Hij wist maar half, wat hij zei.Louise was opgestaan toen hij naar haar toetrad en met de eenvoudige gratie, die welopgevoede Indische meisjes aan den dag kunnen leggen, als ze dat willen, had ze hem verwelkomd.Zij was nu niet meer weifelend of zenuwachtig; althans daarvan was niets te bespeuren. Op vasten toon leidde ze de conversatie.„Beviel de ambtenaars-loopbaan u niet langer?”„Neen.”„Ik kan het me voorstellen,” lachte Van Velton. „Het is wel zoo goed een advocaten-kantoor te hebben op een der[41]hoofdplaatsen. Men verdient ’t kapitaal voor zijn eigen pensioen gauwer en beter.”„Och, wat dat betreft.… Om het geld heb ik het niet gedaan.”„Waarom dan?” vroeg Louise.’t Was een eenigszins indiscrete vraag, dat voelde ze.„Het is misschien wat onbescheiden van me, u dat zóó te vragen.”„De zaak is, dat ik er moeilijk met een paar woorden op antwoorden kan.”„A propos, hebt u pleizier om overmorgen onze gast te zijn? We geven een danspartij.”„Met genoegen, meneer Van Velton.”„Danst u nog?” vroeg Louise.„Nog, mevrouw?”„Mijn hemel, ja! De heeren worden tegenwoordig zoo gauw oud, of nemen er althans den schijn van aan.”„’t Is waar, dat ik in langen tijd niet heb gedanst.… sedert.…”„Is het zóó lang geleden?” vroeg Van Velton.„Ja.… inderdaad.… het is de laatste maal geweest bij uw papa aan huis.…”Het hartje van mevrouw L. Van Velton-Van der Linden klopte sneller. Dat was geweest op die fameuze partij, waarop Lucie gevraagd was door Van Brakel, en zij, Louise, door Fournier; die partij, waaruit ’t huwelijk van ’t eerste paar maar, doorhaarbitse weigering, niet dat van het tweede was voortgevloeid.Had hij sedert niet gedanst? Had het zulk een invloed op[42]hem gehad, zulk een diepen indruk bij hemachtergelaten? Arme jongen!„Was er te Soerabaia zoo weinig te doen?”„Volstrekt niet. Het is een zeer drukke plaats. Maar ik ging weinig uit.”Terwijl Van Velton met zijn bezoeker de gewone Indische conversatie volgde, welke, in den gezelschapstoon gevoerd, toch altijdzakentot achtergrond heeft, keek Louise van tijd tot tijd Fournier eens aan.’t Viel waarlijk niet te ontkennen, dat hij in zijn voordeel was veranderd. Hij was flinker, manlijker, meer gedecideerd geworden, en zijn uiterlijk toonde dat aan.Onwillekeurig dwaalde haar blik naar Van Velton. Die was ook veranderd, maar minder in zijn voordeel. Zijn haar was grijzer geworden en zijn trekken scherper gemarkeerd.Zijn figuur was ook niet meer zoo rechtop, als toen hij nog weduwnaar was en met zijn lange, hoog dichtgeknoopte jas, zijn lorgnet en zijn wit glacé-handschoenen, half uit den borstzak overhangend, een zeer „gekleed” figuur maakte.Dàt was nu haar man! Dáármede moest ze nu het leven doormaken, jaar in jaar uit! Gezond was hij overigens, en de kans om eenjongeweduwe te worden mocht uiterst gering heeten. Die andere had haar man kunnen zijn, indien ze gewild had. Gedistingeerder dan Van Velton was die andere niet,—haar man had altijd iets bijzondergentleman-like,—maar o! hij had zooveel op hem voor. Louise schrikte eenigszins van haar eigen gedachtenloop, toen Fournier haar beleefdheidshalve in het gesprek betrok. Hij gaf[43]haar bij ’t heengaan evenmin de hand, als toen hij was gekomen; een ceremoniëele buiging, anders niet.Ze had gaarne wat meer hartelijkheid gezien; ’t stelde haar teleur, dat hij zoo koeltjes was. Niet dat ze.… o neen; ze kon boos worden op zichzelve, dat er telkens van die vergoelijkende verzekeringen bij haar opkwamen.Mijn hemel, dat had ze immers niet noodig. Nooit zou ze zich ook maar onschuldige coquetterieën veroorloven tegenover Gérard Fournier,—nooit;c’était fini,—’t was uit.Dokter Van der Linden keek vreemd op, toen hij den volgenden ochtend onder het maken zijner visites even aanwipte bij zijn dochter op het Koningsplein, en deze hem meedeelde, dat ze van plan was het kind te spenen.„Waarom?” vroeg hij ontstemd. „Je kunt het nog best ’n paar maanden volhouden. ’t Hindert je niets en ’t is zoo goed voor hem!”„Maar ’t is verschrikkelijk lastig voor mij.”„Och, wat! Kom, begin maar geen dwaasheden, Louise. Ik dacht dat je verstandiger waart en meer voor den kleinen vent over hadt.”Zij zei er niets op. Wat het was, had ze niet kunnen zeggen, maar ze vond, nu een partij gegeven werd, dat zoo’n kind toch schrikkelijk de handen bond, vooral als men ’t zelf hielp. Gewoon haar eigen zin te volgen, meer dan die van papa of van wien ook, stond haar besluit vast: na de partij moest het maar gebeuren.Ze vertelde het aan Van Velton toen ze ’s avonds het dessert gebruikten.[44]„Daar doe je heel verstandig aan,” zei hij, zorgvuldig zijnmangistan—volgens hem de eenigefatsoenlijkevrucht—genietend. „Je hadt er nooit mee moeten beginnen. Dat heb ik altijd gezegd.”„’t Heeft hem toch goed gedaan.”„Dat zou wel zijn terecht gekomen.”„Moet je uit?”„Ja, hoezoo?”„O, nergens om. Ik vraag het zoo maar.”„Ik heb een conferentie van avond.”„Mon Dieu!je hoeft me niet te vertellen waar je heen gaat.”„Ik heb overigens niet bepaald haast. Als je misschien wilt rijden.… ’t is mooi weer.”„Geen idée! Ga jij maar gerust naar je conferentie.”Hij ging. Onderweg beschuldigde hij zichzelven minstens van groote voorbarigheid. Nu hij vrij geregeld bezoeken aflegde bij de weduwe Donker, en zij hem alles had verteld, zou hij veel geld hebben willen geven als hij de relatie met Lientje had kunnen afbreken. Vooreerst omdat hij er nooit mee zou zijn begonnen, indien hij die verhouding tegenover zijn schoonvader had geweten. Ten tweede, omdat hij al heel gauw, als man van de wereld en van rijke ervaring, tot de overtuiging was gekomen, dat het, wèl beschouwd, niet veel zaaks was, veel minder dan hij zich had voorgesteld.Hoe drommel was hij daar toch zoo ingeloopen?En Lientje Donker vroeg zich hetzelfde af. Toen hij de eerste maal in haar huis kwam en zich de vrijheid veroorloofde haar onder de kin te strijken, was Van Velton zoo zenuwachtig geweest, dat ze moeite had gehad om zich goed[45]te houden en hem niet in zijn gezicht uit te lachen. Hij was heengegaan met de overtuiging, dat hij een mal figuur gemaakt had. Dat had hem erg gehinderd en zijn eigenliefde zeer gekwetst; hij was teruggekomen een paar dagen later, ten einde de waarde zijner persoonlijkheid te releveeren en zij, Lientje, had hemnietde deur gewezen, omdat ze nieuwsgierig was.Naar dokter Van der Linden durfde ze nu niet meer gaan.Zoo continueerden zij de kennismaking zonder vreugde, en alleen uit vrees, hij voor Christien Donker, de welgestelde weduwe, die hij nu wist dat een immoreele helleveeg was,—zij uit een aangeboren indolentie, die zonder veel omslag berustte in haar eigen noodlot.Zoolang het leven in huis hem zoo gruwelijk onaangenaam was, ging het nog. Maar nu werd het beter. Louise was eenigszins veranderd. Zij sprak niet meer zoo bits, ze viel hem nietaltijdlastig met het kind, en deze nu afgeloopen dag had tot de aangename behoord.Als dat nu zoo eens doorging en zijn dochter Hortense kwam uit Holland naar huis, dan had het een genoeglijk leven kunnen worden.Wie weet wat hem nu te wachten stond!Zoopikirendtrad hij de ’s avonds nimmer verlichte voorgalerij van de weduwe Donker binnen, die naar gewoonte op een wipstoel zat te schommelen bij den ingang.„Goeden avond.”’t Scheen, dat de toon, waarop hij sprak, haar niet beviel, want ze keek even naar hem op, en zei allesbehalve vriendelijk:„Ook goeden avond!”[46]Van Velton wilde naar binnen gaan.„Ze is niet thuis.”„Zoo.”Snel stond ze op.„Ik heb haar uitgestuurd, Van Velton, naar een weduwe van mijn kennis hier in de buurt. Ik heb haar expres weggezonden.”„Wel vriendelijk.”„Ga daar zitten, asjeblieft. Ikmoeteens ’n appeltje met je schillen, hoor! Dat gaat een gangetje, dat me niks aanstaat.”„Zoo, vindt ge dat?”„Het is schandelijk! Maar als je denkt op zoo’n gemakkelijke manier van me af te komen, dan heb je het mis!”„Och kom!”„Ik zeg nog eens.…”Van Velton was niet in een stemming om de standjes van Christien Donker af te wachten, wier spel hij vrij wel doorzag, al kon hij den waren motor niet raden, en al vergiste hij zich door dien alleen te zoeken in een aanslag op zijn beurs.Hij besloot een afdoenden maatregel te beramen. In elk geval wilde hij weten, waaraan hij toe was, en welke veeren hij bij moeder en dochter zou laten zitten. Iets minder norsch en uit de hoogte, viel hij haar in de rede:„Zeg maar niets. Het beste is niet veel woorden noodeloos te verspillen. De waarheid is, dat de relatie me erg tegenvalt.”„Ei?” riep ze op schamperen toon. „Ei? Ik had anders gedacht dat mijn Lien waarachtig nog veel te goed was voor zoo’n ingebeelden ouden kwast.”Dat hij vuurrood werd en haar wel had kunnen slaan, begreep ze, maar in de duisternis kon ze het niet zien.[47]’t Duurde maar een oogenblik. Wat deerde hem de booze tong van dat wijf? Zijn practische geest kwam boven. Nu, nadiewoorden was het geen zaak om met haar te onderhandelen over het afbreken der relatie en over den prijs, waartegen dat kon gedaan worden. Zij zou overdreven eischen stellen en die volhouden naarmate hij beslister pogingen deed om aan de zaak een einde te maken.„Je bent vanavond zóó vriendelijk,” zei hij opstaande, „dat ik de eer heb je te groeten.”Zij hield hem vast bij de mouw van zijn jas.„Luister nog even. We moeten bedaard spreken. Als je denkt dat ik er op uit ben je ’t vel over de ooren te trekken, dan heb je het mis. Beloof me één ding. Ga nog ’n maand voort op de gewone manier, en dan kan je mijnentwege wegblijven om nooit weer terug te komen.”Hij zag weer een gaatje om door te sluipen.„Waarom nog een maand? Kom, laat ons er nu maar ’n eind aan maken. We zijn nu zoover, dat we geen van drieën op elkaar zijn gesteld. Een kort en goed besluit.…”Maar ze schudde heftig van neen.„’t Gaat niet, Van Velton! Voor geen wereldsch goed laat ik je nu reeds schieten. ’n Maand moet het nog duren; geen dag gaat daaraf.”„Nonsens!”„’t Kan me niet schelen hoe je het noemt, maar ik zeg je, dat het zoo zijnmoet. En ik waarschuw je, Van Velton, probeer niet weg te blijven, want ik haal je uit je huis en ik haal je van ’t kantoor op ’n manier, die je heugen zal, hoor!”[48]Het denkbeeld deed hem rillen. Hij wist, dat ze tot alles in staat was en zich voor niets zou ontzien, als het op wraak aankwam. Waar was hij toch ingeloopen, waar was hij toch ingeloopen!„Ik groet je,” zei hij nogmaals en ging zijns weegs.’t Was Christien Donker nu duidelijk: er moest gehandeld worden, en spoedig ook, anders zou alle moeite tevergeefs zijn geweest. Bah, welk een man! Nog had ze macht over hem, maar ze voelde dat het niet lang meer zou duren. Ze ging weer op haar wipstoel zitten schommelen enpikirde. Het zou eigenlijk wèl zoo verstandig wezen twee vliegen te slaan in één klap. Waarom zou ze het geld aan haar haat- en wraakzucht opofferen? Het diende nergens toe. Zij kon heel goed het één hebben en niettemin aan ’t andere voldoen.Toen Van Velton t’huis kwam, vond hij Louise nog op, en nog bezig met ’t voorbereiden der groote partij.Kasian, wat gaf ze zich dáárvoor een moeite!„Zoo,” zei hij, „ben je nog niet gaan slapen?”„Neen, er valt nog heel wat te doen. Het buffet is nog volstrekt niet in orde.”„Ik zou dat maar aan den banketbakker overlaten. De man heeft op zich genomen er voor te zorgen.”„Dank je! Ik weet te goed, wat dat is. Dan zorgt hij misschien heel aardig voor zijn beurs, en de gasten krijgen niet wat ze verlangen.”„Kan ik je ook helpen?”Er was geen sprake van! Toch wilde hij niet naar bed gaan, maar stak een versche sigaar op en terwijl zij nog bevelen gaf aan de bedienden, en nazag, en opschreef, praatte[49]hij gezellig nog een uurtje met haar, zonder dat een van beiden dacht aan de veelvuldige onaangenaamheden, die ze gehad hadden, noch aan de eigenaardige verhouding tot elkaar, waarin ze reeds zoo lang leefden.Er ging toch, dacht Van Velton, niets boven een gezellig tehuis. Zijn hart was dien avond goed genoeg om een poging te doen tot meer intieme toenadering. Maar hij had den moed niet. Drommels, als het eens tegenviel! En daarop bestond alle kans, want ze was zoo moe, zei ze,—doodmoe! Neen,alshij dat beproefde, dan moest hij zoo’n beetje zeker wezen van zijn zaak, en dàt was hij in ’t geheel niet.Louise kon gelukkig gaan slapen toen ze in haar kamer kwam, want ’t kind sliep. Ze was wezenlijk moe. Dat den ganschen dag op de been zijn, en door zoo’n groot huis dribbelen matte geweldig af; en ze was ook niet geheel koortsvrij; dat voelde ze aan haar hoofd.Misschien lag in het laatste de reden, dat ze ondanks haar vermoeienis niet dadelijk den slaap kon vatten en zich rusteloos om en om wendde. Het waren eigenlijk geen gedachten die haar bezig hielden,—’t was alsof een serietableauxvoor haar geest heentrok. Nú was het zus en dàn weer zóó: het souper met al de gasten aan tafel, waaronder ze ook Fournier opmerkte; de groote zaal, waarin gedanst zou worden, en waarin ze ook Fournier zag dansen met haarzelve; gesprekken op divans, whistpartijtjes aan mahoniehouten speeltafeltjes, ongelukjes, tegenvallers, mislukte schotels, en bij en tusschen dat alles door een onbestemde vrees voor allerlei stoornissen, die zouden kunnen gebeuren, maar waarvoor nog geen enkele feitelijke aanleiding bestond.[50]En nauwelijks was ze ingeslapen of daar kwam de baboe haar wekken, want.… ’t kind. God, God, wat was dat lastig! Met moeite richtte zij zich op. Toen ze elken avond te halftien naar bed ging, och! toen was ze er al uit als de kleine slechts kikte. Maar nu ze zooveel had te doen gehad tot laat in den avond voor dat feest,—neen, hetwastoch ’n slavernij dat zelf helpen van de kinderen!Ze dommelde in en waggelde heen en weer tot groot leedwezen van haar jongske, dat er hoogst kwaadaardig zijn verontwaardiging over te kennen gaf, en haar dan deed opschrikken uit haar sluimering.Och, als men den heelen dag bijna niets deed, dankonhet, maar was er ook maar ’t geringste vermoeiende werk te doen, dan viel het zoo zwaar! Nu, herhaalde ze bij zichzelve, halfrood van vaak, na de partij zou ’t gauw uit wezen!Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. Define fleurvan ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste ambtenaren, die in hunfort intérieurniets ophadden met den koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden naam of dansbeenen.Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den anderen kant, die[51]gekleed waren met eeneenvoud, haast beleedigend voor het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.Dan wat velendachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open. Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel wel zou opbrengen.Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde Fournier.Zelf uit een goede en gegoede Hollandsche familie, waarin de kunst hoog geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar toch,—er zat zekere verwantschap in.Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de vrouw des huizes, dieentouréwas van nieuw[52]aangekomen gasten. De vrouw des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo jeugdig was haar toilet.…! Fournier vond, dat het eigenlijk geen dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indischemater familiaste worden.Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit. Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een whistje, maar hij excuseerde zich.Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte terug naar de zaal, waar gedanst werd.Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw, en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.Toen allesen trainwas, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen, sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen,[53]zijn rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar zijn woning terugkeeren.Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde zij ’t hoofd om en keek hem aan.Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar waaier,—alles zei hem: Kom hier!Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij eigenlijk besefte, dat hij liep.„Danst u nunogniet?” vroeg ze hem.„Als u me de eer wilt aandoen.…”Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voorzulkeen schepsel, dat zich had weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program correct uit te voeren.[54]En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had hem haar ten dans doen vragen.Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker klonk.Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te executeeren.Juist het tegendeel!„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.„Neen.”„Dat is heel openhartig.”„U hebt me toch nooit anders gekend.”„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij, ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij, Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze[55]vond het verrukkelijk en ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een gevaarloos spelletje.„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag volmondig „neen” zegt!”„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.„Kasian!Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.[56]„Ik dacht dat je niet danste.”Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt niet van plan er een aanmerking op te maken.„’t Was met de vrouw des huizes.”„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”„Nietwaar?”„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”„Zeker niet.”„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat hij doet. ’n Slimme vent!”„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant.…”„Ik bedoelde ’t juist andersom.”„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man, zoo.… en dan.…”De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend gebaar.„Daarom behoefde zij het niet te doen.”„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee millioen.”„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in zit. Het is een man inbonus.”Fournier zweeg.[57]„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om lachte.„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”„Wat?”„Dat je om die oudeBekanntschaftverlegen zoudt behoeven te worden.”„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde gevolgtrekkingen.”„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We homberen met een uitvaller. Adieu!”Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een gevoel van spijt.„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet me nu eens genoegen.”„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw schoonzoon gebruik te maken.”„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”„Magnifique!”„En amuseert ge u nogal?”Wat moest hij zeggen?„O zeker, heel goed.”[58]„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen oplevert.”„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga, dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en kom in de logeerkamer.”„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van. ’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was geweest.„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem al eens gezien?”„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de logeerkamer binnen.’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon, nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan Fournier.Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen[59]kleine kinderen te praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar jongske, dat het uitkraaide van de pret.Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwensobatook maar een zoen.”De dokter stak den jongen man ’t kind toe.Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar voorhoofd.„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dankanonskogelsin vijandelijke bentengs.[60]Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht bracht hem al heel gauw uit de plooi.