„Wel, hoe heb je het gehad vandaag?”„Hartelijk nu juist niet. Aan tafel heeft zij ’n hatelijkheid gedebiteerd op uw positie.”„Wat dan?”Zij vertelde het hem, en hij lachte. Was het anders niet? Hij had direct gedacht aan zijn positie als echtgenoot.„Zij schijnt een zeer pertinent en heerschzuchtig schepseltje te zijn, dat hier geducht den baas speelt.”„Een vrouw moet meesteres in huis zijn, Stanse. Ik heb je mama ook ’t huishouden laten bestieren, zooals zij dat goed vond.”„Maar onder de pantoffel zat u niet; dat weet ik wel zeker.”„Ei?” vroeg hij met saamgetrokken wenkbrauwen. „En wie zegt je, dat ik er nu onder zit?”„Dat zeg ik, pa. Aan alles kan ik het merken. Zij, uw tweede vrouw, bestuurt niet, maar regeert, en feitelijk hebt ge niets te zeggen. Dat kan zoo niet blijven, en daarom.…”„En dáárom,” viel haar vader haar in de rede, „dáárom verzoek ik je om je volstrekt niet te bemoeien met de verhouding tusschen mij en je stiefmoeder. Ik moet je dat zeer ernstig verzoeken, Hortense! Het is mijn uitdrukkelijke wil. Je kunt in alles doen wat je goed vindt: uitgaan, bezoek ontvangen, over geld beschikken voor je toilet,—maar eens[80]en vooral: houd je dáár buiten. Dat zijn zaken, waarmee kinderen niets te maken hebben.”Hij ging terug naar zijn kamer, terwijl Hortense met tranen in de oogen bleef zitten.Wat kon haar ’t uitgaan schelen, of bezoek ontvangen? Wat gaf zij om nog meer toiletten, dan ze reeds had?Dansen en laat uitblijven veroorloofden haar delicate gezondheid niet, en trotsch was ze wel, maar die gewone meisjes-ijdelheid en coquetterie waren haar volkomen vreemd.’t Zou het ideaal van Hortense geweest zijn, om een stil, rustig leven te leiden in het mooie huis op ’t Koningsplein, en om daar alles te regelen en te doen uitvoeren naar haar zin. Het middel om daartoe te komen, nu eenmaal haar vader zoo onhebbelijk was geweest om te hertrouwen, bestond in een scheiding tusschen hem en die vrouw. Ze meende dat het gemakkelijk zou gaan, bij zulk een slechte verstandhouding en als de oude heer er krachtig toe wilde meewerken.Maar dat wilde hij niet. Hij was ook al zooindolent. ’t Was om er den moed bij te laten zakken!Louise wist er thans alles van.Zij had den dag na de ontvangst van den anoniemen brief, het volgende geschreven aan de weduwe Donker:„Mevrouw!U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.Uw Dw.L. Van Velton-V. d. Linden.”[81]Christien Donker moest er om lachen.Zoo’n nest! zei ze bij zichzelve. „In mijn eigen belang!” O liefje, ik heb je vast en ik zal je nog wel beter vast krijgen. Maar jij zult bij mij komen, trotsch diertje, en ik niet bij jou.In het gevoel harer macht niet verder nadenkend, schreef ze in dorso van ’t briefje van Louise:„Als mevrouw Van Velton de weduwe Donker wenscht te spreken, dan zal zij van het Koningsplein naar gang.… dienen te komen.”Eerst toen de bediende van Louise, die nog wel van een karretje gebruik maakte, geruimen tijd was vertrokken, bedacht Christien Donker, dat zij in haar drift een groote domheid had begaan.Doch wat kon het haar ten slotte schelen! Zij had nu, meende ze, toch alle troefkaarten in handen, en ze zou die met het grootste genot openlijk uitspelen.Natuurlijk trof Louise onmiddellijk de overeenkomst van het schrift. Zij haalde den anoniemen brief voor den dag en lei die naast het antwoord.Er was geen twijfel mogelijk.’t Waren dezelfde leelijke, onregelmatige, scheeve letters, met de ongeoefende hand gezet van iemand, die nooit ’t schrijven goed heeft geleerd.Tevergeefs trachtte zij het raadsel op te lossen. Geen omstandigheden, van welken aard ook, waren in staat geweest haar tot een bezoek aan die vrouw te bewegen, maar dàt intrigeerde haar zoo ontzaglijk!Dat mensch gaf zelf als het ware publiciteit aan de schande[82]harer dochter, lokte zelf een ontdekking uit, die alleen onaangename gevolgen voor haar kon hebben. Het ging boven het begrip van Louise.Dadelijk liet ze inspannen.Met de smalle lippen stijf opeen en de wenkbrauwen samengetrokken, zag Christien Donker het rijtuig haar erf oprijden.Ze had zich in de voorgalerij eenigszins verdekt opgesteld, zóó, dat, als Louise binnenkwam, zij als het ware onverwacht voor haar stond. Ze gevoelde dat ze zenuwachtig was geworden en dat bestreed ze. Zij was in moeilijke omstandigheden altijd haar zenuwen den baas gebleven, en zou ze het nu dan niet tegenover „dat nest”?Maar ze wist hoe „dat nest” wezen kon; ze wist hoe diep minachtend „dat nest” kon kijken, en welk een hoogen, ijskouden toon, die zelfs Christien Donker deconcerteerde, datzelfde „nest” kon aanslaan.Daarom had ze op het effect gerekend.Toen Louise de paar treden opstapte, die naar de voorgalerij voerden, zag zij rond of er niemand was. Er was niemand, blijkbaar,—maar zie, nauwelijks had ze een voet gezet in de voorgalerij of ze stond tegenover een vrouw van zekeren leeftijd, die met bijzondere snelheid van achter een pilaar scheen te komen en haar nu strak aanzag.Louise nam haar kalmpjes op van ’t hoofd tot de voeten. Wat beteekende dat? Was het mensch gek?„Bent u de weduwe Donker?” vroeg ze zeer bedaard.’t Was voor Christien om uit haar vel te springen. Al het effect van dencoup de théâtrewas weg. Zij had er[83]op gerekend dat Louise haar zou herkennen, en dat ze, haar herkennend, den geheelen omvang van de verhouding zou begrijpen.Christien Donkerkonniet gelooven, dat Louise zich harer zelfs niet meer herinnerde; zij stelde zich altijd op haar eigen standpunt en nooit op dat van een ander.„A zoo! Wou mevrouw soms den schijn aannemen, alsof ze me niet kende?” zei ze op tergend beleefden toon.En wederom monsterde Louise haar koel en bedaard met haar groote, zwarte oogen.„Ik zou niet weten, mensch, waarom ik een schijn zou aannemen. Ik herinner me niet u ooit gezien te hebben.”„Och kom? Wil je dat niet te binnen schieten? Zal ik uw memorie dan eens ’n handje helpen?”„Wacht even,” zei Louise. „’t Gezicht was ik geheel vergeten, maar nu herinner ik me die dwaze stem.”Die dwaze stem! Zij verbeeldde zich, dat ze van allerlei in den klank harer stem lag, dat zoo’n jong schepsel moest doen rillen en beven, maar dit „nest” ging alles langs de koude kleeren. Ze voelde, dat ze terrein kwijt was.Maar Louise was zeer ernstig geworden.„Zeker, nu herinner ik me. Je bent die vrouw, die in vroeger jaren onderhouden werd door papa.”Het werd zeer eenvoudig gezegd. Zóó eenvoudig en zonder terughouding, dat Christien Donker ’t gevoel had, als kreeg ze een klinkenden klap in het gezicht.„Zoo,” vervolgde mevrouw Van Velton spottend. „En nu vervult uw dochter dezelfde rol tegenover mijn man! Komaan!”Daar lag het plan in duigen! Zooveel koele onverschilligheid[84]kon niet gehuicheld wezen. Dat was onmogeljjk. Er stak iets achter. Zou Louise misschien van de gelegenheid gebruik willen maken?.… Had ze wellicht zelf iets op haar geweten, en vond ze nu een geschikte gelegenheid om.… Christien Donker dacht niet verder na. Welzeker, dat moest het wezen.„Waarom komt u hier?” vroeg ze.„De eerste vraag is, geloof ik, aan mij. Waarom hebt u me dien brief geschreven?”„Daar laat ik me niet over uit.”Waarom zou ze het zeggen, nu het toch mislukt was?„Goed, het kan mij ook niet schelen.”„Nu, wat is uw antwoord? Als het u zoo onverschillig is; alsnietsu iets kan schelen, wat doet u dan hier in mijn huis.…”„Bij manier van spreken.”„Wat bedoelt u daarmee?”„Och niets,” zei Louise. Ze keek eens rond en meenend dat Van Velton de huishuur en ’t meubilair betaalde, was haar dat „bij manier van spreken” ontsnapt. Ze voelde overigens weinig lust om met zoo’n wijf in noodeloozen woordentwist te treden.„Ik heb u een verzoek te doen.”„Een verzoek?”„Zeker. Dat u me geschreven hebt, kunt u niet ontkennen, ’t Bewijs ligt in uw briefje van hedenochtend, ’t Is dus heel natuurlijk dat ik van uw vriendelijke waarschuwing gebruik maak.”„Beschouw ’t maar als een vergissing.”[85]„Toch niet. Ik wenschte dat u nog een stap verder ging en mij in de gelegenheid steldeTE ZIEN.”„Zoo! Heb je betere bewijzen noodig? Hm! Ik geloof dat ik het begrijp.”„Dat geloof ik niet.”„Zal ik het u maar ronduit zeggen?”„’t Is onnoodig. Ik zie aan uw gezicht wat u bedoelt. Het schijnt dat ge u dikwijls vergist in de menschen.—Niets is minder waar dan dàt, en niets zal ooit minder waar kunnen zijn.”Al de beleedigde trots der fatsoenlijke vrouw sprak uit haar stem, haar trekken. Het was zóó onmiskenbaar, dat zelfs Christien Donker er door in verwarring raakte.Het was voor deze laatste een zeer gek geval. Weigeren was minder gemakkelijk dan het scheen, en van toestemmen zag zij het nut niet in.Wie weet of zij er niet meer uit zou krijgen, als ze zich bereid verklaarde om aan het verzoek te voldoen.„Nu,” zei ze, „het is onnoodig zoo’n hooge borst te zetten. U zoudt de eerste niet zijn en de laatste evenmin.”Louise verwaardigde zich niet er op te antwoorden.„Als u zoo gaarne ’t genoegen wilt smaken van zelf te zien, hoeveel meneer Van Velton van u houdt, dan wil ik u wel in de gelegenheid stellen. Kom a. s. Zaterdag.”„Dan gaat meneer Van Velton zijn partijtje maken.”„Jawel, dat weten we! Nu maar, kom Zaterdag gerust hier, dan kunt ge hem zien.”„Hoe laat?”„Tegen tien uren.”[86]„Ik dank u.”„U behoeft me niet te danken. Ik ben nu eenmaal zoo gek geweest om u te schrijven, en nu ik in het schuitje zit, dien ik wel mee te varen.”„Ik wensch u goeden avond.”„Dag!” zei Christien Donker kortaf.En ze was gekomen, en ze had gezien wat haar nominale echtgenoot bedoelde, als hij Zaterdagsavonds met eenige vrienden een partijtje ging maken.Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit volkomen was mislukt.Men hoorde van niets hoegenaamd.Van geen schandaal, van geen scheiding.Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo ’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook alles.Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar er begon zich voor haar een[87]macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat Van Velton gaf.Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar, zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor ’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van Velton op een goeden voet.In die phase was Hortense uit Europa gekomen.Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke spanning te heerschen.’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben haar eens te zien.Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis; nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes, want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een eind aan komen.„Hm!.… Louise.…” begon hij op een ochtend.„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.„Het betreft Hortense. Ze kan niet.… hier in huis blijven zitten.… ze moet voorgesteld worden.”„Ja, dat vind ik ook.”„Als je er dus niets tegen hebt.…”Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in[88]de oogen, dat hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon te gevoelen.„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent.Wijmoeten Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Hebikme aandieverplichting ooit onttrokken?”„Volstrekt niet.…”„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”„Dankje voor de openhartigheid.… ’t Is heel vleiend.…”„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan je ook niet schelen.Dat weet ik.”Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de rest laten rusten.„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”„Ja.”„Zal ik een lijstje opstellen?”„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje maken.”„O uitstekend.… het is niet.… Ik dacht niet dat je het gaarne deedt.”Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijkbêtekon zijn. Dat hij slecht[89]was,—ze wist niet beter of dat waren zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.Hortense vernam het nieuws metGleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding als een koningin, de galerij op en neer.Van Velton zag het, en het hinderde hem.Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze wist zich nog niet te kleeden!„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd door zijn lorgnet beschouwend.„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”„Wel ja, doe dat.”Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er in alle opzichten uit zag.Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men was zoowat begonnen met de naaste buren.In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen om niet te beven.Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij[90]zich in den laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton”for ever; dáár vond men hem nietbête, maar gold, integendeel, zijn oordeel als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijnsang froid.Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid grensde, had terug-gestooten.Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.De beste afleiding was Hortense.„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam werd ik ziek.”„U kon niet tegen de kou?”„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”[91]„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t zuiden van Frankrijk vertoeven.”„Hebt u nog gereisd?”„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise, als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer door Fournier met ijver hervat.Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.„Mevrouw.…” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton in het gesprek.„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over de warmte, de huizen, de koorts en al wat[92]verder tot de ingrediënten behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar vingers, was het hem vreemd te moede.„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg waren.„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu en dan eens te bezoeken.”„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt[93]niet alle heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven allen uitmuntte.Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd! Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere schoonheid.„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de kamers van zijn vrouw er uit zagen.„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”„Voorzichtig? Hoe zoo?”„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze van haar vader had geërfd.[94]„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”„Ik begrijp niet.…”„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”„Maar wat meent u dan toch?”„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te kennen te geven.”Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest. Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct haar ingaf: zij hield zich van den domme.Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te lossen.”„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n jongmensch het hof te maken.”