“Dat noemden ze in de buurt “krates”, omdat hij een bochel had. Juffrouw Ram zei, dat die jongen op den dag, waarop zijn vader stierf, was weggeloopen, en dat niemand wist waar hij gestoven of gevlogen was; en dat ’t wel apparentie had, dat de jongen te water was geraakt of zoo.”
“’t Is wel, dank je!... Je weet dus, summa summarum, nog niets.”
“Met uw verlof, meneer, dat is wat kras gezegd ; ik dacht nogal, dat ik...”
“Neem deze stukken en breng die naar den ontvanger van de registratie, dadelijk.”
Brommend keert Janus zich om, neemt zijn rosachtig schemerend hoofddeksel in de hand en vraagt bij de deur staande: “Nog iets van uw orders, meneer?”
“Dank je.”
Als hij de deur uitgaat, grijpt Keesje de gelegenheid aan om, onopgemerkt door zijn patroon, een leeg pennendoosje naar Janus’ hoofd te slingeren; het projectiel mist zijn doel niet; Janus steekt hem dreigend de vuist toe, Keesje toontJanus zijn tong en met een slag valt de deur dicht, zoodat Krasser een inktvlak uit zijn pen laat vallen en de procureur, het hoofd omwendend, “lomperd” zegt. Gedurende eenigen tijd krabben de pennen over het papier. Mijnheer Krasser heeft nu en dan een fluisterend onderhoud met zijn patroon en af en toe wordt Van Blaak in het gesprek gemengd. Van tijd tot tijd komen cliënten, die de kantoorschel in beweging brengen en daardoor aan Keesje de gelegenheid geven voor een oogenblik zijne zitplaats te verlaten, langer in het spreekkamertje te blijven dan noodig is en met een onverschillig gezicht de daardoor uitgelokte verwijten van Van Blaak aan te hooren.
De hangklok slaat het middaguur; de procureur staat van zijn schrijfbureau op en vraagt: “Is er nog iemand in de spreekkamer, Cornelis?”
“Neen, mijnheer.”
“Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken.”
Bedaard verlaat hij het vertrek, en als zijn voetstappen niet meer in de gang klinken, staat Keesje bij de deur, zet de borst vooruit, trekt zijn mond in een deftige plooi, en met onmiskenbaar talent zijns meesters spraak nabootsend, zegt hij tot de anderen:
“Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken.”
Van Blaak lacht luidkeels en zelfs Krasser grijnst.
De bloemen op de ruiten zijn èn door de heldere winterzon èn door de warmte van de kachel ontdooid en als door een vloeibaren sluier zijn de dik berijpte boomen en de besneeuwde huizen van den overkant der gracht zichtbaar geworden. ’t Is minder ongezellig in het kantoor en het wordt er zelfs behaaglijk, als juffrouw Bekker, de huishoudster, met een blad, waarop bordjes met brood en kommen koffie staan, verschijnt.
De geur der koffie verspreidt zich door het vertrek en werkt zoo opwekkend op Keesje, dat deze met één sprong de juffrouw nadert en haar de woorden ontlokt: “Je bent toch een akeligheid: altijd moet je iemand aan het schrikken maken.”
“Je hebt er geen suiker ingedaan. Waarom geef je de anderen suiker en mij niet? ...”
“Zeur niet, Keesje; neem nu je kop van het blad; er is suiker in.”
“Zoo? Nu, geef dien kop dan maar aan Van Blaak.”
“Zeg, wil jij wel van mijn koffie afblijven!”
“Cornelis geef me mijn broodje en mijn kop koffie, en houd de juffrouw niet langer op.”
“Och, meneer Krasser, die jongen is een plaag; ’t is iederen dag weer hetzelfde gezanik. Een mensch staat hier net voor mal.”
“Kijk dan toch uit, je morst er de helft weer overheen, ezel!” pruttelt Krasser, als Keesje het hem gevraagde in een behoorlijk hellenden stand toereikt.
“Is het nu gedaan? ’k Zal het aan meneer zeggen, hoor, naarheid!” knort juffrouw Bekker, als Keesje, na zich van het zijne te hebben voorzien, onder tegen het blad een slag geeft.