„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik kan en mag er niet meer aan huis komen.”Toch had hij het beloofd.„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning gaarne zou gebruik maken.Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.„Praat toch zulkenonsensniet.”Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van Velton achterwege.”„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”[61]„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een pas geëngageerd paar.”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou hebben bekend.Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil. Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours met Fournier gaande te houden.Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man, die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij een vijand.Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te zeggen.„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”[62]’t Had haar moeite gekost!Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling, had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurdwas, had ze zulk een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest,[63]mocht daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.… neen, nooit, nooit!Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar houding was in het oogloopend geweest,—nu,soedah! het kon niet anders.Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon opleveren, gedood had en begraven.’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als.… een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon, schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een afscheidsgroet geweest.Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om haar mond. Zóó te leven!Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van eer. Hetkonniet anders. Was haar leven[64]vreugdeloos,—welnu, ze zou alles wezen voor haar kind.Diepoëzie des levens bleef haar over, en dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar droeg.Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje. Wat sliep hij heerlijk!Hijzou haar al het andere vergoeden; al het andere, dat het leven haar scheen te onthouden.Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet, dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht een brief.Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering, hield ze zich uiterlijk kalm.„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had toch nietgehooptop zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen gedachten?Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand,[65]slordig en niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier wakker was te krijgen.Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.„Mevrouw!Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang.…, die daar alleen woontmet een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.Een vriendin.”Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was dat nu? Zij dacht aan laster; ’tkonimmers niet waar zijn, meende ze; maarals.… Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het aangewezen adres. En ze was er[66]kalm onder; zeer bedaard. Zewildeweten wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd schelen.Ze reed langs het aangewezen huis: ’twaswaar; het rijtuig van Van Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar vader.Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote inrichtingen in Europa en Amerika.Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.Een angstig voorgevoel beving hem.Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar karakter dan te wachten?„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”„Wilt u dit eens inzien?”Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een divan.Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.Totzulkegemeene streken was zij alleen in staat.[67]Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje. Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een onvervalschtenpère noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de hand gerukt en in haar zak gestoken.„Je lijkt wel dwaas, pa!”„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen bewaren?”„Wie zegt, dat het laster is?”„Ik.”„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te fatsoenlijk.…”Zij lachte hem uit in zijn gezicht.„Zal ik u wat zeggen, pa?”„Nu?” vroeg hij angstig.„Het is waar.”„Och kom, hoe kan je dat beweren?”„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het gezien!„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop ik, toch niet in huis gegaan?”[68]Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het gezicht.„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen? Toch.… ik weet het niet.… misschien.… als het een man betrof, dien ik liefhad. Maar omhem.… Bah!”„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent ernietgeweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus niet.…”„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat. Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat het waar is.”„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond bewijst niets.”Zij haalde de schouders op.„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”„Dat komt, Louise, door je gebrek aan menschenkennis. Geloof me, als je zoo oud bent als ik, zal je beter de onwaarde van zulk geschrijf leeren beseffen. Weet je wat, ga jij nu naar huis. Ik zal me kleeden en ik zal zelf onderzoeken, wat er van die beschuldiging waar is en wat niet.”„Volstrekt niet, pa. U is een best mensch, en u bent altijd zeer, zeer goed voor me geweest. In dit geval is het anders en ik zie duidelijk, waar u heen wilt.”„Wieslief.…”[69]„Niets er van, pa. Wàt in dien brief staat is de zuivere waarheid. Geen letter gaat er af.”„Je zult je huisgezin ongelukkig maken. Luister naar mijn raad: ga naar huis en verscheur dien brief.”„Wat u mijn huisgezin noemt, bestaat niet. Ik heb alleen een kind, en dat zal niet ongelukkig worden, daarvoor sta ik u borg. Wat Van Velton betreft,—de man is mij zoo volmaakt onverschillig …”„Waarom ga je dan op den laten avond uit om hem te bespieden?”Het was een moeielijk te beantwoorden vraag, vond ze. Toch aarzelde ze slechts eenige seconden, en zei toen langzaam:„Bespieden is het woord niet. Ik wilde zekerheid, en die heb ik. Die brief is mij geld waard; hij is ten allen tijde een krachtig wapen, en, wie weet, of ik hem niet te eeniger tijd kan noodig hebben.”„Noodig hebben! Waarvoor zou jij zoo’n gemeen vod noodig kunnen hebben?”„Och, men kan ’t niet weten; misschien.… totmijn rechtvaardiging.”„Zoo.… tot je rechtvaardiging. Ik begrijp dat niet best.”„’t Is toch duidelijk dunkt me.”„Dat vind ik niet, ten minste niet als ik het jou hoor zeggen.”Zij lachte en dat maakte den dokter woedend.„Ik verzoek je om zulke dingen niet te lachen, asjeblieft. Er is, voor zoo ver ik zie, niets belachelijke aan. ’t Tegendeel is waar.”„Eigenlijk hebt ge gelijk. Het is niet belachelijk, maar ’t is ellendig. Iedereen doet wat hij wil; iedereen leeft er maar[70]op los. Ik alleen moet niets doen, wat niet goed is, mag er niet aan denken, niet over spreken, er zelfs niet om lachen. Ik moet als ’t ware de vlag wezen, die de lading dekt. ’t Is fraai.”Papa Van der Linden voelde, dat nu ook voor hem ’t gevaar in aantocht was. Hij had een strengen toon aangeslagen daareven, en zijn vaderlijk standpunt was daar niet zuiver genoeg voor, althans niet tegenover een dochter als Louise.Hij zweeg, en zoo zaten zij vijf minuten zeer onbehaaglijk tegenover elkaar, totdat zij driftig opstond, en met een kort „wel te rusten!” even snel ’t huis uitliep, als ze er in was gekomen.In den coupé huilde ze. Had ze toch maar een moeder, bij wie ze haar hart kon lucht geven, of een wezenlijke zuster of een goede hartelijke vriendin als Lucie.Maar niets! Haar vader, och, hij was immers ook een man, zooals de rest!Toen Van Velton dien avond in zijn rijtuig stapte om naar huis te rijden, had zijn koetsier hem iets te zeggen. Heel geheimzinnig deelde de man hem mee, dat hij den coupé had zien voorbijrijden. Van Velton schrikte er van en meende, dat de koetsier zich had vergist; ’t zou ’t rijtuig zijn geweest van iemand anders. Maar de koetsier hield vol. Het washunrijtuig, dat wist hij zeker, en zijn collega, die altijd mevrouw reed, had hem van den bok toegeroepen, dat de njonjah zelf in den coupé zat.Een hoogst onaangenaam geval! Thuis informeerde Van Velton nog eens. Welzeker! Mevrouw had eerst een brief gekregen en kort daarop laten inspannen.[71]Kon hij haar maar te spreken krijgen! Als de bom toch moest barsten, dan hoe eer hoe liever. Hij liep zacht langs de ramen van haar kamers en gluurde door de stores naar binnen. Niets te zien! In den gekleurden ballon brandde ’t nachtlichtje; alles stil. Ze sliep, dat was duidelijk, en aan haar kamer kloppen en haar wakker maken, durfde hij niet.In zijn eigen vertrekken teruggekeerd, deed hij moeite om te slapen, maar ’t gelukte hem niet. Allerlei sombere, nare gedachten hielden hem bezig en plaagden en vervolgden hem. Dat had men nu van die vervloekte zijwegjes. En als het nu nog een wezenlijkepenchantwas, maar zelfs dat niet. Het was pure gewoonte geworden, zijn gaan naar Lientje Donker, anders niets. Hij ging er heen, zooals men aan tafel gaat: minder omdat men honger heeft, dan wel omdat het nu eenmaal een aangenomen gebruik is te acht uren te dineeren.Wat zou dat den volgenden ochtend een genoeglijke ontmoeting wezen! Het zweet parelde op zijn voorhoofd, als hij er aan dacht. Niettemin nam hij zich vast voor den kogel zonder verwijl door de kerk te schieten. Zaken waren nu eenmaal zaken, en moesten coulant worden afgedaan. Daar hield hij van, en hij was het zijn leven lang gewoon geweest.Tegen den ochtend sluimerde hij in van vermoeidheid en toen zijn bediende hem tegen acht uren riep, sprong hij verschrikt uit het bed. Daar zal je de poppen aan het dansen hebben, dacht hij met een zucht.De tafel in de achtergalerij stond voor het ontbijt gedekt. Louise was er niet. Wèl de baboe met het kind; hij nam het van de meid over en beproefde nog eens of hij den diapason[72]van zijn stemgeluid op kinderooren streelenden klank kon brengen. Het ging minder goed dan ooit.Daar kwam ze aan!„Goeden morgen,” zei hij op zijn meest gewonen toon. Ze antwoordde op dezelfde wijze. Van ter zijde begluurde hij haar. Zij zag er precies uit als altijd. Niets bijzonders.„Ben je gisteravond nog uit geweest?”„Ja.”„Ik geloof dat we elkaar gepasseerd zijn.”Zij haalde de schouders op, met een onverschillig gezicht, dat zich geheel niet om zijn geloof scheen te bekommeren.„’t Is wel mogelijk.”„Ik meen het zeker te weten. ’t Was in gang.…”„Och kom! Daar behoefde ik anders volstrekt niet te wezen.”„Niet?”„Wel neen. Om naar papa te gaan is het niet noodig dien omweg te maken.”„Ben je bij den ouden heer geweest?”„Ja. Ik heb hem eens opgezocht.”„Hoe drommel komt die koetsier dan zoo om te rijden?”„Misschien dacht hij, dat ik het aangenaam vond, of misschien vond hij ’t zelf pleizierig. Ik heb er niet op gelet.”„Zoo-o!”Eenscèneviel er niet voor, dat was waar, maar Van Velton voelde zich minder op zijn gemak dan ooit. Hij was zoo’n oude rat, dat hij om zoo te zeggen de val rook, waarin ze hem naar het scheen wilde laten loopen.Er stak iets achter, dat was zeker, en hij moest en hij zou weten, wat dat was. Met verder vragen kon hij niet doorgaan,[73]en naar dien brief informeeren was ook niet raadzaam. Ten slotte ging hij naar de stad met de overtuiging, dat hij aan de eerst zoo gevreesde scène de voorkeur had gegeven boven deze geheimzinnigheid. Wie weet of hij, schuld bekennend, onder aanvoering van verzachtende omstandigheden en met belofte van beterschap, niet.… een kansje had gehad!Hortense Van Velton reisde onder de hoede van een predikants-familie met een der booten van de maatschappijNederland. Zijzelve was liever met een Fransche boot gegaan, maar de familie in Holland had dat niet wenschelijk geacht.Iedereen had de reis erg aangenaam gevonden.Men had muziek gemaakt, tooneel gespeeld, gedanst en zich het leven zoo aangenaam mogelijk gemaakt. Doch Hortense had zich teruggetrokken. Zij vond het ordinair.Mooi was ze niet, en toch ook niet leelijk, al had ze iets ziekelijks over zich. Ze was wat lang en wat hoekig voor een jong meisje, maar zeer blank en erg voornaam. In haar uiterlijk had zij veel van haar vader. Als hij langs de kali-besar liep, dan had een vreemdeling allicht kunnen denken, dat alles wat daar stond, gebouwd en ongebouwd, zijn eigendom was. Welnu, als Hortense op het dek van den stoomer wandelde, en hij „rolde” niet al te erg, dan stapte zij zoo voornaam en majestueus van ’t eene eind der kampanje naar ’t andere, dat de jongelui elkaar aanstieten en haar „mevrouw de commandant” noemden, wat ze eigenlijk niet zóó zeiden maar op een andere, meer onder heeren gebruikelijke wijze.Onder de passagiers was zij niet bemind. Zelfs de predikant en diens vrouw mochten haar niet, zoo stijf en afgemeten[74]was zij altijd, en ofschoon haar zee-ouders dat welwillend toeschreven aan de ziekelijke omstandigheden waarin het meisje verkeerde,—aangenaam vonden de goede, hartelijke menschen het niet.Hortense Van Velton haatte haar stiefmoeder, die ze nog nooit had gezien.Zij noemde haar vader openlijk een dwaas, en had zich vast voorgenomen hem dat onder vier oogen te vertellen. Hoe ze „dat mensch” behandelen moest in haars vaders huis, begreep zij niet. „Mama” zeggen, dat zou misschien nog het hatelijkste wezen tegenover dat jonge vrouwtje.De geheele reis had ze aan niets anders gedacht, dan aan haar stiefmoeder. Zou ze haar aan boord komen afhalen?Ze kwam niet.Toen het schip op de reede van Batavia lag, kwam Van Velton met een sloep langs zij en klom de trap op. Het was een tamelijk koele ontvangst. Zij vond, dat papa er veel minder goed uitzag, dan toen hij een jaar of vijf geleden eens in Europa was geweest; hij vond dat Hortense leelijk en spichtig was geworden, en dat het heel wat moeite zou kosten haar aan den man te brengen.„Hoe heb je het gehad aan boord?” vroeg hij.„Zoo.… tamelijk.”„Nu, je kunt thuis je schade inhalen.”„Thuis bij.… mama?”„Ja.… noem haar maar zoo.… Als ’t haar niet aanstaat zal ze ’t je wel zeggen.”Het gezicht van Hortense klaarde op. Komaan, dat begon uitstekend! De verhouding was voor haar bijzonder gunstig.[75]Uit de manier, waarop hij sprak, bleek duidelijk, dat het nietcouleur de rosewas tusschen hem en de tweede vrouw. ’t Kon waarlijk niet beter. Als papa nu nog niet wist of zij er vrede mee nam, dat de kinderen haar „mama” noemden.… nu dat scheen in orde te zullen komen.„Natuurlijk zou ik haar mama genoemd hebben; zij is uw vrouw endusde „vrouw des huizes.”„Lieve Hortense,” zei Van Velton op zijn voornaamsten patriarch-toon, „mevrouw Van Velton-Van der Linden is een zeer eigenaardige dame. Ik hoop, dat je het goed met haar zult kunnen vinden; maar als je er misschien op hebt gerekend een.… moeder.…”„Dank u;mijnmoeder is dood.”„Of.… een vriendin .…”„Evenmin.”„Nu, des te beter dan. Want mijn vrouw zal waarschijnlijk noch het een, noch het ander voor je zijn. Begin echter met haar te geven, wat haar wettig toekomt, en noem haar mama.”Hortense ademde vrijer. Goddank! Geen intimiteit. Op een afstand en zonder vertrouwelijkheid. Dat was de eenig draaglijke manier.Nieuwsgierig om te zien hoe „mama” er uitzag, keek ze de binnengalerij rond nog voor ze uitstapte. Dus kwam „mama” haar niet te gemoet!Ze gingen het huis binnen en vonden de vrouw des huizes in de achtergalerij. Langzaam en met haar commandanten-houding trad Hortense op het mooie, kleine vrouwtje toe, wier schoonen sierlijken lichaamsbouw ze met stille woede opmerkte.[76]„Louise,” zei Van Velton, „dat is mijn dochter Hortense.”„Dag mama.”De stiefmoeder begon te lachen.„Je moet ’t me niet kwalijk nemen, Hortense, maar ’t klinkt zóó gek omutegen mij „mama” te hooren zeggen. Noem mij maarmevrouwhoor.”„Heel goed; dat doe ik ook veel liever.”„Natuurlijk; ’t was onnoodig het te zeggen. Je kamers zijn klaar. Je papa zal wel zoo goed zijn om ze je aan te wijzen. Tot ziens.”Mevrouw Van Velton-Van der Linden keerde zich om en ging heen. Hortense was er eenigszins van verbluft. Dat overtrof nu alles wat ze zich bij mogelijkheid had durven voorstellen.’t Scheen haar hier een huisgezin toe vol storm en onweer.„Gaat het hier altijd zoo?” vroeg ze haar vader.„Wat bedoel je?”„Wel dien vriendelijken toon en die prettige, huiselijke manier van doen?”„Mijn vrouw is zeer eigenaardig.”„O, is het anders niet?”„Anders niet? Wat zou het dan?”„Ik dacht dat het misschien.… een ongelukkig huwelijk was.”„Hoe kom je op dat idée?”„Och.… zoo maar.”„’t Gaat hier altijd stil en bedaard toe. Je weet, ik ben een vijand van rumoer.”„En altijd op de manier van daareven?”[77]Wat zou hij zeggen? Waarom het voor haar te verzwijgen? Zij zou het immers toch spoedig genoeg gewaarworden.„Ja, zoo ongeveer.”„Dan heb ik immers gelijk gehad; dan is uw huwelijk ongelukkig, pa. Hoe bent u ook zoo dom kunnen wezen? Kijk, als dat mensch nu niet hier in huis was, wat zouden we dan een aangenaam en rustig leven kunnen hebben. Nu staat zij er tusschen als een hinderpaal; zij met dat vieze kind.”„Het is geen vies kind,” zei Van Velton eenigszins verontwaardigd.„Och, dat zijn die kleine kinderen allemaal. Aan boord.….. bah!”Van Velton lachte.„Kom, laat ons er maar over zwijgen. Ik hoop dat de kamers je zullen bevallen. De meid zal je helpen aan ’t ontpakken van je goed. Adieu!”Hij kwam nog even terug.„Ik ga naar de stad. Straks zal men je wel waarschuwen voor de rijsttafel.”De kamers waren keurig ingericht, en al had Hortense het land aan haar stiefmoeder, ze was verplicht haar in stilte dankbaar te zijn voor de zorgen, die ze aan het arrangeeren dezer kamers had besteed. Toch was het geen groote dankbaarheid, die bij het lange, bleeke jonge meisje opwelde. „Ze heeft smaak,” dacht ze bij zichzelve; „dat hebben die nona’s meer.”Verder kwam ze niet. Ze wachtte ook niet, tot ze werd geroepen voor de rijsttafel. Waarom zou ze wachten? Was[78]het niet evengoedhaarhuis? Daarom ging ze naar de binnengalerij en bekeek er de bibelots en de schilderijen, die ze zich van vroeger niet herinnerde.Een uurtje later kwam een bediende haar zeggen, dat de „makanan soedah” klaar was; ze ging naar achter en vond haar stiefmoeder reeds aan tafel.Louise was eenigszins in haar humeur. ’t Had haar aangenaam getroffen, dat Hortense zooveel minder mooi was, dan zijzelve, en dat stemde haar tot toegeeflijkheid. „Was je ziek in Holland?” vroeg ze.„Ja. Ik kon niet tegen de kou.”„Hoe is het mogelijk? Ik vond het er heerlijk lekker.”„Bent u ook in Europa geweest?”„Natuurlijk,” zei Louise verontwaardigd. „Mijn papa was wel geen koopman; hij isslechtsgeneesheer; maar dat belette hem niet mij een Europeesche opvoeding te doen geven.”Hortense voelde het hatelijke, dat in hetslechtsstak, maar wist niet goed wat te zeggen. Zij had ook verstand genoeg om in te zien, dat ze tegen dit kleine, donkere vrouwtje in een woordenwisseling niet opgewassen zou zijn, en dat de statigheid en de ernst, die zij van haar vader had geërfd, het tegen de manieren en de zegswijze van mevrouw Van Velton-Van der Linden zouden afleggen. En die overtuiging drong haar nog een andere op. Haar stiefmoeder was de meesteres in huis en papa had weinig of niets te zeggen. Dàt idée hinderde haar ’t meest. Zij gaf geen repliek op ’t hatelijke „slechts” en at stil door. Zij zou met haar vader spreken. Samen zouden zij sterker zijn.[79]Zoo liep het diner kalmpjes af. Hortense gaf haar oogen en ooren meer en beter den kost dan haar mond, terwijl Louise de rijsttafel groote eer aandeed.Van Velton zocht, toen hij van ’t kantoor thuis kwam, dadelijk zijn dochter op.
