“Mijnheer!“Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik, dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht.“Met achting,UEd. Dw. DienaarVerhagen, Procureur.”
“Mijnheer!
“Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik, dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht.
“Met achting,
UEd. Dw. DienaarVerhagen, Procureur.”
“Met achting Uedeles dienstwillige dienaar,” juicht de oude man bijna luid. “Dat zou hij niet schrijven, als hij geen dubbeltjes voor mij had gekregen. Vier ton! Halt! misschien is het enkel maar een voorschot! Dat doet er niet toe. In allen gevalle is het iets.” Hij sloft heen en weder door het kleine kamertje en wrijft zich in de magere handen, zoodat de dorre gewrichten knappen en kraken.
“Jongens, jongens, wat een zegen, dat ik nog niet met dat serpent getrouwd ben! Hè! hè! hè! hè! hè! wat zalik haar nu het land aanjagen. Al ging ze nu ook op haar knieën voor mij liggen, ik zou haar niet nemen. “Tirom tomtommetomtijne! tirom tomtommetomtom,” neuriet Strijkman, terwijl hij zijn stijve beenen op de maat van het bekende:Marborough s’en va t’en guerrebeurtelings opheft en weer neerzet, zoodat de vermolmde vloerplanken steunen.
Hij fluit, neuriet en bromt tusschen de tanden zijn lijfdeuntje en verkneukelt zich in de gedachte, dat hij eindelijk zijn doel heeft bereikt.
“Tiromtomtommetomtom! ’t Zal me benieuwen, hoeveel er losgekomen is.—Tiromtomtom!—Zou ik vrouw Juttner dadelijk ’t briefje laten lezen?... Blikslagers! als de jongen nu maar op zijn tellen past; hij zeit nog zoo dikwijls Kobus... Zij moet hem voor Donderdag nog eens goed onderhanden nemen.—Tirommetomtijne,—Als ik de duiten in handen heb, dan koop ik een huis—hm! altijd voor Dorus natuurlijk—op de Keizersgracht. Tirommetom..”
“Miauw! miauw!”
“Zoo, poes! ben jij daar weer? Heb je honger? Ja, je krijgt ook wat van den baas. Daar dan, daar heb je een beetje water en wat brood, poes! Ja, jij krijgt ook wat van de erfenis, hè! Een halsband met belletjes.” Handenwrijvend gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt de kat grijnzend aan. De pandjesbaas is geheel en al vervuld met het denkbeeld van de vier ton, die hem volgens zijn meening nu niet meer ontgaan kunnen. Hij maakt in gedachten allerlei plannen, en het komt zelfs niet bij hem op, dat de echte Dorus Makko wel eens kon zijn te voorschijn gekomen.
De procureur Verhagen, die door de toevallige ontmoeting met Dorus op het concert van Polyhymnia den naam Makko had gehoord, was door het daaropvolgend gesprek met dokter Abels tot de overtuiging gekomen, dat de ware erfgenaam de jonkman was, dien hij op dien avond had hooren spelen. Alles, wat hij van dokter Abels vernomen had, kwam overeen met hetgeen Strijkman hem had verteld,tot op één punt na, namelijk de verdwijning van den knaap en zijn opneming door vrouw Juttner. Er was voor den procureur weinig scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen, dat hij met een paar oplichters te doen had, en ’t kostte geringe moeite om te doorzien, welken weg het tweetal op wilde. In overleg met dokter Abels had hij besloten den pandjesbaas nogmaals te ontbieden, om hem de papieren van Dorus afhandig te maken.
Zedelijk waren zoowel Verhagen als dokter Abels overtuigd, dat Dorus de ware erfgenaam was, maar wettig was het niet te bewijzen, evenmin als het overtuigend bewijs kon geleverd worden, dat de papieren, die Strijkman onder zich had, aan Dorus toebehoorden.
In allen gevalle moest de identiteit van Dorus Makko voldoende bewezen worden. Maar door wien? De eenige, die dit kon, was Strijkman zelf, en natuurlijk zou deze zijn best doen om het tegendeel vol te houden. Er moest dus met overleg en slimheid gehandeld worden. Dokter Abels had zich bereid verklaard als voogd van Dorus op te treden en de erfenis, die in waarheid slechts een kleine twintig duizend gulden bedroeg, te beheeren, totdat Dorus meerderjarig zou zijn.
Een confrontatie van Strijkman met Dorus was het eenige middel om tot den gewenschten uitslag te komen, en derhalve had de procureur aan dokter Abels voorgesteld op den bepaalden Donderdag ten zijnen kantore de komst van den pandjeshuishouder en zijn medeplichtigen aan het bedrog vrouw Juttner en haar zoon, af te wachten.
Dorus’ overhaast vertrek uit Tournels woning, waarvan hij zijn beschermer slechts met een paar haastig geschreven regelen had kennis gegeven, hadden dit plan evenwel doen uitstellen, totdat de jonkman weer uit Brussel zou zijn teruggekomen.
De dokter, die volstrekt niet vermoeden kon, waarom zijn jeugdige beschermeling zoo eensklaps was vertrokken, had naar Brussel geschreven en den stelligen wensch uitgedrukt, Dorus op den bepaalden dag te Amsterdam teontmoeten, evenwel zonder eigenlijk de redenen te vermelden, waarom hij hem wenschte te spreken.
“Ik begrijp niets van uw overhaast vertrek, nu drie weken geleden,” schreef hij: “gij zijt mij daaromtrent nog altijd eene opheldering schuldig, die ik u verzoek mij dan te komen geven. Ik zal u aanstaanden Woensdag in hetHôtel des Pays-Basverwachten. Reken er op, dat gij een paar dagen, misschien langer, zult moeten blijven, in uw eigen belang; uw toekomst hangt er gedeeltelijk van af...”
Toen Dorus dien brief ontving, kwamen hem de woorden uw “toekomst hangt er gedeeltelijk van af,” geheel en al duister voor. In den gemoedstoestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevond, werd hij door allerlei denkbeelden bestormd. Zou Tournel geraden hebben, dat hij Augusta liefhad? Was het mogelijk, dat zij voor hem gevoelde, zooals hij voor haar? Zou hij verkeerd hebben gezien, dat die blonde jonkman haar hart bezat? Zijn hoofd duizelde. ’t Warrelde in zijn brein en de hoop streed in zijn ziel tegen zijn verstand. Hij schaamde zich nu, dat hij zoo onbekookt en onnadenkend had gehandeld, en durfde nauwelijks zijn weldoener onder de oogen komen.
Wat zou deze hem wel zeggen, hoe zou hij hem ontvangen en wat moest hij wel antwoorden aan den man, aan wien hij zoo oneindig veel verschuldigd was?
Gedurende den langen weg van Brussel aan Amsterdam maakte hij honderd plannen. Nu eens besloot hij ronduit alles aan dokter Abels te zeggen, dan weer zocht hij een geldige reden voor zijn verdwijnen te vinden, maar telkens stuitte hij daarbij op onoverkomelijke moeielijkheden.
Eindelijk stond toch het besluit bij hem vast, alles ronduit te zeggen, hoe moeielijk ’t hem ook vallen zou.
’t Is Woensdagavond. In een der ruime kamers van hetHôtel des Pays-Basbrandt een knappend vuur in den open haard; een carcel-lamp verspreidt een aangenaam zacht licht door het vertrek en over de tafel, waarop een flesch wijn en een paar glazen staan.
In een gemakkelijken fauteuil zit dokter Abels; tegenover hem, met de handen op de leuning van een stoel gesteund, staat Dorus. Hij is bleek en zenuwachtig.
Vriendelijk vraagt dokter Abels: “Je bent dus zoo even aangekomen?”
“Ja, dokter!”
“Je bent vermoeid, dat kan ik aan je zien; ga zitten.”
Dorus plaatst zich zwijgend tegenover hem in een stoel.
De vriendelijke oogen van den dokter vestigen zich met een ernstige uitdrukking op Dorus’ gelaat. Er ligt in den blik, waarmede hij zijn beschermeling aanziet, een zacht verwijt, als hij vraagt:
“Wat heb ik gedaan, Dorus, dat ik je vertrouwen niet meer bezit?”
“U, dokter?”
“Ja, ik. Luister eens, beste jongen. Je hebt me gegriefd door die plotselinge vlucht; ik gebruik met opzet dat woord, want je overhaast vertrek mag bijna dien naam hebben. Waarom ben je niet bij mij gekomen, om mij te zeggen, wat er gebeurd is, op of na het bal van Polyhymnia?”
Dorus zwijgt verlegen.
“Is ’t waar, Dorus, wat juffrouw Barbara zegt: Ben je toen ’s nachts dronken tehuis gekomen, en is ’t omdat je je daarvoor schaamdet, dat...?”
“Dronken, dokter, ik? Dat’s onwaar, geheel onwaar.” Een gloeiend rood van verontwaardiging kleurt zijn wangen. Als een weerlicht vliegt hem de gedachte door ’t hoofd: “Ook dat nog: dronken! denken ze—en Augusta zal ’t gelooven!” Met vaste stem herhaalt hij: “Dat is gelogen!”