“Dag, juffrouw!”
Bons! de deur valt dicht.
“Je bent toch een traiter,” zegt lachend Van Blaak, intusschen zijn broodje verorberend. Krasser staat voor het venster en ziet naar buiten; met de eene hand brengt hij zijn kop koffie aan den mond en met de andere trommelt hij op de ruit. Keesje staat voor het andere raam en zegt eensklaps met vollen mond:
“Dat is een mooie jongen!” Snel veegt hij met de hand op het glas een plek schoon en herhaalt:
“Kijk eens, Van Blaak, wat een uitgedroogde stokvisch staat hier op de stoep.”
“Die man kijkt zeer onwelvoegelijk en brutaal naar binnen,” merkt Krasser aan.
“Ik geloof waarachtig, dat hij hier moet wezen.... Jawel, hij leest het naamplaatje.”
In de gang klinkt de huisschel. Keesje stormt naar voren en komt een oogenblik later weer binnen, terwijl hij neuriet: “Toen Pierlala lag in de kist.... Ik heb hem in het spreekkamertje gelaten; ’t is net de huisbaas uit de poppenkast.”
“Cornelis, ik verzoek je die onbetamelijke aardigheden op de cliënten van mijn patroon achterwege te laten; bovendien kan iemand aan zijn uiterlijk iets toe- of afdoen?”
“Ik kan het niet helpen, mijnheer Krasser; ’t is ook zoo’n grappige vent, en ik laat me villen, als het niet die pandjesbaas is, waar Janus van morgen van vertelde. U is er nog vet ...”
“Ga op je plaats en gedraag je behoorlijk.”
Cornelis had goed gezien: ’t was Philip Strijkman, die nu bij den procureur in het spreekkamertje zat te wachten. Toen den vorigen dag de kantoorlooper Janus in de buurt, waar de pandjesbaas woonde, onderzoek had gedaan, begreep de slimme vogel, dat er allicht op de een of andere wijze een sommetje uit te halen zou zijn. Hij had daarom met de meeste omzichtigheid op de tot hem gerichte vragen geantwoord en vermoedde niet, dat Janus bij juffrouw Ram was geweest. Het kwam hem hoogst gelegen, dat er ’s avonds iemand in het kantoortje verscheen, die nieuwsgierig vroeg: “Zeg eens, Strijkman, wat deed van morgen die looper van procureur Verhagen bij jou?”
“O! zoo, is ’t de looper van procureur Verhagen? Ik ken hem niet.”
“Hebben ze je nou eindelijk eens bij de kladden? Heb je misschien een pandje genomen, daar een luchtje aan is?”
“Neen,” was ’t antwoord, ”’t is een particuliere zaak...” en Strijkman had zich meteen voorgenomen zoo spoedig mogelijk naar den procureur te gaan, om te weten wat er eigenlijk aan de hand was.
Toen hij ’s avonds alleen in de binnenkamer zat, kwam hem de dood van den hondenkoopman voor den geest. Hij zocht een kistje, waarin hij allerlei papieren en kleinere voorwerpen van waarde had geborgen, en dat hij met zijn opgepotte geld zorgvuldig in een kleine ijzeren kist, in het zoogenaamde keldertje onder zijn kamer, weggesloten hield. Bij het schijnsel van de lamp spreidde hij den inhoud voor zich op tafel uit.
“Ha! daar hebben wij de paperassen,” mompelde hij,terwijl hij de papieren, die hij eenmaal uit Makko’s latafel had genomen, met oplettendheid bekeek. “Dat is de trouwakte—hier ’t geboortebewijs.—Hm! wie weet, wie weet! daar is misschien een aardig stuivertje aan te verdienen. Ik heb zoo’n idee, dat ze dien Makko zoeken, omdat er hier of daar vandaan duiten voor hem losgekomen zijn. Hè, hè, hè, hij zal er niet veel aan hebben, als het zoo is. Daar is de brief en het portretje; nu zal ik hem toch eens even lezen: ’t is altijd goed om op de hoogte te zijn; en het portretje,”—hij hield het bij ’t licht—“nogal een goed gezicht: hij lijkt wel wat op Makko. Waarachtig! hij lijkt er veel op; alleen schijnt hij donkerder van haar te zijn. ’t Kan best een broer zijn, best.” Hij draaide het portretje om. ”’t Lijstje is geen cent waard. Hé! daar staat iets achterop; ’t lijkt wel, of het door een kind is geschreven; ’t is onduidelijk. O,—o—oome!—ja dat staat er: “Oome.”