„’nJongmensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een[95]meisje ’n beetje coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen ganjesachtig, ’t is ongepast.”Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen. Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar, Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke houding!In haar kamer huilde ze. Nu ja, hetwaswaar: zewasverliefd op Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar dáárom zoo grieven?Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die Hortense, dat schaap, permitteerde zich.… Het was meer dan bespottelijk!Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar toorn en verontwaardiging den teugel.Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd toegegeven aan haar liefde voor Fournier.[96]Als Hortense zich niet zoo druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze, over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid van ’t meisje tegenhem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid van hem tegen Hortense.… Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.Debaboestoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind. Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik ook!En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat houten schepsel, dieasperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; ophaarmanier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de dommetotokser niets van snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.De avond van het feest volgde spoedig.[97]Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense, die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en onaangename bejegening.Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t was alles even harmonisch en sierlijk.Van Velton zag het ook en zuchtte.Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal. De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en hetzelfde doel?Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard Fournier.Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid, zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was[98]hem zoo klaar als de dag; hoe hijcasu quozich daartegenover houden zou, wist hij niet precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.… Neen, dàt was onmogelijk.Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend de dames Van Velton in het oog.Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor depolonaisehad hij Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat depolonaisezou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij depolonaisemet haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van[99]de jonge dames, met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het heerlijk.„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te organiseeren, diemagnifiquezijn.”„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde stil.”„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot haar met dat zekersans gênevan den man, die weet, dat elk zijner woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met Louise Van der Linden.„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”„U hebt behalve depolonaisenog één wals.”’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den minsten strijd, vroeg:„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, hetwasteleurstelling, die nu op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik langer aan te twijfelen.Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.[100]Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel uitmaakte, wierp hijen passanteen blik in een der groote spiegels. Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte, de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van hartstochtelijke liefde.Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van een zekersans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste, en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat te wandelen.„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”„Men moet met weinig tevreden zijn.”„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te schijnen.”„Als je het niet bent,à qui la faute?”[101]„Wees niet hard voor me, Lou … mevrouw!”„Och, hoe flauw!”Zij lachte en keek hem aan.„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”„Mag ik?”„Hm.… Soms.”„Mag iknu?”„Neen, zeker niet. Foei,meneerFournier!”„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk een tantalisatie ’t voor me is?”Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in depolonaise.„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent immers de eenige niet?”Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als de dood, en met hetintuïtie-vermogender liefde had ze ineens begrepen.De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag[102]zitten op een der divans in de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.Ze schrikte er van.„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.„Je zit daar zoo geïsoleerd!”„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar vergeten.”„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een der dansers kwam haar afhalen.Toen wandelde hij verder op naar Louise.Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve even naar zijn dames kijken.Het was dezelfde stereotype vraag.„Amuseer je je nogal?”Maar het antwoord verschilde.„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”„Komaan, dat doet me genoegen.”Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht naar zijn hombertafeltje.Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten. Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij gaan, waar het[103]buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was nauwelijks aan den gang.„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.Juist toen ze daar kwam, zag ze Fournier en Louise op het schabelletje staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden, die naar den tuin voerden, afging.Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurendva-et-vientdien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het achtererf aangelegden tuin.„Herinnert ge udenavond?” vroeg Fournier haast fluisterend.Zij zuchtte diep.„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise?[104]Waarom heb je mij verworpen om naderhand te trouwen methem?”„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd verbitterd!”„Moet je het me nog verwijten? Ben ikniet gelukkig? Groote God, je kiest wel zachte woorden.”De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn lot berust hebben. Nukanik het niet, Louise.”„Er is niets aan te doen.”„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht, dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel. Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.[105]„Louise.…” zij hij verward en geheel onder den invloed.„Zwijg!” antwoordde zij bits.Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat. Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans, waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.„Ja,” zei ze kortaf.„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”„Och neen, het is niets.”Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen. Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe gekomen was.Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig, onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet begreep.Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen kon.In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde[106]ieder zijn eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van Hortense opviel.„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er komen zou van den kant van zijn vrouw.Maar er kwam niets.Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts een jaloezie was op losse gronden, dan wel of zebetoelhad gezien.Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest, en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding moest hebben belet.Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte. Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig ongenoegen[107]en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eensà fairete nemen.„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde: „.… je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort: „ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”Onverschillig haalde zij de schouders op.„Maak je er niet druk over; het is niets.”Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust. Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man, achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar haar trots kwam er tegen op, dat zij,zij, Louise Van der Linden, ook al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan, de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd parelen.Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen lag van Fournier en hem kuste!Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring,[108]die haar te machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik. Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na het begin van den eersten stap, de overhand.En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend gevaar. Alles liever, dan dat!Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de bijgebouwen deed vluchten.Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van Hortense.Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in de stilte van den nacht geen geluid maakte.Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.Hortense had het niet gehoord.Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t meisje voor haartoilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in wanorde half over de rugleuning van den[109]stoel, half over haar schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en ongracieus uitzag, had in haar voordeelce qu’on ne voit pas.Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote bekoorlijkheid aan gaf.Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op ’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”„Neen.”„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht[110]heb rekenschap te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”„Neen, dat geef ik niet toe.”„Waarom niet?”„Dat is mijn zaak!”„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa.…”„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn papa is een.…”„Nu?”Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het eenige, wat ik verzoek.”„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt, dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”Er volgde geen antwoord.„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,” ging Louise toornig voort.Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting was haar te sterk.„Mal wicht!” voer ze uit: „je bentJALOERSCH!”Zij had eensortieverwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.„Je moest je schamen, Hortense.”[111]Dat was te veel.„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een getrouwde vrouw?”„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan zou zelfsikme niet behoeven te schamen.”Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat. Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde confidenties wezen?Zij schudde met het hoofd van neen.„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de waarheid twijfelde zij niet meer.„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is nooit mijnamantgeweest, en hij zal het nimmer[112]worden; je moogt hem hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen, en dat deed ze ook.Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.’t Meisje, dacht hij, hadtinka’sen al verdroeg hij die in zijn jonge vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter, wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het niet verdragen.Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te goed voor zoo’n oudenviveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo den mond vol had van fatsoen endecorum! ’t Was walgelijk!Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton[113]het oirbaar zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te lezen over baar wispelturig gedrag.Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan bij zijnbureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de deur van ’t rasphuis.”„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”„Wat?”„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast. Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die.…”„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.„.… En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij.…”„Dat is geen misverstand.”Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon te schelden.„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”Zij zag hem met minachting aan.„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”Van Velton ontstelde.[114]„Wat zeg je daar?”„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur zette.”Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op schorren toon.„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in staat.…”Werktuiglijk hief hij de hand op. Al hetdecorumwas verdwenen. Het laagje vernis was geheel weg.De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en voornaam optreden, die hij was in de wereld.Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij zich los.„Jezultme zeggen wie je ten mijnen opzichtenonsens-praatjes op de mouw heeft gespeld.”„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang vermoedde: Louise wist er alles van![115]„Ga naar je kamer” zei hij ruw.„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den eenen kant naar den anderen te smijten.Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om overzulkezaken te spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben; maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt Indisch!Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan „onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk nog minder roemvol zou afloopen.Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te achten.In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar met bevende lippen wat er was voorgevallen.Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.[116]Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton[117]kwam. Hij zag er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed, en sprak geen woord.„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, alsikje wat vraag.”De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.„Nu.… nu.…” stotterde hij zoowat.„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten commando-toon, die bij het personeel bekend was.Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed, allertreurigst aan.„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal, dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt koud.”Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.