“Ik geloof je; ’t doet me genoegen, dat ’t niet zoo is. Maar wat bewoog je dan, om....”
“Om zoo overhaast heen te gaan? Och, dokter, zie mij niet zoo uitvorschend aan; ik wil u, hoe moeielijk ’t mij ook valt, alles zeggen;—maar lach mij niet uit.”
“Waarom zou ik je uitlachen?”
“Omdat!... Omdat!... Ik weet het niet...” en plotseling zijn stoel met een ruk naar dien van den dokterschuivend, vat Dorus met beide handen de rechterhand van zijn beschermer, en terwijl hij die krampachtig drukt, zegt hij dof: “Omdat ik zoo diep ongelukkig was en nog ben...”
“Wat zeg je daar: diep ongelukkig, jij, en dat na ’t succes van dien avond? Ik begrijp je niet!”
Een oogenblik zwijgt de jongeling, maar een aanmoedigend: “Kom jongen, spreek! Wat drukt je?” doet hem moed vatten en blozend zeggen: “Augusta!”
Even, bijna onmerkbaar, glijdt een fijn lachje over het gelaat van den dokter en een zeer zacht “Aha!” ontglipt zijn mond.
“’k Heb haar lief, o, zoo lief!” zucht Dorus, en droef laat hij er op volgen: “maar zij mij niet. Hoe zou ze ook, mij een.... bochel, een...”
“O, wringt de schoen daar!.. Maar vriendlief,hoekon je zoo dwaas zijn om...?”
“Om te denken, dat zij...?”
“Neen! om heen te gaan....?”
“Om heen te gaan? Och, dokter, nu voel ik, dat ’t een dwaasheid was, maar ik had ook zooveel geleden in dien nacht; ik zag, dat zij een ander liefheeft en....”
Medelijdend ziet dokter Abels hem aan, als hij antwoordt:
“Er zijn meer lieve meisjes in de wereld, Dorus. Troost je; je bent nog zoo jong, dat....”
“Hoe kunt u dat zeggen, dokter! Moet men dan eerst oud zijn om lief te hebben?”
“Dat niet, Dorus, maar...”
“Maar ik zal nooit meer eene andere kunnen lief hebben, nooit! dat weet ik zeker.”
“Wees kalm en redeneer.”
“Liefde redeneert niet, dokter; dan is het geen liefde. Ze is plotseling in mij ontgloeid, ontvlamd als een vuur, en ik voel, dat het mij verteert, maar...”
“Denk eens bedaard na.”
“Dat kan ik niet! ik heb nog nooit iemand zoo liefgehad, nog nooit heb ik zoo iets ondervonden; ik zou alleskunnen opofferen, alleen om haar mijn vrouw te mogen noemen. En toch kan dat niet! kan dat nooit!”
Dorus begint hartstochtelijk te weenen, hij houdt de handen voor het gelaat en bemerkt dus niet, dat dokter Abels hem medelijdend glimlachend aanziet.
“En dan te moeten zien, dat een ander die gelukkige is; te moeten zien, hoe zij... O! ik zou dien man kunnen vernielen!” Plotseling balt hij de vuisten, heft ze omhoog en schudt ze zoo dreigend, dat de dokter hem verschrikt aanziet en zegt: “Je bent jaloersch, arme Dorus!” In zichzelven denkt hij: “Welk een hartstocht!”
“Ik kon het niet langer aanzien; ik zag, dat hij gelukkig was, en ik... ik stond daar en mij zag men hoogstens meelijdend aan. Vervloekte bochel!... Toen ben ik heengegaan, noem het gevlucht, als u wilt; gevlucht, ja, maar voor mijzelven.”
Weer slaat Dorus een oogenblik de hand voor de oogen; hijgend ontsnapt de adem aan zijn borst en afgemat leunt hij eindelijk in den stoel, waarin hij bij de laatste woorden weer heeft plaats genomen.
Oplettend slaat de dokter elk zijner bewegingen gade en onwillekeurig komt de gedachte in hem op: die vulkaan moet gebluscht worden, anders verteert hij hem zonder genade, lichamelijk en geestelijk. Hij wacht een oogenblik voor hij opstaat en, vriendelijk de hand op Dorus’ schouder leggend, tot hem zegt: “Je bent nu niet vatbaar voor redeneering.”
“Neen! o, neen.”
“Luister eens, mijn jongen. Ik ben ook zoo geweest als jij, ik heb ook geleden, gehoopt en gewanhoopt, evenals iedereen dat op zijn beurt doet in het leven: maar mijn goede vader, heeft mij steeds weer tot kalmte gebracht door zijn bedaardheid. Zie! ik wou, dat ik dat bij jou ook kon. Mijn jongen is dood, Dorus; ik beschouw jou als mijn zoon, niet waar, dat weet je wel? En daarommoetje naar mij luisteren. Kom, word nu eens bedaard. Je houdt immers van me, je vertrouwt me. En...”
Eensklaps grijpt Dorus met beide handen die van den dokter en drukt er zijn lippen op. Een diepe zucht ontsnapt zijn borst; hij buigt even het hoofd en richt het daarna met een ruk op, als schudde hij iets van zich af.
Een oogenblik ziet hij dokter Abels met vochtige oogen aan, en deze laat hem tijd om tot bedaren te komen.
“Tracht je nu te beheerschen, want ik moet je over een andere, voor jou zeer gewichtige zaak spreken. Kom, wees man en luister oplettend naar ’t geen ik je zeggen zal.”
“Dokter, ik ben bedaard.”
“Goed! ga dan rustig zitten en vertel mij eens: wat kun je je herinneren uit je eerste jeugd, van je vader, van je moeder, van je huis? Herinner je je den ouden Strijkman nog?”
Deze vragen geven afleiding aan Dorus’ gedachten. Hij ziet verwonderd zijn ondervrager aan en antwoordt:
“Zeker, ik herinner mij alles.”
“Ook dat je een oom hebt in Amerika?”
“In Amerika? Een broer van vader?”
“Juist.”
“Dat weet ik niet zeker meer.—Maar wacht eens!.. Ja! ik herinner mij toch wel, dat ik eenmaal een brief heb gezien, die...”
“Heb je nooit papieren gehad? Weet je niet, of je vader ze had?”
“Papieren? Wel zeker, nu komt het mij op eens in de gedachten: er waren verschillende papieren, die... O, nu staat het mij in eens duidelijk voor den geest, ze waren in de latafel; Strijkman nam ze mee.—Maar, dokter, wat beteekenen die vragen? Wat wil men van mij?”
“Die oom van je in Amerika is gestorven en heeft geld nagelaten aan je vader.”
“Mijn vader is immers dood!”
“Maar jij bent zijn erfgenaam en daarom komt dat geld jou toe! ’t Is een kapitaaltje, dat...”
“Dus zou ik rijk worden, ik?”
“Rijk, neen, dat is het woord niet, maar...”
“Wat zou ik ook met veel geld doen,” zegt Dorus weemoedigglimlachend. Mijn brood kan ik overal verdienen, dank zij uwe goedheid, en meer heb ik toch niet noodig.”
In korte woorden verhaalt dokter Abels aan Dorus wat de procureur Verhagen met hem heeft besproken; hoe de vrekkige pandjesbaas alle mogelijke moeite aanwendt om de erfenis machtig te worden, en hij eindigt met de woorden:
“We zullen in de eerste plaats zien, of we jou identiteit voldoende kunnen bewijzen, en ten tweede, of we dien ouden schurk en zijne dame een poosje vrij logies kunnen verschaffen.”
Intusschen is voor Dorus’ geest het beeld van zijne kindsche jaren opgerezen en ’t is hem alsof hij weer de striemen, die Strijkman hem eenmaal met de hondenzweep sloeg, voelt branden. Geheel zijn droevig verleden komt hem in de gedachten en met vaste stem zegt hij tot dokter Abels: “Stel mij tegenover Strijkman, dokter, en gij zult zien, dat ik hem klein krijg; we hebben nog een oude rekening te vereffenen.”
De Donderdagmorgen is daar. Op het kantoor van den procureur Verhagen krassen de pennen niet sneller of langzamer dan gewoonlijk. De heeren Krasser en Van Blaak zijn even te voren door hun patroon genoegzaam ingelicht over hetgeen weldra gebeuren zal, en Keesje, die intusschen van jongsten bediende klerk werd, is er trotsch op, dat ook hij deelgenoot is geworden van het plan, dat de heer Verhagen en dokter Abels, ingelicht door Dorus zelven, maakten om Philip Strijkman c. s. in de val te krijgen. Hij zit op zijn hooge kruk te popelen van ongeduld.
“’t Is juist een kolfje naar mijn hand,” denkt hij, “en als hij door de mand valt, zal ik hem nog eens ferm de huid volschelden,” zegt hij in stilte.