Met de handen onder het hoofd las hij met ingespannen aandacht: “Klengstown, 14 Mei 1860.... Hm! Klengstown? Waar ligt dat! Zeker in Amerika.—Waarde broeder!... Dat is allemaal gezanik, daar ik toch niets van begrijp. Wacht! nu zal het komen: ’t Is mij voor den wind gegaan, geld ontbreekt mij niet, ofschoon ik voor mijn zaken steeds meer noodig heb... Mijn vrouw is ziekelijk, teringachtig. Zooals gij weet, stierf mijn dochtertje verleden voorjaar.”
“Ha!, ik begrijp het al, zeker die vrouw toen doodgegaan, toen hij zelf doodgegaan,—de heele boel dood; en nu, als Makko niet dood was, kwam hij aan het erven. Wie weet wat een kluit geld zoo’n man heeft nagelaten!”
Hij las verder: ”’t Is altijd jammer, dat je niet mee bent gekomen; hier in Amerika is nog wel geld te verdienen... Schrijf mij toch eens terug; je hebt mij ook niet geantwoord op mijn brief, waarbij ik je vijftig dollars zond. Ik wil je nog wel eens wat zenden, maar ik ken je zwak en zeg nogmaals: den drank moet je laten, anders wordt die je ongeluk... Jawel, jawel, dat is net zoo. Wacht, hier onderaan”—hij leest: “Hoe gaat het met Dorus? Geef hem bijgaand portret; dan kan hij zien, hoezijn oom er uitziet; ik houd van het ventje; hij zal zich mij wel niet herinneren, want hij was maar vijf jaar, toen ik hem het laatst zag... Hm!—Vijf jaar.—Dus zes jaren lang was hij toen al weg.—Uw broeder Adriaan.”
Strijkman legde het papier op tafel, vouwde het weer in de plooien en zei in zichzelven: “De zaak is zoo klaar als een klontje; er zit een erfenis in Amerika; Makko is dood en niemand anders dan de “krates” zal er recht op hebben. Jongens, jongens, Strijkman! daar is in allen gevalle voor jou wat van te halen, als je het slim overlegt. Had ik het vooruit kunnen weten, dan zou ik dien jongen bij me hebben gehouden. Wat drommel! waar zou hij zitten? Op avontuur is hij dood.—Hè, als ik dat eens zeker wist.” Hij stond op, slofte met zijn handen in de zakken het kleine vertrek op en neer en begon te fluiten:
“Malbroek die vaart ten oorlog, en hij komt nooit weerom.” Kwam hij maar nooit weerom, dan was de zaak gezond; maar”—hij dacht na—“als de jongen nog leeft, gaat het niet. Hm! hm!... dan zit er toch nog wat voor je op, ouwe Philip!” Hij ging naar de tafel, trommelde met de vingers op de papieren, neuriede: “tiromtom tomme tomtijne, tiromtom tomme tomtom” en zei in zichzelf: “Hè, hè, hè! Dit is Dorus Makko, deze twee stukjes papier en deze brief zijn Theodorus Johan Makko, geboren te Amsterdam, op den 12den Januari 1849, en “krates” is niemand, hè, hè hè, hè, hè.” Hij lachte tot zijn roode oogen er van overliepen en wreef zich de knokkelige vingers, terwijl hij nogmaals de melodie van Malbroek floot.
“Jongens, jongens, Dorus! wat zul je moeten bloeden om die drie stukjes papier terug te krijgen, altijd als je nog leeft. Hoeveel zou zoo’n erfenis wel kunnen bedragen? Als het eens een ton was, hè! ’k Zal morgen dadelijk eens naar dien procureur gaan; ’k moet er het mijne van hebben; ’k zal het goochem aanleggen om wat te weten te komen, dat beloof ik je! En nu eerst die lieve papiertjes weer bij mekaar gedaan en den boel weer goed achter slot.—Tiromtom tomme tomtom!”