Hij wist maar half, wat hij zei.Louise was opgestaan toen hij naar haar toetrad en met de eenvoudige gratie, die welopgevoede Indische meisjes aan den dag kunnen leggen, als ze dat willen, had ze hem verwelkomd.Zij was nu niet meer weifelend of zenuwachtig; althans daarvan was niets te bespeuren. Op vasten toon leidde ze de conversatie.„Beviel de ambtenaars-loopbaan u niet langer?”„Neen.”„Ik kan het me voorstellen,” lachte Van Velton. „Het is wel zoo goed een advocaten-kantoor te hebben op een der[41]hoofdplaatsen. Men verdient ’t kapitaal voor zijn eigen pensioen gauwer en beter.”„Och, wat dat betreft.… Om het geld heb ik het niet gedaan.”„Waarom dan?” vroeg Louise.’t Was een eenigszins indiscrete vraag, dat voelde ze.„Het is misschien wat onbescheiden van me, u dat zóó te vragen.”„De zaak is, dat ik er moeilijk met een paar woorden op antwoorden kan.”„A propos, hebt u pleizier om overmorgen onze gast te zijn? We geven een danspartij.”„Met genoegen, meneer Van Velton.”„Danst u nog?” vroeg Louise.„Nog, mevrouw?”„Mijn hemel, ja! De heeren worden tegenwoordig zoo gauw oud, of nemen er althans den schijn van aan.”„’t Is waar, dat ik in langen tijd niet heb gedanst.… sedert.…”„Is het zóó lang geleden?” vroeg Van Velton.„Ja.… inderdaad.… het is de laatste maal geweest bij uw papa aan huis.…”Het hartje van mevrouw L. Van Velton-Van der Linden klopte sneller. Dat was geweest op die fameuze partij, waarop Lucie gevraagd was door Van Brakel, en zij, Louise, door Fournier; die partij, waaruit ’t huwelijk van ’t eerste paar maar, doorhaarbitse weigering, niet dat van het tweede was voortgevloeid.Had hij sedert niet gedanst? Had het zulk een invloed op[42]hem gehad, zulk een diepen indruk bij hemachtergelaten? Arme jongen!„Was er te Soerabaia zoo weinig te doen?”„Volstrekt niet. Het is een zeer drukke plaats. Maar ik ging weinig uit.”Terwijl Van Velton met zijn bezoeker de gewone Indische conversatie volgde, welke, in den gezelschapstoon gevoerd, toch altijdzakentot achtergrond heeft, keek Louise van tijd tot tijd Fournier eens aan.’t Viel waarlijk niet te ontkennen, dat hij in zijn voordeel was veranderd. Hij was flinker, manlijker, meer gedecideerd geworden, en zijn uiterlijk toonde dat aan.Onwillekeurig dwaalde haar blik naar Van Velton. Die was ook veranderd, maar minder in zijn voordeel. Zijn haar was grijzer geworden en zijn trekken scherper gemarkeerd.Zijn figuur was ook niet meer zoo rechtop, als toen hij nog weduwnaar was en met zijn lange, hoog dichtgeknoopte jas, zijn lorgnet en zijn wit glacé-handschoenen, half uit den borstzak overhangend, een zeer „gekleed” figuur maakte.Dàt was nu haar man! Dáármede moest ze nu het leven doormaken, jaar in jaar uit! Gezond was hij overigens, en de kans om eenjongeweduwe te worden mocht uiterst gering heeten. Die andere had haar man kunnen zijn, indien ze gewild had. Gedistingeerder dan Van Velton was die andere niet,—haar man had altijd iets bijzondergentleman-like,—maar o! hij had zooveel op hem voor. Louise schrikte eenigszins van haar eigen gedachtenloop, toen Fournier haar beleefdheidshalve in het gesprek betrok. Hij gaf[43]haar bij ’t heengaan evenmin de hand, als toen hij was gekomen; een ceremoniëele buiging, anders niet.Ze had gaarne wat meer hartelijkheid gezien; ’t stelde haar teleur, dat hij zoo koeltjes was. Niet dat ze.… o neen; ze kon boos worden op zichzelve, dat er telkens van die vergoelijkende verzekeringen bij haar opkwamen.Mijn hemel, dat had ze immers niet noodig. Nooit zou ze zich ook maar onschuldige coquetterieën veroorloven tegenover Gérard Fournier,—nooit;c’était fini,—’t was uit.Dokter Van der Linden keek vreemd op, toen hij den volgenden ochtend onder het maken zijner visites even aanwipte bij zijn dochter op het Koningsplein, en deze hem meedeelde, dat ze van plan was het kind te spenen.„Waarom?” vroeg hij ontstemd. „Je kunt het nog best ’n paar maanden volhouden. ’t Hindert je niets en ’t is zoo goed voor hem!”„Maar ’t is verschrikkelijk lastig voor mij.”„Och, wat! Kom, begin maar geen dwaasheden, Louise. Ik dacht dat je verstandiger waart en meer voor den kleinen vent over hadt.”Zij zei er niets op. Wat het was, had ze niet kunnen zeggen, maar ze vond, nu een partij gegeven werd, dat zoo’n kind toch schrikkelijk de handen bond, vooral als men ’t zelf hielp. Gewoon haar eigen zin te volgen, meer dan die van papa of van wien ook, stond haar besluit vast: na de partij moest het maar gebeuren.Ze vertelde het aan Van Velton toen ze ’s avonds het dessert gebruikten.[44]„Daar doe je heel verstandig aan,” zei hij, zorgvuldig zijnmangistan—volgens hem de eenigefatsoenlijkevrucht—genietend. „Je hadt er nooit mee moeten beginnen. Dat heb ik altijd gezegd.”„’t Heeft hem toch goed gedaan.”„Dat zou wel zijn terecht gekomen.”„Moet je uit?”„Ja, hoezoo?”„O, nergens om. Ik vraag het zoo maar.”„Ik heb een conferentie van avond.”„Mon Dieu!je hoeft me niet te vertellen waar je heen gaat.”„Ik heb overigens niet bepaald haast. Als je misschien wilt rijden.… ’t is mooi weer.”„Geen idée! Ga jij maar gerust naar je conferentie.”Hij ging. Onderweg beschuldigde hij zichzelven minstens van groote voorbarigheid. Nu hij vrij geregeld bezoeken aflegde bij de weduwe Donker, en zij hem alles had verteld, zou hij veel geld hebben willen geven als hij de relatie met Lientje had kunnen afbreken. Vooreerst omdat hij er nooit mee zou zijn begonnen, indien hij die verhouding tegenover zijn schoonvader had geweten. Ten tweede, omdat hij al heel gauw, als man van de wereld en van rijke ervaring, tot de overtuiging was gekomen, dat het, wèl beschouwd, niet veel zaaks was, veel minder dan hij zich had voorgesteld.Hoe drommel was hij daar toch zoo ingeloopen?En Lientje Donker vroeg zich hetzelfde af. Toen hij de eerste maal in haar huis kwam en zich de vrijheid veroorloofde haar onder de kin te strijken, was Van Velton zoo zenuwachtig geweest, dat ze moeite had gehad om zich goed[45]te houden en hem niet in zijn gezicht uit te lachen. Hij was heengegaan met de overtuiging, dat hij een mal figuur gemaakt had. Dat had hem erg gehinderd en zijn eigenliefde zeer gekwetst; hij was teruggekomen een paar dagen later, ten einde de waarde zijner persoonlijkheid te releveeren en zij, Lientje, had hemnietde deur gewezen, omdat ze nieuwsgierig was.Naar dokter Van der Linden durfde ze nu niet meer gaan.Zoo continueerden zij de kennismaking zonder vreugde, en alleen uit vrees, hij voor Christien Donker, de welgestelde weduwe, die hij nu wist dat een immoreele helleveeg was,—zij uit een aangeboren indolentie, die zonder veel omslag berustte in haar eigen noodlot.Zoolang het leven in huis hem zoo gruwelijk onaangenaam was, ging het nog. Maar nu werd het beter. Louise was eenigszins veranderd. Zij sprak niet meer zoo bits, ze viel hem nietaltijdlastig met het kind, en deze nu afgeloopen dag had tot de aangename behoord.Als dat nu zoo eens doorging en zijn dochter Hortense kwam uit Holland naar huis, dan had het een genoeglijk leven kunnen worden.Wie weet wat hem nu te wachten stond!Zoopikirendtrad hij de ’s avonds nimmer verlichte voorgalerij van de weduwe Donker binnen, die naar gewoonte op een wipstoel zat te schommelen bij den ingang.„Goeden avond.”’t Scheen, dat de toon, waarop hij sprak, haar niet beviel, want ze keek even naar hem op, en zei allesbehalve vriendelijk:„Ook goeden avond!”[46]Van Velton wilde naar binnen gaan.„Ze is niet thuis.”„Zoo.”Snel stond ze op.„Ik heb haar uitgestuurd, Van Velton, naar een weduwe van mijn kennis hier in de buurt. Ik heb haar expres weggezonden.”„Wel vriendelijk.”„Ga daar zitten, asjeblieft. Ikmoeteens ’n appeltje met je schillen, hoor! Dat gaat een gangetje, dat me niks aanstaat.”„Zoo, vindt ge dat?”„Het is schandelijk! Maar als je denkt op zoo’n gemakkelijke manier van me af te komen, dan heb je het mis!”„Och kom!”„Ik zeg nog eens.…”Van Velton was niet in een stemming om de standjes van Christien Donker af te wachten, wier spel hij vrij wel doorzag, al kon hij den waren motor niet raden, en al vergiste hij zich door dien alleen te zoeken in een aanslag op zijn beurs.Hij besloot een afdoenden maatregel te beramen. In elk geval wilde hij weten, waaraan hij toe was, en welke veeren hij bij moeder en dochter zou laten zitten. Iets minder norsch en uit de hoogte, viel hij haar in de rede:„Zeg maar niets. Het beste is niet veel woorden noodeloos te verspillen. De waarheid is, dat de relatie me erg tegenvalt.”„Ei?” riep ze op schamperen toon. „Ei? Ik had anders gedacht dat mijn Lien waarachtig nog veel te goed was voor zoo’n ingebeelden ouden kwast.”Dat hij vuurrood werd en haar wel had kunnen slaan, begreep ze, maar in de duisternis kon ze het niet zien.[47]’t Duurde maar een oogenblik. Wat deerde hem de booze tong van dat wijf? Zijn practische geest kwam boven. Nu, nadiewoorden was het geen zaak om met haar te onderhandelen over het afbreken der relatie en over den prijs, waartegen dat kon gedaan worden. Zij zou overdreven eischen stellen en die volhouden naarmate hij beslister pogingen deed om aan de zaak een einde te maken.„Je bent vanavond zóó vriendelijk,” zei hij opstaande, „dat ik de eer heb je te groeten.”Zij hield hem vast bij de mouw van zijn jas.„Luister nog even. We moeten bedaard spreken. Als je denkt dat ik er op uit ben je ’t vel over de ooren te trekken, dan heb je het mis. Beloof me één ding. Ga nog ’n maand voort op de gewone manier, en dan kan je mijnentwege wegblijven om nooit weer terug te komen.”Hij zag weer een gaatje om door te sluipen.„Waarom nog een maand? Kom, laat ons er nu maar ’n eind aan maken. We zijn nu zoover, dat we geen van drieën op elkaar zijn gesteld. Een kort en goed besluit.…”Maar ze schudde heftig van neen.„’t Gaat niet, Van Velton! Voor geen wereldsch goed laat ik je nu reeds schieten. ’n Maand moet het nog duren; geen dag gaat daaraf.”„Nonsens!”„’t Kan me niet schelen hoe je het noemt, maar ik zeg je, dat het zoo zijnmoet. En ik waarschuw je, Van Velton, probeer niet weg te blijven, want ik haal je uit je huis en ik haal je van ’t kantoor op ’n manier, die je heugen zal, hoor!”[48]Het denkbeeld deed hem rillen. Hij wist, dat ze tot alles in staat was en zich voor niets zou ontzien, als het op wraak aankwam. Waar was hij toch ingeloopen, waar was hij toch ingeloopen!„Ik groet je,” zei hij nogmaals en ging zijns weegs.’t Was Christien Donker nu duidelijk: er moest gehandeld worden, en spoedig ook, anders zou alle moeite tevergeefs zijn geweest. Bah, welk een man! Nog had ze macht over hem, maar ze voelde dat het niet lang meer zou duren. Ze ging weer op haar wipstoel zitten schommelen enpikirde. Het zou eigenlijk wèl zoo verstandig wezen twee vliegen te slaan in één klap. Waarom zou ze het geld aan haar haat- en wraakzucht opofferen? Het diende nergens toe. Zij kon heel goed het één hebben en niettemin aan ’t andere voldoen.Toen Van Velton t’huis kwam, vond hij Louise nog op, en nog bezig met ’t voorbereiden der groote partij.Kasian, wat gaf ze zich dáárvoor een moeite!„Zoo,” zei hij, „ben je nog niet gaan slapen?”„Neen, er valt nog heel wat te doen. Het buffet is nog volstrekt niet in orde.”„Ik zou dat maar aan den banketbakker overlaten. De man heeft op zich genomen er voor te zorgen.”„Dank je! Ik weet te goed, wat dat is. Dan zorgt hij misschien heel aardig voor zijn beurs, en de gasten krijgen niet wat ze verlangen.”„Kan ik je ook helpen?”Er was geen sprake van! Toch wilde hij niet naar bed gaan, maar stak een versche sigaar op en terwijl zij nog bevelen gaf aan de bedienden, en nazag, en opschreef, praatte[49]hij gezellig nog een uurtje met haar, zonder dat een van beiden dacht aan de veelvuldige onaangenaamheden, die ze gehad hadden, noch aan de eigenaardige verhouding tot elkaar, waarin ze reeds zoo lang leefden.Er ging toch, dacht Van Velton, niets boven een gezellig tehuis. Zijn hart was dien avond goed genoeg om een poging te doen tot meer intieme toenadering. Maar hij had den moed niet. Drommels, als het eens tegenviel! En daarop bestond alle kans, want ze was zoo moe, zei ze,—doodmoe! Neen,alshij dat beproefde, dan moest hij zoo’n beetje zeker wezen van zijn zaak, en dàt was hij in ’t geheel niet.Louise kon gelukkig gaan slapen toen ze in haar kamer kwam, want ’t kind sliep. Ze was wezenlijk moe. Dat den ganschen dag op de been zijn, en door zoo’n groot huis dribbelen matte geweldig af; en ze was ook niet geheel koortsvrij; dat voelde ze aan haar hoofd.Misschien lag in het laatste de reden, dat ze ondanks haar vermoeienis niet dadelijk den slaap kon vatten en zich rusteloos om en om wendde. Het waren eigenlijk geen gedachten die haar bezig hielden,—’t was alsof een serietableauxvoor haar geest heentrok. Nú was het zus en dàn weer zóó: het souper met al de gasten aan tafel, waaronder ze ook Fournier opmerkte; de groote zaal, waarin gedanst zou worden, en waarin ze ook Fournier zag dansen met haarzelve; gesprekken op divans, whistpartijtjes aan mahoniehouten speeltafeltjes, ongelukjes, tegenvallers, mislukte schotels, en bij en tusschen dat alles door een onbestemde vrees voor allerlei stoornissen, die zouden kunnen gebeuren, maar waarvoor nog geen enkele feitelijke aanleiding bestond.[50]En nauwelijks was ze ingeslapen of daar kwam de baboe haar wekken, want.… ’t kind. God, God, wat was dat lastig! Met moeite richtte zij zich op. Toen ze elken avond te halftien naar bed ging, och! toen was ze er al uit als de kleine slechts kikte. Maar nu ze zooveel had te doen gehad tot laat in den avond voor dat feest,—neen, hetwastoch ’n slavernij dat zelf helpen van de kinderen!Ze dommelde in en waggelde heen en weer tot groot leedwezen van haar jongske, dat er hoogst kwaadaardig zijn verontwaardiging over te kennen gaf, en haar dan deed opschrikken uit haar sluimering.Och, als men den heelen dag bijna niets deed, dankonhet, maar was er ook maar ’t geringste vermoeiende werk te doen, dan viel het zoo zwaar! Nu, herhaalde ze bij zichzelve, halfrood van vaak, na de partij zou ’t gauw uit wezen!Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. Define fleurvan ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste ambtenaren, die in hunfort intérieurniets ophadden met den koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden naam of dansbeenen.Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den anderen kant, die[51]gekleed waren met eeneenvoud, haast beleedigend voor het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.Dan wat velendachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open. Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel wel zou opbrengen.Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde Fournier.Zelf uit een goede en gegoede Hollandsche familie, waarin de kunst hoog geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar toch,—er zat zekere verwantschap in.Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de vrouw des huizes, dieentouréwas van nieuw[52]aangekomen gasten. De vrouw des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo jeugdig was haar toilet.…! Fournier vond, dat het eigenlijk geen dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indischemater familiaste worden.Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit. Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een whistje, maar hij excuseerde zich.Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte terug naar de zaal, waar gedanst werd.Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw, en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.Toen allesen trainwas, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen, sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen,[53]zijn rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar zijn woning terugkeeren.Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde zij ’t hoofd om en keek hem aan.Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar waaier,—alles zei hem: Kom hier!Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij eigenlijk besefte, dat hij liep.„Danst u nunogniet?” vroeg ze hem.„Als u me de eer wilt aandoen.…”Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voorzulkeen schepsel, dat zich had weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program correct uit te voeren.[54]En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had hem haar ten dans doen vragen.Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker klonk.Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te executeeren.Juist het tegendeel!„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.„Neen.”„Dat is heel openhartig.”„U hebt me toch nooit anders gekend.”„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij, ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij, Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze[55]vond het verrukkelijk en ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een gevaarloos spelletje.„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag volmondig „neen” zegt!”„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.„Kasian!Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.[56]„Ik dacht dat je niet danste.”Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt niet van plan er een aanmerking op te maken.„’t Was met de vrouw des huizes.”„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”„Nietwaar?”„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”„Zeker niet.”„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat hij doet. ’n Slimme vent!”„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant.…”„Ik bedoelde ’t juist andersom.”„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man, zoo.… en dan.…”De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend gebaar.„Daarom behoefde zij het niet te doen.”„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee millioen.”„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in zit. Het is een man inbonus.”Fournier zweeg.[57]„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om lachte.„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”„Wat?”„Dat je om die oudeBekanntschaftverlegen zoudt behoeven te worden.”„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde gevolgtrekkingen.”„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We homberen met een uitvaller. Adieu!”Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een gevoel van spijt.„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet me nu eens genoegen.”„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw schoonzoon gebruik te maken.”„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”„Magnifique!”„En amuseert ge u nogal?”Wat moest hij zeggen?„O zeker, heel goed.”[58]„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen oplevert.”„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga, dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en kom in de logeerkamer.”„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van. ’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was geweest.„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem al eens gezien?”„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de logeerkamer binnen.’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon, nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan Fournier.Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen[59]kleine kinderen te praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar jongske, dat het uitkraaide van de pret.Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwensobatook maar een zoen.”De dokter stak den jongen man ’t kind toe.Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar voorhoofd.„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dankanonskogelsin vijandelijke bentengs.[60]Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht bracht hem al heel gauw uit de plooi.