“Laat Janus eens even hier komen; waar is hij?” zegt de heer Verhagen, die voor zijn bureau zit.
“Hij zit in de keuken zijn boterham te eten, meneer.”
“Roep hem hier!”
Een oogenblik later staat de looper, met den hoed in de hand, voor zijn patroon.
“Wat is er van uw orders, meneer?”
“Heb je die juffrouw Ram nu gevonden?”
“Jawel, mijnheer; ’t is een heele toer geweest: ze woont al sedert een jaar of derdehalf niet meer in de buurt, en..”
“’t Is goed. Zal ze komen?”
“Jawel, meneer; ze had er eerst geen fiducie in. “Ik heb nooit iets met de heeren van ’t gerecht te doen gehad,” zei ze, en ze begreep niet, wat u van haar wou; maar toen ik haar vertelde, dat er...”
“Dank je voor ’t overige. Ga, voor meerdere zekerheid dat zij komt, nog eens naar haar toe, om haar te herinneren, dat ze tegen halftwaalf hier dient te zijn.”
“Bestig, meneer!”
“Je hebt gisteren bij dokter Abels een paar malen boodschappen gedaan en dien jongenheer gezien, die bij hem logeert niet waar?”
“Om u te dienen, meneer!”
“Heb je in zijn tegenwoordigheid ook iets van juffrouw Ram gezegd, of haar naam genoemd?”
“In ’t geheel niet!”
“Goed; je kunt gaan.”
“Morgen, meneer!”
Tot Van Blaak en Keesje zich wendend, vervolgt de procureur: “Wanneer dokter Abels en dat jongmensch komen, verzoekt u hen beleefd zoolang op de bovenvoorkamer te wachten. Als juffrouw Ram komt, laat u haar in ’t spreekkamertje en zorgt, dat zij alleen blijft. Hebt ge dat begrepen?”
Van Blaak en Cornelis antwoorden bevestigend.
“Meneer Krasser, wil u zorgen, dat wij niet gestoord worden. U kunt alles behandelen, wat er komt.” Krasser draait zijn hoofd om en knikt met de pen tusschen de lippen, terwijl hij een brief dichtlakt.
In juffrouw Juttner’s kamertje zit Strijkman in zijn gewone zondagsche pak met zijn onafscheidelijke parapluie tusschen de knieën, en de weduwe, alias juffrouw Blommers, geeft haar zoon Kobus nog, zooals zij het noemt, een pil in, door te zeggen:
“Nou niets vragen of zeggen, alleen antwoorden, hoor je?”
“Ook niet zeggen van Dorus, moeder?”
“Dorus, zoo heet je immers. En hoe nog meer?” vraagt Strijkman.
“Makko.”
“Goed, heel goed.”
“Maar waarom heet ik nou Makko?”
“O, kristenzielen! wat een os, wat een stommerd. Als hij dat dáár zegt, loopt alles mis.”
“Hij zal z’n eigen wel stilhouden, Strijkman, maak je maar niet benauwd. Wat ben jij toch voor een kerel, ba!...”
“’t Is kwart voor elf... we moeten gaan. Zeg, Dorus, zul je je goed houden?” vraagt Strijkman nog eens. De parels van angst en zenuwachtigheid staan op zijn voorhoofd.
De onnoozele jongen ziet hem wezenloos aan en vraagt: “Niemendal zeggen?”
“Hou nou asjeblieft op met zeuren, Strijkman; je bederft er meer mee dan je goedmaakt,” zegt vrouw Juttner, terwijl zij met de anderen de straat opgaat.
Onder weg bespreken zij nog het een en ander en staan eindelijk op de stoep bij Verhagen.
’t Slaat elf uren. “Ringelinggeling,” klinkt de huisschel.
Keesje springt op van zijn kruk en fluistert nog even tegen Van Blaak: “Daar zullen ze zijn.”
De procureur, die het schellen eveneens heeft gehoord, staakt de lectuur van het stuk, dat hij onder handen heeft, en zegt. “Laat ze op het zaaltje en blijf in het kamertje er naast, totdat ik schel...”
“Best, meneer!”
“Ga nu maar opendoen!”
Uitermate beleefd en vriendelijk wordt het drietal door Keesje aan de deur ontvangen en met de woorden: “Wilt u maar zoo goed zijn en op het zaaltje komen; mag ik u maar voorgaan?” wijst hij hun den weg naar de opkamer achter de gang.
Strijkman en vrouw Juttner wisselen een veelbeteekenenden blik, als zij binnentreden. Keesje geeft hun stoelen.
“Neemt u zoolang plaats, asjeblieft; ik zal mijnheer dadelijk waarschuwen, dat u er is.”
Als de klerk zich verwijderd heef, ziet Strijkman om naar de deur, staat op, opent die op een kiertje en ziet oplettend in de gang; niemand ziende gaat hij weer zitten en fluistert: “Zeg! dat’s andere thee, hoor! Zoo heeft hij ons nog nooit ontvangen!”
“’k Weet niet, Strijkman, maar ik ben niets op mijn gemak: ’t is me nu al te mooi.”
“Ben je dol. Waarom?”
“Dat weet ik niet, maar ik heb zoo’n idee, dat....” Verder komt zij niet, want de procureur treedt binnen, legt het dossier, dat hij in de hand houdt, op tafel en neemt met een kort “goeden morgen” tegenover hen in een armstoel plaats.
Allen zwijgen, alleen Strijkman schraapt zich de keel en hoest achter zijn rooden zakdoek.
“Ik heb u verzocht hier te komen, ten einde nog eens over de erfenis van Dorus Makko te spreken.”
“Juist, meneer.”
“Er is lang en breed overleg toe noodig geweest, om in deze zaak eenig licht te verkrijgen. We hebben dat nu, en alles kan geregeld worden, wanneer u voldoende de identiteit kunt bewijzen van dit jongmensch, dien u noemt Dorus Makko, den wettigen zoon van Nicolaas Makko, in leven hondenkoopman te Amsterdam.”
Strijkman heeft reeds de hand in den zak gestoken en grijpt uit gewoonte naar de papieren, maar hij trekt haar ledig terug, en op de weduwe Juttner wijzend, zegt hij: “Juffrouw Blommers heeft ze.”
“Wat?”
“De pampieren, de bewijzen, meneer!”
“O ja, daar wilde ik u juist om verzoeken. Heeft u alles bij u, juffrouw?”
“Jawel, meneer de avekaat. Ziet uwé, hier is het geboortebewijs; dat is de trouwakte, en hier heb ik den brief en ’t portretje. Asjeblieft.”
“Dank u.” De heer Verhagen neemt de papieren aan,ziet ze vluchtig in en legt ze onder zijn bereik, naast zich, op tafel.
“Is ’t zoo in orde, meneer?” vraagt Strijkman.
“Die papieren, ja,—de zaak, neen. Zou u er een eed op kunnen doen, dat dit jongmensch de zoon is van Nicolaas Makko?”
Met het vroomste gelaat van de wereld antwoordt de pandjesbaas: “Een eed? Met liefde, meneer! Met liefde! Twee zelfs!”
“Dus u is er volkomen zeker van?” Verhagen fronst even de wenkbrauwen.
“’k Wou, dat ik zoo zeker was van de honderdduizend, meneer.”
“En u, juffrouw, zou u er ook een eed op kunnen doen?” vraagt de procureur met nadruk.
Eenigszins verward door de omgeving, de strenge blikken van den procureur en vooral door de woorden van Kobus, die juist “moeder, mooi hier, hé?” zegt, stottert zij: “Ja, ja, ziet u-u uwé, een eed...” En zich herstellend, vervolgt zij op vaster toon: ”’k Heb ’t kind zoo van de straat opgenomen, en ik ga alleen op hem af, weet u. Strijkman heeft de pampieren gehad en herkon dadelijk den jongen, begrijpt u? Dus... die... pampieren...”
“Die papieren zijn volstrekt geen bewijzen, in ’t minst niet.”
“Wâblief?” vraagt Strijkman verschrikt.
“Een geboortebewijs en een trouwakte kan iedereen op het stadhuis doen lichten. Alleen de brief zou een bewijsstuk kunnen worden, wanneer...”
“Ja juist, die brief en ’t portretje,” grinnikt de pandjesbaas.
“Is er niemand buiten u, die den zoon van Makko zou kunnen herkennen? Een van de vroegere buren bij voorbeeld?”
“Och, meneer! wie zou dat moeten zijn! En bovendien als ik uwé nou op mijn woord van eerlijk, braaf mensch verzeker, dat hij het is... Ik zal me toch zoo niet bezondigen, meneer, om een valschen eed te willen doen.” Strijkman verdraait zijn oogen, zucht en zet een gezicht als een catechiseermeester.
“Men heeft mij verteld, juffrouw, dat dit ongelukkig jongmensch niet de zoon van Makko, maar uw eigen zoonis.” Verhagen ziet juffrouw Blommers scherp en uitvorschend aan.