De oude pandjesbaas droomde dien nacht van een groote massa goud, die uit Amerika was gekomen. Tot aan zijn ellebogen woelde hij in de dollars, en “krates” stond er bij en kreeg niets,... niemendal!
Den volgenden morgen zocht hij zijn grijze overjas en een hoed van lage drukking op, deed, hetgeen voor hem een zeldzaamheid was, een halfhemdje voor; nam, hoewel het heerlijk droog winterweer was, een van de in pand gegeven parapluies onder den arm en begaf zich naar het kantoor van den procureur Verhagen, waar we hem hebben zien binnentreden.
Geruimen tijd heeft Strijkman in het spreekkamertje zitten wachten; hij heeft in zichzelven nog eens goed overdacht, wat hij doen en zeggen zal, en ziet eindelijk tot zijne vreugde de deur van de wachtkamer openen.
Keesje verschijnt, en met de woorden: “Wilt u maar binnenkomen,” gaat hij hem voor naar het kantoor.
De koffie is gedronken, de broodjes zijn verorberd en de pennen krassen weer over het papier.
Als hij binnentreedt, wendt de heer Verhagen even het hoofd om en zegt: “Cornelis, geef mijnheer een stoel!”
“O, dank u, meneer, het is niet noodig; doet uwé geen moeite, jongeheer!” antwoordt de oude man, maar neemt toch op den aangeboden stoel plaats.
“U heeft verlangd mij te spreken?”
“Om u te dienen, meneer de avekaat.”
“U is mijnheer Philip Strijkman?”
“Zooals u zegt.”
“Pandjeshuishouder in de Egelantiersdwarsstraat?”
“Met uw welnemen, dat is het woord niet. Ik heb een huis van verkoop met recht van wederinkoop.”
“Maar u leent toch geld op pand?”
“Tegen een zeer matige rente, meneer de avekaat.”
“Hm, hm!”
“’t Is een karig stukje brood. Wanneer men medelijdend van aard is, zooals ik, is het tegenwoordig geen winstgevende zaak.”
Cornelis ziet Van Blaak aan en lacht; zelfs Krasser kijkt even op, om kennis te maken met een medelijdenden pandjesbaas.
“Waarover wenschte u mij te spreken?”
Eenigszins verlegen antwoordt Strijkman: “Er is gisteren iemand vanwegens uw kantoor bij mij geweest, om naar een zekeren Makko, die op een bovenkamer bij mij in huis heeft gewoond, te informeeren.”
“Juist! En wat weet u van dien Makko?”
De kalme bedaardheid van den procureur doet Strijkman niet op zijn gemak zijn; hij antwoordt dus eenigszins haperend: “Ik, ik, hm! weet alleen, dat hij dood is.”
“Dat is niet veel. Heeft u den man goed gekend?”
“Jawel, meneer de avekaat; hij kwam zoo ’s avonds wel, eens bij me inloopen—’t was nogal een conversabel man—en dan rookten we samen een pijpje en...”
“En dronken samen een glas.”
“Excuseer, meneer! Ik gebruik hoogst zelden iets.”
“Die Makko anders wel, niet waar? Ik meen te hebben gehoord, dat hij zelfs in een aanval van delirium gebleven is.”
Daar had ik me bijna vergaloppeerd, denkt Strijkman: hij schijnt goed op de hoogte te zijn; ik moet uit een ander vaatje tappen. Hij vervolgt: “Och! meneer, omdat ’t zoo’n goeie vrind van me was, sprak ik er niet over—ja! dat was treurig; die drank, die drank weet wat! Ik heb hem wat dikwijls gewaarschuwd en gezegd: “Klaassie, Klaassie, dat gaat den verkeerden weg op met jou, man!” Maar ’t hielp niet.—’t Was anders een goede vent, meneer; hartelijk en vriendschaphoudend; hij heeft me wat dikwijls gezegd: “Strijkman, als jij zoo vaderlijk met me spreekt, dan ben ik een heel ander mensch.” O! meneer de avekaat, ik heb er zoo’n hartzeer van gehad, dat hij nog zoo akelig aan zijn eind is gekomen.” Hier haalt de pandjesbaas zijn bonten zakdoek uit en wischt zich de roode oogen.