„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik kan en mag er niet meer aan huis komen.”Toch had hij het beloofd.„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning gaarne zou gebruik maken.Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.„Praat toch zulkenonsensniet.”Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van Velton achterwege.”„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”[61]„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een pas geëngageerd paar.”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou hebben bekend.Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil. Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours met Fournier gaande te houden.Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man, die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij een vijand.Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te zeggen.„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”[62]’t Had haar moeite gekost!Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling, had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurdwas, had ze zulk een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest,[63]mocht daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.… neen, nooit, nooit!Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar houding was in het oogloopend geweest,—nu,soedah! het kon niet anders.Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon opleveren, gedood had en begraven.’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als.… een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon, schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een afscheidsgroet geweest.Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om haar mond. Zóó te leven!Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van eer. Hetkonniet anders. Was haar leven[64]vreugdeloos,—welnu, ze zou alles wezen voor haar kind.Diepoëzie des levens bleef haar over, en dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar droeg.Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje. Wat sliep hij heerlijk!Hijzou haar al het andere vergoeden; al het andere, dat het leven haar scheen te onthouden.Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet, dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht een brief.Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering, hield ze zich uiterlijk kalm.„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had toch nietgehooptop zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen gedachten?Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand,[65]slordig en niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier wakker was te krijgen.Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.„Mevrouw!Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang.…, die daar alleen woontmet een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.Een vriendin.”Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was dat nu? Zij dacht aan laster; ’tkonimmers niet waar zijn, meende ze; maarals.… Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het aangewezen adres. En ze was er[66]kalm onder; zeer bedaard. Zewildeweten wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd schelen.Ze reed langs het aangewezen huis: ’twaswaar; het rijtuig van Van Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar vader.Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote inrichtingen in Europa en Amerika.Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.Een angstig voorgevoel beving hem.Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar karakter dan te wachten?„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”„Wilt u dit eens inzien?”Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een divan.Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.Totzulkegemeene streken was zij alleen in staat.[67]Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje. Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een onvervalschtenpère noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de hand gerukt en in haar zak gestoken.„Je lijkt wel dwaas, pa!”„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen bewaren?”„Wie zegt, dat het laster is?”„Ik.”„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te fatsoenlijk.…”Zij lachte hem uit in zijn gezicht.„Zal ik u wat zeggen, pa?”„Nu?” vroeg hij angstig.„Het is waar.”„Och kom, hoe kan je dat beweren?”„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het gezien!„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop ik, toch niet in huis gegaan?”[68]Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het gezicht.„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen? Toch.… ik weet het niet.… misschien.… als het een man betrof, dien ik liefhad. Maar omhem.… Bah!”„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent ernietgeweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus niet.…”„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat. Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat het waar is.”„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond bewijst niets.”Zij haalde de schouders op.„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”„Dat komt, Louise, door je gebrek aan menschenkennis. Geloof me, als je zoo oud bent als ik, zal je beter de onwaarde van zulk geschrijf leeren beseffen. Weet je wat, ga jij nu naar huis. Ik zal me kleeden en ik zal zelf onderzoeken, wat er van die beschuldiging waar is en wat niet.”„Volstrekt niet, pa. U is een best mensch, en u bent altijd zeer, zeer goed voor me geweest. In dit geval is het anders en ik zie duidelijk, waar u heen wilt.”„Wieslief.…”[69]„Niets er van, pa. Wàt in dien brief staat is de zuivere waarheid. Geen letter gaat er af.”„Je zult je huisgezin ongelukkig maken. Luister naar mijn raad: ga naar huis en verscheur dien brief.”„Wat u mijn huisgezin noemt, bestaat niet. Ik heb alleen een kind, en dat zal niet ongelukkig worden, daarvoor sta ik u borg. Wat Van Velton betreft,—de man is mij zoo volmaakt onverschillig …”„Waarom ga je dan op den laten avond uit om hem te bespieden?”Het was een moeielijk te beantwoorden vraag, vond ze. Toch aarzelde ze slechts eenige seconden, en zei toen langzaam:„Bespieden is het woord niet. Ik wilde zekerheid, en die heb ik. Die brief is mij geld waard; hij is ten allen tijde een krachtig wapen, en, wie weet, of ik hem niet te eeniger tijd kan noodig hebben.”„Noodig hebben! Waarvoor zou jij zoo’n gemeen vod noodig kunnen hebben?”„Och, men kan ’t niet weten; misschien.… totmijn rechtvaardiging.”„Zoo.… tot je rechtvaardiging. Ik begrijp dat niet best.”„’t Is toch duidelijk dunkt me.”„Dat vind ik niet, ten minste niet als ik het jou hoor zeggen.”Zij lachte en dat maakte den dokter woedend.„Ik verzoek je om zulke dingen niet te lachen, asjeblieft. Er is, voor zoo ver ik zie, niets belachelijke aan. ’t Tegendeel is waar.”„Eigenlijk hebt ge gelijk. Het is niet belachelijk, maar ’t is ellendig. Iedereen doet wat hij wil; iedereen leeft er maar[70]op los. Ik alleen moet niets doen, wat niet goed is, mag er niet aan denken, niet over spreken, er zelfs niet om lachen. Ik moet als ’t ware de vlag wezen, die de lading dekt. ’t Is fraai.”Papa Van der Linden voelde, dat nu ook voor hem ’t gevaar in aantocht was. Hij had een strengen toon aangeslagen daareven, en zijn vaderlijk standpunt was daar niet zuiver genoeg voor, althans niet tegenover een dochter als Louise.Hij zweeg, en zoo zaten zij vijf minuten zeer onbehaaglijk tegenover elkaar, totdat zij driftig opstond, en met een kort „wel te rusten!” even snel ’t huis uitliep, als ze er in was gekomen.In den coupé huilde ze. Had ze toch maar een moeder, bij wie ze haar hart kon lucht geven, of een wezenlijke zuster of een goede hartelijke vriendin als Lucie.Maar niets! Haar vader, och, hij was immers ook een man, zooals de rest!Toen Van Velton dien avond in zijn rijtuig stapte om naar huis te rijden, had zijn koetsier hem iets te zeggen. Heel geheimzinnig deelde de man hem mee, dat hij den coupé had zien voorbijrijden. Van Velton schrikte er van en meende, dat de koetsier zich had vergist; ’t zou ’t rijtuig zijn geweest van iemand anders. Maar de koetsier hield vol. Het washunrijtuig, dat wist hij zeker, en zijn collega, die altijd mevrouw reed, had hem van den bok toegeroepen, dat de njonjah zelf in den coupé zat.Een hoogst onaangenaam geval! Thuis informeerde Van Velton nog eens. Welzeker! Mevrouw had eerst een brief gekregen en kort daarop laten inspannen.[71]Kon hij haar maar te spreken krijgen! Als de bom toch moest barsten, dan hoe eer hoe liever. Hij liep zacht langs de ramen van haar kamers en gluurde door de stores naar binnen. Niets te zien! In den gekleurden ballon brandde ’t nachtlichtje; alles stil. Ze sliep, dat was duidelijk, en aan haar kamer kloppen en haar wakker maken, durfde hij niet.In zijn eigen vertrekken teruggekeerd, deed hij moeite om te slapen, maar ’t gelukte hem niet. Allerlei sombere, nare gedachten hielden hem bezig en plaagden en vervolgden hem. Dat had men nu van die vervloekte zijwegjes. En als het nu nog een wezenlijkepenchantwas, maar zelfs dat niet. Het was pure gewoonte geworden, zijn gaan naar Lientje Donker, anders niets. Hij ging er heen, zooals men aan tafel gaat: minder omdat men honger heeft, dan wel omdat het nu eenmaal een aangenomen gebruik is te acht uren te dineeren.Wat zou dat den volgenden ochtend een genoeglijke ontmoeting wezen! Het zweet parelde op zijn voorhoofd, als hij er aan dacht. Niettemin nam hij zich vast voor den kogel zonder verwijl door de kerk te schieten. Zaken waren nu eenmaal zaken, en moesten coulant worden afgedaan. Daar hield hij van, en hij was het zijn leven lang gewoon geweest.Tegen den ochtend sluimerde hij in van vermoeidheid en toen zijn bediende hem tegen acht uren riep, sprong hij verschrikt uit het bed. Daar zal je de poppen aan het dansen hebben, dacht hij met een zucht.De tafel in de achtergalerij stond voor het ontbijt gedekt. Louise was er niet. Wèl de baboe met het kind; hij nam het van de meid over en beproefde nog eens of hij den diapason[72]van zijn stemgeluid op kinderooren streelenden klank kon brengen. Het ging minder goed dan ooit.Daar kwam ze aan!„Goeden morgen,” zei hij op zijn meest gewonen toon. Ze antwoordde op dezelfde wijze. Van ter zijde begluurde hij haar. Zij zag er precies uit als altijd. Niets bijzonders.„Ben je gisteravond nog uit geweest?”„Ja.”„Ik geloof dat we elkaar gepasseerd zijn.”Zij haalde de schouders op, met een onverschillig gezicht, dat zich geheel niet om zijn geloof scheen te bekommeren.„’t Is wel mogelijk.”„Ik meen het zeker te weten. ’t Was in gang.…”„Och kom! Daar behoefde ik anders volstrekt niet te wezen.”„Niet?”„Wel neen. Om naar papa te gaan is het niet noodig dien omweg te maken.”„Ben je bij den ouden heer geweest?”„Ja. Ik heb hem eens opgezocht.”„Hoe drommel komt die koetsier dan zoo om te rijden?”„Misschien dacht hij, dat ik het aangenaam vond, of misschien vond hij ’t zelf pleizierig. Ik heb er niet op gelet.”„Zoo-o!”Eenscèneviel er niet voor, dat was waar, maar Van Velton voelde zich minder op zijn gemak dan ooit. Hij was zoo’n oude rat, dat hij om zoo te zeggen de val rook, waarin ze hem naar het scheen wilde laten loopen.Er stak iets achter, dat was zeker, en hij moest en hij zou weten, wat dat was. Met verder vragen kon hij niet doorgaan,[73]en naar dien brief informeeren was ook niet raadzaam. Ten slotte ging hij naar de stad met de overtuiging, dat hij aan de eerst zoo gevreesde scène de voorkeur had gegeven boven deze geheimzinnigheid. Wie weet of hij, schuld bekennend, onder aanvoering van verzachtende omstandigheden en met belofte van beterschap, niet.… een kansje had gehad!Hortense Van Velton reisde onder de hoede van een predikants-familie met een der booten van de maatschappijNederland. Zijzelve was liever met een Fransche boot gegaan, maar de familie in Holland had dat niet wenschelijk geacht.Iedereen had de reis erg aangenaam gevonden.Men had muziek gemaakt, tooneel gespeeld, gedanst en zich het leven zoo aangenaam mogelijk gemaakt. Doch Hortense had zich teruggetrokken. Zij vond het ordinair.Mooi was ze niet, en toch ook niet leelijk, al had ze iets ziekelijks over zich. Ze was wat lang en wat hoekig voor een jong meisje, maar zeer blank en erg voornaam. In haar uiterlijk had zij veel van haar vader. Als hij langs de kali-besar liep, dan had een vreemdeling allicht kunnen denken, dat alles wat daar stond, gebouwd en ongebouwd, zijn eigendom was. Welnu, als Hortense op het dek van den stoomer wandelde, en hij „rolde” niet al te erg, dan stapte zij zoo voornaam en majestueus van ’t eene eind der kampanje naar ’t andere, dat de jongelui elkaar aanstieten en haar „mevrouw de commandant” noemden, wat ze eigenlijk niet zóó zeiden maar op een andere, meer onder heeren gebruikelijke wijze.Onder de passagiers was zij niet bemind. Zelfs de predikant en diens vrouw mochten haar niet, zoo stijf en afgemeten[74]was zij altijd, en ofschoon haar zee-ouders dat welwillend toeschreven aan de ziekelijke omstandigheden waarin het meisje verkeerde,—aangenaam vonden de goede, hartelijke menschen het niet.Hortense Van Velton haatte haar stiefmoeder, die ze nog nooit had gezien.Zij noemde haar vader openlijk een dwaas, en had zich vast voorgenomen hem dat onder vier oogen te vertellen. Hoe ze „dat mensch” behandelen moest in haars vaders huis, begreep zij niet. „Mama” zeggen, dat zou misschien nog het hatelijkste wezen tegenover dat jonge vrouwtje.De geheele reis had ze aan niets anders gedacht, dan aan haar stiefmoeder. Zou ze haar aan boord komen afhalen?Ze kwam niet.Toen het schip op de reede van Batavia lag, kwam Van Velton met een sloep langs zij en klom de trap op. Het was een tamelijk koele ontvangst. Zij vond, dat papa er veel minder goed uitzag, dan toen hij een jaar of vijf geleden eens in Europa was geweest; hij vond dat Hortense leelijk en spichtig was geworden, en dat het heel wat moeite zou kosten haar aan den man te brengen.„Hoe heb je het gehad aan boord?” vroeg hij.„Zoo.… tamelijk.”„Nu, je kunt thuis je schade inhalen.”„Thuis bij.… mama?”„Ja.… noem haar maar zoo.… Als ’t haar niet aanstaat zal ze ’t je wel zeggen.”Het gezicht van Hortense klaarde op. Komaan, dat begon uitstekend! De verhouding was voor haar bijzonder gunstig.[75]Uit de manier, waarop hij sprak, bleek duidelijk, dat het nietcouleur de rosewas tusschen hem en de tweede vrouw. ’t Kon waarlijk niet beter. Als papa nu nog niet wist of zij er vrede mee nam, dat de kinderen haar „mama” noemden.… nu dat scheen in orde te zullen komen.„Natuurlijk zou ik haar mama genoemd hebben; zij is uw vrouw endusde „vrouw des huizes.”„Lieve Hortense,” zei Van Velton op zijn voornaamsten patriarch-toon, „mevrouw Van Velton-Van der Linden is een zeer eigenaardige dame. Ik hoop, dat je het goed met haar zult kunnen vinden; maar als je er misschien op hebt gerekend een.… moeder.…”„Dank u;mijnmoeder is dood.”„Of.… een vriendin .…”„Evenmin.”„Nu, des te beter dan. Want mijn vrouw zal waarschijnlijk noch het een, noch het ander voor je zijn. Begin echter met haar te geven, wat haar wettig toekomt, en noem haar mama.”Hortense ademde vrijer. Goddank! Geen intimiteit. Op een afstand en zonder vertrouwelijkheid. Dat was de eenig draaglijke manier.Nieuwsgierig om te zien hoe „mama” er uitzag, keek ze de binnengalerij rond nog voor ze uitstapte. Dus kwam „mama” haar niet te gemoet!Ze gingen het huis binnen en vonden de vrouw des huizes in de achtergalerij. Langzaam en met haar commandanten-houding trad Hortense op het mooie, kleine vrouwtje toe, wier schoonen sierlijken lichaamsbouw ze met stille woede opmerkte.[76]„Louise,” zei Van Velton, „dat is mijn dochter Hortense.”„Dag mama.”De stiefmoeder begon te lachen.„Je moet ’t me niet kwalijk nemen, Hortense, maar ’t klinkt zóó gek omutegen mij „mama” te hooren zeggen. Noem mij maarmevrouwhoor.”„Heel goed; dat doe ik ook veel liever.”„Natuurlijk; ’t was onnoodig het te zeggen. Je kamers zijn klaar. Je papa zal wel zoo goed zijn om ze je aan te wijzen. Tot ziens.”Mevrouw Van Velton-Van der Linden keerde zich om en ging heen. Hortense was er eenigszins van verbluft. Dat overtrof nu alles wat ze zich bij mogelijkheid had durven voorstellen.’t Scheen haar hier een huisgezin toe vol storm en onweer.„Gaat het hier altijd zoo?” vroeg ze haar vader.„Wat bedoel je?”„Wel dien vriendelijken toon en die prettige, huiselijke manier van doen?”„Mijn vrouw is zeer eigenaardig.”„O, is het anders niet?”„Anders niet? Wat zou het dan?”„Ik dacht dat het misschien.… een ongelukkig huwelijk was.”„Hoe kom je op dat idée?”„Och.… zoo maar.”„’t Gaat hier altijd stil en bedaard toe. Je weet, ik ben een vijand van rumoer.”„En altijd op de manier van daareven?”[77]Wat zou hij zeggen? Waarom het voor haar te verzwijgen? Zij zou het immers toch spoedig genoeg gewaarworden.„Ja, zoo ongeveer.”„Dan heb ik immers gelijk gehad; dan is uw huwelijk ongelukkig, pa. Hoe bent u ook zoo dom kunnen wezen? Kijk, als dat mensch nu niet hier in huis was, wat zouden we dan een aangenaam en rustig leven kunnen hebben. Nu staat zij er tusschen als een hinderpaal; zij met dat vieze kind.”„Het is geen vies kind,” zei Van Velton eenigszins verontwaardigd.„Och, dat zijn die kleine kinderen allemaal. Aan boord.….. bah!”Van Velton lachte.„Kom, laat ons er maar over zwijgen. Ik hoop dat de kamers je zullen bevallen. De meid zal je helpen aan ’t ontpakken van je goed. Adieu!”Hij kwam nog even terug.„Ik ga naar de stad. Straks zal men je wel waarschuwen voor de rijsttafel.”De kamers waren keurig ingericht, en al had Hortense het land aan haar stiefmoeder, ze was verplicht haar in stilte dankbaar te zijn voor de zorgen, die ze aan het arrangeeren dezer kamers had besteed. Toch was het geen groote dankbaarheid, die bij het lange, bleeke jonge meisje opwelde. „Ze heeft smaak,” dacht ze bij zichzelve; „dat hebben die nona’s meer.”Verder kwam ze niet. Ze wachtte ook niet, tot ze werd geroepen voor de rijsttafel. Waarom zou ze wachten? Was[78]het niet evengoedhaarhuis? Daarom ging ze naar de binnengalerij en bekeek er de bibelots en de schilderijen, die ze zich van vroeger niet herinnerde.Een uurtje later kwam een bediende haar zeggen, dat de „makanan soedah” klaar was; ze ging naar achter en vond haar stiefmoeder reeds aan tafel.Louise was eenigszins in haar humeur. ’t Had haar aangenaam getroffen, dat Hortense zooveel minder mooi was, dan zijzelve, en dat stemde haar tot toegeeflijkheid. „Was je ziek in Holland?” vroeg ze.„Ja. Ik kon niet tegen de kou.”„Hoe is het mogelijk? Ik vond het er heerlijk lekker.”„Bent u ook in Europa geweest?”„Natuurlijk,” zei Louise verontwaardigd. „Mijn papa was wel geen koopman; hij isslechtsgeneesheer; maar dat belette hem niet mij een Europeesche opvoeding te doen geven.”Hortense voelde het hatelijke, dat in hetslechtsstak, maar wist niet goed wat te zeggen. Zij had ook verstand genoeg om in te zien, dat ze tegen dit kleine, donkere vrouwtje in een woordenwisseling niet opgewassen zou zijn, en dat de statigheid en de ernst, die zij van haar vader had geërfd, het tegen de manieren en de zegswijze van mevrouw Van Velton-Van der Linden zouden afleggen. En die overtuiging drong haar nog een andere op. Haar stiefmoeder was de meesteres in huis en papa had weinig of niets te zeggen. Dàt idée hinderde haar ’t meest. Zij gaf geen repliek op ’t hatelijke „slechts” en at stil door. Zij zou met haar vader spreken. Samen zouden zij sterker zijn.[79]Zoo liep het diner kalmpjes af. Hortense gaf haar oogen en ooren meer en beter den kost dan haar mond, terwijl Louise de rijsttafel groote eer aandeed.Van Velton zocht, toen hij van ’t kantoor thuis kwam, dadelijk zijn dochter op.