“Wa-wa-wa-t-zz-zegt u daar?” De weduwe verschiet van schrik, maar herstelt zich spoedig en lacht. “Hè! hè! hè! dat ’s grappig; nou zouën ze mij nog een kind willen oplasteren; hè hè! hè!” Zij wischt zich van angst haar slapen en voorhoofd.
Strijkman is eveneens hevig geschrikt, maar begint ook quasi hartelijk te lachen en grinnikt: “Waar halen de menschen de leugens vandaan! En wie heeft dat gezegd, meneer de avekaat?”
De heer Verhagen ziet het tweetal eenige oogenblikken doordringend en zwijgend aan, vóór hij, op elk woord nadruk leggend, antwoordt: “Wie? Eenvoudig een jongmensch, iemand die zich bij mij heeft aangemeld als rechthebbende op de erfenis van...”
Een vale bleekheid verspreidt zich eensklaps over Strijkmans gelaat, zijn lippen beven en zijn oogen gaan rusteloos heen en weer. “Dorus is niet dood, maar teruggekomen”, die gedachte schiet hem bliksemsnel door ’t hoofd. Een siddering gaat door zijn geheele lichaam, en hoewel hij zit, knikken zijn knieën en zwikken zijn enkels, terwijl zijn handen zich zenuwachtig openen en sluiten.
Als een jammerlijke verschijning, die in elken gelaatstrek schuld verraadt, zit hij daar, en juffrouw Juttner tegenover hem denkt: “Hij krijgt er wat van! Hij krijgt er wat van!” Ook haar is een rilling door de leden gevaren, maar zij houdt zich goed en tracht zelfs te glimlachen.
Intusschen heeft Strijkman zijn zelfbeheersching teruggekregen. Hoewel nog bleek en eenigszins onvast van stem, antwoordt hij, zich tot een heesch lachen dwingend: “Hè! hè! hè! hè! dat is wel aardig, dat is casuweel.”
“Moeder,” vraagt fluisterend Kobus, die al dien tijd stil op zijn stoel is blijven zitten: “Moeder, heet ik nou Makko?”
“Stil toch,” antwoordt vrouw Juttner even zacht, maar uiterst angstig, dat hij nog meer zal zeggen. “Hou je mond dan toch.”
Hoe zacht die woorden ook gesproken zijn, toch heeft deprocureur ze verstaan, en daarom richt hij nu ’t woord tot den ongelukkigen idioot. “Wat zei je daar?—O ja, ’t is waar, hij is immers doof?”
“Och heere ja, meneer!”
“Kom eens bij mij.” De procureur wenkt hem tot zich.
“Kobus gaat om de tafel heen en staat nu naast den heer Verhagen, die hem zeer luid vraagt: “Jij heet Dorus, is ’t niet zoo?”
“Makko.”
“Zoo!”
Vrouw Juttner en Strijkman herademen op dat woord.
“Dorus Makko?”
Zijne moeder vragend aanziende, zegt de aangesprokene op doffen toon: “Nou niets zeggen, hé?”
“Ga jij maar weer zitten; ik begrijp genoeg.—Hoor eens, baas Strijkman, ik zal maar niet langer omwegen maken; jij bent een oude schurk, en zij is je medeplichtige. Je zoekt mij met je beiden een rad voor de oogen te draaien. Deze jongen isnietde zoon van den hondenkoopman, maar..”
Strijkman heeft intusschen al zijn kalmte teruggekregen, neemt zijn toevlucht tot onbeschaamdheid en antwoordt:
“Dat zal u me dienen waar te maken, meneer de avekaat; al ben ik maar een burgerman, daarom ben ik toch niet in de wereld om mij te laten uitschelden voor schurk; en ik zal het verder zoeken om...”
“Wees bedaard, goede vrind: ik weet zeer goed, wat ik zeg. Ik herhaal: de echte Dorus Makko is gevonden en...”
“Och! wat uwè zeit! Kan hij dat bewijzen? Heeft hij pampieren?”
“Neen.”
“Nou, dan staat het nog te bezien, wie liegt: hij of ik.
“Ik zou wel eens willen zien, wie de brutaligheid heeft om te zeggen, dat deze jongen niet Makko’s zoon is.”
“Daar zal ik je dadelijk gelegenheid toe geven.” De procureur schelt en onmiddellijk daarop verschijnt Keesje in de geopende deur.
“Verzoek de heeren binnen te komen.”
“Best, meneer!”
Vrouw Juttner tracht tevergeefs met Strijkman een paar woorden te wisselen, want onafgebroken vestigen de oogen van den procureur zich op haar en op haar zoon.
Strijkman ziet strak voor zich, totdat de deur weder geopend wordt en dokter Abels gevolgd door Dorus, binnentreedt.
Als deze Strijkman ziet, glijdt een bijna onmerkbaar lachje over zijn trekken, maar het verdwijnt, als hij Kobus Juttner bemerkt, die hem nieuwsgierig en onnoozel aankijkt.
Dorus ziet den dubbelganger medelijdend aan. De weduwe begrijpt plotseling, dat alles reddeloos verloren is, en staat op, als wilde zij heengaan. Zij wenkt haar zoon, om ook op te staan.
“Blijf zitten, juffrouw!”
Strijkman ziet Dorus onbeschaamd aan en zegt plotseling:
“Je kunt zeggen, wat je wilt, maar bewijzen kun je niets.”
“Misschien toch wel,” zegt Dorus glimlachend.
“Waar zijn je pampieren?” vraagt Strijkman brutaal en verward tevens.
“Die zul jij wel hebben met het goed van vader, dat je uit de latafel hebt genomen op dien avond.”
“Ik weet van geen latafel.”
Het is alsof door den aanblik van den ouden pandjeshuishouder de herinnering bij Dorus hoe langer hoe levendiger wordt, en de dag, waarop zijn vader stierf, komt hem akelig duidelijk voor den geest.
“Jij hebt mijn papieren, en niemand anders!”
“Zijn ze dit?” vraagt de procureur, terwijl hij Dorus de stukken, die op tafel liggen toereikt.
Dorus ziet ze in en antwoordt: “Ja, meneer! dit is mijn geboortebewijs en de trouwakte van mijn ouders. Dien brief ken ik niet; ten minste ik herinner mij den inhoud niet.”
“Aha!” waagt Strijkman te zeggen.
“En dit portretje,” vraagt de heer Verhagen, hem de photographie voorhoudend.
“Dat ken ik wel, dat is van mijn oom, vaders broer.”
Als de onnoozele Kobus, die tot dusverre, schijnbaar zonderdeel te nemen in ’t geen voorvalt, is blijven zitten, het portretje ziet, staat hij op en zegt, er op wijzend: “Oome, oome!” en fluisterend: “Is ’t zoo goed, moeder?”
Bij het woord “oome” is het alsof Dorus zich plotseling iets herinnert; hij brengt de rechterhand aan zijn hoofd, denkt een oogenblik na, als zocht hij in ’t vèr verleden, en zegt dan: “Ja! zoo is ’t:Oome!”
Verwonderd ziet de procureur hem aan. Hij houdt nog altijd het portretje in de hand en keert het om, als Dorus zegt: ”’k Herinner ’t mij, meneer! Dat staat er op; ik heb er als jongen met potlood ’t woord ”oome” op geschreven.”
“Dat’s sterk!” Verhagen beziet aandachtig de rugzijde van het lijstje en het blauwe papier, waarmee het beplakt is. “Het staat er, je hebt gelijk. Zie, dokter, dáár, met potlood; bijna uitgewischt, maar ’t is toch nog te lezen.”
“Wat zeg jenu, baas Strijkman?”
Deze haalt de schouders op en zwijgt; maar dat zwijgen is een halve bekentenis, want hij siddert en zijn knieën knikken.
“Komaan, baas Strijkman, ik zou in uw plaats maar de waarheid bekennen; je ziet, het helpt je niet om te willen volhouden, dat...”
Een kloppen op de deur doet den procureur even ophouden en “binnen” roepen.
“Meneer, de juffrouw beneden heeft haast; zij verzoekt beleefd, of u haar ook te woord kunt staan?”
“Laat haar binnenkomen.” En weder ’t woord tot Strijkman richtend, vervolgt de heer Verhagen:
“Wij hebben medelijden met u, omdat ge een oud man zijt, en geven u de gelegenheid, om hier, zonder met het gerecht kennis te maken, de waarheid te bekennen. Of wilt ge soms liever, dat wij er den officier van justitie in mengen?”
Vrouw Juttner zit op heete kolen en is op ’t punt om iets te zeggen.
“Weet u wel, dat er eenige artikelen in ons strafwetboek zijn, gericht tegen poging tot bedrog en oplichting, tegen’t wederrechtelijk zich meester maken van eens anders naam of goed?”
Opnieuw klopt men aan de deur, en als zij op het “binnen” van den procureur geopend wordt, verschijnt juffrouw Ram op den drempel.
Nauwelijks heeft Dorus haar gezien, of hij herinnert zich ook haar persoon en naam; en op haar toetredende zegt hij: “Dat is juffrouw Ram, als ik mij niet vergis.”