“U schijnt dus nogal met hem bevriend te zijn geweest?”
“We waren, om zoo te zeggen, als twee broers. Kort voor zijn dood liet hij me een brief zien van zijn broer Janus uit Amerika; die schreef er ook nog over, en toen zei hij : “Strijkman, ik wou, dat ik het laten kon; ik wou, dat ik zoo matig was als jij.”—Die broer van hem, meneer de avekaat, dat was een net mensch.”
“Heeft u dien ook gekend?”
“Nog beter dan Klaas, meneer! Hij was een jaar of zeven in Amerika, toen de andere stierf. Ja! dat was een werkezel! Jammer, dat hij zoo’n teringachtige vrouw had en geen kinderen.”
De procureur ziet hem van ter zijde aan en denkt: “Je schijnt met al de omstandigheden goed bekend”; maar toch vraagt hij met een zeker wantrouwen in zijn stem: “Heeft u de oproeping in hetHandelsbladgelezen?”
Strijkman spert zóó verwonderd zijn oogen open en zet zoo’n dom eerlijk gezicht, dat Verhagen oogenblikkelijk overtuigd is; dat hij de oproeping niet kent. Daarom zegt hij tot Van Baak: “Wil u die oproeping even voorlezen.”
Terwijl Van Baak leest, glijdt een bijna onmerkbare vreugdetrek over Strijkmans gelaat. Niemand bemerkt het, en meewarig klinkt zijn stem, als hij antwoordt: “Och, is die goede Janus dood? Och! en kinderloos overleden. Dus het is zeker een erfenis, die Klaas zou gekregen hebben, als....”
De procureur valt hem in de rede door te zeggen: “Maar uw vriend Nicolaas Makko had toch kinderen?”
“Een zoontje meneer! Och! een hart van een jongen, maar een beetje speelsch en wild. Hij is op straat geloopen juist dien dag, waarop zijn vader stierf; en waar hij gebleven is, weet niemand. ’k Ben nog dikwijls heen en weer door de buurt gesjouwd om het kind te zoeken. Overal heb ik naar hem gevraagd, want ik had zoo’n medelijden met den stumper; ik was, om u de waarheid te zeggen, van plan geweest den jongen te benaderen.”
“Zoo, ei! was u dat van plan geweest?”
“Ja, meneer! en ik heb waarachtig alles gedaan watik kon om hem weerom te vinden; maar u begrijpt, zoo’n kind van elf jaar loopt weg—vindt zijn huis niet weerom—zwerft rond, en de goede God weet”—hier begint Strijkman weer te huilen—“of het arme schaap niet in het water is geloopen! Ach God, mijnheer, ’t was zoo’n lief jongetje, het is toch zonde!”
“En heb je nooit meer iets van hem gehoord?”
“Geen taal of teeken, meneer.”
“En heeft die Makko niets nagelaten, geen papieren?”
“Neen, meneer de avekaat. ’t Was bij hem, ’t spijt me dat ik het zeggen moet, een nakende boel; hij had in den laatsten tijd, zonder dat iemand het wist, alles zijn huis uitgebracht. O die ongelukkige drank! Voordat er iemand van de buren kwam, heb ik nog gekeken of er ook iets van waarde was in de oude latafel, die er nog stond, want ik dacht: “Je kunt nooit weten, als er onbetrouwbare handen aankomen...” maar er was niets in en op de kamer, anders niet dan een paar hondenhokken, die we tot brandhout hebben geslagen. Hij was van zijn vak hondendresseerder, weet u! De oude stoelen, die er waren, en het beddegoed heb ik maar gehouden voor de achterstallige huur.”
“Zoo! dus hij was u nog iets schuldig?”
“Afijn, meneer, laten we daar maar niet over spreken: de man is dood, en ik zal er zonder het geleende geld, dat hij mij nooit teruggegeven heeft, ook nog wel komen. Wat een jammer, dat die ongelukkige jongen niet te vinden is, want nu zou hij toch zeker moeten erven.”
“Waarschijnlijk.”