Hij wist maar half, wat hij zei.Louise was opgestaan toen hij naar haar toetrad en met de eenvoudige gratie, die welopgevoede Indische meisjes aan den dag kunnen leggen, als ze dat willen, had ze hem verwelkomd.Zij was nu niet meer weifelend of zenuwachtig; althans daarvan was niets te bespeuren. Op vasten toon leidde ze de conversatie.„Beviel de ambtenaars-loopbaan u niet langer?”„Neen.”„Ik kan het me voorstellen,” lachte Van Velton. „Het is wel zoo goed een advocaten-kantoor te hebben op een der[41]hoofdplaatsen. Men verdient ’t kapitaal voor zijn eigen pensioen gauwer en beter.”„Och, wat dat betreft.… Om het geld heb ik het niet gedaan.”„Waarom dan?” vroeg Louise.’t Was een eenigszins indiscrete vraag, dat voelde ze.„Het is misschien wat onbescheiden van me, u dat zóó te vragen.”„De zaak is, dat ik er moeilijk met een paar woorden op antwoorden kan.”„A propos, hebt u pleizier om overmorgen onze gast te zijn? We geven een danspartij.”„Met genoegen, meneer Van Velton.”„Danst u nog?” vroeg Louise.„Nog, mevrouw?”„Mijn hemel, ja! De heeren worden tegenwoordig zoo gauw oud, of nemen er althans den schijn van aan.”„’t Is waar, dat ik in langen tijd niet heb gedanst.… sedert.…”„Is het zóó lang geleden?” vroeg Van Velton.„Ja.… inderdaad.… het is de laatste maal geweest bij uw papa aan huis.…”Het hartje van mevrouw L. Van Velton-Van der Linden klopte sneller. Dat was geweest op die fameuze partij, waarop Lucie gevraagd was door Van Brakel, en zij, Louise, door Fournier; die partij, waaruit ’t huwelijk van ’t eerste paar maar, doorhaarbitse weigering, niet dat van het tweede was voortgevloeid.Had hij sedert niet gedanst? Had het zulk een invloed op[42]hem gehad, zulk een diepen indruk bij hemachtergelaten? Arme jongen!„Was er te Soerabaia zoo weinig te doen?”„Volstrekt niet. Het is een zeer drukke plaats. Maar ik ging weinig uit.”Terwijl Van Velton met zijn bezoeker de gewone Indische conversatie volgde, welke, in den gezelschapstoon gevoerd, toch altijdzakentot achtergrond heeft, keek Louise van tijd tot tijd Fournier eens aan.’t Viel waarlijk niet te ontkennen, dat hij in zijn voordeel was veranderd. Hij was flinker, manlijker, meer gedecideerd geworden, en zijn uiterlijk toonde dat aan.Onwillekeurig dwaalde haar blik naar Van Velton. Die was ook veranderd, maar minder in zijn voordeel. Zijn haar was grijzer geworden en zijn trekken scherper gemarkeerd.Zijn figuur was ook niet meer zoo rechtop, als toen hij nog weduwnaar was en met zijn lange, hoog dichtgeknoopte jas, zijn lorgnet en zijn wit glacé-handschoenen, half uit den borstzak overhangend, een zeer „gekleed” figuur maakte.Dàt was nu haar man! Dáármede moest ze nu het leven doormaken, jaar in jaar uit! Gezond was hij overigens, en de kans om eenjongeweduwe te worden mocht uiterst gering heeten. Die andere had haar man kunnen zijn, indien ze gewild had. Gedistingeerder dan Van Velton was die andere niet,—haar man had altijd iets bijzondergentleman-like,—maar o! hij had zooveel op hem voor. Louise schrikte eenigszins van haar eigen gedachtenloop, toen Fournier haar beleefdheidshalve in het gesprek betrok. Hij gaf[43]haar bij ’t heengaan evenmin de hand, als toen hij was gekomen; een ceremoniëele buiging, anders niet.Ze had gaarne wat meer hartelijkheid gezien; ’t stelde haar teleur, dat hij zoo koeltjes was. Niet dat ze.… o neen; ze kon boos worden op zichzelve, dat er telkens van die vergoelijkende verzekeringen bij haar opkwamen.Mijn hemel, dat had ze immers niet noodig. Nooit zou ze zich ook maar onschuldige coquetterieën veroorloven tegenover Gérard Fournier,—nooit;c’était fini,—’t was uit.Dokter Van der Linden keek vreemd op, toen hij den volgenden ochtend onder het maken zijner visites even aanwipte bij zijn dochter op het Koningsplein, en deze hem meedeelde, dat ze van plan was het kind te spenen.„Waarom?” vroeg hij ontstemd. „Je kunt het nog best ’n paar maanden volhouden. ’t Hindert je niets en ’t is zoo goed voor hem!”„Maar ’t is verschrikkelijk lastig voor mij.”„Och, wat! Kom, begin maar geen dwaasheden, Louise. Ik dacht dat je verstandiger waart en meer voor den kleinen vent over hadt.”Zij zei er niets op. Wat het was, had ze niet kunnen zeggen, maar ze vond, nu een partij gegeven werd, dat zoo’n kind toch schrikkelijk de handen bond, vooral als men ’t zelf hielp. Gewoon haar eigen zin te volgen, meer dan die van papa of van wien ook, stond haar besluit vast: na de partij moest het maar gebeuren.Ze vertelde het aan Van Velton toen ze ’s avonds het dessert gebruikten.[44]„Daar doe je heel verstandig aan,” zei hij, zorgvuldig zijnmangistan—volgens hem de eenigefatsoenlijkevrucht—genietend. „Je hadt er nooit mee moeten beginnen. Dat heb ik altijd gezegd.”„’t Heeft hem toch goed gedaan.”„Dat zou wel zijn terecht gekomen.”„Moet je uit?”„Ja, hoezoo?”„O, nergens om. Ik vraag het zoo maar.”„Ik heb een conferentie van avond.”„Mon Dieu!je hoeft me niet te vertellen waar je heen gaat.”„Ik heb overigens niet bepaald haast. Als je misschien wilt rijden.… ’t is mooi weer.”„Geen idée! Ga jij maar gerust naar je conferentie.”Hij ging. Onderweg beschuldigde hij zichzelven minstens van groote voorbarigheid. Nu hij vrij geregeld bezoeken aflegde bij de weduwe Donker, en zij hem alles had verteld, zou hij veel geld hebben willen geven als hij de relatie met Lientje had kunnen afbreken. Vooreerst omdat hij er nooit mee zou zijn begonnen, indien hij die verhouding tegenover zijn schoonvader had geweten. Ten tweede, omdat hij al heel gauw, als man van de wereld en van rijke ervaring, tot de overtuiging was gekomen, dat het, wèl beschouwd, niet veel zaaks was, veel minder dan hij zich had voorgesteld.Hoe drommel was hij daar toch zoo ingeloopen?En Lientje Donker vroeg zich hetzelfde af. Toen hij de eerste maal in haar huis kwam en zich de vrijheid veroorloofde haar onder de kin te strijken, was Van Velton zoo zenuwachtig geweest, dat ze moeite had gehad om zich goed[45]te houden en hem niet in zijn gezicht uit te lachen. Hij was heengegaan met de overtuiging, dat hij een mal figuur gemaakt had. Dat had hem erg gehinderd en zijn eigenliefde zeer gekwetst; hij was teruggekomen een paar dagen later, ten einde de waarde zijner persoonlijkheid te releveeren en zij, Lientje, had hemnietde deur gewezen, omdat ze nieuwsgierig was.Naar dokter Van der Linden durfde ze nu niet meer gaan.Zoo continueerden zij de kennismaking zonder vreugde, en alleen uit vrees, hij voor Christien Donker, de welgestelde weduwe, die hij nu wist dat een immoreele helleveeg was,—zij uit een aangeboren indolentie, die zonder veel omslag berustte in haar eigen noodlot.Zoolang het leven in huis hem zoo gruwelijk onaangenaam was, ging het nog. Maar nu werd het beter. Louise was eenigszins veranderd. Zij sprak niet meer zoo bits, ze viel hem nietaltijdlastig met het kind, en deze nu afgeloopen dag had tot de aangename behoord.Als dat nu zoo eens doorging en zijn dochter Hortense kwam uit Holland naar huis, dan had het een genoeglijk leven kunnen worden.Wie weet wat hem nu te wachten stond!Zoopikirendtrad hij de ’s avonds nimmer verlichte voorgalerij van de weduwe Donker binnen, die naar gewoonte op een wipstoel zat te schommelen bij den ingang.„Goeden avond.”’t Scheen, dat de toon, waarop hij sprak, haar niet beviel, want ze keek even naar hem op, en zei allesbehalve vriendelijk:„Ook goeden avond!”[46]Van Velton wilde naar binnen gaan.„Ze is niet thuis.”„Zoo.”Snel stond ze op.„Ik heb haar uitgestuurd, Van Velton, naar een weduwe van mijn kennis hier in de buurt. Ik heb haar expres weggezonden.”„Wel vriendelijk.”„Ga daar zitten, asjeblieft. Ikmoeteens ’n appeltje met je schillen, hoor! Dat gaat een gangetje, dat me niks aanstaat.”„Zoo, vindt ge dat?”„Het is schandelijk! Maar als je denkt op zoo’n gemakkelijke manier van me af te komen, dan heb je het mis!”„Och kom!”„Ik zeg nog eens.…”Van Velton was niet in een stemming om de standjes van Christien Donker af te wachten, wier spel hij vrij wel doorzag, al kon hij den waren motor niet raden, en al vergiste hij zich door dien alleen te zoeken in een aanslag op zijn beurs.Hij besloot een afdoenden maatregel te beramen. In elk geval wilde hij weten, waaraan hij toe was, en welke veeren hij bij moeder en dochter zou laten zitten. Iets minder norsch en uit de hoogte, viel hij haar in de rede:„Zeg maar niets. Het beste is niet veel woorden noodeloos te verspillen. De waarheid is, dat de relatie me erg tegenvalt.”„Ei?” riep ze op schamperen toon. „Ei? Ik had anders gedacht dat mijn Lien waarachtig nog veel te goed was voor zoo’n ingebeelden ouden kwast.”Dat hij vuurrood werd en haar wel had kunnen slaan, begreep ze, maar in de duisternis kon ze het niet zien.[47]’t Duurde maar een oogenblik. Wat deerde hem de booze tong van dat wijf? Zijn practische geest kwam boven. Nu, nadiewoorden was het geen zaak om met haar te onderhandelen over het afbreken der relatie en over den prijs, waartegen dat kon gedaan worden. Zij zou overdreven eischen stellen en die volhouden naarmate hij beslister pogingen deed om aan de zaak een einde te maken.„Je bent vanavond zóó vriendelijk,” zei hij opstaande, „dat ik de eer heb je te groeten.”Zij hield hem vast bij de mouw van zijn jas.„Luister nog even. We moeten bedaard spreken. Als je denkt dat ik er op uit ben je ’t vel over de ooren te trekken, dan heb je het mis. Beloof me één ding. Ga nog ’n maand voort op de gewone manier, en dan kan je mijnentwege wegblijven om nooit weer terug te komen.”Hij zag weer een gaatje om door te sluipen.„Waarom nog een maand? Kom, laat ons er nu maar ’n eind aan maken. We zijn nu zoover, dat we geen van drieën op elkaar zijn gesteld. Een kort en goed besluit.…”Maar ze schudde heftig van neen.„’t Gaat niet, Van Velton! Voor geen wereldsch goed laat ik je nu reeds schieten. ’n Maand moet het nog duren; geen dag gaat daaraf.”„Nonsens!”„’t Kan me niet schelen hoe je het noemt, maar ik zeg je, dat het zoo zijnmoet. En ik waarschuw je, Van Velton, probeer niet weg te blijven, want ik haal je uit je huis en ik haal je van ’t kantoor op ’n manier, die je heugen zal, hoor!”[48]Het denkbeeld deed hem rillen. Hij wist, dat ze tot alles in staat was en zich voor niets zou ontzien, als het op wraak aankwam. Waar was hij toch ingeloopen, waar was hij toch ingeloopen!„Ik groet je,” zei hij nogmaals en ging zijns weegs.’t Was Christien Donker nu duidelijk: er moest gehandeld worden, en spoedig ook, anders zou alle moeite tevergeefs zijn geweest. Bah, welk een man! Nog had ze macht over hem, maar ze voelde dat het niet lang meer zou duren. Ze ging weer op haar wipstoel zitten schommelen enpikirde. Het zou eigenlijk wèl zoo verstandig wezen twee vliegen te slaan in één klap. Waarom zou ze het geld aan haar haat- en wraakzucht opofferen? Het diende nergens toe. Zij kon heel goed het één hebben en niettemin aan ’t andere voldoen.Toen Van Velton t’huis kwam, vond hij Louise nog op, en nog bezig met ’t voorbereiden der groote partij.Kasian, wat gaf ze zich dáárvoor een moeite!„Zoo,” zei hij, „ben je nog niet gaan slapen?”„Neen, er valt nog heel wat te doen. Het buffet is nog volstrekt niet in orde.”„Ik zou dat maar aan den banketbakker overlaten. De man heeft op zich genomen er voor te zorgen.”„Dank je! Ik weet te goed, wat dat is. Dan zorgt hij misschien heel aardig voor zijn beurs, en de gasten krijgen niet wat ze verlangen.”„Kan ik je ook helpen?”Er was geen sprake van! Toch wilde hij niet naar bed gaan, maar stak een versche sigaar op en terwijl zij nog bevelen gaf aan de bedienden, en nazag, en opschreef, praatte[49]hij gezellig nog een uurtje met haar, zonder dat een van beiden dacht aan de veelvuldige onaangenaamheden, die ze gehad hadden, noch aan de eigenaardige verhouding tot elkaar, waarin ze reeds zoo lang leefden.Er ging toch, dacht Van Velton, niets boven een gezellig tehuis. Zijn hart was dien avond goed genoeg om een poging te doen tot meer intieme toenadering. Maar hij had den moed niet. Drommels, als het eens tegenviel! En daarop bestond alle kans, want ze was zoo moe, zei ze,—doodmoe! Neen,alshij dat beproefde, dan moest hij zoo’n beetje zeker wezen van zijn zaak, en dàt was hij in ’t geheel niet.Louise kon gelukkig gaan slapen toen ze in haar kamer kwam, want ’t kind sliep. Ze was wezenlijk moe. Dat den ganschen dag op de been zijn, en door zoo’n groot huis dribbelen matte geweldig af; en ze was ook niet geheel koortsvrij; dat voelde ze aan haar hoofd.Misschien lag in het laatste de reden, dat ze ondanks haar vermoeienis niet dadelijk den slaap kon vatten en zich rusteloos om en om wendde. Het waren eigenlijk geen gedachten die haar bezig hielden,—’t was alsof een serietableauxvoor haar geest heentrok. Nú was het zus en dàn weer zóó: het souper met al de gasten aan tafel, waaronder ze ook Fournier opmerkte; de groote zaal, waarin gedanst zou worden, en waarin ze ook Fournier zag dansen met haarzelve; gesprekken op divans, whistpartijtjes aan mahoniehouten speeltafeltjes, ongelukjes, tegenvallers, mislukte schotels, en bij en tusschen dat alles door een onbestemde vrees voor allerlei stoornissen, die zouden kunnen gebeuren, maar waarvoor nog geen enkele feitelijke aanleiding bestond.[50]En nauwelijks was ze ingeslapen of daar kwam de baboe haar wekken, want.… ’t kind. God, God, wat was dat lastig! Met moeite richtte zij zich op. Toen ze elken avond te halftien naar bed ging, och! toen was ze er al uit als de kleine slechts kikte. Maar nu ze zooveel had te doen gehad tot laat in den avond voor dat feest,—neen, hetwastoch ’n slavernij dat zelf helpen van de kinderen!Ze dommelde in en waggelde heen en weer tot groot leedwezen van haar jongske, dat er hoogst kwaadaardig zijn verontwaardiging over te kennen gaf, en haar dan deed opschrikken uit haar sluimering.Och, als men den heelen dag bijna niets deed, dankonhet, maar was er ook maar ’t geringste vermoeiende werk te doen, dan viel het zoo zwaar! Nu, herhaalde ze bij zichzelve, halfrood van vaak, na de partij zou ’t gauw uit wezen!Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. Define fleurvan ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste ambtenaren, die in hunfort intérieurniets ophadden met den koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden naam of dansbeenen.Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den anderen kant, die[51]gekleed waren met eeneenvoud, haast beleedigend voor het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.Dan wat velendachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open. Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel wel zou opbrengen.Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde Fournier.Zelf uit een goede en gegoede Hollandsche familie, waarin de kunst hoog geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar toch,—er zat zekere verwantschap in.Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de vrouw des huizes, dieentouréwas van nieuw[52]aangekomen gasten. De vrouw des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo jeugdig was haar toilet.…! Fournier vond, dat het eigenlijk geen dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indischemater familiaste worden.Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit. Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een whistje, maar hij excuseerde zich.Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte terug naar de zaal, waar gedanst werd.Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw, en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.Toen allesen trainwas, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen, sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen,[53]zijn rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar zijn woning terugkeeren.Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde zij ’t hoofd om en keek hem aan.Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar waaier,—alles zei hem: Kom hier!Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij eigenlijk besefte, dat hij liep.„Danst u nunogniet?” vroeg ze hem.„Als u me de eer wilt aandoen.…”Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voorzulkeen schepsel, dat zich had weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program correct uit te voeren.[54]En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had hem haar ten dans doen vragen.Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker klonk.Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te executeeren.Juist het tegendeel!„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.„Neen.”„Dat is heel openhartig.”„U hebt me toch nooit anders gekend.”„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij, ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij, Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze[55]vond het verrukkelijk en ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een gevaarloos spelletje.„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag volmondig „neen” zegt!”„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.„Kasian!Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.[56]„Ik dacht dat je niet danste.”Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt niet van plan er een aanmerking op te maken.„’t Was met de vrouw des huizes.”„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”„Nietwaar?”„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”„Zeker niet.”„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat hij doet. ’n Slimme vent!”„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant.…”„Ik bedoelde ’t juist andersom.”„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man, zoo.… en dan.…”De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend gebaar.„Daarom behoefde zij het niet te doen.”„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee millioen.”„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in zit. Het is een man inbonus.”Fournier zweeg.[57]„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om lachte.„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”„Wat?”„Dat je om die oudeBekanntschaftverlegen zoudt behoeven te worden.”„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde gevolgtrekkingen.”„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We homberen met een uitvaller. Adieu!”Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een gevoel van spijt.„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet me nu eens genoegen.”„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw schoonzoon gebruik te maken.”„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”„Magnifique!”„En amuseert ge u nogal?”Wat moest hij zeggen?„O zeker, heel goed.”[58]„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen oplevert.”„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga, dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en kom in de logeerkamer.”„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van. ’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was geweest.„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem al eens gezien?”„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de logeerkamer binnen.’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon, nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan Fournier.Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen[59]kleine kinderen te praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar jongske, dat het uitkraaide van de pret.Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwensobatook maar een zoen.”De dokter stak den jongen man ’t kind toe.Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar voorhoofd.„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dankanonskogelsin vijandelijke bentengs.[60]Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht bracht hem al heel gauw uit de plooi.„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik kan en mag er niet meer aan huis komen.”Toch had hij het beloofd.„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning gaarne zou gebruik maken.Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.„Praat toch zulkenonsensniet.”Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van Velton achterwege.”