Allen zwijgen. Verwonderd blijft de vrouw staan, ziet hem oplettend aan en verbreekt de stilte door te zeggen: “Krates!—Och, neem me niet kwalijk, meneer, dat viel daar zoo klakkeloos uit mijn mond. Uwé is Dorus, Dorus Makko, is ’t niet zoo? Heere! heere! wat ben je veranderd, maar ik ken je toch direct weer....”
“Door mijn bochel, hé?” Glimlachend ziet Dorus haar aan en voegt er bij: “Daar is hij toch goed voor.”
Juffrouw Ram knikt en laat er op volgen: “Ik dacht, dat je al lang dood was.—Hé! daar is Strijkman ook.”
Wil u even gaan zitten, juffrouw?” En tot dokter Abels zich wendend, zegt de procureur zachtjes: “Ziezoo, dat was het bewijs, dat ik voor mezelf noodig had; nu is de zaak gezond!”
Juffrouw Ram’s woorden en haar tegenwoordigheid hebben den pandjesbaas geheel en al van zijn stuk gebracht, en vrouw Juttner, die begrijpt dat alles verloren is, begint onder een vloed van tranen de toedracht der zaak te verhalen. Zij bekent alles en eindigt met te zeggen: “Ach God! meneer de avekaat, ik heb ’t waarachtig alleen gedaan, omdat ik voor dien stakker een onbezorgd bestaan dacht te krijgen; die ouwe schelm hield niet op, omdat mijn Kobus zoo op dien daar leek.”
“Niet huilen, moeder, niet huilen,” roept eensklaps de onnoozele.
“Serpent,” sist Strijkman binnensmonds.
“We zullen nu verder de zaak maar in handen der politie geven, dunkt u niet, dokter?”
“Och, neen, meneer, kijk eens naar dien ongelukkigen jongen en heb medelijden!” smeekt de weduwe.
“Politie?” vraagt juffrouw Ram verwonderd.
“En wat zeg jij nu, baas Strijkman?”
“Doe wat je niet laten kunt, meneer!” Bevend laat hij zich op zijn stoel vallen.
“Mijnheer Verhagen, mag ik u een verzoek doen?” vraagt Dorus.
“Zeker!”
“Laat de politie en het gerecht buiten spel,—niet om dien ouden schelm, maar om hem;” hij wijst op Kobus.
“Wil je een verklaring onderteekenen, dat je dit jongmensch herkent als Dorus Makko, den zoon van Nicolaas Makko, en dat deze papieren zijn wettig eigendom zijn?”
“Ben ik dan van alles af?”
“Wanneer hier dokter Abels, die als voogd voor den minderjarige zal optreden, de zaak niet verder wil zoeken, ja! Anders....”
“Nou, anders?”
“Zal ik het gerecht in den arm nemen, en....”
“Geef maar hier, ik zal teekenen.”
“En u, juffrouw Ram, kan u ook in gemoede, desnoods door een eed bevestigen, dat deze hier Dorus Makko is?”
“Met pleizier, meneer. Maar ik begrijp er eigenlijk niets van, en als u ’t niet kwalijk neemt, zou ik wel willen, dat....”
“Dus u teekent ook?”
“Graag, meneer; maar ik wou wel eens hooren, wat...”
“Later, juffrouw, later!”
Met verbeten woede, maar angstig en bevend onderteekende Strijkman de verlangde verklaring. En toen hij eindelijk uit des procureurs mond de woorden: “Nu kun je heengaan; bedank de heeren, dat zij geen gevolg aan de zaak geven,” vernam, greep hij zijn hoed en verliet zonder een woord te zeggen de kamer, gevolgd door vrouw Juttner en haar zoon, die, omdat zijn moeder huilde, het van den weeromstuit ook deed.
Toen Keesje hen uitliet, kon hij niet nalaten hem toete voegen: “Dat is je niet meegevallen, ouwe droogstok!”
Op straat gekomen, gaf de pandjesbaas zijn hart lucht door een stroom van verwenschingen tegen den procureur en Krates.
De weduwe Juttner liep met hem mede, totdat hij, zich nijdig tot haar wendend, vroeg: “En wat moet jij?”
“Wat ik moet? Denk je me nu zoo aan mijn lot over te laten?”
“Wel wis en waarachtig.”
“Kun je dat over je hart verkrijgen; ik heb je toch trouw geholpen.”
“Loop naar de hel!”
“Strijkman!”
“’k Heb niets meer met je te maken.”
“Strijkman! ik waarschuw je....”
“Jou dreigementen gaan mij niets meer aan. Ruk uit!’ Je hebt me geld genoeg gekost voor niemendal. Hè! hè! hè! hè! dat heb ik er ten minste bij gewonnen: van jou ben ik af; jij maakt mij niets, niemendal meer, geen lor!”
“Och! och! had ik hem toch maar getrouwd,” zuchtte vrouw Juttner, toen zij weer op haar kamer was. “Ik zou hem wel kleingekregen hebben. Kom hier, Kobus ; kom hier, stumper. Doe je nog maar eens te goed, voordat alles op is; daar heb je een stuk koek... Arme stakker, wat moet ik nou met je beginnen? Ach! ach! ’t eindje zal de Ommerschans nog wezen!”
Na het gebeurde ten huize van den procureur Verhagen had het weinig moeite gekost om de zaak der erfenis voor Dorus in orde te brengen.
Toen alle formaliteiten vervuld waren en dokter Abels tot voogd was benoemd, bleek de erfenis de som van ongeveer negentien duizend gulden te bedragen.
“’t Is een mooi kapitaaltje,” zei de dokter tot Dorus, vóór deze weer naar ’t conservatoire vertrok; “zoodra ikhet geld in handen heb, zal ik ’t zoo goed en zeker mogelijk voor je beleggen.”
Zwaarmoedig en droef gestemd nam Dorus afscheid van dokter Abels. De Tournels had hij niet weergezien; over Augusta sprak hij niet, en toch dacht hij meer dan ooit aan haar, maar als aan een verloren geluk.
Vier jaren zijn vervlogen, met al hun lief en leed.
Dorus was, na zijn studiën op het conservatoire te Brussel te hebben voleindigd, op reis gegaan, om iets van de wereld te zien. ’t Geërfde kapitaaltje, dat dokter Abels voor hem beheerde, stelde hem in staat zich onafhankelijk en vrij te kunnen bewegen, en ’t was in ’t bijzonder voor zijn verdere ontwikkeling als kunstenaar van groot belang, dat hij zich niet bepaald aan ééne plaats bond, of in ééne richting bewoog.
Hoewel hij intusschen meerderjarig geworden was, had hij aan dokter Abels verzocht zijn geld te willen blijven beheeren, en deze had zich gaarne daartoe bereid verklaard.
Ofschoon dokter Abels zijn beschermeling in de vier jaren, die na het voorgevallene op het kantoor van den heer Verhagen verloopen waren, niet had gezien, was hij met hem in voortdurende briefwisseling geweest en daardoor op de hoogte gebleven van al zijn doen en laten. Dorus’ brieven ademden steeds een geest van dankbaarheid jegens zijn weldoener, maar waren meestal zwaarmoedig getint, terwijl nu en dan een aardige zet of een satirieke zinsnede bewezen, dat hij fijn opmerkte en geestig wist weer te geven wat hij ondervond en zag. “Hooggeschatte dokter,” schreef hij in een van zijn laatste brieven, “ik schrijf u dezen uit Berlijn, zooals u aan het postmerk reeds gezien zult hebben. Waarschijnlijk verwondert het u, want nog kort geledenhad ik het genoegen, uit Parijs, u over mijne omstandigheden een en ander te berichten. De reden, waarom ik mij thans te Berlijn bevind, is deze: ik ben op weg naar Rusland, naar de stad der Czaren. Mij dunkt, ik zie u verwonderd opkijken en hoor u in gedachten zeggen: wat moet hij dáár doen? Ik zal ’t met korte woorden uitleggen. Zooals u weet, was ik, nadat mijn contract met den Kur-director van Homburg afgeloopen was, een tijdlang bij het orkest van den impressario Dubillard als concertmeester geëngageerd. Het toeval wilde, dat op een avond onze solist Majôsz, een Hongaar, ongesteld werd en zijn solo, die herhaalde malen geannonceerd was, niet kon spelen.
“Dubillard was woedend, ongelukkig, radeloos, zooals alleen een opgewonden Franschman, vooral eenchef d’orchestre, die zijn publiek ongaarne teleurstelt, kan zijn.
“Je suis au comble du désespoir,” riep hij uit; “il me faut absolument ce solo!...”
“Geef iets anders,” zei ik.
“Mais nom d’un nom! quoi donc; le public ne vient que pour ce solo,—le solo de Majósz!”