Een zonderlinge trek speelt om Strijkmans ingevallen mond en in zijn oogen gloeit een hebzuchtige vonk, als hij op schijnbaar onverschilligen toon de vraag doet:
“En is het nogal van belang, wat hij erven moet?”
Mijnheer Verhagen ziet hem met een heel klein, bijna onmerkbaar lachje om de lippen aan, terwijl hij antwoordt: “Mag ik u wel zeer bedanken voor de gegeven inlichtingen, mijnheer Strijkman? Ik ben u verplicht voor de moeite, om hier te komen, maar ik mag nu niet langer uw tijd inbeslag nemen.—Cornelis, wil je mijnheer even uitlaten!”
Werktuigelijk staat de pandjesbaas bij deze kalme woorden op, neemt zijn hoofddeksel en verlaat het kantoor.
Terwijl hij de gang doorloopt, denkt hij: “Nu ben ik nog even wijs; die man laat niets los.” ’t Prikkelt hem verschrikkelijk, dat hij niets te weten is gekomen, en hij waagt pogingen om Keesje uit te hooren, door te zeggen:
“Dat geeft zeker veel drukte, hé, jongeheer, zoo’n erfenishistorie?”
“Pas op het treedje in de gang. Ja, vooral als het zoo’n groote is,” antwoordt Keesje, die den lust niet bedwingen kan om den ouden droogstok, zooals hij hem in gedachten noemt, eens beet te nemen.
“Zoo! is ’t zoo’n groote?” vraagt Strijkman, met den deurknop in de hand.
Geheimzinnig steekt Keesje het hoofd vooruit en fluistert: “Een ton of vier!—Dag meneer!”—Strijkman staat op straat. Halfluid herhaalt hij in zichzelf vol verbazing: “Vier ton!”
“Vier ton!” Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat.
“Krates! met vier ton!” altijd door klonken hem die woorden in de ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan.
“Je bent een ezel geweest,” zij hij tot zichzelf; “had je toenmaals dien Dorus bij je in huis genomen, dan was ’t zoo klaar als een klontje geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was, en dan...”
Strijkman dacht over hethoeniet na; hij was bij al zijn geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. ’t Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij, indien hij de verpleger van den knaapwas geworden, op de voogdijschap het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram’s raad niet had opgevolgd en “Krates” had opgenomen.—Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten.
Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere ongelukkigen vóór hem. ’t Was tien tegen een, dat hij ooit weer te voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers in ’t water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek en... ’t Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood!
“Zóóveel geld!” steunde hij, “en geen cent zal ik er van zien. Ach! ach! wat een jammer! ’k Zou Dorusje op mijn handen hebben gedragen, als ik zijn voogd was geworden.”
’t Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben; hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies van den kleinen bochel.
Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen, of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. ’t Eenige wathij van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden:
“Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is.”
Ruim een half jaar is voorbijgegaan; ’t is zomer geweest, en de herfst is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze huis in de Egelantiersdwarsstraat; ’t is guur en winderig buiten, somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi.
Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat, wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap.
Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en eerst door een met gedempte stem geuit “goeden avond” opmerkzaam wordt.
“Wat wil u?” vraagt hij, even opziende.
“’k Wou vier gulden hebben op een doekspeld.”
“Zoo! Ik zal je helpen.—Hm! vier gulden? Dan moet ’t al een mooie speld zijn.” Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden:
“Laat ’k nu eens kijken!”
Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet.
“Krates!” zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lampgrijpt en omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien.
“Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! ’t Kind doet je immers niets,” bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen: “Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt.”
De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: “Word maar niet boos, juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat...” Hij voleindigt niet; want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door het hoofd: “Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates.”
“Kom! ’k heb geen uren den tijd; wil je nou ’t speldje zien of niet?”
“Dadelijk, juffrouw!”
De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: “Vier gulden, zei uwé?” Zijn oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen.
“Kun je vijf geven, des te beter!”
“Vijf? ’k Zou je danken; geen rijksdaalder.”
“Geef dan maar weer hier; ’t is een mooie doekspeld met een echt steentje.”