„Wel, hoe heb je het gehad vandaag?”„Hartelijk nu juist niet. Aan tafel heeft zij ’n hatelijkheid gedebiteerd op uw positie.”„Wat dan?”Zij vertelde het hem, en hij lachte. Was het anders niet? Hij had direct gedacht aan zijn positie als echtgenoot.„Zij schijnt een zeer pertinent en heerschzuchtig schepseltje te zijn, dat hier geducht den baas speelt.”„Een vrouw moet meesteres in huis zijn, Stanse. Ik heb je mama ook ’t huishouden laten bestieren, zooals zij dat goed vond.”„Maar onder de pantoffel zat u niet; dat weet ik wel zeker.”„Ei?” vroeg hij met saamgetrokken wenkbrauwen. „En wie zegt je, dat ik er nu onder zit?”„Dat zeg ik, pa. Aan alles kan ik het merken. Zij, uw tweede vrouw, bestuurt niet, maar regeert, en feitelijk hebt ge niets te zeggen. Dat kan zoo niet blijven, en daarom.…”„En dáárom,” viel haar vader haar in de rede, „dáárom verzoek ik je om je volstrekt niet te bemoeien met de verhouding tusschen mij en je stiefmoeder. Ik moet je dat zeer ernstig verzoeken, Hortense! Het is mijn uitdrukkelijke wil. Je kunt in alles doen wat je goed vindt: uitgaan, bezoek ontvangen, over geld beschikken voor je toilet,—maar eens[80]en vooral: houd je dáár buiten. Dat zijn zaken, waarmee kinderen niets te maken hebben.”Hij ging terug naar zijn kamer, terwijl Hortense met tranen in de oogen bleef zitten.Wat kon haar ’t uitgaan schelen, of bezoek ontvangen? Wat gaf zij om nog meer toiletten, dan ze reeds had?Dansen en laat uitblijven veroorloofden haar delicate gezondheid niet, en trotsch was ze wel, maar die gewone meisjes-ijdelheid en coquetterie waren haar volkomen vreemd.’t Zou het ideaal van Hortense geweest zijn, om een stil, rustig leven te leiden in het mooie huis op ’t Koningsplein, en om daar alles te regelen en te doen uitvoeren naar haar zin. Het middel om daartoe te komen, nu eenmaal haar vader zoo onhebbelijk was geweest om te hertrouwen, bestond in een scheiding tusschen hem en die vrouw. Ze meende dat het gemakkelijk zou gaan, bij zulk een slechte verstandhouding en als de oude heer er krachtig toe wilde meewerken.Maar dat wilde hij niet. Hij was ook al zooindolent. ’t Was om er den moed bij te laten zakken!Louise wist er thans alles van.Zij had den dag na de ontvangst van den anoniemen brief, het volgende geschreven aan de weduwe Donker:„Mevrouw!U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.Uw Dw.L. Van Velton-V. d. Linden.”[81]Christien Donker moest er om lachen.Zoo’n nest! zei ze bij zichzelve. „In mijn eigen belang!” O liefje, ik heb je vast en ik zal je nog wel beter vast krijgen. Maar jij zult bij mij komen, trotsch diertje, en ik niet bij jou.In het gevoel harer macht niet verder nadenkend, schreef ze in dorso van ’t briefje van Louise:„Als mevrouw Van Velton de weduwe Donker wenscht te spreken, dan zal zij van het Koningsplein naar gang.… dienen te komen.”Eerst toen de bediende van Louise, die nog wel van een karretje gebruik maakte, geruimen tijd was vertrokken, bedacht Christien Donker, dat zij in haar drift een groote domheid had begaan.Doch wat kon het haar ten slotte schelen! Zij had nu, meende ze, toch alle troefkaarten in handen, en ze zou die met het grootste genot openlijk uitspelen.Natuurlijk trof Louise onmiddellijk de overeenkomst van het schrift. Zij haalde den anoniemen brief voor den dag en lei die naast het antwoord.Er was geen twijfel mogelijk.’t Waren dezelfde leelijke, onregelmatige, scheeve letters, met de ongeoefende hand gezet van iemand, die nooit ’t schrijven goed heeft geleerd.Tevergeefs trachtte zij het raadsel op te lossen. Geen omstandigheden, van welken aard ook, waren in staat geweest haar tot een bezoek aan die vrouw te bewegen, maar dàt intrigeerde haar zoo ontzaglijk!Dat mensch gaf zelf als het ware publiciteit aan de schande[82]harer dochter, lokte zelf een ontdekking uit, die alleen onaangename gevolgen voor haar kon hebben. Het ging boven het begrip van Louise.Dadelijk liet ze inspannen.Met de smalle lippen stijf opeen en de wenkbrauwen samengetrokken, zag Christien Donker het rijtuig haar erf oprijden.Ze had zich in de voorgalerij eenigszins verdekt opgesteld, zóó, dat, als Louise binnenkwam, zij als het ware onverwacht voor haar stond. Ze gevoelde dat ze zenuwachtig was geworden en dat bestreed ze. Zij was in moeilijke omstandigheden altijd haar zenuwen den baas gebleven, en zou ze het nu dan niet tegenover „dat nest”?Maar ze wist hoe „dat nest” wezen kon; ze wist hoe diep minachtend „dat nest” kon kijken, en welk een hoogen, ijskouden toon, die zelfs Christien Donker deconcerteerde, datzelfde „nest” kon aanslaan.Daarom had ze op het effect gerekend.Toen Louise de paar treden opstapte, die naar de voorgalerij voerden, zag zij rond of er niemand was. Er was niemand, blijkbaar,—maar zie, nauwelijks had ze een voet gezet in de voorgalerij of ze stond tegenover een vrouw van zekeren leeftijd, die met bijzondere snelheid van achter een pilaar scheen te komen en haar nu strak aanzag.Louise nam haar kalmpjes op van ’t hoofd tot de voeten. Wat beteekende dat? Was het mensch gek?„Bent u de weduwe Donker?” vroeg ze zeer bedaard.’t Was voor Christien om uit haar vel te springen. Al het effect van dencoup de théâtrewas weg. Zij had er[83]op gerekend dat Louise haar zou herkennen, en dat ze, haar herkennend, den geheelen omvang van de verhouding zou begrijpen.Christien Donkerkonniet gelooven, dat Louise zich harer zelfs niet meer herinnerde; zij stelde zich altijd op haar eigen standpunt en nooit op dat van een ander.„A zoo! Wou mevrouw soms den schijn aannemen, alsof ze me niet kende?” zei ze op tergend beleefden toon.En wederom monsterde Louise haar koel en bedaard met haar groote, zwarte oogen.„Ik zou niet weten, mensch, waarom ik een schijn zou aannemen. Ik herinner me niet u ooit gezien te hebben.”„Och kom? Wil je dat niet te binnen schieten? Zal ik uw memorie dan eens ’n handje helpen?”„Wacht even,” zei Louise. „’t Gezicht was ik geheel vergeten, maar nu herinner ik me die dwaze stem.”Die dwaze stem! Zij verbeeldde zich, dat ze van allerlei in den klank harer stem lag, dat zoo’n jong schepsel moest doen rillen en beven, maar dit „nest” ging alles langs de koude kleeren. Ze voelde, dat ze terrein kwijt was.Maar Louise was zeer ernstig geworden.„Zeker, nu herinner ik me. Je bent die vrouw, die in vroeger jaren onderhouden werd door papa.”Het werd zeer eenvoudig gezegd. Zóó eenvoudig en zonder terughouding, dat Christien Donker ’t gevoel had, als kreeg ze een klinkenden klap in het gezicht.„Zoo,” vervolgde mevrouw Van Velton spottend. „En nu vervult uw dochter dezelfde rol tegenover mijn man! Komaan!”Daar lag het plan in duigen! Zooveel koele onverschilligheid[84]kon niet gehuicheld wezen. Dat was onmogeljjk. Er stak iets achter. Zou Louise misschien van de gelegenheid gebruik willen maken?.… Had ze wellicht zelf iets op haar geweten, en vond ze nu een geschikte gelegenheid om.… Christien Donker dacht niet verder na. Welzeker, dat moest het wezen.„Waarom komt u hier?” vroeg ze.„De eerste vraag is, geloof ik, aan mij. Waarom hebt u me dien brief geschreven?”„Daar laat ik me niet over uit.”Waarom zou ze het zeggen, nu het toch mislukt was?„Goed, het kan mij ook niet schelen.”„Nu, wat is uw antwoord? Als het u zoo onverschillig is; alsnietsu iets kan schelen, wat doet u dan hier in mijn huis.…”„Bij manier van spreken.”„Wat bedoelt u daarmee?”„Och niets,” zei Louise. Ze keek eens rond en meenend dat Van Velton de huishuur en ’t meubilair betaalde, was haar dat „bij manier van spreken” ontsnapt. Ze voelde overigens weinig lust om met zoo’n wijf in noodeloozen woordentwist te treden.„Ik heb u een verzoek te doen.”„Een verzoek?”„Zeker. Dat u me geschreven hebt, kunt u niet ontkennen, ’t Bewijs ligt in uw briefje van hedenochtend, ’t Is dus heel natuurlijk dat ik van uw vriendelijke waarschuwing gebruik maak.”„Beschouw ’t maar als een vergissing.”[85]„Toch niet. Ik wenschte dat u nog een stap verder ging en mij in de gelegenheid steldeTE ZIEN.”„Zoo! Heb je betere bewijzen noodig? Hm! Ik geloof dat ik het begrijp.”„Dat geloof ik niet.”„Zal ik het u maar ronduit zeggen?”„’t Is onnoodig. Ik zie aan uw gezicht wat u bedoelt. Het schijnt dat ge u dikwijls vergist in de menschen.—Niets is minder waar dan dàt, en niets zal ooit minder waar kunnen zijn.”Al de beleedigde trots der fatsoenlijke vrouw sprak uit haar stem, haar trekken. Het was zóó onmiskenbaar, dat zelfs Christien Donker er door in verwarring raakte.Het was voor deze laatste een zeer gek geval. Weigeren was minder gemakkelijk dan het scheen, en van toestemmen zag zij het nut niet in.Wie weet of zij er niet meer uit zou krijgen, als ze zich bereid verklaarde om aan het verzoek te voldoen.„Nu,” zei ze, „het is onnoodig zoo’n hooge borst te zetten. U zoudt de eerste niet zijn en de laatste evenmin.”Louise verwaardigde zich niet er op te antwoorden.„Als u zoo gaarne ’t genoegen wilt smaken van zelf te zien, hoeveel meneer Van Velton van u houdt, dan wil ik u wel in de gelegenheid stellen. Kom a. s. Zaterdag.”„Dan gaat meneer Van Velton zijn partijtje maken.”„Jawel, dat weten we! Nu maar, kom Zaterdag gerust hier, dan kunt ge hem zien.”„Hoe laat?”„Tegen tien uren.”[86]„Ik dank u.”„U behoeft me niet te danken. Ik ben nu eenmaal zoo gek geweest om u te schrijven, en nu ik in het schuitje zit, dien ik wel mee te varen.”„Ik wensch u goeden avond.”„Dag!” zei Christien Donker kortaf.En ze was gekomen, en ze had gezien wat haar nominale echtgenoot bedoelde, als hij Zaterdagsavonds met eenige vrienden een partijtje ging maken.Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit volkomen was mislukt.Men hoorde van niets hoegenaamd.Van geen schandaal, van geen scheiding.Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo ’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook alles.Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar er begon zich voor haar een[87]macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat Van Velton gaf.Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar, zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor ’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van Velton op een goeden voet.In die phase was Hortense uit Europa gekomen.Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke spanning te heerschen.’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben haar eens te zien.Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis; nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes, want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een eind aan komen.„Hm!.… Louise.…” begon hij op een ochtend.„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.„Het betreft Hortense. Ze kan niet.… hier in huis blijven zitten.… ze moet voorgesteld worden.”„Ja, dat vind ik ook.”„Als je er dus niets tegen hebt.…”Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in[88]de oogen, dat hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon te gevoelen.„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent.Wijmoeten Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Hebikme aandieverplichting ooit onttrokken?”„Volstrekt niet.…”„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”„Dankje voor de openhartigheid.… ’t Is heel vleiend.…”„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan je ook niet schelen.Dat weet ik.”Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de rest laten rusten.„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”„Ja.”„Zal ik een lijstje opstellen?”„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje maken.”„O uitstekend.… het is niet.… Ik dacht niet dat je het gaarne deedt.”Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijkbêtekon zijn. Dat hij slecht[89]was,—ze wist niet beter of dat waren zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.Hortense vernam het nieuws metGleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding als een koningin, de galerij op en neer.Van Velton zag het, en het hinderde hem.Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze wist zich nog niet te kleeden!„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd door zijn lorgnet beschouwend.„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”„Wel ja, doe dat.”Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er in alle opzichten uit zag.Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men was zoowat begonnen met de naaste buren.In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen om niet te beven.Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij[90]zich in den laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton”for ever; dáár vond men hem nietbête, maar gold, integendeel, zijn oordeel als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijnsang froid.Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid grensde, had terug-gestooten.Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.De beste afleiding was Hortense.„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam werd ik ziek.”„U kon niet tegen de kou?”„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”[91]„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t zuiden van Frankrijk vertoeven.”„Hebt u nog gereisd?”„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise, als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer door Fournier met ijver hervat.Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.„Mevrouw.…” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton in het gesprek.„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over de warmte, de huizen, de koorts en al wat[92]verder tot de ingrediënten behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar vingers, was het hem vreemd te moede.„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg waren.„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu en dan eens te bezoeken.”„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt[93]niet alle heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven allen uitmuntte.Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd! Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere schoonheid.„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de kamers van zijn vrouw er uit zagen.„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”„Voorzichtig? Hoe zoo?”„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze van haar vader had geërfd.[94]„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”„Ik begrijp niet.…”„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”„Maar wat meent u dan toch?”„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te kennen te geven.”Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest. Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct haar ingaf: zij hield zich van den domme.Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te lossen.”„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n jongmensch het hof te maken.”