“Misschien verwondert het u te lezen: “Le solo de Majôsz.” Laat ik u even uitleggen, wat hij eigenlijk daarmede bedoelde. De Hongaar, ontegenzeglijk in de techniek een meester van den eersten rang, speelde namelijk Hongaarsche volksmelodieën, waarop hijad libitumphantaseerde. Gewoonlijk droeg hij zijn eigen compositie voor, maar meestal hield hij zich niet bepaald aan de geschreven noten en improviseerde naar hartelust. Zijn spel had iets wilds, phantastisch en melancholisch,—men zou ’t kunnen noemen iets zigeunerachtigs,—dat vooral den Parijzenaars scheen te bevallen enthe great attractionvan Dubillard’s concerten was. Geen wonder dus, dat onze impressario zich diep ongelukkig gevoelde.
“Ik moest waarlijk lachen om de ongelukkige uitdrukking van zijn gezicht en stelde hem voor in plaats van den Hongaar te spelen.
““Et vous pensez, que vous en viendrez à bout?”
““Je m’en flatte,” antwoordde ik.
““Mais il me faut le solo de Majôsz.” Hij stampvoette, om klem aan zijn woorden te geven.
““Je le jouerai!”
““Tiens! c’est trop fort ça,” de man keek mij aan alsof hij zeggen wilde: “Wat verbeeld jij je wel?”
““Enfin,” zei hij, “essayez!”
“Om kort te gaan, ik speelde, en... beste dokter! ik durf zeggen, ik speelde goed; ik had reeds herhaalde malen Majôsz hooren spelen en kende de Hongaarsche melodieën, waarop hij improviseerde en varieerde, vrij wel van buiten. Ik zal dien avond nooit, nooit vergeten; mijn ijdelheid was geprikkeld; het publiek, dat ik voor mij had, inspireerde mij, en ik liet mijn phantasie den vrijen teugel. U weet het, dokter, ik heb van die oogenblikken, dat ik gelukkig speel; welnu, zulk een oogenblik had ik op dien avond. Men applaudisseerde en juichte mij toe, en... Dubillard riep: “C’est piramidal! Il faut, que je vous embrasse, jeune homme!”
“Ik schonk hem volgaarne die omhelzing en keerde tevreden en gelukkig naar mijn logies terug.
“Gelukkig!” schreef ik daar. Mijn beste, vaderlijke vriend; u weet het best, hoe ik dat bedoel: mijn kunst is mijn geluk, en door haar zoek ik te vergeten, dat ik niet anders gelukkig mag zijn. Wonderlijk! Altijd wanneer ik aan u schrijf, is het mij alsof er een inwendige drang in mij is om nog eens en nog eens weer naar haar te vragen, die altijd in mijn gedachten leeft. Is zij reeds getrouwd? Gelukkig getrouwd? Vergeef mij, dat ik u telkens weer over haar schrijf, maar gij zijt ook de eenige, die mij begrijpt, die fijn genoeg voelt, om te weten, dat ik niet vergeten kan. Van u hoorde ik, dat zij geëngageerd was en dat zij misschien spoedig een gelukkige vrouw zou zijn. De gedachte daaraan is mij ondraaglijk, en het is mij onmogelijk die te verbannen. Ik weet, dokter, gij lacht niet om mijn woorden, want gij gevoelt, dat er oogenblikken zijn, waarin men behoefte heeft om over een verloren geluk te spreken; ’t is alsof dat verlichting geeft en de herinnering er aan minder bitter wordt.Ik heb na mijn vertrek niets anders van haar gehoord, dan hetgeen u mij over haar schreef. Alleen verleden jaar, in December, berichtte mij Tournel het overlijden van juffrouw Barbara. Zij ruste in vrede, een verdiende rust, omdat zij die op aarde niet vond, evenmin als den vrede, die nooit haar element was. Wanneer u mij weer eens schrijft, zult u mij genoegen doen, door mij iets omtrent de Tournels te melden.
“Mais revenons à nos moutons.... Majôsz’ solo is numijnsolo geworden, want de prikkelbare Hongaar verklaarde, na mijn optreden, zijn engagement met Dubillard als geëindigd te beschouwen.
“Terrèmtètè!” vloekte hij, “chamais moi chouer encore pour fous après le solo du possu!”
“Ge ziet het! zelfs een Hongaar kan ik mijn rug niet laten zien, zonder dat hij nijdig wordt. Wonderlijke speling der natuur, die mij te veel ruggegraat voor mijn lengte gaf!
“Dubillard, die misschien anders zou gesproken hebben, wanneer ik niet geslaagd was, zei nu: “A bas la Hongrie! Vive la Hollande!” en engageerde mij in plaats van Majôsz. Hij heeft verbintenissen aangegaan te Petersburg, Moskou, en verder te Berlijn en te Weenen. Mij dunkt, het zal uwe goedkeuring wegdragen, dat ik zijn voorslag heb aangenomen om mede te gaan; ik zal u op de hoogte houden van mijn reizen en trekken, en hoop u, wanneer mijn engagement bij hem afgeloopen is, persoonlijk te komen overtuigen, dat ik, hoewel ik voor de muzikale wereld en het publiek thans Monsieur Makkoszch heet (Dubillard maakte deszchtot een der voorwaarden van het contract) voor u steeds ben en blijf.... uw dankbare beschermeling, Dorus Makko.”
Dorus was dus de wereld in. Dokter Abels zag met zelfvoldoening op zijn werk, want herhaaldelijk bleek het uit de nieuwsbladen, die de jonge kunstenaar hem uit den vreemde toezond, dat “Théodore Makkoszch” opgang maakte; en Tournel ontving geregeld van den dokter dezelfdekranten, die telkenmale den ouden muziekmeester trots deden zeggen: “Dat’s een leerling van mij, Guustje; wat zeg je ervan? Die Dorus wordt nog een beroemd man.”
Bij Tournel in huis was niet veel veranderd. Sedert Barbara’s dood had Augusta de teugels van het huiselijk bewind in handen genomen, en al trok zij ze misschien minder strak aan dan de overledene, toch ging alles even geregeld als vroeger zijn gang. Reeds twee jaren lang was zij geëngageerd met den candidaat-notaris Brouwer, “den blonden krullebol”, zooals Tournel op den avond van Polyhymnia’s uitvoering hem noemde.
Of Augusta in haar engagement gelukkig was?
Wie kan zeggen, wat een meisjeshart gevoelt, welke voorwaarden en welke eischen het stelt aan het geluk; en wie kan bepalen, welke idealen het zich schept?
Ware Brouwer een man geweest, die in ontwikkeling en verstand boven Augusta stond, dan zou zij gevonden hebben, wat zij zich had voorgesteld. Maar!.... hij was een goede jongen, die zonder eigen oordeel, met veel vooroordeel, bureaucratisch opgevoed en gevormd, zich als vanzelf richtte naar de openbare meening en ’t onuitstaanbaar vond, dat men hem op de sociëteit herhaaldelijk vroeg: “Hoe is ’t, Brouwer, wanneer hooren we nu eindelijk wat van je?” of: “Zal het nu haast gebeuren?”
Augusta daarentegen had een gemoed, vatbaar voor plotselinge indrukken, een artistieke natuur, aangeboren talent en een vlug begrip. Zij had zich aangetrokken gevoeld door Brouwers hoffelijke manieren, zijn goed uiterlijk en de voorkeur, die hij haar boven anderen schonk: ’t prikkelde haar ijdelheid, dat zij de uitverkorene was. Hij had haar gevraagd, en zij had “ja” gezegd.—Zij had zich geëngageerd, en haar vriendinnen hadden haar onder elkander, op de kleinsteedsche reputatiemoordende theekransjes, luide beklaagd, omdat er geen vooruitzichten waren, maar haar in stilte benijd, totdat ook bij haar iemand kwam, die ’t jawoord vroeg en kreeg, met of zonder vooruitzichten.
Al spoedig werd het Augusta duidelijk, dat zij in Brouwerniet vond, wat zij in den man harer keuze dacht te vinden.
Zij kon niet tot hem opzien, hij stond met haar op gelijken trap, neen! zelfs een trede lager in geestesontwikkeling. Zij kon met hem dansen,—voortreffelijk dansen,—met hem lachen, gekscheren en babbelen; hij sloeg alleraardigste complimentjes; maar met hem spreken, van gedachten wisselen, kon zij niet. Idealen schiep hij zich niet; ’t was een proza-mensch van de ergste soort; hij ontgloeide voor niets, maar werd ook over niets boos. Zijn humeur was uitmuntend, en grootvader Tournel vond hem “een charmanten jongen.”
“’t Zal een model huisvader en echtgenoot zijn, Guustje,” zei Tournel herhaaldelijk tot zijn kleinkind, dat dikwijls een licht geeuwen niet kon onderdrukken, als Brouwer ’s avonds afscheid had genomen. Guustje zweeg dan en zuchtte.
Twee jaren duren lang, maar dubbel lang, wanneer de strengste aller tijdmeters “de verveling” den maatstaf begint aan te leggen.