“Hm! hm! echt, dat is nog de vraag.” De pandjesbaas laat het kleine juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen, brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw, neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. “Hm! ’t kon toch wel een echt steentje wezen.” Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen het speldje en den jongen. ”’t Is ordinair goud.—Is dat je zoontje?”
“Ja! en wat zou dat?”
“’n Aardige jongen. Hoe oud?”
“Zestien jaar.—Hoe is ’t, geef je nou vijf gulden?”
“Vijf gulden? ’t Is te veel, moeder, ik kan ’t niet doen.—Hoe heet hij?”
“Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?”
“Och! ’k vraag ’t maar zoo, juffrouw; ik houd zooveelvan jongelui, weet u. ’k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer.”
“Leg toch niet te zeuren, baas: ’k moet vier gulden hebben op een maand terugkoop.”
“’t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!”
“Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen.”
“Gaan we nou haast heen, moeder?” vraagt de knaap, die tot nog toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt: “Is die jongen doof?”
“Doof? Nou, niet zoo’n klein beetje.—Hoe is ’t, moet ik nog langer wachten? Je bent erg taai van avond.”
“In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop voor vier-gulden-vijftig;—’k zal even het briefje schrijven.”
Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop schrijft, vraagt de oude man: “Hoe heet je?”
“Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven ’t water- en vuurhuis.”
“Zoo, ben je weduwe?”
“Al zeven jaar.—Maak toch voort.”
“Is dat je eenigst kind?”
“Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig,” antwoordt de vrouw op onwilligen toon.
“Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen, omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek; de stakker had ook zoo’n bochel. ’t Arme kind is weggeloopen...”
“’t Is wat te zeggen om zoo’n zoontje te hebben,” bromt de vrouw met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder de kin op de balie leunt. “Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom gegroeid,—er was niets aan te doen,—en hij is er onnoozel bij; verstand zit er niet in. Ach God, ’t is zoo’n stumperd, niet waar Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet.”
Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In éénminuut rijpt in zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap, als hij antwoordt: “Och, is hij onnoozel; dat is jammer!”
“’t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo’n wurm beginnen? Hij deugt nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, ’t is een doodeter. Och, voor een ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig, dat is waar, hoor.
—Heb je nu mijn briefje?”
“Ziedaar, juffrouw.”
“Goeien avond.—Zeg goeien avond, Kobus.”
De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel.
Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden.
’t Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw Juttner had juist zoo’n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,—en dan onnoozel en doof er bij. ”’t Kan niet mooier,” dacht Strijkman, terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te soezen... ’t Warrelde in zijn brein; hij overlegde: “Die vrouw schijnt wel handelbaar te zijn. “Sakkerloot! wat een bestiering, dat die jongen juist hier moest komen; de echte “krates” is dood;—natuurlijk is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, ’t kan niet mooier: de jongenisgevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus, Kobus-Dorus, ’t heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed op den roep “Dorus!” luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een buitenkansje. Met de papieren van den “krates” maken we van Kobus Juttner—Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dankrijgen we geld, hè, hè, hè, hè!” Hij grinnikte van pleizier en sloeg met beide handen op zijn deken.
Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde, als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht.
Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou, en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw Juttner op.
De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest, evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven.
Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet, ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte: “een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen.”
“Met zoo’n kind is je kost gekocht,” hadden de bedelaars van beroep, die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd, als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren.
Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan, als zij te rechter tijd bewogen wordt.
’t Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden.
Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad.
Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had, stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem:
“Is er wat met het speldje?”
Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: “Neen! neen! maar ik moet je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?”
“Kobus ligt in de bedstee en slaapt.”
“Hm! en als hij eens wakker werd?”
“Dan hoort de stumperd nog niets.”
“Zoo!—En de buren kunnen die niets verstaan, of...?”
“Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus...”
“Ik praat niet van dat lor,” antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel ging zitten. “Ik heb wat voor jou te verdienen!”
“Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van kramp op de maag, begrijp je? ’t Zal wat moois wezen, wat je hebt.”
“Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde, dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?”
“Hè?”
“Kun jij je mond houden?”
“Als ’t moet, ja; anders niet te best...”
Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld kwam bij hem op: “Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan weet zij....”
“Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?’”
“Jawel, maar....”