„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”[61]„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een pas geëngageerd paar.”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou hebben bekend.Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil. Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours met Fournier gaande te houden.Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man, die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij een vijand.Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te zeggen.„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”[62]’t Had haar moeite gekost!Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling, had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurdwas, had ze zulk een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest,[63]mocht daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.… neen, nooit, nooit!Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar houding was in het oogloopend geweest,—nu,soedah! het kon niet anders.Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon opleveren, gedood had en begraven.’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als.… een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon, schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een afscheidsgroet geweest.Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om haar mond. Zóó te leven!Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van eer. Hetkonniet anders. Was haar leven[64]vreugdeloos,—welnu, ze zou alles wezen voor haar kind.Diepoëzie des levens bleef haar over, en dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar droeg.Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje. Wat sliep hij heerlijk!Hijzou haar al het andere vergoeden; al het andere, dat het leven haar scheen te onthouden.Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet, dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht een brief.Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering, hield ze zich uiterlijk kalm.„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had toch nietgehooptop zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen gedachten?Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand,[65]slordig en niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier wakker was te krijgen.Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.„Mevrouw!Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang.…, die daar alleen woontmet een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.Een vriendin.”Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was dat nu? Zij dacht aan laster; ’tkonimmers niet waar zijn, meende ze; maarals.… Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het aangewezen adres. En ze was er[66]kalm onder; zeer bedaard. Zewildeweten wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd schelen.Ze reed langs het aangewezen huis: ’twaswaar; het rijtuig van Van Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar vader.Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote inrichtingen in Europa en Amerika.Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.Een angstig voorgevoel beving hem.Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar karakter dan te wachten?„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”„Wilt u dit eens inzien?”Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een divan.Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.Totzulkegemeene streken was zij alleen in staat.[67]Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje. Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een onvervalschtenpère noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de hand gerukt en in haar zak gestoken.„Je lijkt wel dwaas, pa!”„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen bewaren?”„Wie zegt, dat het laster is?”„Ik.”„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te fatsoenlijk.…”Zij lachte hem uit in zijn gezicht.„Zal ik u wat zeggen, pa?”„Nu?” vroeg hij angstig.„Het is waar.”„Och kom, hoe kan je dat beweren?”„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het gezien!„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop ik, toch niet in huis gegaan?”[68]Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het gezicht.„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen? Toch.… ik weet het niet.… misschien.… als het een man betrof, dien ik liefhad. Maar omhem.… Bah!”„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent ernietgeweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus niet.…”„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat. Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat het waar is.”„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond bewijst niets.”Zij haalde de schouders op.„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”„Dat komt, Louise, door je gebrek aan menschenkennis. Geloof me, als je zoo oud bent als ik, zal je beter de onwaarde van zulk geschrijf leeren beseffen. Weet je wat, ga jij nu naar huis. Ik zal me kleeden en ik zal zelf onderzoeken, wat er van die beschuldiging waar is en wat niet.”„Volstrekt niet, pa. U is een best mensch, en u bent altijd zeer, zeer goed voor me geweest. In dit geval is het anders en ik zie duidelijk, waar u heen wilt.”„Wieslief.…”[69]„Niets er van, pa. Wàt in dien brief staat is de zuivere waarheid. Geen letter gaat er af.”„Je zult je huisgezin ongelukkig maken. Luister naar mijn raad: ga naar huis en verscheur dien brief.”„Wat u mijn huisgezin noemt, bestaat niet. Ik heb alleen een kind, en dat zal niet ongelukkig worden, daarvoor sta ik u borg. Wat Van Velton betreft,—de man is mij zoo volmaakt onverschillig …”„Waarom ga je dan op den laten avond uit om hem te bespieden?”Het was een moeielijk te beantwoorden vraag, vond ze. Toch aarzelde ze slechts eenige seconden, en zei toen langzaam:„Bespieden is het woord niet. Ik wilde zekerheid, en die heb ik. Die brief is mij geld waard; hij is ten allen tijde een krachtig wapen, en, wie weet, of ik hem niet te eeniger tijd kan noodig hebben.”„Noodig hebben! Waarvoor zou jij zoo’n gemeen vod noodig kunnen hebben?”„Och, men kan ’t niet weten; misschien.… totmijn rechtvaardiging.”„Zoo.… tot je rechtvaardiging. Ik begrijp dat niet best.”„’t Is toch duidelijk dunkt me.”„Dat vind ik niet, ten minste niet als ik het jou hoor zeggen.”Zij lachte en dat maakte den dokter woedend.„Ik verzoek je om zulke dingen niet te lachen, asjeblieft. Er is, voor zoo ver ik zie, niets belachelijke aan. ’t Tegendeel is waar.”„Eigenlijk hebt ge gelijk. Het is niet belachelijk, maar ’t is ellendig. Iedereen doet wat hij wil; iedereen leeft er maar[70]op los. Ik alleen moet niets doen, wat niet goed is, mag er niet aan denken, niet over spreken, er zelfs niet om lachen. Ik moet als ’t ware de vlag wezen, die de lading dekt. ’t Is fraai.”Papa Van der Linden voelde, dat nu ook voor hem ’t gevaar in aantocht was. Hij had een strengen toon aangeslagen daareven, en zijn vaderlijk standpunt was daar niet zuiver genoeg voor, althans niet tegenover een dochter als Louise.Hij zweeg, en zoo zaten zij vijf minuten zeer onbehaaglijk tegenover elkaar, totdat zij driftig opstond, en met een kort „wel te rusten!” even snel ’t huis uitliep, als ze er in was gekomen.In den coupé huilde ze. Had ze toch maar een moeder, bij wie ze haar hart kon lucht geven, of een wezenlijke zuster of een goede hartelijke vriendin als Lucie.Maar niets! Haar vader, och, hij was immers ook een man, zooals de rest!Toen Van Velton dien avond in zijn rijtuig stapte om naar huis te rijden, had zijn koetsier hem iets te zeggen. Heel geheimzinnig deelde de man hem mee, dat hij den coupé had zien voorbijrijden. Van Velton schrikte er van en meende, dat de koetsier zich had vergist; ’t zou ’t rijtuig zijn geweest van iemand anders. Maar de koetsier hield vol. Het washunrijtuig, dat wist hij zeker, en zijn collega, die altijd mevrouw reed, had hem van den bok toegeroepen, dat de njonjah zelf in den coupé zat.Een hoogst onaangenaam geval! Thuis informeerde Van Velton nog eens. Welzeker! Mevrouw had eerst een brief gekregen en kort daarop laten inspannen.[71]Kon hij haar maar te spreken krijgen! Als de bom toch moest barsten, dan hoe eer hoe liever. Hij liep zacht langs de ramen van haar kamers en gluurde door de stores naar binnen. Niets te zien! In den gekleurden ballon brandde ’t nachtlichtje; alles stil. Ze sliep, dat was duidelijk, en aan haar kamer kloppen en haar wakker maken, durfde hij niet.In zijn eigen vertrekken teruggekeerd, deed hij moeite om te slapen, maar ’t gelukte hem niet. Allerlei sombere, nare gedachten hielden hem bezig en plaagden en vervolgden hem. Dat had men nu van die vervloekte zijwegjes. En als het nu nog een wezenlijkepenchantwas, maar zelfs dat niet. Het was pure gewoonte geworden, zijn gaan naar Lientje Donker, anders niets. Hij ging er heen, zooals men aan tafel gaat: minder omdat men honger heeft, dan wel omdat het nu eenmaal een aangenomen gebruik is te acht uren te dineeren.Wat zou dat den volgenden ochtend een genoeglijke ontmoeting wezen! Het zweet parelde op zijn voorhoofd, als hij er aan dacht. Niettemin nam hij zich vast voor den kogel zonder verwijl door de kerk te schieten. Zaken waren nu eenmaal zaken, en moesten coulant worden afgedaan. Daar hield hij van, en hij was het zijn leven lang gewoon geweest.Tegen den ochtend sluimerde hij in van vermoeidheid en toen zijn bediende hem tegen acht uren riep, sprong hij verschrikt uit het bed. Daar zal je de poppen aan het dansen hebben, dacht hij met een zucht.De tafel in de achtergalerij stond voor het ontbijt gedekt. Louise was er niet. Wèl de baboe met het kind; hij nam het van de meid over en beproefde nog eens of hij den diapason[72]van zijn stemgeluid op kinderooren streelenden klank kon brengen. Het ging minder goed dan ooit.Daar kwam ze aan!„Goeden morgen,” zei hij op zijn meest gewonen toon. Ze antwoordde op dezelfde wijze. Van ter zijde begluurde hij haar. Zij zag er precies uit als altijd. Niets bijzonders.„Ben je gisteravond nog uit geweest?”„Ja.”„Ik geloof dat we elkaar gepasseerd zijn.”Zij haalde de schouders op, met een onverschillig gezicht, dat zich geheel niet om zijn geloof scheen te bekommeren.„’t Is wel mogelijk.”„Ik meen het zeker te weten. ’t Was in gang.…”„Och kom! Daar behoefde ik anders volstrekt niet te wezen.”„Niet?”„Wel neen. Om naar papa te gaan is het niet noodig dien omweg te maken.”„Ben je bij den ouden heer geweest?”„Ja. Ik heb hem eens opgezocht.”„Hoe drommel komt die koetsier dan zoo om te rijden?”„Misschien dacht hij, dat ik het aangenaam vond, of misschien vond hij ’t zelf pleizierig. Ik heb er niet op gelet.”„Zoo-o!”Eenscèneviel er niet voor, dat was waar, maar Van Velton voelde zich minder op zijn gemak dan ooit. Hij was zoo’n oude rat, dat hij om zoo te zeggen de val rook, waarin ze hem naar het scheen wilde laten loopen.Er stak iets achter, dat was zeker, en hij moest en hij zou weten, wat dat was. Met verder vragen kon hij niet doorgaan,[73]en naar dien brief informeeren was ook niet raadzaam. Ten slotte ging hij naar de stad met de overtuiging, dat hij aan de eerst zoo gevreesde scène de voorkeur had gegeven boven deze geheimzinnigheid. Wie weet of hij, schuld bekennend, onder aanvoering van verzachtende omstandigheden en met belofte van beterschap, niet.… een kansje had gehad!Hortense Van Velton reisde onder de hoede van een predikants-familie met een der booten van de maatschappijNederland. Zijzelve was liever met een Fransche boot gegaan, maar de familie in Holland had dat niet wenschelijk geacht.Iedereen had de reis erg aangenaam gevonden.Men had muziek gemaakt, tooneel gespeeld, gedanst en zich het leven zoo aangenaam mogelijk gemaakt. Doch Hortense had zich teruggetrokken. Zij vond het ordinair.Mooi was ze niet, en toch ook niet leelijk, al had ze iets ziekelijks over zich. Ze was wat lang en wat hoekig voor een jong meisje, maar zeer blank en erg voornaam. In haar uiterlijk had zij veel van haar vader. Als hij langs de kali-besar liep, dan had een vreemdeling allicht kunnen denken, dat alles wat daar stond, gebouwd en ongebouwd, zijn eigendom was. Welnu, als Hortense op het dek van den stoomer wandelde, en hij „rolde” niet al te erg, dan stapte zij zoo voornaam en majestueus van ’t eene eind der kampanje naar ’t andere, dat de jongelui elkaar aanstieten en haar „mevrouw de commandant” noemden, wat ze eigenlijk niet zóó zeiden maar op een andere, meer onder heeren gebruikelijke wijze.Onder de passagiers was zij niet bemind. Zelfs de predikant en diens vrouw mochten haar niet, zoo stijf en afgemeten[74]was zij altijd, en ofschoon haar zee-ouders dat welwillend toeschreven aan de ziekelijke omstandigheden waarin het meisje verkeerde,—aangenaam vonden de goede, hartelijke menschen het niet.Hortense Van Velton haatte haar stiefmoeder, die ze nog nooit had gezien.Zij noemde haar vader openlijk een dwaas, en had zich vast voorgenomen hem dat onder vier oogen te vertellen. Hoe ze „dat mensch” behandelen moest in haars vaders huis, begreep zij niet. „Mama” zeggen, dat zou misschien nog het hatelijkste wezen tegenover dat jonge vrouwtje.De geheele reis had ze aan niets anders gedacht, dan aan haar stiefmoeder. Zou ze haar aan boord komen afhalen?Ze kwam niet.Toen het schip op de reede van Batavia lag, kwam Van Velton met een sloep langs zij en klom de trap op. Het was een tamelijk koele ontvangst. Zij vond, dat papa er veel minder goed uitzag, dan toen hij een jaar of vijf geleden eens in Europa was geweest; hij vond dat Hortense leelijk en spichtig was geworden, en dat het heel wat moeite zou kosten haar aan den man te brengen.„Hoe heb je het gehad aan boord?” vroeg hij.„Zoo.… tamelijk.”„Nu, je kunt thuis je schade inhalen.”„Thuis bij.… mama?”„Ja.… noem haar maar zoo.… Als ’t haar niet aanstaat zal ze ’t je wel zeggen.”Het gezicht van Hortense klaarde op. Komaan, dat begon uitstekend! De verhouding was voor haar bijzonder gunstig.[75]Uit de manier, waarop hij sprak, bleek duidelijk, dat het nietcouleur de rosewas tusschen hem en de tweede vrouw. ’t Kon waarlijk niet beter. Als papa nu nog niet wist of zij er vrede mee nam, dat de kinderen haar „mama” noemden.… nu dat scheen in orde te zullen komen.„Natuurlijk zou ik haar mama genoemd hebben; zij is uw vrouw endusde „vrouw des huizes.”„Lieve Hortense,” zei Van Velton op zijn voornaamsten patriarch-toon, „mevrouw Van Velton-Van der Linden is een zeer eigenaardige dame. Ik hoop, dat je het goed met haar zult kunnen vinden; maar als je er misschien op hebt gerekend een.… moeder.…”„Dank u;mijnmoeder is dood.”„Of.… een vriendin .…”„Evenmin.”„Nu, des te beter dan. Want mijn vrouw zal waarschijnlijk noch het een, noch het ander voor je zijn. Begin echter met haar te geven, wat haar wettig toekomt, en noem haar mama.”Hortense ademde vrijer. Goddank! Geen intimiteit. Op een afstand en zonder vertrouwelijkheid. Dat was de eenig draaglijke manier.Nieuwsgierig om te zien hoe „mama” er uitzag, keek ze de binnengalerij rond nog voor ze uitstapte. Dus kwam „mama” haar niet te gemoet!Ze gingen het huis binnen en vonden de vrouw des huizes in de achtergalerij. Langzaam en met haar commandanten-houding trad Hortense op het mooie, kleine vrouwtje toe, wier schoonen sierlijken lichaamsbouw ze met stille woede opmerkte.[76]„Louise,” zei Van Velton, „dat is mijn dochter Hortense.”„Dag mama.”De stiefmoeder begon te lachen.„Je moet ’t me niet kwalijk nemen, Hortense, maar ’t klinkt zóó gek omutegen mij „mama” te hooren zeggen. Noem mij maarmevrouwhoor.”„Heel goed; dat doe ik ook veel liever.”„Natuurlijk; ’t was onnoodig het te zeggen. Je kamers zijn klaar. Je papa zal wel zoo goed zijn om ze je aan te wijzen. Tot ziens.”Mevrouw Van Velton-Van der Linden keerde zich om en ging heen. Hortense was er eenigszins van verbluft. Dat overtrof nu alles wat ze zich bij mogelijkheid had durven voorstellen.’t Scheen haar hier een huisgezin toe vol storm en onweer.„Gaat het hier altijd zoo?” vroeg ze haar vader.„Wat bedoel je?”„Wel dien vriendelijken toon en die prettige, huiselijke manier van doen?”„Mijn vrouw is zeer eigenaardig.”„O, is het anders niet?”„Anders niet? Wat zou het dan?”„Ik dacht dat het misschien.… een ongelukkig huwelijk was.”„Hoe kom je op dat idée?”„Och.… zoo maar.”„’t Gaat hier altijd stil en bedaard toe. Je weet, ik ben een vijand van rumoer.”„En altijd op de manier van daareven?”[77]Wat zou hij zeggen? Waarom het voor haar te verzwijgen? Zij zou het immers toch spoedig genoeg gewaarworden.„Ja, zoo ongeveer.”„Dan heb ik immers gelijk gehad; dan is uw huwelijk ongelukkig, pa. Hoe bent u ook zoo dom kunnen wezen? Kijk, als dat mensch nu niet hier in huis was, wat zouden we dan een aangenaam en rustig leven kunnen hebben. Nu staat zij er tusschen als een hinderpaal; zij met dat vieze kind.”„Het is geen vies kind,” zei Van Velton eenigszins verontwaardigd.„Och, dat zijn die kleine kinderen allemaal. Aan boord.….. bah!”Van Velton lachte.„Kom, laat ons er maar over zwijgen. Ik hoop dat de kamers je zullen bevallen. De meid zal je helpen aan ’t ontpakken van je goed. Adieu!”Hij kwam nog even terug.„Ik ga naar de stad. Straks zal men je wel waarschuwen voor de rijsttafel.”De kamers waren keurig ingericht, en al had Hortense het land aan haar stiefmoeder, ze was verplicht haar in stilte dankbaar te zijn voor de zorgen, die ze aan het arrangeeren dezer kamers had besteed. Toch was het geen groote dankbaarheid, die bij het lange, bleeke jonge meisje opwelde. „Ze heeft smaak,” dacht ze bij zichzelve; „dat hebben die nona’s meer.”Verder kwam ze niet. Ze wachtte ook niet, tot ze werd geroepen voor de rijsttafel. Waarom zou ze wachten? Was[78]het niet evengoedhaarhuis? Daarom ging ze naar de binnengalerij en bekeek er de bibelots en de schilderijen, die ze zich van vroeger niet herinnerde.Een uurtje later kwam een bediende haar zeggen, dat de „makanan soedah” klaar was; ze ging naar achter en vond haar stiefmoeder reeds aan tafel.Louise was eenigszins in haar humeur. ’t Had haar aangenaam getroffen, dat Hortense zooveel minder mooi was, dan zijzelve, en dat stemde haar tot toegeeflijkheid. „Was je ziek in Holland?” vroeg ze.„Ja. Ik kon niet tegen de kou.”„Hoe is het mogelijk? Ik vond het er heerlijk lekker.”„Bent u ook in Europa geweest?”„Natuurlijk,” zei Louise verontwaardigd. „Mijn papa was wel geen koopman; hij isslechtsgeneesheer; maar dat belette hem niet mij een Europeesche opvoeding te doen geven.”Hortense voelde het hatelijke, dat in hetslechtsstak, maar wist niet goed wat te zeggen. Zij had ook verstand genoeg om in te zien, dat ze tegen dit kleine, donkere vrouwtje in een woordenwisseling niet opgewassen zou zijn, en dat de statigheid en de ernst, die zij van haar vader had geërfd, het tegen de manieren en de zegswijze van mevrouw Van Velton-Van der Linden zouden afleggen. En die overtuiging drong haar nog een andere op. Haar stiefmoeder was de meesteres in huis en papa had weinig of niets te zeggen. Dàt idée hinderde haar ’t meest. Zij gaf geen repliek op ’t hatelijke „slechts” en at stil door. Zij zou met haar vader spreken. Samen zouden zij sterker zijn.[79]Zoo liep het diner kalmpjes af. Hortense gaf haar oogen en ooren meer en beter den kost dan haar mond, terwijl Louise de rijsttafel groote eer aandeed.Van Velton zocht, toen hij van ’t kantoor thuis kwam, dadelijk zijn dochter op.
Hij wist maar half, wat hij zei.
Louise was opgestaan toen hij naar haar toetrad en met de eenvoudige gratie, die welopgevoede Indische meisjes aan den dag kunnen leggen, als ze dat willen, had ze hem verwelkomd.
Zij was nu niet meer weifelend of zenuwachtig; althans daarvan was niets te bespeuren. Op vasten toon leidde ze de conversatie.
„Beviel de ambtenaars-loopbaan u niet langer?”
„Neen.”
„Ik kan het me voorstellen,” lachte Van Velton. „Het is wel zoo goed een advocaten-kantoor te hebben op een der[41]hoofdplaatsen. Men verdient ’t kapitaal voor zijn eigen pensioen gauwer en beter.”
„Och, wat dat betreft.… Om het geld heb ik het niet gedaan.”
„Waarom dan?” vroeg Louise.
’t Was een eenigszins indiscrete vraag, dat voelde ze.
„Het is misschien wat onbescheiden van me, u dat zóó te vragen.”