„’nJongmensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een[95]meisje ’n beetje coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen ganjesachtig, ’t is ongepast.”Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen. Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar, Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke houding!In haar kamer huilde ze. Nu ja, hetwaswaar: zewasverliefd op Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar dáárom zoo grieven?Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die Hortense, dat schaap, permitteerde zich.… Het was meer dan bespottelijk!Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar toorn en verontwaardiging den teugel.Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd toegegeven aan haar liefde voor Fournier.[96]Als Hortense zich niet zoo druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze, over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid van ’t meisje tegenhem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid van hem tegen Hortense.… Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.Debaboestoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind. Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik ook!En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat houten schepsel, dieasperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; ophaarmanier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de dommetotokser niets van snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.De avond van het feest volgde spoedig.[97]Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense, die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en onaangename bejegening.Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t was alles even harmonisch en sierlijk.Van Velton zag het ook en zuchtte.Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal. De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en hetzelfde doel?Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard Fournier.Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid, zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was[98]hem zoo klaar als de dag; hoe hijcasu quozich daartegenover houden zou, wist hij niet precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.… Neen, dàt was onmogelijk.Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend de dames Van Velton in het oog.Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor depolonaisehad hij Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat depolonaisezou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij depolonaisemet haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van[99]de jonge dames, met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het heerlijk.„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te organiseeren, diemagnifiquezijn.”„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde stil.”„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot haar met dat zekersans gênevan den man, die weet, dat elk zijner woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met Louise Van der Linden.„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”„U hebt behalve depolonaisenog één wals.”’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den minsten strijd, vroeg:„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, hetwasteleurstelling, die nu op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik langer aan te twijfelen.Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.[100]Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel uitmaakte, wierp hijen passanteen blik in een der groote spiegels. Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte, de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van hartstochtelijke liefde.Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van een zekersans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste, en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat te wandelen.„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”„Men moet met weinig tevreden zijn.”„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te schijnen.”„Als je het niet bent,à qui la faute?”[101]„Wees niet hard voor me, Lou … mevrouw!”„Och, hoe flauw!”Zij lachte en keek hem aan.„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”„Mag ik?”„Hm.… Soms.”„Mag iknu?”„Neen, zeker niet. Foei,meneerFournier!”„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk een tantalisatie ’t voor me is?”Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in depolonaise.„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent immers de eenige niet?”Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als de dood, en met hetintuïtie-vermogender liefde had ze ineens begrepen.De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag[102]zitten op een der divans in de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.Ze schrikte er van.„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.„Je zit daar zoo geïsoleerd!”„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar vergeten.”„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een der dansers kwam haar afhalen.Toen wandelde hij verder op naar Louise.Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve even naar zijn dames kijken.Het was dezelfde stereotype vraag.„Amuseer je je nogal?”Maar het antwoord verschilde.„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”„Komaan, dat doet me genoegen.”Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht naar zijn hombertafeltje.Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten. Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij gaan, waar het[103]buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was nauwelijks aan den gang.„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.Juist toen ze daar kwam, zag ze Fournier en Louise op het schabelletje staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden, die naar den tuin voerden, afging.Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurendva-et-vientdien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het achtererf aangelegden tuin.„Herinnert ge udenavond?” vroeg Fournier haast fluisterend.Zij zuchtte diep.„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise?[104]Waarom heb je mij verworpen om naderhand te trouwen methem?”„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd verbitterd!”„Moet je het me nog verwijten? Ben ikniet gelukkig? Groote God, je kiest wel zachte woorden.”De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn lot berust hebben. Nukanik het niet, Louise.”„Er is niets aan te doen.”„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht, dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel. Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.[105]„Louise.…” zij hij verward en geheel onder den invloed.„Zwijg!” antwoordde zij bits.Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat. Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans, waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.„Ja,” zei ze kortaf.„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”„Och neen, het is niets.”Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen. Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe gekomen was.Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig, onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet begreep.Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen kon.In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde[106]ieder zijn eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van Hortense opviel.„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er komen zou van den kant van zijn vrouw.Maar er kwam niets.Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts een jaloezie was op losse gronden, dan wel of zebetoelhad gezien.Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest, en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding moest hebben belet.Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte. Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig ongenoegen[107]en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eensà fairete nemen.„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde: „.… je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort: „ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”Onverschillig haalde zij de schouders op.„Maak je er niet druk over; het is niets.”Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust. Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man, achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar haar trots kwam er tegen op, dat zij,zij, Louise Van der Linden, ook al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan, de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd parelen.Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen lag van Fournier en hem kuste!Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring,[108]die haar te machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik. Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na het begin van den eersten stap, de overhand.En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend gevaar. Alles liever, dan dat!Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de bijgebouwen deed vluchten.Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van Hortense.Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in de stilte van den nacht geen geluid maakte.Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.Hortense had het niet gehoord.Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t meisje voor haartoilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in wanorde half over de rugleuning van den[109]stoel, half over haar schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en ongracieus uitzag, had in haar voordeelce qu’on ne voit pas.Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote bekoorlijkheid aan gaf.Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op ’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”„Neen.”„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht[110]heb rekenschap te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”„Neen, dat geef ik niet toe.”„Waarom niet?”„Dat is mijn zaak!”„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa.…”„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn papa is een.…”„Nu?”Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het eenige, wat ik verzoek.”„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt, dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”Er volgde geen antwoord.„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,” ging Louise toornig voort.Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting was haar te sterk.„Mal wicht!” voer ze uit: „je bentJALOERSCH!”Zij had eensortieverwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.„Je moest je schamen, Hortense.”[111]Dat was te veel.„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een getrouwde vrouw?”„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan zou zelfsikme niet behoeven te schamen.”Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat. Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde confidenties wezen?Zij schudde met het hoofd van neen.„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de waarheid twijfelde zij niet meer.„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is nooit mijnamantgeweest, en hij zal het nimmer[112]worden; je moogt hem hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen, en dat deed ze ook.Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.’t Meisje, dacht hij, hadtinka’sen al verdroeg hij die in zijn jonge vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter, wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het niet verdragen.Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te goed voor zoo’n oudenviveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo den mond vol had van fatsoen endecorum! ’t Was walgelijk!Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton[113]het oirbaar zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te lezen over baar wispelturig gedrag.Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan bij zijnbureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de deur van ’t rasphuis.”„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”„Wat?”„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast. Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die.…”„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.„.… En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij.…”„Dat is geen misverstand.”Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon te schelden.„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”Zij zag hem met minachting aan.„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”Van Velton ontstelde.[114]„Wat zeg je daar?”„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur zette.”Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op schorren toon.„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in staat.…”Werktuiglijk hief hij de hand op. Al hetdecorumwas verdwenen. Het laagje vernis was geheel weg.De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en voornaam optreden, die hij was in de wereld.Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij zich los.„Jezultme zeggen wie je ten mijnen opzichtenonsens-praatjes op de mouw heeft gespeld.”„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang vermoedde: Louise wist er alles van![115]„Ga naar je kamer” zei hij ruw.„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den eenen kant naar den anderen te smijten.Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om overzulkezaken te spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben; maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt Indisch!Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan „onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk nog minder roemvol zou afloopen.Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te achten.In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar met bevende lippen wat er was voorgevallen.Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.[116]Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton[117]kwam. Hij zag er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed, en sprak geen woord.„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, alsikje wat vraag.”De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.„Nu.… nu.…” stotterde hij zoowat.„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten commando-toon, die bij het personeel bekend was.Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed, allertreurigst aan.„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal, dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt koud.”Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.