“Als ’t zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; ’k wil mijn vingers niet branden, versta je. ’k Verdien graag geld, maar....”
“Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven geborgen was, en jij er bij...?”
“Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij...”
“Jij weet nog niet wat ik kan,” grinnikte de oude, terwijl hij zijn magere knokkels wreef.
“Praatjes maken, dat kun je!”
“Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets zeggenwil....”
“Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij niets doet, of je moet er aan verdienen.”
“Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?”
“Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z’n barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?”
“Hij is onnoozel, hé?”
“Ongelukkig, ja!”
“Zou hij—hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?”
“Wat bazel je toch?”
“Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke jongen wordt, en....”
Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl zij fluisterend zei:
“Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!”
“Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen.”
“En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in ’t riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben.”
“Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij goochem bent en meedoet....”
“Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?”
Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve verzwijgend welke papieren hij in handen had.
Vrouw Juttner’s oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei:
“Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg je dat ik vrijloop, en Kobus ook.”
“Wat zou er van komen?”
“Je kunt niet weten: als ’t gesnapt wordt, dat wij—jij,” verbeterde zij snel,—“den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er misschien wat op; en daar zou ik voor passen....”
“Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij.”
“Dat’s gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat.”
“Des te beter.—Hm! ’t zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde; om de buren, weet je!”
“Misschien.”
“Ergens naar toe, waar niemand je kent.”
“Dat kost geld....”
“Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of schrijven?”
“Wel neen, hij is nooit op school geweest.”
“Zoo! dat is goed,—hè hè hè! heel goed.” Strijkman wreef zich in de handen.
“Dan moet hij er verder wat knapper uitzien....”
“Mooie dingen: waar haal ik ’t geld er voor vandaan ?”
“Ja, hm, dat’s lastig....”
“Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en....”
“Ho! ho! ’t geld groeit me niet op den rug.”
“En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch, ’t is lavas.... Wil je ?
“’k Dank je.—Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens te wagen.”
“Die niet waagt, die niet wint.”
“Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.—Och! God, zooveel geld.”
Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte met de woorden:
“Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee.”
Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze, waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te doen doorgaan.
Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid.
Ze werden ’t spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou gaan opzoekenen hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen.
Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken, voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde, dat “Krates” volstrekt geen idioot was geweest?
“Hij is gevallen en suf geworden,” zei Strijkman.
“Dat is te casuweel,” antwoordde vrouw Juttner; “ik weet beter: hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan mij over... ’t Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.—En nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus, als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen,” zeide de weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag.
“Dat zullen we later zien, juffrouw!”
“Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen, hoeveel.”
“Hm, hm! hoeveel dacht je?”
“Wat dacht jij?”
“Nou, ik wil ’t royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden er twintig hebben.”
“Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat’s te scheutig, Strijkman, dat neem ik niet aan.”
“Niet?” vroeg de pandjesbaas verwonderd.
“Waarachtig niet, dat doe ik niet.”
“Wat dacht jij dan, juffrouw?”
“We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft, annemekannememeesamen,1hoor!”
“Hè? Je dolt met me.”
“Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden.”
“Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan...”
“Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!”
“Vervloekte feeks,” bromde Strijkman tusschen de tanden; “als ik niet meedoe, krijg je niemendal.”
“Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw antwoord!
“En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van.”
“Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een aardigheidje voor overhebben om...”
“Hou je mond, vrouw Juttner,” riep Strijkman verschrikt uit; ”’t is goed, om de helft dan...”
“’k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!”
Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat stond, mompelde hij: “Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan...”
Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had.
“Een gare rot,” zei ze binnensmonds; “maar ik ben ook niet van gisteren, ’k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder geval, al komt er niets van de zaak; ’k houd hem toch aan ’t lijntje;” en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar zoon sliep.
De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; ’t weinige rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders.
Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed; zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend;
“’t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet,” zei ze. “Was hij toch maar doodgegaan, toen hij kwam.”
Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in zijn slaap: “Moeder.”
“’t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!” Zij trok de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. “Moeder” fluisterde hij nogmaals.
“Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!” Zij schoof een stuk karpet, dat opgerold onder ’t getornde hoofdkussen lag, wat dieper. “Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus.”
Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den grond uitgestrekt in.