„De zaak is, dat ik er moeilijk met een paar woorden op antwoorden kan.”
„A propos, hebt u pleizier om overmorgen onze gast te zijn? We geven een danspartij.”
„Met genoegen, meneer Van Velton.”
„Danst u nog?” vroeg Louise.
„Nog, mevrouw?”
„Mijn hemel, ja! De heeren worden tegenwoordig zoo gauw oud, of nemen er althans den schijn van aan.”
„’t Is waar, dat ik in langen tijd niet heb gedanst.… sedert.…”
„Is het zóó lang geleden?” vroeg Van Velton.
„Ja.… inderdaad.… het is de laatste maal geweest bij uw papa aan huis.…”
Het hartje van mevrouw L. Van Velton-Van der Linden klopte sneller. Dat was geweest op die fameuze partij, waarop Lucie gevraagd was door Van Brakel, en zij, Louise, door Fournier; die partij, waaruit ’t huwelijk van ’t eerste paar maar, doorhaarbitse weigering, niet dat van het tweede was voortgevloeid.
Had hij sedert niet gedanst? Had het zulk een invloed op[42]hem gehad, zulk een diepen indruk bij hemachtergelaten? Arme jongen!
„Was er te Soerabaia zoo weinig te doen?”
„Volstrekt niet. Het is een zeer drukke plaats. Maar ik ging weinig uit.”
Terwijl Van Velton met zijn bezoeker de gewone Indische conversatie volgde, welke, in den gezelschapstoon gevoerd, toch altijdzakentot achtergrond heeft, keek Louise van tijd tot tijd Fournier eens aan.
’t Viel waarlijk niet te ontkennen, dat hij in zijn voordeel was veranderd. Hij was flinker, manlijker, meer gedecideerd geworden, en zijn uiterlijk toonde dat aan.
Onwillekeurig dwaalde haar blik naar Van Velton. Die was ook veranderd, maar minder in zijn voordeel. Zijn haar was grijzer geworden en zijn trekken scherper gemarkeerd.
Zijn figuur was ook niet meer zoo rechtop, als toen hij nog weduwnaar was en met zijn lange, hoog dichtgeknoopte jas, zijn lorgnet en zijn wit glacé-handschoenen, half uit den borstzak overhangend, een zeer „gekleed” figuur maakte.
Dàt was nu haar man! Dáármede moest ze nu het leven doormaken, jaar in jaar uit! Gezond was hij overigens, en de kans om eenjongeweduwe te worden mocht uiterst gering heeten. Die andere had haar man kunnen zijn, indien ze gewild had. Gedistingeerder dan Van Velton was die andere niet,—haar man had altijd iets bijzondergentleman-like,—maar o! hij had zooveel op hem voor. Louise schrikte eenigszins van haar eigen gedachtenloop, toen Fournier haar beleefdheidshalve in het gesprek betrok. Hij gaf[43]haar bij ’t heengaan evenmin de hand, als toen hij was gekomen; een ceremoniëele buiging, anders niet.
Ze had gaarne wat meer hartelijkheid gezien; ’t stelde haar teleur, dat hij zoo koeltjes was. Niet dat ze.… o neen; ze kon boos worden op zichzelve, dat er telkens van die vergoelijkende verzekeringen bij haar opkwamen.
Mijn hemel, dat had ze immers niet noodig. Nooit zou ze zich ook maar onschuldige coquetterieën veroorloven tegenover Gérard Fournier,—nooit;c’était fini,—’t was uit.
Dokter Van der Linden keek vreemd op, toen hij den volgenden ochtend onder het maken zijner visites even aanwipte bij zijn dochter op het Koningsplein, en deze hem meedeelde, dat ze van plan was het kind te spenen.
„Waarom?” vroeg hij ontstemd. „Je kunt het nog best ’n paar maanden volhouden. ’t Hindert je niets en ’t is zoo goed voor hem!”
„Maar ’t is verschrikkelijk lastig voor mij.”
„Och, wat! Kom, begin maar geen dwaasheden, Louise. Ik dacht dat je verstandiger waart en meer voor den kleinen vent over hadt.”
Zij zei er niets op. Wat het was, had ze niet kunnen zeggen, maar ze vond, nu een partij gegeven werd, dat zoo’n kind toch schrikkelijk de handen bond, vooral als men ’t zelf hielp. Gewoon haar eigen zin te volgen, meer dan die van papa of van wien ook, stond haar besluit vast: na de partij moest het maar gebeuren.
Ze vertelde het aan Van Velton toen ze ’s avonds het dessert gebruikten.[44]
„Daar doe je heel verstandig aan,” zei hij, zorgvuldig zijnmangistan—volgens hem de eenigefatsoenlijkevrucht—genietend. „Je hadt er nooit mee moeten beginnen. Dat heb ik altijd gezegd.”
„’t Heeft hem toch goed gedaan.”
„Dat zou wel zijn terecht gekomen.”
„Moet je uit?”
„Ja, hoezoo?”
„O, nergens om. Ik vraag het zoo maar.”
„Ik heb een conferentie van avond.”
„Mon Dieu!je hoeft me niet te vertellen waar je heen gaat.”
„Ik heb overigens niet bepaald haast. Als je misschien wilt rijden.… ’t is mooi weer.”
„Geen idée! Ga jij maar gerust naar je conferentie.”
Hij ging. Onderweg beschuldigde hij zichzelven minstens van groote voorbarigheid. Nu hij vrij geregeld bezoeken aflegde bij de weduwe Donker, en zij hem alles had verteld, zou hij veel geld hebben willen geven als hij de relatie met Lientje had kunnen afbreken. Vooreerst omdat hij er nooit mee zou zijn begonnen, indien hij die verhouding tegenover zijn schoonvader had geweten. Ten tweede, omdat hij al heel gauw, als man van de wereld en van rijke ervaring, tot de overtuiging was gekomen, dat het, wèl beschouwd, niet veel zaaks was, veel minder dan hij zich had voorgesteld.
Hoe drommel was hij daar toch zoo ingeloopen?
En Lientje Donker vroeg zich hetzelfde af. Toen hij de eerste maal in haar huis kwam en zich de vrijheid veroorloofde haar onder de kin te strijken, was Van Velton zoo zenuwachtig geweest, dat ze moeite had gehad om zich goed[45]te houden en hem niet in zijn gezicht uit te lachen. Hij was heengegaan met de overtuiging, dat hij een mal figuur gemaakt had. Dat had hem erg gehinderd en zijn eigenliefde zeer gekwetst; hij was teruggekomen een paar dagen later, ten einde de waarde zijner persoonlijkheid te releveeren en zij, Lientje, had hemnietde deur gewezen, omdat ze nieuwsgierig was.
Naar dokter Van der Linden durfde ze nu niet meer gaan.
Zoo continueerden zij de kennismaking zonder vreugde, en alleen uit vrees, hij voor Christien Donker, de welgestelde weduwe, die hij nu wist dat een immoreele helleveeg was,—zij uit een aangeboren indolentie, die zonder veel omslag berustte in haar eigen noodlot.
Zoolang het leven in huis hem zoo gruwelijk onaangenaam was, ging het nog. Maar nu werd het beter. Louise was eenigszins veranderd. Zij sprak niet meer zoo bits, ze viel hem nietaltijdlastig met het kind, en deze nu afgeloopen dag had tot de aangename behoord.
Als dat nu zoo eens doorging en zijn dochter Hortense kwam uit Holland naar huis, dan had het een genoeglijk leven kunnen worden.
Wie weet wat hem nu te wachten stond!
Zoopikirendtrad hij de ’s avonds nimmer verlichte voorgalerij van de weduwe Donker binnen, die naar gewoonte op een wipstoel zat te schommelen bij den ingang.
„Goeden avond.”
’t Scheen, dat de toon, waarop hij sprak, haar niet beviel, want ze keek even naar hem op, en zei allesbehalve vriendelijk:
„Ook goeden avond!”[46]
Van Velton wilde naar binnen gaan.
„Ze is niet thuis.”
„Zoo.”
Snel stond ze op.
„Ik heb haar uitgestuurd, Van Velton, naar een weduwe van mijn kennis hier in de buurt. Ik heb haar expres weggezonden.”
„Wel vriendelijk.”
„Ga daar zitten, asjeblieft. Ikmoeteens ’n appeltje met je schillen, hoor! Dat gaat een gangetje, dat me niks aanstaat.”
„Zoo, vindt ge dat?”
„Het is schandelijk! Maar als je denkt op zoo’n gemakkelijke manier van me af te komen, dan heb je het mis!”
„Och kom!”
„Ik zeg nog eens.…”
Van Velton was niet in een stemming om de standjes van Christien Donker af te wachten, wier spel hij vrij wel doorzag, al kon hij den waren motor niet raden, en al vergiste hij zich door dien alleen te zoeken in een aanslag op zijn beurs.
Hij besloot een afdoenden maatregel te beramen. In elk geval wilde hij weten, waaraan hij toe was, en welke veeren hij bij moeder en dochter zou laten zitten. Iets minder norsch en uit de hoogte, viel hij haar in de rede:
„Zeg maar niets. Het beste is niet veel woorden noodeloos te verspillen. De waarheid is, dat de relatie me erg tegenvalt.”
„Ei?” riep ze op schamperen toon. „Ei? Ik had anders gedacht dat mijn Lien waarachtig nog veel te goed was voor zoo’n ingebeelden ouden kwast.”
Dat hij vuurrood werd en haar wel had kunnen slaan, begreep ze, maar in de duisternis kon ze het niet zien.[47]
’t Duurde maar een oogenblik. Wat deerde hem de booze tong van dat wijf? Zijn practische geest kwam boven. Nu, nadiewoorden was het geen zaak om met haar te onderhandelen over het afbreken der relatie en over den prijs, waartegen dat kon gedaan worden. Zij zou overdreven eischen stellen en die volhouden naarmate hij beslister pogingen deed om aan de zaak een einde te maken.
„Je bent vanavond zóó vriendelijk,” zei hij opstaande, „dat ik de eer heb je te groeten.”
Zij hield hem vast bij de mouw van zijn jas.
„Luister nog even. We moeten bedaard spreken. Als je denkt dat ik er op uit ben je ’t vel over de ooren te trekken, dan heb je het mis. Beloof me één ding. Ga nog ’n maand voort op de gewone manier, en dan kan je mijnentwege wegblijven om nooit weer terug te komen.”
Hij zag weer een gaatje om door te sluipen.
„Waarom nog een maand? Kom, laat ons er nu maar ’n eind aan maken. We zijn nu zoover, dat we geen van drieën op elkaar zijn gesteld. Een kort en goed besluit.…”
Maar ze schudde heftig van neen.
„’t Gaat niet, Van Velton! Voor geen wereldsch goed laat ik je nu reeds schieten. ’n Maand moet het nog duren; geen dag gaat daaraf.”
„Nonsens!”
„’t Kan me niet schelen hoe je het noemt, maar ik zeg je, dat het zoo zijnmoet. En ik waarschuw je, Van Velton, probeer niet weg te blijven, want ik haal je uit je huis en ik haal je van ’t kantoor op ’n manier, die je heugen zal, hoor!”[48]
Het denkbeeld deed hem rillen. Hij wist, dat ze tot alles in staat was en zich voor niets zou ontzien, als het op wraak aankwam. Waar was hij toch ingeloopen, waar was hij toch ingeloopen!
„Ik groet je,” zei hij nogmaals en ging zijns weegs.
’t Was Christien Donker nu duidelijk: er moest gehandeld worden, en spoedig ook, anders zou alle moeite tevergeefs zijn geweest. Bah, welk een man! Nog had ze macht over hem, maar ze voelde dat het niet lang meer zou duren. Ze ging weer op haar wipstoel zitten schommelen enpikirde. Het zou eigenlijk wèl zoo verstandig wezen twee vliegen te slaan in één klap. Waarom zou ze het geld aan haar haat- en wraakzucht opofferen? Het diende nergens toe. Zij kon heel goed het één hebben en niettemin aan ’t andere voldoen.
Toen Van Velton t’huis kwam, vond hij Louise nog op, en nog bezig met ’t voorbereiden der groote partij.Kasian, wat gaf ze zich dáárvoor een moeite!
„Zoo,” zei hij, „ben je nog niet gaan slapen?”
„Neen, er valt nog heel wat te doen. Het buffet is nog volstrekt niet in orde.”
„Ik zou dat maar aan den banketbakker overlaten. De man heeft op zich genomen er voor te zorgen.”
„Dank je! Ik weet te goed, wat dat is. Dan zorgt hij misschien heel aardig voor zijn beurs, en de gasten krijgen niet wat ze verlangen.”
„Kan ik je ook helpen?”
Er was geen sprake van! Toch wilde hij niet naar bed gaan, maar stak een versche sigaar op en terwijl zij nog bevelen gaf aan de bedienden, en nazag, en opschreef, praatte[49]hij gezellig nog een uurtje met haar, zonder dat een van beiden dacht aan de veelvuldige onaangenaamheden, die ze gehad hadden, noch aan de eigenaardige verhouding tot elkaar, waarin ze reeds zoo lang leefden.
Er ging toch, dacht Van Velton, niets boven een gezellig tehuis. Zijn hart was dien avond goed genoeg om een poging te doen tot meer intieme toenadering. Maar hij had den moed niet. Drommels, als het eens tegenviel! En daarop bestond alle kans, want ze was zoo moe, zei ze,—doodmoe! Neen,alshij dat beproefde, dan moest hij zoo’n beetje zeker wezen van zijn zaak, en dàt was hij in ’t geheel niet.
Louise kon gelukkig gaan slapen toen ze in haar kamer kwam, want ’t kind sliep. Ze was wezenlijk moe. Dat den ganschen dag op de been zijn, en door zoo’n groot huis dribbelen matte geweldig af; en ze was ook niet geheel koortsvrij; dat voelde ze aan haar hoofd.
Misschien lag in het laatste de reden, dat ze ondanks haar vermoeienis niet dadelijk den slaap kon vatten en zich rusteloos om en om wendde. Het waren eigenlijk geen gedachten die haar bezig hielden,—’t was alsof een serietableauxvoor haar geest heentrok. Nú was het zus en dàn weer zóó: het souper met al de gasten aan tafel, waaronder ze ook Fournier opmerkte; de groote zaal, waarin gedanst zou worden, en waarin ze ook Fournier zag dansen met haarzelve; gesprekken op divans, whistpartijtjes aan mahoniehouten speeltafeltjes, ongelukjes, tegenvallers, mislukte schotels, en bij en tusschen dat alles door een onbestemde vrees voor allerlei stoornissen, die zouden kunnen gebeuren, maar waarvoor nog geen enkele feitelijke aanleiding bestond.[50]
En nauwelijks was ze ingeslapen of daar kwam de baboe haar wekken, want.… ’t kind. God, God, wat was dat lastig! Met moeite richtte zij zich op. Toen ze elken avond te halftien naar bed ging, och! toen was ze er al uit als de kleine slechts kikte. Maar nu ze zooveel had te doen gehad tot laat in den avond voor dat feest,—neen, hetwastoch ’n slavernij dat zelf helpen van de kinderen!
Ze dommelde in en waggelde heen en weer tot groot leedwezen van haar jongske, dat er hoogst kwaadaardig zijn verontwaardiging over te kennen gaf, en haar dan deed opschrikken uit haar sluimering.
Och, als men den heelen dag bijna niets deed, dankonhet, maar was er ook maar ’t geringste vermoeiende werk te doen, dan viel het zoo zwaar! Nu, herhaalde ze bij zichzelve, halfrood van vaak, na de partij zou ’t gauw uit wezen!
Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. Define fleurvan ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste ambtenaren, die in hunfort intérieurniets ophadden met den koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden naam of dansbeenen.
Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den anderen kant, die[51]gekleed waren met eeneenvoud, haast beleedigend voor het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.
Dan wat velendachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.
Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open. Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel wel zou opbrengen.
Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde Fournier.
Zelf uit een goede en gegoede Hollandsche familie, waarin de kunst hoog geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.
’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar toch,—er zat zekere verwantschap in.
Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de vrouw des huizes, dieentouréwas van nieuw[52]aangekomen gasten. De vrouw des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo jeugdig was haar toilet.…! Fournier vond, dat het eigenlijk geen dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indischemater familiaste worden.
Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit. Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een whistje, maar hij excuseerde zich.
Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte terug naar de zaal, waar gedanst werd.
Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw, en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.
Toen allesen trainwas, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen, sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.
Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen,[53]zijn rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar zijn woning terugkeeren.
Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde zij ’t hoofd om en keek hem aan.
Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.
Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.
Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar waaier,—alles zei hem: Kom hier!
Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij eigenlijk besefte, dat hij liep.
„Danst u nunogniet?” vroeg ze hem.
„Als u me de eer wilt aandoen.…”
Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voorzulkeen schepsel, dat zich had weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program correct uit te voeren.[54]
En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had hem haar ten dans doen vragen.
Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker klonk.
Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te executeeren.
Juist het tegendeel!
„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.
„Neen.”
„Dat is heel openhartig.”
„U hebt me toch nooit anders gekend.”
„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”
Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij, ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.
Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij, Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze[55]vond het verrukkelijk en ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een gevaarloos spelletje.
„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”
„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag volmondig „neen” zegt!”
„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”
„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”
Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.
„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.
„Kasian!Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”
„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”
„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”
Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.
„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”
Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!
Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.[56]
„Ik dacht dat je niet danste.”
Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt niet van plan er een aanmerking op te maken.
„’t Was met de vrouw des huizes.”
„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”
„Nietwaar?”
„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”
„Zeker niet.”
„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat hij doet. ’n Slimme vent!”
„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”
„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant.…”
„Ik bedoelde ’t juist andersom.”
„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man, zoo.… en dan.…”
De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend gebaar.
„Daarom behoefde zij het niet te doen.”
„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee millioen.”
„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.
„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in zit. Het is een man inbonus.”
Fournier zweeg.[57]
„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.
„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om lachte.
„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”
„Wat?”
„Dat je om die oudeBekanntschaftverlegen zoudt behoeven te worden.”
„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde gevolgtrekkingen.”
„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We homberen met een uitvaller. Adieu!”
Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een gevoel van spijt.
„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet me nu eens genoegen.”
„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw schoonzoon gebruik te maken.”
„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”
„Magnifique!”
„En amuseert ge u nogal?”
Wat moest hij zeggen?
„O zeker, heel goed.”[58]
„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”
„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen oplevert.”
„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga, dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en kom in de logeerkamer.”
„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van. ’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was geweest.
„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem al eens gezien?”
„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”
„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”
En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de logeerkamer binnen.
’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon, nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan Fournier.
Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.
Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen[59]kleine kinderen te praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar jongske, dat het uitkraaide van de pret.
Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.
„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”
„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”
„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwensobatook maar een zoen.”
De dokter stak den jongen man ’t kind toe.
Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar voorhoofd.
„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”
Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dankanonskogelsin vijandelijke bentengs.[60]
Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht bracht hem al heel gauw uit de plooi.
„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik kan en mag er niet meer aan huis komen.”
Toch had hij het beloofd.
„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning gaarne zou gebruik maken.
Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.
Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:
„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”
Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:
„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”
Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.
„Praat toch zulkenonsensniet.”
Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.
„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”
„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van Velton achterwege.”
„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”[61]
„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een pas geëngageerd paar.”
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou hebben bekend.
Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.
Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil. Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours met Fournier gaande te houden.
Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man, die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij een vijand.
Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.
„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te zeggen.
„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”[62]
’t Had haar moeite gekost!
Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling, had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurdwas, had ze zulk een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.
En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest,[63]mocht daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.… neen, nooit, nooit!
Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar houding was in het oogloopend geweest,—nu,soedah! het kon niet anders.
Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon opleveren, gedood had en begraven.
’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als.… een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon, schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een afscheidsgroet geweest.
Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om haar mond. Zóó te leven!
Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van eer. Hetkonniet anders. Was haar leven[64]vreugdeloos,—welnu, ze zou alles wezen voor haar kind.Diepoëzie des levens bleef haar over, en dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar droeg.
Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje. Wat sliep hij heerlijk!Hijzou haar al het andere vergoeden; al het andere, dat het leven haar scheen te onthouden.
Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet, dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.
Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht een brief.
Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering, hield ze zich uiterlijk kalm.
„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.
„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”
„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.
Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had toch nietgehooptop zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.
Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen gedachten?
Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand,[65]slordig en niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier wakker was te krijgen.
Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.
„Mevrouw!Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang.…, die daar alleen woontmet een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.Een vriendin.”
„Mevrouw!
Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang.…, die daar alleen woontmet een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.
Een vriendin.”
Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was dat nu? Zij dacht aan laster; ’tkonimmers niet waar zijn, meende ze; maarals.… Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.
Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het aangewezen adres. En ze was er[66]kalm onder; zeer bedaard. Zewildeweten wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd schelen.
Ze reed langs het aangewezen huis: ’twaswaar; het rijtuig van Van Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar vader.
Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote inrichtingen in Europa en Amerika.
Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.
Een angstig voorgevoel beving hem.
Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar karakter dan te wachten?
„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”
„Wilt u dit eens inzien?”
Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een divan.
Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.
Totzulkegemeene streken was zij alleen in staat.[67]
Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje. Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een onvervalschtenpère noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de hand gerukt en in haar zak gestoken.
„Je lijkt wel dwaas, pa!”
„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen bewaren?”
„Wie zegt, dat het laster is?”
„Ik.”
„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”
„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te fatsoenlijk.…”
Zij lachte hem uit in zijn gezicht.
„Zal ik u wat zeggen, pa?”
„Nu?” vroeg hij angstig.
„Het is waar.”
„Och kom, hoe kan je dat beweren?”
„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”
Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het gezien!
„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop ik, toch niet in huis gegaan?”[68]
Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het gezicht.
„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen? Toch.… ik weet het niet.… misschien.… als het een man betrof, dien ik liefhad. Maar omhem.… Bah!”
„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent ernietgeweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus niet.…”
„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat. Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat het waar is.”
„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond bewijst niets.”
Zij haalde de schouders op.
„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”
„Dat komt, Louise, door je gebrek aan menschenkennis. Geloof me, als je zoo oud bent als ik, zal je beter de onwaarde van zulk geschrijf leeren beseffen. Weet je wat, ga jij nu naar huis. Ik zal me kleeden en ik zal zelf onderzoeken, wat er van die beschuldiging waar is en wat niet.”
„Volstrekt niet, pa. U is een best mensch, en u bent altijd zeer, zeer goed voor me geweest. In dit geval is het anders en ik zie duidelijk, waar u heen wilt.”
„Wieslief.…”[69]
„Niets er van, pa. Wàt in dien brief staat is de zuivere waarheid. Geen letter gaat er af.”
„Je zult je huisgezin ongelukkig maken. Luister naar mijn raad: ga naar huis en verscheur dien brief.”
„Wat u mijn huisgezin noemt, bestaat niet. Ik heb alleen een kind, en dat zal niet ongelukkig worden, daarvoor sta ik u borg. Wat Van Velton betreft,—de man is mij zoo volmaakt onverschillig …”
„Waarom ga je dan op den laten avond uit om hem te bespieden?”
Het was een moeielijk te beantwoorden vraag, vond ze. Toch aarzelde ze slechts eenige seconden, en zei toen langzaam:
„Bespieden is het woord niet. Ik wilde zekerheid, en die heb ik. Die brief is mij geld waard; hij is ten allen tijde een krachtig wapen, en, wie weet, of ik hem niet te eeniger tijd kan noodig hebben.”
„Noodig hebben! Waarvoor zou jij zoo’n gemeen vod noodig kunnen hebben?”
„Och, men kan ’t niet weten; misschien.… totmijn rechtvaardiging.”
„Zoo.… tot je rechtvaardiging. Ik begrijp dat niet best.”
„’t Is toch duidelijk dunkt me.”
„Dat vind ik niet, ten minste niet als ik het jou hoor zeggen.”
Zij lachte en dat maakte den dokter woedend.
„Ik verzoek je om zulke dingen niet te lachen, asjeblieft. Er is, voor zoo ver ik zie, niets belachelijke aan. ’t Tegendeel is waar.”
„Eigenlijk hebt ge gelijk. Het is niet belachelijk, maar ’t is ellendig. Iedereen doet wat hij wil; iedereen leeft er maar[70]op los. Ik alleen moet niets doen, wat niet goed is, mag er niet aan denken, niet over spreken, er zelfs niet om lachen. Ik moet als ’t ware de vlag wezen, die de lading dekt. ’t Is fraai.”
Papa Van der Linden voelde, dat nu ook voor hem ’t gevaar in aantocht was. Hij had een strengen toon aangeslagen daareven, en zijn vaderlijk standpunt was daar niet zuiver genoeg voor, althans niet tegenover een dochter als Louise.
Hij zweeg, en zoo zaten zij vijf minuten zeer onbehaaglijk tegenover elkaar, totdat zij driftig opstond, en met een kort „wel te rusten!” even snel ’t huis uitliep, als ze er in was gekomen.
In den coupé huilde ze. Had ze toch maar een moeder, bij wie ze haar hart kon lucht geven, of een wezenlijke zuster of een goede hartelijke vriendin als Lucie.
Maar niets! Haar vader, och, hij was immers ook een man, zooals de rest!
Toen Van Velton dien avond in zijn rijtuig stapte om naar huis te rijden, had zijn koetsier hem iets te zeggen. Heel geheimzinnig deelde de man hem mee, dat hij den coupé had zien voorbijrijden. Van Velton schrikte er van en meende, dat de koetsier zich had vergist; ’t zou ’t rijtuig zijn geweest van iemand anders. Maar de koetsier hield vol. Het washunrijtuig, dat wist hij zeker, en zijn collega, die altijd mevrouw reed, had hem van den bok toegeroepen, dat de njonjah zelf in den coupé zat.
Een hoogst onaangenaam geval! Thuis informeerde Van Velton nog eens. Welzeker! Mevrouw had eerst een brief gekregen en kort daarop laten inspannen.[71]
Kon hij haar maar te spreken krijgen! Als de bom toch moest barsten, dan hoe eer hoe liever. Hij liep zacht langs de ramen van haar kamers en gluurde door de stores naar binnen. Niets te zien! In den gekleurden ballon brandde ’t nachtlichtje; alles stil. Ze sliep, dat was duidelijk, en aan haar kamer kloppen en haar wakker maken, durfde hij niet.
In zijn eigen vertrekken teruggekeerd, deed hij moeite om te slapen, maar ’t gelukte hem niet. Allerlei sombere, nare gedachten hielden hem bezig en plaagden en vervolgden hem. Dat had men nu van die vervloekte zijwegjes. En als het nu nog een wezenlijkepenchantwas, maar zelfs dat niet. Het was pure gewoonte geworden, zijn gaan naar Lientje Donker, anders niets. Hij ging er heen, zooals men aan tafel gaat: minder omdat men honger heeft, dan wel omdat het nu eenmaal een aangenomen gebruik is te acht uren te dineeren.
Wat zou dat den volgenden ochtend een genoeglijke ontmoeting wezen! Het zweet parelde op zijn voorhoofd, als hij er aan dacht. Niettemin nam hij zich vast voor den kogel zonder verwijl door de kerk te schieten. Zaken waren nu eenmaal zaken, en moesten coulant worden afgedaan. Daar hield hij van, en hij was het zijn leven lang gewoon geweest.
Tegen den ochtend sluimerde hij in van vermoeidheid en toen zijn bediende hem tegen acht uren riep, sprong hij verschrikt uit het bed. Daar zal je de poppen aan het dansen hebben, dacht hij met een zucht.
De tafel in de achtergalerij stond voor het ontbijt gedekt. Louise was er niet. Wèl de baboe met het kind; hij nam het van de meid over en beproefde nog eens of hij den diapason[72]van zijn stemgeluid op kinderooren streelenden klank kon brengen. Het ging minder goed dan ooit.
Daar kwam ze aan!
„Goeden morgen,” zei hij op zijn meest gewonen toon. Ze antwoordde op dezelfde wijze. Van ter zijde begluurde hij haar. Zij zag er precies uit als altijd. Niets bijzonders.
„Ben je gisteravond nog uit geweest?”
„Ja.”
„Ik geloof dat we elkaar gepasseerd zijn.”
Zij haalde de schouders op, met een onverschillig gezicht, dat zich geheel niet om zijn geloof scheen te bekommeren.
„’t Is wel mogelijk.”
„Ik meen het zeker te weten. ’t Was in gang.…”
„Och kom! Daar behoefde ik anders volstrekt niet te wezen.”
„Niet?”
„Wel neen. Om naar papa te gaan is het niet noodig dien omweg te maken.”
„Ben je bij den ouden heer geweest?”
„Ja. Ik heb hem eens opgezocht.”
„Hoe drommel komt die koetsier dan zoo om te rijden?”
„Misschien dacht hij, dat ik het aangenaam vond, of misschien vond hij ’t zelf pleizierig. Ik heb er niet op gelet.”
„Zoo-o!”
Eenscèneviel er niet voor, dat was waar, maar Van Velton voelde zich minder op zijn gemak dan ooit. Hij was zoo’n oude rat, dat hij om zoo te zeggen de val rook, waarin ze hem naar het scheen wilde laten loopen.
Er stak iets achter, dat was zeker, en hij moest en hij zou weten, wat dat was. Met verder vragen kon hij niet doorgaan,[73]en naar dien brief informeeren was ook niet raadzaam. Ten slotte ging hij naar de stad met de overtuiging, dat hij aan de eerst zoo gevreesde scène de voorkeur had gegeven boven deze geheimzinnigheid. Wie weet of hij, schuld bekennend, onder aanvoering van verzachtende omstandigheden en met belofte van beterschap, niet.… een kansje had gehad!
Hortense Van Velton reisde onder de hoede van een predikants-familie met een der booten van de maatschappijNederland. Zijzelve was liever met een Fransche boot gegaan, maar de familie in Holland had dat niet wenschelijk geacht.
Iedereen had de reis erg aangenaam gevonden.
Men had muziek gemaakt, tooneel gespeeld, gedanst en zich het leven zoo aangenaam mogelijk gemaakt. Doch Hortense had zich teruggetrokken. Zij vond het ordinair.
Mooi was ze niet, en toch ook niet leelijk, al had ze iets ziekelijks over zich. Ze was wat lang en wat hoekig voor een jong meisje, maar zeer blank en erg voornaam. In haar uiterlijk had zij veel van haar vader. Als hij langs de kali-besar liep, dan had een vreemdeling allicht kunnen denken, dat alles wat daar stond, gebouwd en ongebouwd, zijn eigendom was. Welnu, als Hortense op het dek van den stoomer wandelde, en hij „rolde” niet al te erg, dan stapte zij zoo voornaam en majestueus van ’t eene eind der kampanje naar ’t andere, dat de jongelui elkaar aanstieten en haar „mevrouw de commandant” noemden, wat ze eigenlijk niet zóó zeiden maar op een andere, meer onder heeren gebruikelijke wijze.
Onder de passagiers was zij niet bemind. Zelfs de predikant en diens vrouw mochten haar niet, zoo stijf en afgemeten[74]was zij altijd, en ofschoon haar zee-ouders dat welwillend toeschreven aan de ziekelijke omstandigheden waarin het meisje verkeerde,—aangenaam vonden de goede, hartelijke menschen het niet.
Hortense Van Velton haatte haar stiefmoeder, die ze nog nooit had gezien.
Zij noemde haar vader openlijk een dwaas, en had zich vast voorgenomen hem dat onder vier oogen te vertellen. Hoe ze „dat mensch” behandelen moest in haars vaders huis, begreep zij niet. „Mama” zeggen, dat zou misschien nog het hatelijkste wezen tegenover dat jonge vrouwtje.
De geheele reis had ze aan niets anders gedacht, dan aan haar stiefmoeder. Zou ze haar aan boord komen afhalen?
Ze kwam niet.
Toen het schip op de reede van Batavia lag, kwam Van Velton met een sloep langs zij en klom de trap op. Het was een tamelijk koele ontvangst. Zij vond, dat papa er veel minder goed uitzag, dan toen hij een jaar of vijf geleden eens in Europa was geweest; hij vond dat Hortense leelijk en spichtig was geworden, en dat het heel wat moeite zou kosten haar aan den man te brengen.
„Hoe heb je het gehad aan boord?” vroeg hij.
„Zoo.… tamelijk.”
„Nu, je kunt thuis je schade inhalen.”
„Thuis bij.… mama?”
„Ja.… noem haar maar zoo.… Als ’t haar niet aanstaat zal ze ’t je wel zeggen.”
Het gezicht van Hortense klaarde op. Komaan, dat begon uitstekend! De verhouding was voor haar bijzonder gunstig.[75]Uit de manier, waarop hij sprak, bleek duidelijk, dat het nietcouleur de rosewas tusschen hem en de tweede vrouw. ’t Kon waarlijk niet beter. Als papa nu nog niet wist of zij er vrede mee nam, dat de kinderen haar „mama” noemden.… nu dat scheen in orde te zullen komen.
„Natuurlijk zou ik haar mama genoemd hebben; zij is uw vrouw endusde „vrouw des huizes.”
„Lieve Hortense,” zei Van Velton op zijn voornaamsten patriarch-toon, „mevrouw Van Velton-Van der Linden is een zeer eigenaardige dame. Ik hoop, dat je het goed met haar zult kunnen vinden; maar als je er misschien op hebt gerekend een.… moeder.…”
„Dank u;mijnmoeder is dood.”
„Of.… een vriendin .…”
„Evenmin.”
„Nu, des te beter dan. Want mijn vrouw zal waarschijnlijk noch het een, noch het ander voor je zijn. Begin echter met haar te geven, wat haar wettig toekomt, en noem haar mama.”
Hortense ademde vrijer. Goddank! Geen intimiteit. Op een afstand en zonder vertrouwelijkheid. Dat was de eenig draaglijke manier.
Nieuwsgierig om te zien hoe „mama” er uitzag, keek ze de binnengalerij rond nog voor ze uitstapte. Dus kwam „mama” haar niet te gemoet!
Ze gingen het huis binnen en vonden de vrouw des huizes in de achtergalerij. Langzaam en met haar commandanten-houding trad Hortense op het mooie, kleine vrouwtje toe, wier schoonen sierlijken lichaamsbouw ze met stille woede opmerkte.[76]
„Louise,” zei Van Velton, „dat is mijn dochter Hortense.”
„Dag mama.”
De stiefmoeder begon te lachen.
„Je moet ’t me niet kwalijk nemen, Hortense, maar ’t klinkt zóó gek omutegen mij „mama” te hooren zeggen. Noem mij maarmevrouwhoor.”
„Heel goed; dat doe ik ook veel liever.”
„Natuurlijk; ’t was onnoodig het te zeggen. Je kamers zijn klaar. Je papa zal wel zoo goed zijn om ze je aan te wijzen. Tot ziens.”
Mevrouw Van Velton-Van der Linden keerde zich om en ging heen. Hortense was er eenigszins van verbluft. Dat overtrof nu alles wat ze zich bij mogelijkheid had durven voorstellen.
’t Scheen haar hier een huisgezin toe vol storm en onweer.
„Gaat het hier altijd zoo?” vroeg ze haar vader.
„Wat bedoel je?”
„Wel dien vriendelijken toon en die prettige, huiselijke manier van doen?”
„Mijn vrouw is zeer eigenaardig.”
„O, is het anders niet?”
„Anders niet? Wat zou het dan?”
„Ik dacht dat het misschien.… een ongelukkig huwelijk was.”
„Hoe kom je op dat idée?”
„Och.… zoo maar.”
„’t Gaat hier altijd stil en bedaard toe. Je weet, ik ben een vijand van rumoer.”
„En altijd op de manier van daareven?”[77]
Wat zou hij zeggen? Waarom het voor haar te verzwijgen? Zij zou het immers toch spoedig genoeg gewaarworden.
„Ja, zoo ongeveer.”
„Dan heb ik immers gelijk gehad; dan is uw huwelijk ongelukkig, pa. Hoe bent u ook zoo dom kunnen wezen? Kijk, als dat mensch nu niet hier in huis was, wat zouden we dan een aangenaam en rustig leven kunnen hebben. Nu staat zij er tusschen als een hinderpaal; zij met dat vieze kind.”
„Het is geen vies kind,” zei Van Velton eenigszins verontwaardigd.
„Och, dat zijn die kleine kinderen allemaal. Aan boord.….. bah!”
Van Velton lachte.
„Kom, laat ons er maar over zwijgen. Ik hoop dat de kamers je zullen bevallen. De meid zal je helpen aan ’t ontpakken van je goed. Adieu!”
Hij kwam nog even terug.
„Ik ga naar de stad. Straks zal men je wel waarschuwen voor de rijsttafel.”
De kamers waren keurig ingericht, en al had Hortense het land aan haar stiefmoeder, ze was verplicht haar in stilte dankbaar te zijn voor de zorgen, die ze aan het arrangeeren dezer kamers had besteed. Toch was het geen groote dankbaarheid, die bij het lange, bleeke jonge meisje opwelde. „Ze heeft smaak,” dacht ze bij zichzelve; „dat hebben die nona’s meer.”
Verder kwam ze niet. Ze wachtte ook niet, tot ze werd geroepen voor de rijsttafel. Waarom zou ze wachten? Was[78]het niet evengoedhaarhuis? Daarom ging ze naar de binnengalerij en bekeek er de bibelots en de schilderijen, die ze zich van vroeger niet herinnerde.
Een uurtje later kwam een bediende haar zeggen, dat de „makanan soedah” klaar was; ze ging naar achter en vond haar stiefmoeder reeds aan tafel.
Louise was eenigszins in haar humeur. ’t Had haar aangenaam getroffen, dat Hortense zooveel minder mooi was, dan zijzelve, en dat stemde haar tot toegeeflijkheid. „Was je ziek in Holland?” vroeg ze.
„Ja. Ik kon niet tegen de kou.”
„Hoe is het mogelijk? Ik vond het er heerlijk lekker.”
„Bent u ook in Europa geweest?”
„Natuurlijk,” zei Louise verontwaardigd. „Mijn papa was wel geen koopman; hij isslechtsgeneesheer; maar dat belette hem niet mij een Europeesche opvoeding te doen geven.”
Hortense voelde het hatelijke, dat in hetslechtsstak, maar wist niet goed wat te zeggen. Zij had ook verstand genoeg om in te zien, dat ze tegen dit kleine, donkere vrouwtje in een woordenwisseling niet opgewassen zou zijn, en dat de statigheid en de ernst, die zij van haar vader had geërfd, het tegen de manieren en de zegswijze van mevrouw Van Velton-Van der Linden zouden afleggen. En die overtuiging drong haar nog een andere op. Haar stiefmoeder was de meesteres in huis en papa had weinig of niets te zeggen. Dàt idée hinderde haar ’t meest. Zij gaf geen repliek op ’t hatelijke „slechts” en at stil door. Zij zou met haar vader spreken. Samen zouden zij sterker zijn.[79]
Zoo liep het diner kalmpjes af. Hortense gaf haar oogen en ooren meer en beter den kost dan haar mond, terwijl Louise de rijsttafel groote eer aandeed.
Van Velton zocht, toen hij van ’t kantoor thuis kwam, dadelijk zijn dochter op.