„Wel, hoe heb je het gehad vandaag?”„Hartelijk nu juist niet. Aan tafel heeft zij ’n hatelijkheid gedebiteerd op uw positie.”„Wat dan?”Zij vertelde het hem, en hij lachte. Was het anders niet? Hij had direct gedacht aan zijn positie als echtgenoot.„Zij schijnt een zeer pertinent en heerschzuchtig schepseltje te zijn, dat hier geducht den baas speelt.”„Een vrouw moet meesteres in huis zijn, Stanse. Ik heb je mama ook ’t huishouden laten bestieren, zooals zij dat goed vond.”„Maar onder de pantoffel zat u niet; dat weet ik wel zeker.”„Ei?” vroeg hij met saamgetrokken wenkbrauwen. „En wie zegt je, dat ik er nu onder zit?”„Dat zeg ik, pa. Aan alles kan ik het merken. Zij, uw tweede vrouw, bestuurt niet, maar regeert, en feitelijk hebt ge niets te zeggen. Dat kan zoo niet blijven, en daarom.…”„En dáárom,” viel haar vader haar in de rede, „dáárom verzoek ik je om je volstrekt niet te bemoeien met de verhouding tusschen mij en je stiefmoeder. Ik moet je dat zeer ernstig verzoeken, Hortense! Het is mijn uitdrukkelijke wil. Je kunt in alles doen wat je goed vindt: uitgaan, bezoek ontvangen, over geld beschikken voor je toilet,—maar eens[80]en vooral: houd je dáár buiten. Dat zijn zaken, waarmee kinderen niets te maken hebben.”Hij ging terug naar zijn kamer, terwijl Hortense met tranen in de oogen bleef zitten.Wat kon haar ’t uitgaan schelen, of bezoek ontvangen? Wat gaf zij om nog meer toiletten, dan ze reeds had?Dansen en laat uitblijven veroorloofden haar delicate gezondheid niet, en trotsch was ze wel, maar die gewone meisjes-ijdelheid en coquetterie waren haar volkomen vreemd.’t Zou het ideaal van Hortense geweest zijn, om een stil, rustig leven te leiden in het mooie huis op ’t Koningsplein, en om daar alles te regelen en te doen uitvoeren naar haar zin. Het middel om daartoe te komen, nu eenmaal haar vader zoo onhebbelijk was geweest om te hertrouwen, bestond in een scheiding tusschen hem en die vrouw. Ze meende dat het gemakkelijk zou gaan, bij zulk een slechte verstandhouding en als de oude heer er krachtig toe wilde meewerken.Maar dat wilde hij niet. Hij was ook al zooindolent. ’t Was om er den moed bij te laten zakken!Louise wist er thans alles van.Zij had den dag na de ontvangst van den anoniemen brief, het volgende geschreven aan de weduwe Donker:„Mevrouw!U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.Uw Dw.L. Van Velton-V. d. Linden.”[81]Christien Donker moest er om lachen.Zoo’n nest! zei ze bij zichzelve. „In mijn eigen belang!” O liefje, ik heb je vast en ik zal je nog wel beter vast krijgen. Maar jij zult bij mij komen, trotsch diertje, en ik niet bij jou.In het gevoel harer macht niet verder nadenkend, schreef ze in dorso van ’t briefje van Louise:„Als mevrouw Van Velton de weduwe Donker wenscht te spreken, dan zal zij van het Koningsplein naar gang.… dienen te komen.”Eerst toen de bediende van Louise, die nog wel van een karretje gebruik maakte, geruimen tijd was vertrokken, bedacht Christien Donker, dat zij in haar drift een groote domheid had begaan.Doch wat kon het haar ten slotte schelen! Zij had nu, meende ze, toch alle troefkaarten in handen, en ze zou die met het grootste genot openlijk uitspelen.Natuurlijk trof Louise onmiddellijk de overeenkomst van het schrift. Zij haalde den anoniemen brief voor den dag en lei die naast het antwoord.Er was geen twijfel mogelijk.’t Waren dezelfde leelijke, onregelmatige, scheeve letters, met de ongeoefende hand gezet van iemand, die nooit ’t schrijven goed heeft geleerd.Tevergeefs trachtte zij het raadsel op te lossen. Geen omstandigheden, van welken aard ook, waren in staat geweest haar tot een bezoek aan die vrouw te bewegen, maar dàt intrigeerde haar zoo ontzaglijk!Dat mensch gaf zelf als het ware publiciteit aan de schande[82]harer dochter, lokte zelf een ontdekking uit, die alleen onaangename gevolgen voor haar kon hebben. Het ging boven het begrip van Louise.Dadelijk liet ze inspannen.Met de smalle lippen stijf opeen en de wenkbrauwen samengetrokken, zag Christien Donker het rijtuig haar erf oprijden.Ze had zich in de voorgalerij eenigszins verdekt opgesteld, zóó, dat, als Louise binnenkwam, zij als het ware onverwacht voor haar stond. Ze gevoelde dat ze zenuwachtig was geworden en dat bestreed ze. Zij was in moeilijke omstandigheden altijd haar zenuwen den baas gebleven, en zou ze het nu dan niet tegenover „dat nest”?Maar ze wist hoe „dat nest” wezen kon; ze wist hoe diep minachtend „dat nest” kon kijken, en welk een hoogen, ijskouden toon, die zelfs Christien Donker deconcerteerde, datzelfde „nest” kon aanslaan.Daarom had ze op het effect gerekend.Toen Louise de paar treden opstapte, die naar de voorgalerij voerden, zag zij rond of er niemand was. Er was niemand, blijkbaar,—maar zie, nauwelijks had ze een voet gezet in de voorgalerij of ze stond tegenover een vrouw van zekeren leeftijd, die met bijzondere snelheid van achter een pilaar scheen te komen en haar nu strak aanzag.Louise nam haar kalmpjes op van ’t hoofd tot de voeten. Wat beteekende dat? Was het mensch gek?„Bent u de weduwe Donker?” vroeg ze zeer bedaard.’t Was voor Christien om uit haar vel te springen. Al het effect van dencoup de théâtrewas weg. Zij had er[83]op gerekend dat Louise haar zou herkennen, en dat ze, haar herkennend, den geheelen omvang van de verhouding zou begrijpen.Christien Donkerkonniet gelooven, dat Louise zich harer zelfs niet meer herinnerde; zij stelde zich altijd op haar eigen standpunt en nooit op dat van een ander.„A zoo! Wou mevrouw soms den schijn aannemen, alsof ze me niet kende?” zei ze op tergend beleefden toon.En wederom monsterde Louise haar koel en bedaard met haar groote, zwarte oogen.„Ik zou niet weten, mensch, waarom ik een schijn zou aannemen. Ik herinner me niet u ooit gezien te hebben.”„Och kom? Wil je dat niet te binnen schieten? Zal ik uw memorie dan eens ’n handje helpen?”„Wacht even,” zei Louise. „’t Gezicht was ik geheel vergeten, maar nu herinner ik me die dwaze stem.”Die dwaze stem! Zij verbeeldde zich, dat ze van allerlei in den klank harer stem lag, dat zoo’n jong schepsel moest doen rillen en beven, maar dit „nest” ging alles langs de koude kleeren. Ze voelde, dat ze terrein kwijt was.Maar Louise was zeer ernstig geworden.„Zeker, nu herinner ik me. Je bent die vrouw, die in vroeger jaren onderhouden werd door papa.”Het werd zeer eenvoudig gezegd. Zóó eenvoudig en zonder terughouding, dat Christien Donker ’t gevoel had, als kreeg ze een klinkenden klap in het gezicht.„Zoo,” vervolgde mevrouw Van Velton spottend. „En nu vervult uw dochter dezelfde rol tegenover mijn man! Komaan!”Daar lag het plan in duigen! Zooveel koele onverschilligheid[84]kon niet gehuicheld wezen. Dat was onmogeljjk. Er stak iets achter. Zou Louise misschien van de gelegenheid gebruik willen maken?.… Had ze wellicht zelf iets op haar geweten, en vond ze nu een geschikte gelegenheid om.… Christien Donker dacht niet verder na. Welzeker, dat moest het wezen.„Waarom komt u hier?” vroeg ze.„De eerste vraag is, geloof ik, aan mij. Waarom hebt u me dien brief geschreven?”„Daar laat ik me niet over uit.”Waarom zou ze het zeggen, nu het toch mislukt was?„Goed, het kan mij ook niet schelen.”„Nu, wat is uw antwoord? Als het u zoo onverschillig is; alsnietsu iets kan schelen, wat doet u dan hier in mijn huis.…”„Bij manier van spreken.”„Wat bedoelt u daarmee?”„Och niets,” zei Louise. Ze keek eens rond en meenend dat Van Velton de huishuur en ’t meubilair betaalde, was haar dat „bij manier van spreken” ontsnapt. Ze voelde overigens weinig lust om met zoo’n wijf in noodeloozen woordentwist te treden.„Ik heb u een verzoek te doen.”„Een verzoek?”„Zeker. Dat u me geschreven hebt, kunt u niet ontkennen, ’t Bewijs ligt in uw briefje van hedenochtend, ’t Is dus heel natuurlijk dat ik van uw vriendelijke waarschuwing gebruik maak.”„Beschouw ’t maar als een vergissing.”[85]„Toch niet. Ik wenschte dat u nog een stap verder ging en mij in de gelegenheid steldeTE ZIEN.”„Zoo! Heb je betere bewijzen noodig? Hm! Ik geloof dat ik het begrijp.”„Dat geloof ik niet.”„Zal ik het u maar ronduit zeggen?”„’t Is onnoodig. Ik zie aan uw gezicht wat u bedoelt. Het schijnt dat ge u dikwijls vergist in de menschen.—Niets is minder waar dan dàt, en niets zal ooit minder waar kunnen zijn.”Al de beleedigde trots der fatsoenlijke vrouw sprak uit haar stem, haar trekken. Het was zóó onmiskenbaar, dat zelfs Christien Donker er door in verwarring raakte.Het was voor deze laatste een zeer gek geval. Weigeren was minder gemakkelijk dan het scheen, en van toestemmen zag zij het nut niet in.Wie weet of zij er niet meer uit zou krijgen, als ze zich bereid verklaarde om aan het verzoek te voldoen.„Nu,” zei ze, „het is onnoodig zoo’n hooge borst te zetten. U zoudt de eerste niet zijn en de laatste evenmin.”Louise verwaardigde zich niet er op te antwoorden.„Als u zoo gaarne ’t genoegen wilt smaken van zelf te zien, hoeveel meneer Van Velton van u houdt, dan wil ik u wel in de gelegenheid stellen. Kom a. s. Zaterdag.”„Dan gaat meneer Van Velton zijn partijtje maken.”„Jawel, dat weten we! Nu maar, kom Zaterdag gerust hier, dan kunt ge hem zien.”„Hoe laat?”„Tegen tien uren.”[86]„Ik dank u.”„U behoeft me niet te danken. Ik ben nu eenmaal zoo gek geweest om u te schrijven, en nu ik in het schuitje zit, dien ik wel mee te varen.”„Ik wensch u goeden avond.”„Dag!” zei Christien Donker kortaf.En ze was gekomen, en ze had gezien wat haar nominale echtgenoot bedoelde, als hij Zaterdagsavonds met eenige vrienden een partijtje ging maken.Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit volkomen was mislukt.Men hoorde van niets hoegenaamd.Van geen schandaal, van geen scheiding.Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo ’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook alles.Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar er begon zich voor haar een[87]macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat Van Velton gaf.Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar, zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor ’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van Velton op een goeden voet.In die phase was Hortense uit Europa gekomen.Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke spanning te heerschen.’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben haar eens te zien.Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis; nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes, want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een eind aan komen.„Hm!.… Louise.…” begon hij op een ochtend.„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.„Het betreft Hortense. Ze kan niet.… hier in huis blijven zitten.… ze moet voorgesteld worden.”„Ja, dat vind ik ook.”„Als je er dus niets tegen hebt.…”Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in[88]de oogen, dat hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon te gevoelen.„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent.Wijmoeten Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Hebikme aandieverplichting ooit onttrokken?”„Volstrekt niet.…”„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”„Dankje voor de openhartigheid.… ’t Is heel vleiend.…”„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan je ook niet schelen.Dat weet ik.”Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de rest laten rusten.„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”„Ja.”„Zal ik een lijstje opstellen?”„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje maken.”„O uitstekend.… het is niet.… Ik dacht niet dat je het gaarne deedt.”Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijkbêtekon zijn. Dat hij slecht[89]was,—ze wist niet beter of dat waren zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.Hortense vernam het nieuws metGleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding als een koningin, de galerij op en neer.Van Velton zag het, en het hinderde hem.Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze wist zich nog niet te kleeden!„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd door zijn lorgnet beschouwend.„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”„Wel ja, doe dat.”Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er in alle opzichten uit zag.Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men was zoowat begonnen met de naaste buren.In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen om niet te beven.Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij[90]zich in den laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton”for ever; dáár vond men hem nietbête, maar gold, integendeel, zijn oordeel als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijnsang froid.Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid grensde, had terug-gestooten.Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.De beste afleiding was Hortense.„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam werd ik ziek.”„U kon niet tegen de kou?”„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”[91]„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t zuiden van Frankrijk vertoeven.”„Hebt u nog gereisd?”„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise, als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer door Fournier met ijver hervat.Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.„Mevrouw.…” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton in het gesprek.„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over de warmte, de huizen, de koorts en al wat[92]verder tot de ingrediënten behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar vingers, was het hem vreemd te moede.„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg waren.„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu en dan eens te bezoeken.”„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt[93]niet alle heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven allen uitmuntte.Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd! Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere schoonheid.„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de kamers van zijn vrouw er uit zagen.„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”„Voorzichtig? Hoe zoo?”„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze van haar vader had geërfd.[94]„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”„Ik begrijp niet.…”„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”„Maar wat meent u dan toch?”„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te kennen te geven.”Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest. Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct haar ingaf: zij hield zich van den domme.Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te lossen.”„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n jongmensch het hof te maken.”„’nJongmensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een[95]meisje ’n beetje coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen ganjesachtig, ’t is ongepast.”Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen. Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar, Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke houding!In haar kamer huilde ze. Nu ja, hetwaswaar: zewasverliefd op Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar dáárom zoo grieven?Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die Hortense, dat schaap, permitteerde zich.… Het was meer dan bespottelijk!Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar toorn en verontwaardiging den teugel.Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd toegegeven aan haar liefde voor Fournier.[96]Als Hortense zich niet zoo druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze, over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid van ’t meisje tegenhem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid van hem tegen Hortense.… Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.Debaboestoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind. Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik ook!En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat houten schepsel, dieasperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; ophaarmanier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de dommetotokser niets van snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.De avond van het feest volgde spoedig.[97]Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense, die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en onaangename bejegening.Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t was alles even harmonisch en sierlijk.Van Velton zag het ook en zuchtte.Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal. De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en hetzelfde doel?Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard Fournier.Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid, zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was[98]hem zoo klaar als de dag; hoe hijcasu quozich daartegenover houden zou, wist hij niet precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.… Neen, dàt was onmogelijk.Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend de dames Van Velton in het oog.Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor depolonaisehad hij Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat depolonaisezou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij depolonaisemet haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van[99]de jonge dames, met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het heerlijk.„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te organiseeren, diemagnifiquezijn.”„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde stil.”„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot haar met dat zekersans gênevan den man, die weet, dat elk zijner woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met Louise Van der Linden.„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”„U hebt behalve depolonaisenog één wals.”’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den minsten strijd, vroeg:„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, hetwasteleurstelling, die nu op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik langer aan te twijfelen.Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.[100]Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel uitmaakte, wierp hijen passanteen blik in een der groote spiegels. Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte, de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van hartstochtelijke liefde.Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van een zekersans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste, en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat te wandelen.„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”„Men moet met weinig tevreden zijn.”„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te schijnen.”„Als je het niet bent,à qui la faute?”[101]„Wees niet hard voor me, Lou … mevrouw!”„Och, hoe flauw!”Zij lachte en keek hem aan.„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”„Mag ik?”„Hm.… Soms.”„Mag iknu?”„Neen, zeker niet. Foei,meneerFournier!”„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk een tantalisatie ’t voor me is?”Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in depolonaise.„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent immers de eenige niet?”Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als de dood, en met hetintuïtie-vermogender liefde had ze ineens begrepen.De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag[102]zitten op een der divans in de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.Ze schrikte er van.„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.„Je zit daar zoo geïsoleerd!”„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar vergeten.”„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een der dansers kwam haar afhalen.Toen wandelde hij verder op naar Louise.Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve even naar zijn dames kijken.Het was dezelfde stereotype vraag.„Amuseer je je nogal?”Maar het antwoord verschilde.„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”„Komaan, dat doet me genoegen.”Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht naar zijn hombertafeltje.Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten. Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij gaan, waar het[103]buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was nauwelijks aan den gang.„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.Juist toen ze daar kwam, zag ze Fournier en Louise op het schabelletje staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden, die naar den tuin voerden, afging.Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurendva-et-vientdien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het achtererf aangelegden tuin.„Herinnert ge udenavond?” vroeg Fournier haast fluisterend.Zij zuchtte diep.„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise?[104]Waarom heb je mij verworpen om naderhand te trouwen methem?”„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd verbitterd!”„Moet je het me nog verwijten? Ben ikniet gelukkig? Groote God, je kiest wel zachte woorden.”De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn lot berust hebben. Nukanik het niet, Louise.”„Er is niets aan te doen.”„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht, dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel. Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.[105]„Louise.…” zij hij verward en geheel onder den invloed.„Zwijg!” antwoordde zij bits.Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat. Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans, waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.„Ja,” zei ze kortaf.„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”„Och neen, het is niets.”Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen. Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe gekomen was.Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig, onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet begreep.Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen kon.In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde[106]ieder zijn eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van Hortense opviel.„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er komen zou van den kant van zijn vrouw.Maar er kwam niets.Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts een jaloezie was op losse gronden, dan wel of zebetoelhad gezien.Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest, en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding moest hebben belet.Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte. Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig ongenoegen[107]en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eensà fairete nemen.„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde: „.… je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort: „ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”Onverschillig haalde zij de schouders op.„Maak je er niet druk over; het is niets.”Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust. Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man, achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar haar trots kwam er tegen op, dat zij,zij, Louise Van der Linden, ook al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan, de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd parelen.Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen lag van Fournier en hem kuste!Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring,[108]die haar te machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik. Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na het begin van den eersten stap, de overhand.En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend gevaar. Alles liever, dan dat!Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de bijgebouwen deed vluchten.Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van Hortense.Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in de stilte van den nacht geen geluid maakte.Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.Hortense had het niet gehoord.Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t meisje voor haartoilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in wanorde half over de rugleuning van den[109]stoel, half over haar schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en ongracieus uitzag, had in haar voordeelce qu’on ne voit pas.Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote bekoorlijkheid aan gaf.Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op ’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”„Neen.”„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht[110]heb rekenschap te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”„Neen, dat geef ik niet toe.”„Waarom niet?”„Dat is mijn zaak!”„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa.…”„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn papa is een.…”„Nu?”Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het eenige, wat ik verzoek.”„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt, dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”Er volgde geen antwoord.„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,” ging Louise toornig voort.Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting was haar te sterk.„Mal wicht!” voer ze uit: „je bentJALOERSCH!”Zij had eensortieverwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.„Je moest je schamen, Hortense.”[111]Dat was te veel.„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een getrouwde vrouw?”„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan zou zelfsikme niet behoeven te schamen.”Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat. Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde confidenties wezen?Zij schudde met het hoofd van neen.„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de waarheid twijfelde zij niet meer.„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is nooit mijnamantgeweest, en hij zal het nimmer[112]worden; je moogt hem hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen, en dat deed ze ook.Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.’t Meisje, dacht hij, hadtinka’sen al verdroeg hij die in zijn jonge vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter, wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het niet verdragen.Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te goed voor zoo’n oudenviveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo den mond vol had van fatsoen endecorum! ’t Was walgelijk!Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton[113]het oirbaar zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te lezen over baar wispelturig gedrag.Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan bij zijnbureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de deur van ’t rasphuis.”„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”„Wat?”„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast. Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die.…”„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.„.… En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij.…”„Dat is geen misverstand.”Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon te schelden.„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”Zij zag hem met minachting aan.„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”Van Velton ontstelde.[114]„Wat zeg je daar?”„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur zette.”Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op schorren toon.„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in staat.…”Werktuiglijk hief hij de hand op. Al hetdecorumwas verdwenen. Het laagje vernis was geheel weg.De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en voornaam optreden, die hij was in de wereld.Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij zich los.„Jezultme zeggen wie je ten mijnen opzichtenonsens-praatjes op de mouw heeft gespeld.”„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang vermoedde: Louise wist er alles van![115]„Ga naar je kamer” zei hij ruw.„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den eenen kant naar den anderen te smijten.Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om overzulkezaken te spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben; maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt Indisch!Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan „onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk nog minder roemvol zou afloopen.Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te achten.In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar met bevende lippen wat er was voorgevallen.Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.[116]Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton[117]kwam. Hij zag er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed, en sprak geen woord.„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, alsikje wat vraag.”De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.„Nu.… nu.…” stotterde hij zoowat.„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten commando-toon, die bij het personeel bekend was.Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed, allertreurigst aan.„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal, dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt koud.”Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.
„Wel, hoe heb je het gehad vandaag?”
„Hartelijk nu juist niet. Aan tafel heeft zij ’n hatelijkheid gedebiteerd op uw positie.”
„Wat dan?”
Zij vertelde het hem, en hij lachte. Was het anders niet? Hij had direct gedacht aan zijn positie als echtgenoot.
„Zij schijnt een zeer pertinent en heerschzuchtig schepseltje te zijn, dat hier geducht den baas speelt.”
„Een vrouw moet meesteres in huis zijn, Stanse. Ik heb je mama ook ’t huishouden laten bestieren, zooals zij dat goed vond.”
„Maar onder de pantoffel zat u niet; dat weet ik wel zeker.”
„Ei?” vroeg hij met saamgetrokken wenkbrauwen. „En wie zegt je, dat ik er nu onder zit?”
„Dat zeg ik, pa. Aan alles kan ik het merken. Zij, uw tweede vrouw, bestuurt niet, maar regeert, en feitelijk hebt ge niets te zeggen. Dat kan zoo niet blijven, en daarom.…”
„En dáárom,” viel haar vader haar in de rede, „dáárom verzoek ik je om je volstrekt niet te bemoeien met de verhouding tusschen mij en je stiefmoeder. Ik moet je dat zeer ernstig verzoeken, Hortense! Het is mijn uitdrukkelijke wil. Je kunt in alles doen wat je goed vindt: uitgaan, bezoek ontvangen, over geld beschikken voor je toilet,—maar eens[80]en vooral: houd je dáár buiten. Dat zijn zaken, waarmee kinderen niets te maken hebben.”