Reeds herhaalde malen had Augusta het voornemen gehad, om met Brouwer te breken, maar eensdeels zag zij op tegen de klepperende tongen der bemoeizieke kleinstedelingen, anderdeels vond zij geen eigenlijk geldige reden. ’t Was duidelijk te bemerken, dat zij er onder leed; zij werd stiller en meer in zichzelve gekeerd dan vroeger, enkele malen zelfs kregel en ontevreden van humeur, zoodat haar grootvader bezorgd vroeg: “Scheelt er wat aan, mijn kind? Hindert je iets?”
Met kracht poogde zij zich tegen het onaangename gevoel te verzetten, dat haar meestal ontstemde, als Brouwer er was, maar tevergeefs, ’t werd al sterker en sterker en eindelijk geheel ondragelijk.
Brouwer was meer egoïst, dan hij zelf wel geloofde, en beschouwde misschien zonder het eigenlijk te weten zijn meisje en haar “tehuis” als zijn toevluchtsoord! Hij begon langzaam aan zijn omgang met Augusta als een gewoonte te beschouwen en kon er zich uitmuntend in schikken, datzij nu en dan een avondje bij vriendinnen doorbracht, terwijl hij den ouden grootpapa gezelschap hield.
Men sprak er in ’t stadje over, dat Brouwer en Augusta zoo koeltjes en kalmpjes waren als een paar, dat hun koperen bruiloft al lang achter den rug heeft.
“Veel liefde en weinig trek,” zei menig ervaren huismoeder, als zij het paar te zamen zag; maar niemand sprak luid zijn meening uit, omdat het in een kleine stad veelal de gewoonte is te fluisteren en men elkander daarom toch evengoed hoort.
Eindelijk brak Augusta het ijs, dat tusschen haar en Brouwer lag, door te zeggen:
“Grootpapa, ik houd het niet langer uit!”
“Wat niet, Guustje?”
“Mijn engagement!”
“Groote goedheid! kind, wat zeg je?”
“Ikkanniet met hem trouwen.”
“Maar, Guustje!”
“Ik sterf van verveling! ’t Is me een schrikbeeld, dat hij ’s avonds komt.”
“Hoe is ’t mogelijk, zoo’n knappe jongen, zoo’n lief uiterlijk!”
“Grootpapa! ik wou, dat hij leelijk was, maar... verstandiger...”
“Dat meen je niet!”
“In vollen ernst; ik merk dagelijks, dat wij niet voor elkander passen: hij is een goed, braaf mensch; ’k geef gaarne toe, dat hij alle deugden heeft, die een goed echtgenoot moet hebben, maar...”
“Wat wil je dan nog meer? Hij is niet opvliegend... niet driftig... niet slecht van humeur... niet...”
“Hij is vervelend, grootvader, een man zonder eigen oordeel, zonder doorzicht en geest, en dit is erger dan alles... Wij vervelen elkander, dat is duidelijk en klaar. O God! o God! wat voel ik mij ongelukkig.”
“Maar, beste meid, wat wil je dan doen?”
“En te denken, dat men zijn geheele leven zoo zoumoeten voortsukkelen,—Ja! voortsukkelen! anders is het niet... Ik wil liever alles doen wat ik kan, mijn eigen brood verdienen, les geven, dan met hem trouwen.. Och, grootpapa! geef mij raad: hoe zeg ik hem het best, dat ik...?”
“Dat je van hem afziet... Hm! ja, dat is een onaangenaam geval; ’t zal hem verschrikkelijk spijten. Hij was hier nu zoo heelemaal thuis en burger. Ik zal hem ook missen: hij speelt perfect écarté, bepaald fijn; hij is een nette jongen en....”
“Wel mogelijk, grootpapa, en misschien ben ik in uw oogen wispelturig of vreemd, maar ik kan niet, waarlijk niet. Beter ten halve gekeerd, dan geheel gedwaald. Ik heb het twee jaren lang uitgehouden... een eeuwigheid is ’t geweest....”
“Wat zullen de vrienden en bekenden er van zeggen?”
“Dat is mij onverschillig; daar ben ik al overheen. Misschien zal ’t mij eerst onaangenaam zijn, hun spotachtige lachjes te moeten zien, maar ik weet wat ik doe... Wanneer Brouwer en ik trouwen, worden twee menschen doodongelukkig!”
“Je was toch eens erg verliefd op hem, Augusta.”
“’k Zal niet ontkennen, grootpapa, dat ik in den beginne hem graag mocht lijden; ik geloofde zelfs, dat ik hem liefhad; nu begrijp ik, dat tusschen liefhebben enverliefdzijn een hemelsbreed onderscheid ligt.”
“’t Is jammer! doodjammer! Zoo’n knappe man! Hij heeft bepaald een aristocratisch gezicht en een mooi figuur en...”
“Maar hij is dom! Ziedaar! dat is het, wat mij hindert.”
“Dom? Nu, nu!”
“Onbeduidend dan, als ge dat beter vindt. Ik zou hem nooit kunnen liefhebben als mijn man, omdat ik hem niet achten kan als mijn meerdere, omdat ik mij niet zwak en nietig gevoel tegenover hem. Dat gevoel wilikhebben tegenover den man, dien ik voor mijn leven moet kiezen. Hij moet mijn steun zijn, ik moet tot hem opzien, ik wil mij klein gevoelen, niet boven, zelfs niet met hem gelijkstaan. Wanneer ik dat gevoel bij Brouwer ondervond, grootpapadan zou ik met vreugde zijn vrouw worden, al was hij ook zoo leelijk als de nacht, of al was hij mismaakt, een bult..”
“Als Dorus!” viel de oude heer Tournel eensklaps in.
Plotseling overtoog een purperen gloed Augusta’s gelaat. Die woorden: “als Dorus”, deden haar in den geest de groote, bruine, zwaarmoedige oogen van Dorus zien, die haar menigmaal zoo verstandig en innig hadden aangekeken. Zij herinnerde zich op eens dien balavond: ze had met echt vrouwelijk instinct destijds dadelijk begrepen, waarom hij zoo overhaast haar woning had verlaten. Toen had zij een oogenblik gevoeld, dat hij haar liefhad, en zij was er van geschrikt, omdat zij wist, dat Dorus begrepen had dat zijn mismaaktheid hem in den weg stond.
Het speet haar voor hem, ’t deed haar leed, maar zij trachtte zichzelve wijs te maken, dat zij er onverschillig onder was. Toen Brouwer geruimen tijd daarna met haar geëngageerd was, ondervond zij een teleurstelling door de ervaring dat haar uitverkorene eigenlijk niets meer was dan een schoon gevormd, oppervlakkig beschaafd, alledaagsch mensch.
De herinnering aan Dorus werd hoe langer hoe levendiger, en menigmaal had zij reeds in stilte vergelijkingen gemaakt tusschen Brouwer en hem. Vergelijkingen, die wel is waar in den beginne ten voordeele van den lichamelijk beter door de schikgodinnen bedeelden uitvielen, maar die later, en misschien ook al spoediger dan zij zichzelve wilde bekennen, niet in Dorus’ nadeel waren.
Maar een bult! En bovendien... hij had immers nooit iets gezegd en er zelfs nooit op gezinspeeld, dat hij haar liefhad!—Toch wist Augusta, dat ’t zoo was, ten minste dat het zoo geweest was, en daarom kleurde zij zoo sterk bij Tournels woorden.
“Dus je besluit staat vast om met hem te breken?” vervolgde deze.
“Ja, grootvader!”
“Bedenk wat je doet; ik word oud, ik voel mij in den laatsten tijd zwak en weinig opgewekt; de lessen worden minder; de menschen zeggen: “Tournel raakt op,” en zehebben gelijk,” zei de oude man, weemoedig glimlachend. “Wanneer ik er niet meer ben, sta je alleen op de wereld, en...”
“En kan, Goddank, met les geven mijn brood verdienen. Heb ik nu al niet een goed aantal élèves, en...? Och grootvader! martel mij niet langer met al die tegenwerpingen. Ik heb alles overwogen en gewikt, en ben besloten mijzelf niet ongelukkig te maken. Ach! leefde nicht Barbara nu nog maar! Die zou mij wel geholpen hebben om het hem te zeggen.”
“Dat zou ze zeker, maar ik zal het ook; van avond nog zal ik met Brouwer spreken.”
Tournel deed, zooals hij beloofd had, en maakte zich van te voren reeds zenuwachtig, omdat hij de uitwerking van zijn woorden op Brouwer vreesde; maar ’t ging veel beter en gemakkelijker dan hij gedacht had, want de candidaat-notaris antwoordde doodkalm op hetgeen Tournel zei:
“’k Heb het wel zien aankomen; wij passen niet zoo recht bij elkaar, maarikwilde de eerste niet zijn en geen aanleiding geven, dat men later zou kunnen zeggen: hij heeft haar als passe-temps gehad, zoolang hij daar in dat stille stadje was.—Ik hoop, dat zij later iemand vindt, die haar beter past.”
De grijze muziekmeester was verontwaardigd. “Als passe-temps!” dat was te erg; hij bleef bedaard, maar kon zijn toorn niet bedwingen.