Hij ging terug naar zijn kamer, terwijl Hortense met tranen in de oogen bleef zitten.
Wat kon haar ’t uitgaan schelen, of bezoek ontvangen? Wat gaf zij om nog meer toiletten, dan ze reeds had?
Dansen en laat uitblijven veroorloofden haar delicate gezondheid niet, en trotsch was ze wel, maar die gewone meisjes-ijdelheid en coquetterie waren haar volkomen vreemd.
’t Zou het ideaal van Hortense geweest zijn, om een stil, rustig leven te leiden in het mooie huis op ’t Koningsplein, en om daar alles te regelen en te doen uitvoeren naar haar zin. Het middel om daartoe te komen, nu eenmaal haar vader zoo onhebbelijk was geweest om te hertrouwen, bestond in een scheiding tusschen hem en die vrouw. Ze meende dat het gemakkelijk zou gaan, bij zulk een slechte verstandhouding en als de oude heer er krachtig toe wilde meewerken.
Maar dat wilde hij niet. Hij was ook al zooindolent. ’t Was om er den moed bij te laten zakken!
Louise wist er thans alles van.
Zij had den dag na de ontvangst van den anoniemen brief, het volgende geschreven aan de weduwe Donker:
„Mevrouw!U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.Uw Dw.L. Van Velton-V. d. Linden.”
„Mevrouw!
U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.
Uw Dw.L. Van Velton-V. d. Linden.”
[81]
Christien Donker moest er om lachen.
Zoo’n nest! zei ze bij zichzelve. „In mijn eigen belang!” O liefje, ik heb je vast en ik zal je nog wel beter vast krijgen. Maar jij zult bij mij komen, trotsch diertje, en ik niet bij jou.
In het gevoel harer macht niet verder nadenkend, schreef ze in dorso van ’t briefje van Louise:
„Als mevrouw Van Velton de weduwe Donker wenscht te spreken, dan zal zij van het Koningsplein naar gang.… dienen te komen.”
Eerst toen de bediende van Louise, die nog wel van een karretje gebruik maakte, geruimen tijd was vertrokken, bedacht Christien Donker, dat zij in haar drift een groote domheid had begaan.
Doch wat kon het haar ten slotte schelen! Zij had nu, meende ze, toch alle troefkaarten in handen, en ze zou die met het grootste genot openlijk uitspelen.
Natuurlijk trof Louise onmiddellijk de overeenkomst van het schrift. Zij haalde den anoniemen brief voor den dag en lei die naast het antwoord.
Er was geen twijfel mogelijk.
’t Waren dezelfde leelijke, onregelmatige, scheeve letters, met de ongeoefende hand gezet van iemand, die nooit ’t schrijven goed heeft geleerd.
Tevergeefs trachtte zij het raadsel op te lossen. Geen omstandigheden, van welken aard ook, waren in staat geweest haar tot een bezoek aan die vrouw te bewegen, maar dàt intrigeerde haar zoo ontzaglijk!
Dat mensch gaf zelf als het ware publiciteit aan de schande[82]harer dochter, lokte zelf een ontdekking uit, die alleen onaangename gevolgen voor haar kon hebben. Het ging boven het begrip van Louise.
Dadelijk liet ze inspannen.
Met de smalle lippen stijf opeen en de wenkbrauwen samengetrokken, zag Christien Donker het rijtuig haar erf oprijden.
Ze had zich in de voorgalerij eenigszins verdekt opgesteld, zóó, dat, als Louise binnenkwam, zij als het ware onverwacht voor haar stond. Ze gevoelde dat ze zenuwachtig was geworden en dat bestreed ze. Zij was in moeilijke omstandigheden altijd haar zenuwen den baas gebleven, en zou ze het nu dan niet tegenover „dat nest”?
Maar ze wist hoe „dat nest” wezen kon; ze wist hoe diep minachtend „dat nest” kon kijken, en welk een hoogen, ijskouden toon, die zelfs Christien Donker deconcerteerde, datzelfde „nest” kon aanslaan.
Daarom had ze op het effect gerekend.
Toen Louise de paar treden opstapte, die naar de voorgalerij voerden, zag zij rond of er niemand was. Er was niemand, blijkbaar,—maar zie, nauwelijks had ze een voet gezet in de voorgalerij of ze stond tegenover een vrouw van zekeren leeftijd, die met bijzondere snelheid van achter een pilaar scheen te komen en haar nu strak aanzag.
Louise nam haar kalmpjes op van ’t hoofd tot de voeten. Wat beteekende dat? Was het mensch gek?
„Bent u de weduwe Donker?” vroeg ze zeer bedaard.
’t Was voor Christien om uit haar vel te springen. Al het effect van dencoup de théâtrewas weg. Zij had er[83]op gerekend dat Louise haar zou herkennen, en dat ze, haar herkennend, den geheelen omvang van de verhouding zou begrijpen.
Christien Donkerkonniet gelooven, dat Louise zich harer zelfs niet meer herinnerde; zij stelde zich altijd op haar eigen standpunt en nooit op dat van een ander.
„A zoo! Wou mevrouw soms den schijn aannemen, alsof ze me niet kende?” zei ze op tergend beleefden toon.
En wederom monsterde Louise haar koel en bedaard met haar groote, zwarte oogen.
„Ik zou niet weten, mensch, waarom ik een schijn zou aannemen. Ik herinner me niet u ooit gezien te hebben.”
„Och kom? Wil je dat niet te binnen schieten? Zal ik uw memorie dan eens ’n handje helpen?”
„Wacht even,” zei Louise. „’t Gezicht was ik geheel vergeten, maar nu herinner ik me die dwaze stem.”
Die dwaze stem! Zij verbeeldde zich, dat ze van allerlei in den klank harer stem lag, dat zoo’n jong schepsel moest doen rillen en beven, maar dit „nest” ging alles langs de koude kleeren. Ze voelde, dat ze terrein kwijt was.
Maar Louise was zeer ernstig geworden.
„Zeker, nu herinner ik me. Je bent die vrouw, die in vroeger jaren onderhouden werd door papa.”
Het werd zeer eenvoudig gezegd. Zóó eenvoudig en zonder terughouding, dat Christien Donker ’t gevoel had, als kreeg ze een klinkenden klap in het gezicht.
„Zoo,” vervolgde mevrouw Van Velton spottend. „En nu vervult uw dochter dezelfde rol tegenover mijn man! Komaan!”
Daar lag het plan in duigen! Zooveel koele onverschilligheid[84]kon niet gehuicheld wezen. Dat was onmogeljjk. Er stak iets achter. Zou Louise misschien van de gelegenheid gebruik willen maken?.… Had ze wellicht zelf iets op haar geweten, en vond ze nu een geschikte gelegenheid om.… Christien Donker dacht niet verder na. Welzeker, dat moest het wezen.
„Waarom komt u hier?” vroeg ze.
„De eerste vraag is, geloof ik, aan mij. Waarom hebt u me dien brief geschreven?”
„Daar laat ik me niet over uit.”
Waarom zou ze het zeggen, nu het toch mislukt was?
„Goed, het kan mij ook niet schelen.”
„Nu, wat is uw antwoord? Als het u zoo onverschillig is; alsnietsu iets kan schelen, wat doet u dan hier in mijn huis.…”
„Bij manier van spreken.”
„Wat bedoelt u daarmee?”
„Och niets,” zei Louise. Ze keek eens rond en meenend dat Van Velton de huishuur en ’t meubilair betaalde, was haar dat „bij manier van spreken” ontsnapt. Ze voelde overigens weinig lust om met zoo’n wijf in noodeloozen woordentwist te treden.
„Ik heb u een verzoek te doen.”
„Een verzoek?”
„Zeker. Dat u me geschreven hebt, kunt u niet ontkennen, ’t Bewijs ligt in uw briefje van hedenochtend, ’t Is dus heel natuurlijk dat ik van uw vriendelijke waarschuwing gebruik maak.”
„Beschouw ’t maar als een vergissing.”[85]
„Toch niet. Ik wenschte dat u nog een stap verder ging en mij in de gelegenheid steldeTE ZIEN.”
„Zoo! Heb je betere bewijzen noodig? Hm! Ik geloof dat ik het begrijp.”
„Dat geloof ik niet.”
„Zal ik het u maar ronduit zeggen?”
„’t Is onnoodig. Ik zie aan uw gezicht wat u bedoelt. Het schijnt dat ge u dikwijls vergist in de menschen.—Niets is minder waar dan dàt, en niets zal ooit minder waar kunnen zijn.”
Al de beleedigde trots der fatsoenlijke vrouw sprak uit haar stem, haar trekken. Het was zóó onmiskenbaar, dat zelfs Christien Donker er door in verwarring raakte.
Het was voor deze laatste een zeer gek geval. Weigeren was minder gemakkelijk dan het scheen, en van toestemmen zag zij het nut niet in.
Wie weet of zij er niet meer uit zou krijgen, als ze zich bereid verklaarde om aan het verzoek te voldoen.
„Nu,” zei ze, „het is onnoodig zoo’n hooge borst te zetten. U zoudt de eerste niet zijn en de laatste evenmin.”
Louise verwaardigde zich niet er op te antwoorden.
„Als u zoo gaarne ’t genoegen wilt smaken van zelf te zien, hoeveel meneer Van Velton van u houdt, dan wil ik u wel in de gelegenheid stellen. Kom a. s. Zaterdag.”
„Dan gaat meneer Van Velton zijn partijtje maken.”
„Jawel, dat weten we! Nu maar, kom Zaterdag gerust hier, dan kunt ge hem zien.”
„Hoe laat?”
„Tegen tien uren.”[86]
„Ik dank u.”
„U behoeft me niet te danken. Ik ben nu eenmaal zoo gek geweest om u te schrijven, en nu ik in het schuitje zit, dien ik wel mee te varen.”
„Ik wensch u goeden avond.”
„Dag!” zei Christien Donker kortaf.
En ze was gekomen, en ze had gezien wat haar nominale echtgenoot bedoelde, als hij Zaterdagsavonds met eenige vrienden een partijtje ging maken.
Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.
Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit volkomen was mislukt.
Men hoorde van niets hoegenaamd.
Van geen schandaal, van geen scheiding.
Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo ’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook alles.
Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar er begon zich voor haar een[87]macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat Van Velton gaf.
Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.
Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar, zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor ’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van Velton op een goeden voet.
In die phase was Hortense uit Europa gekomen.
Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke spanning te heerschen.
’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.
Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben haar eens te zien.
Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis; nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes, want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een eind aan komen.
„Hm!.… Louise.…” begon hij op een ochtend.
„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.
„Het betreft Hortense. Ze kan niet.… hier in huis blijven zitten.… ze moet voorgesteld worden.”