Brouwers koelheid en kalmte evenaarden, neen overtroffen die van Augusta; en toen zij van elkander afscheid namen, scheidden zij als goede vrienden, zonder den minsten wrok. Zij waren elkander vreemd gebleven, en daarom ontknoopte zich zonder smart of lijden een band, die slechts schijnbaar twee harten had verbonden, omdat de ziel den knoop niet had gelegd.
“Je hebt toch gelijk, Augusta,” zeide de oude man, “je hebt gelijk! Ik heb hem nooit goed gekend...”
Natuurlijk was het verbroken engagement van Augusta Tournel een alleraangenaamste stof voor de babbelende burgers. Men beklaagde haar, men beoordeelde of veroordeeldehaar, al naarmate men tot haar vrienden of niet behoorde. Brouwer had een paar ellendige dagen op de sociëteit, en daarna ging alles zijn gewonen gang in het kleine stadje, totdat een halfjaar daarna de praatgragen en bemoeizieken weer rijke stof tot onderhoud vonden in de omstandigheid dat Brouwer, na het verbreken van zijn eerste engagement, een tweede aanging met de reeds niet meer schoone of jonge, maar eenige dochter van een rijk geworden koffiehuishouder, die in den omtrek rentenierde en, met de hand op den broekzak slaande, verklaarde: ”’t Komt er bij mij niet op aan of mijn aanstaande schoonzoon een betrekking heeft of niet; hier zitten de muzikanten!”
Polyhymnia was in rouwgewaad; het bestuur en de werkende leden, allen in zwarten rok en witten das, waren gedeeltelijk in en voor het huis van Tournel verzameld. Hun geachte directeur was gestorven, en zij stonden gereed hem de laatste eer te bewijzen, door zijn stoffelijk overschot naar het kerkhof te volgen.
Tusschen de neergelaten gordijnen door zag Augusta, voor ’t venster staande, den somberen stoet vertrekken en oogde hem na, zoolang zij kon. Het deed haar goed te zien, hoe haar grootvader bij zijn stadgenooten geacht en bemind was geweest, en het temperde haar droefheid en ’t gevoel van verlatenheid, dat zich van haar meester had gemaakt, toen de goede, eenvoudige man gestorven was.
Nu was hij heengegaan, de brave, geduldige, vriendelijke oude man, die haar zoo innig liefhad. Zijn ziekbed was kort geweest: een hevige koorts, gevolgd door longontsteking, overviel hem op een avond, nadat hij van de koorrepetitie van ’t zanggezelschap was thuis gekomen, en sleepte hem een paar weken later ten grave. De laatste dagen van zijn leven waren kalm en zonder pijn, en Augusta had zich daardoor met de hoop gevleid, dat de hoogbejaarde man nog voor haar zou gespaard blijven; maar dokter Abels, die hem behandelde, had haar alleen geroepen in de kleine voorkamer en gezegd: “Augusta, eris niets meer aan te doen, de goede man gaat sterven; wees kalm, dan zal hij ’t ook zijn, totdat het einde daar is.”
Zij had zich goed gehouden, zij was bedaard gebleven, en de oude muziekmeester was zacht en stil ontslapen.
Nu alles voorbij was, kwam de terugwerking; de overspannen zenuwen eischten haar recht en een vloed van tranen schonk verlichting aan haar gemoed.
Daar stond zij aan ’t venster en zag in de verte den lijkstoet den hoek omrijden, terwijl de heeren in ’t zwart er zwijgend achter liepen. Toen zij de laatsten had zien verdwijnen, zuchtte zij diep en liet zich in de halfdonkere kamer op een stoel nedervallen.
“Alleen op de wereld!” die woorden ontglipten onwillekeurig haar mond.
Zij had behoefte aan een hart, aan een gemoed, dat haar begreep, dat haar toebehoorde, geheel alleen en onverdeeld,—waaraan het hare zich hechten kon, met al de kracht, innigheid en warmte van haar rijk gemoed. Zij gevoelde, hoeveel zij zou kunnen geven, wanneer zij ontving wat zij wenschte, verwachtte en zocht: een ziel, die met haar één was in denken en gevoelen, als het ware een beter deel van haar eigen ik.
Haar geheele karakter had in de laatste jaren een meer ernstige richting aangenomen; zij gevoelde dieper en verstandiger, maar daarom niet minder innig en warm dan voorheen. Veel wat haar vroeger het toppunt van geluk had toegeschenen, beschouwde zij nu met andere oogen, en haar oordeel was minder haastig en oppervlakkig geworden:
“Waarheen nu?” dacht zij, terwijl zij peinzend voor zich uit zag in de sombere kamer. “Hier blijven? Alléén in dit huis, dat voor mij geentehuismeer is?” ’t Kwam haar bijna onmogelijk voor. “Bij andere menschen binnenshuis op kamers?” ’t Scheen haar verschrikkelijk. Zij kon niet dadelijk een besluit nemen. De laatste woorden van grootvader kwamen haar in de gedachten: “Guustje, kind,” had de oude man gezegd, terwijl hij reeds bijna stervende was, “kind! waar moet gij nu heen? Dat is nu nogmijn eenige zorg. ’k Wou, dat ik ’t had mogen beleven je gelukkig getrouwd te zien, maar ’t heeft niet zoo mogen wezen,—en ’t is misschien beter zoo. Je zult wel in dokter Abels, zoolang hij leeft, een vriend hebben; dat heeft hij mij beloofd, en daar ga ik gerust de eeuwigheid op in. Maar....”
Terwijl zij zoo zat na te denken en zich de weldadige, verlichting brengende tranen van de wangen wischte, hoorde zij den lichten tred niet, die door de gang klonk, en zag niet, dat de deur werd geopend.
“Albertine!—Mevrouw!” riep Augusta, half verwonderd, half verlegen, terwijl zij opstond en, door haar tranen heen glimlachend, verwonderd de smaakvol gekleede dame beschouwde, die als ’t ware zoo plotseling uit den grond verrezen voor haar stond.
“Mevrouw?” klonk ’t eenigszins verwijtend terug.
“Albertine, ’k ben dankbaar, dat je komt!”
“Ik kom eens met je schreien, Guustje, over je goeien, besten grootvader,” zei Albertine Abels, nu mevrouw Van Vliet, terwijl zij naast Augusta plaats nemend, den arm om haar schouders sloeg en haar hoofd tot het hare boog.—“Die goeie, lieve, oude man! wat was hij altijd tevreden en opgeruimd!—Lucht het je zoo op, om eens te schreien?—Ja? Schrei dan maar eens goed uit, hoor! Geneer je maar niet! Je ziet er betrokken uit, arme meid!—Papa zei: ga jij er van morgen eens naar toe; een vrouw kan in zulke oogenblikken zooveel beter troosten dan een dokter.”—Doet het je zoo goed, dat ik er ben? Och! dat dacht ik wel.—Neem eens een beetje eau de cologne! zoo! en leg je hoofd nu maar eens goed tegen mij aan. Arme Guustje! wat snik je zenuwachtig. ’t Was ook zoo alles wat je hadt, hé?—Ja! je hebt gelijk, wij hebben elkaar in zoolang niet gezien;—maar je begrijpt immers wel, dat ’t geen onhartelijkheid van mij is. Je kunt ook niet denken, Augusta, hoeveel drukte zoo’n klein kind medebrengt. Otto is er zoo gelukkig mee; ’t zegt al zoo aardig: Dada! en Mama! En ’t is zoo vlug als water. Aardig hé?—Ben je nu al wat bedaard? Goed! heel goed!... Dat hij zoo bemind was? Ja, dat wist ik wel; ik heb den stoet gezien. Een treffend gezicht.—Neen! begin nu niet weer te schreien. Papa komt strakjes ook, om de heeren uit jou naam te bedanken; hij dacht, dat zou je genoegen doen. En als alles afgeloopen is, dan ga je met ons mee, niet waar?”
De hartelijke woorden van Albertine misten hun weldadigen invloed niet en een straal van blijdschap brak door den vochtigen sluier van Augusta’s oogen. “Met u mee?” vroeg zij verbaasd.
“Ja! naar “Mon Repos!” Daar logeeren wij met de kleine. O! je zult daar zoo rustig en kalm zijn. Papa is er bepaald op gesteld en rekent er op, dat je komt. Wij zullen het je daar zoo aangenaam mogelijk maken; je hebt behoefte aan rust, en je zult eens zien, hoe goed het je doet. Bij ons ben je immerstehuis!”
Augusta vond geen woorden om uit te drukken wat zij gevoelde, maar zij zag de schoone jonge vrouw naast haar aan met een blik, die welsprekender was dan alles wat zij zou hebben kunnen zeggen.
Er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart te vol is om te kunnen spreken, of waarin de taal te arm is om uiting te geven aan de weelde, die ’t hart gevoelt: dan spreekt de ziel door het oog met paarlen- of fonkelend diamantenschrift.