„Ja, dat vind ik ook.”
„Als je er dus niets tegen hebt.…”
Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in[88]de oogen, dat hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon te gevoelen.
„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent.Wijmoeten Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Hebikme aandieverplichting ooit onttrokken?”
„Volstrekt niet.…”
„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”
„Dankje voor de openhartigheid.… ’t Is heel vleiend.…”
„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan je ook niet schelen.Dat weet ik.”
Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de rest laten rusten.
„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”
„Ja.”
„Zal ik een lijstje opstellen?”
„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje maken.”
„O uitstekend.… het is niet.… Ik dacht niet dat je het gaarne deedt.”
Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijkbêtekon zijn. Dat hij slecht[89]was,—ze wist niet beter of dat waren zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.
Hortense vernam het nieuws metGleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding als een koningin, de galerij op en neer.
Van Velton zag het, en het hinderde hem.
Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze wist zich nog niet te kleeden!
„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd door zijn lorgnet beschouwend.
„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”
„Wel ja, doe dat.”
Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er in alle opzichten uit zag.
Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.
Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men was zoowat begonnen met de naaste buren.
In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen om niet te beven.
Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.
Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij[90]zich in den laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.
Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton”for ever; dáár vond men hem nietbête, maar gold, integendeel, zijn oordeel als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijnsang froid.
Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.
Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid grensde, had terug-gestooten.
Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.
De beste afleiding was Hortense.
„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.
„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam werd ik ziek.”
„U kon niet tegen de kou?”
„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”
„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”[91]
„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t zuiden van Frankrijk vertoeven.”
„Hebt u nog gereisd?”
„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”
Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise, als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer door Fournier met ijver hervat.
Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.
„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.
„Mevrouw.…” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”
„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton in het gesprek.
„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”
„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”
’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over de warmte, de huizen, de koorts en al wat[92]verder tot de ingrediënten behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.
Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar vingers, was het hem vreemd te moede.
„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.
Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.
„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.
Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg waren.
„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.
„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu en dan eens te bezoeken.”
„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.
Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.
Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.
Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.
Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.
De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt[93]niet alle heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven allen uitmuntte.
Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.
Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd! Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.
Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere schoonheid.
„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”
’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de kamers van zijn vrouw er uit zagen.
„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”
„Voorzichtig? Hoe zoo?”
„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”
„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze van haar vader had geërfd.[94]
„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”
„Ik begrijp niet.…”
„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”
„Maar wat meent u dan toch?”
„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te kennen te geven.”
Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest. Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct haar ingaf: zij hield zich van den domme.
Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:
„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te lossen.”
„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n jongmensch het hof te maken.”
„’nJongmensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”
„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een[95]meisje ’n beetje coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen ganjesachtig, ’t is ongepast.”
Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen. Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar, Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke houding!
In haar kamer huilde ze. Nu ja, hetwaswaar: zewasverliefd op Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar dáárom zoo grieven?
Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die Hortense, dat schaap, permitteerde zich.… Het was meer dan bespottelijk!
Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar toorn en verontwaardiging den teugel.
Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.
Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd toegegeven aan haar liefde voor Fournier.[96]Als Hortense zich niet zoo druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze, over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid van ’t meisje tegenhem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid van hem tegen Hortense.… Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.
Debaboestoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind. Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik ook!
En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat houten schepsel, dieasperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; ophaarmanier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de dommetotokser niets van snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.
De avond van het feest volgde spoedig.[97]
Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense, die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en onaangename bejegening.
Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t was alles even harmonisch en sierlijk.
Van Velton zag het ook en zuchtte.
Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal. De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.
Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en hetzelfde doel?
Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard Fournier.
Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid, zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.
Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was[98]hem zoo klaar als de dag; hoe hijcasu quozich daartegenover houden zou, wist hij niet precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.
En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.… Neen, dàt was onmogelijk.
Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.
Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.
Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.
Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend de dames Van Velton in het oog.
Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor depolonaisehad hij Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat depolonaisezou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.
Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij depolonaisemet haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!
Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van[99]de jonge dames, met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het heerlijk.
„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”
„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te organiseeren, diemagnifiquezijn.”
„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde stil.”
„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot haar met dat zekersans gênevan den man, die weet, dat elk zijner woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met Louise Van der Linden.
„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”
„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”
„U hebt behalve depolonaisenog één wals.”
’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den minsten strijd, vroeg:
„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”
„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”
„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”
Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, hetwasteleurstelling, die nu op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik langer aan te twijfelen.
Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.[100]
Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.
Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel uitmaakte, wierp hijen passanteen blik in een der groote spiegels. Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte, de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van hartstochtelijke liefde.
Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van een zekersans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste, en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat te wandelen.
„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.
„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”
„Men moet met weinig tevreden zijn.”
„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te schijnen.”
„Als je het niet bent,à qui la faute?”[101]
„Wees niet hard voor me, Lou … mevrouw!”
„Och, hoe flauw!”
Zij lachte en keek hem aan.
„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”
„Mag ik?”
„Hm.… Soms.”
„Mag iknu?”
„Neen, zeker niet. Foei,meneerFournier!”
„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk een tantalisatie ’t voor me is?”
Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in depolonaise.
„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent immers de eenige niet?”
Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.
Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als de dood, en met hetintuïtie-vermogender liefde had ze ineens begrepen.
De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.
„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag[102]zitten op een der divans in de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.
Ze schrikte er van.
„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.
„Je zit daar zoo geïsoleerd!”
„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.
’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.
„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar vergeten.”
„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”
Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een der dansers kwam haar afhalen.
Toen wandelde hij verder op naar Louise.
Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve even naar zijn dames kijken.
Het was dezelfde stereotype vraag.
„Amuseer je je nogal?”
Maar het antwoord verschilde.
„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”
„Komaan, dat doet me genoegen.”
Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht naar zijn hombertafeltje.
Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten. Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij gaan, waar het[103]buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.
„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.
„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was nauwelijks aan den gang.
„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”
De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.
Juist toen ze daar kwam, zag ze Fournier en Louise op het schabelletje staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden, die naar den tuin voerden, afging.
Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurendva-et-vientdien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het achtererf aangelegden tuin.
„Herinnert ge udenavond?” vroeg Fournier haast fluisterend.
Zij zuchtte diep.
„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”
„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise?[104]Waarom heb je mij verworpen om naderhand te trouwen methem?”
„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”
„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd verbitterd!”
„Moet je het me nog verwijten? Ben ikniet gelukkig? Groote God, je kiest wel zachte woorden.”
De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.
„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn lot berust hebben. Nukanik het niet, Louise.”
„Er is niets aan te doen.”
„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht, dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel. Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.
Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.[105]
„Louise.…” zij hij verward en geheel onder den invloed.
„Zwijg!” antwoordde zij bits.
Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat. Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.
Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans, waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.
„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.
„Ja,” zei ze kortaf.
„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”
„Och neen, het is niets.”
Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen. Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe gekomen was.
Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig, onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet begreep.
Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen kon.
In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde[106]ieder zijn eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.
„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van Hortense opviel.
„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.
„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er komen zou van den kant van zijn vrouw.
Maar er kwam niets.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.
Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts een jaloezie was op losse gronden, dan wel of zebetoelhad gezien.
Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest, en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding moest hebben belet.
Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.
Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.
Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte. Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig ongenoegen[107]en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eensà fairete nemen.
„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde: „.… je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort: „ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”
Onverschillig haalde zij de schouders op.
„Maak je er niet druk over; het is niets.”
Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust. Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man, achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar haar trots kwam er tegen op, dat zij,zij, Louise Van der Linden, ook al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan, de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd parelen.
Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen lag van Fournier en hem kuste!
Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring,[108]die haar te machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik. Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na het begin van den eersten stap, de overhand.
En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend gevaar. Alles liever, dan dat!
Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de bijgebouwen deed vluchten.
Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van Hortense.
Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in de stilte van den nacht geen geluid maakte.
Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.
Hortense had het niet gehoord.
Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t meisje voor haartoilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in wanorde half over de rugleuning van den[109]stoel, half over haar schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.
Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.
En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en ongracieus uitzag, had in haar voordeelce qu’on ne voit pas.
Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote bekoorlijkheid aan gaf.
Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.
„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”
Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op ’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?
Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.
„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”
„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”
„Neen.”
„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht[110]heb rekenschap te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”
„Neen, dat geef ik niet toe.”
„Waarom niet?”
„Dat is mijn zaak!”
„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa.…”
„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn papa is een.…”
„Nu?”
Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.
„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het eenige, wat ik verzoek.”
„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt, dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”
Er volgde geen antwoord.
„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,” ging Louise toornig voort.
Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting was haar te sterk.
„Mal wicht!” voer ze uit: „je bentJALOERSCH!”
Zij had eensortieverwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.
„Je moest je schamen, Hortense.”[111]
Dat was te veel.
„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een getrouwde vrouw?”
„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan zou zelfsikme niet behoeven te schamen.”
Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.
„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”
Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat. Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde confidenties wezen?
Zij schudde met het hoofd van neen.
„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”
„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.
„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”
’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de waarheid twijfelde zij niet meer.
„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is nooit mijnamantgeweest, en hij zal het nimmer[112]worden; je moogt hem hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”
Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.
In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen, en dat deed ze ook.
Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.
’t Meisje, dacht hij, hadtinka’sen al verdroeg hij die in zijn jonge vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter, wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het niet verdragen.
Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te goed voor zoo’n oudenviveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo den mond vol had van fatsoen endecorum! ’t Was walgelijk!
Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton[113]het oirbaar zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te lezen over baar wispelturig gedrag.
Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan bij zijnbureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de deur van ’t rasphuis.”
„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”
„Wat?”
„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast. Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die.…”
„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.
„.… En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij.…”
„Dat is geen misverstand.”
Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon te schelden.
„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”
Zij zag hem met minachting aan.
„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”
Van Velton ontstelde.[114]
„Wat zeg je daar?”
„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur zette.”
Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.
„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op schorren toon.
„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”
„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in staat.…”
Werktuiglijk hief hij de hand op. Al hetdecorumwas verdwenen. Het laagje vernis was geheel weg.
De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en voornaam optreden, die hij was in de wereld.
Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.
Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij zich los.
„Jezultme zeggen wie je ten mijnen opzichtenonsens-praatjes op de mouw heeft gespeld.”
„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”
Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang vermoedde: Louise wist er alles van![115]
„Ga naar je kamer” zei hij ruw.
„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”
Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den eenen kant naar den anderen te smijten.
Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om overzulkezaken te spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben; maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt Indisch!
Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan „onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk nog minder roemvol zou afloopen.
Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te achten.
In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar met bevende lippen wat er was voorgevallen.
Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.[116]
Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”
„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”
Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.
Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.
Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.
Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton[117]kwam. Hij zag er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed, en sprak geen woord.
„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.
„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.
„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, alsikje wat vraag.”
De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.
„Nu.… nu.…” stotterde hij zoowat.
„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.
De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.
„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten commando-toon, die bij het personeel bekend was.
Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed, allertreurigst aan.
„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal, dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt koud.”
Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.