’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaalen train, overstelpte het meisje met attenties; zij was[118]vroolijk en geestig, en met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet bevreemdde.Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te worden uitgenoodigd.Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.Gewoonte is zoo’n tweede natuur!Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.„Bij een vriendin in de buurt.”„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”„Och ja.”Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond met een boodschap aan haar dochter.[119]In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geenexistentieop die wijze; maar wat moest hij doen?’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen. Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door; hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij huiswaarts.Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoonin spe. Die Fournier was er als het ware voor geknipt, meende hij.Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder geval zeer speet.Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan, maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen. Wat kon ze toch[120]onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was een uitmuntend idée.„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is geëngageerd?”„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”„Hoezoo?”„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd was.”„Zoo-o.”„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”„Och wat?.… Maar hebt u niets opgemerkt?”„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”„Nu, dat meende ik ook.”„Moeder en dochter; ’t is mooi!”„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend en me er alles van verteld.”Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van Velton had gediend enalleshad verteld,—dat was een buitenkansje, waarvan moest geprofiteerd worden!Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend, ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.[121]„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.„Wat dan?”„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu en zij en die Fournier.…”Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn vrouw aan.„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij ofikde zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”„O,ikzeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel, die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is gekomen.…”„Nu ja?”„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”„Och kom? En wat is het dan?”„Hijgaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van gelegenheden.”„En zij?”„Zij weet het met dien Fournier.”De heer Nedor begon te lachen.„De meid is gek.”[122]„Nu, geloof jij het maar niet.”„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”„Ikzal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag hetjoutoch wel vertellen!”„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was, en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten!La bonne fortunelag in een klein hoekje!Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t lokaal eener Vereeniging.„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend, „wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”„Hij moet elken avond.…” De heeren traden in onbeschrijfelijke bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd. Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s leeftijd!Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet zonder kranigheid,[123]dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijdle jeune hommete spelen en op avontuurtjes uit te gaan.Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel in deze booze wereld dat nietgoedwas, maar toch een zachtmoedige beoordeeling toeliet.De wereld wist zeer veel;meerdan zij, die rechtstreeks betrokken waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist” met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wistendietwee ook niet.Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen hem was.„Wat scheelt je?” vroeg hij.„Mij? Niets!”„Je bent zoo geretireerd.”„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als het zoo was.„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”„En dat is?”„Nu, houd je nu goed!”„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te komen.[124]„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter geëngageerd is.”„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”„Dus is het zoo?”„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was, dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd schrikkelijk voorbarig.”Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé binnen, gaf hem de hand en zei:„Amice, ik feliciteer je, hoor.”„Ik ben anders niet jarig!”„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de schouders op.„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van Velton bent geëngageerd.”„Met Hortense?”„Ja, met wie anders?”„Och, maar.… dat is onzin.”„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”„Er is niets van aan.”„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over ’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop[125]weder op te vatten. Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke gedragslijn te volgen.Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise eenbillet-douxte zenden en haar om eenrendez-vouste smeeken, maar telkens weer waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken gescheurd en verwezen naar de snippermand.En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!Natuurlijk zou hij gaan.Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van meer voortvarendheid, datzijgaf, vuurde hem aan.Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen[126]en laten iets van zou hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed.Alshet tot eenliaisonkwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van een ander.…Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”„Wat scheelt er aan?”„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”„Zoo. Nu, beterschap!”’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou voortspruiten.De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden van zijn gedachtenloop drong zij zich[127]op en maalde voor zijn geest de liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in de banden van het conventioneel goede. Het hielp.… voor een oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.Desiëstawilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.[128]„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel, dat vind ik goed.”Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging zitten.„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.„Wat zal ik er op antwoorden?”„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam discours te profiteeren.”Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”’t Was hem te veel.„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje.…” Hij tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij hield hem tegen met een gebaar.„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en.…”Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het op en neer gaan van haar boezem.[129]„En?” vroeg hij.„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.… dat ik het nog tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.„Kijk eens,” zei hij eindelijk op eencrayonwijzend, dat een Indisch landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam bij. Van wien is het?”Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche landschap verwaardigde zij met geen blik.„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde helder en de deur stond open.’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van poëzie lag over ’t decoratief van ditrendez-vous![130]Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk, en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor diepe gronden, doch met stille wateren.Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking, die haar gezicht aannam.„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water halen?”Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem ergunheimisch. Plotseling stond ze op, lei haar[131]beide handen op zijn schouders en zag hem strak in het gezicht.„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.„Jemoethet doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg jemoet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maardoehet, Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.Meester Gérard Fournier was volkomenau bout de son latin, hoe vlijtig hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien ochtend. Welk een idée!’t Was waar, dat nu dáárop hetrendez-vousuitdraaide, waarom hij den geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer[132]op en neer, in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.Maar ze kwam niet.Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om, tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis weer voor den geest kwam.Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met haar stiefmoeder, bracht eenéclatantnieuwtje mee van ’t partijtje, dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes stilzwijgend waren bijgelegd.Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten hoek van het zacht verlichte vertrek.„Wat zit u daar ongezellig.”[133]„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking niet had gehoord.„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde vertellen.”Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschengewendenhaar oogen aan het flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood waren en gezwollen.De nacht bracht kalmte.Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich om en was er aan gewoon geraakt hetobjectte zien zonder het te kunnen grijpen.[134]’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan. Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere portieroedjaqte vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir, nu en dan stilstaand enkoempoelanmakend om te overleggen hoe ze ’t best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch; men had er bij kunnen indommelen.Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke[135]wereldwijsheid te stemmen, die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken, die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en sprak een streng oordeel uit over allemariages de convenanceofde raison.Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed knarsen.’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar voren, ’t Was Van Velton zelf!Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op zijn kamers.„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz zei dat je ziek waart.”„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine[136]zaakjes, waarover ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”„Welzeker; met genoegen.”Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geenmimesmakende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.„Je woont hier wel aardig.”„Ja, dat gaat nogal.”„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders. Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door de wereld alshetcriterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag steken.Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een zegen zijn!”Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier[137]tikte de asch van zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Levenen garçonin Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie.… neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites” maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.… zich gruwelijk vervelen.”„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur en hun studie.”Dat laatste was iets waartegen Van Veltonnietskon inbrengen. Het andere „iets”.… ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn dictionnaire was geschrapt.Hij had er alle respect voor; hij sprak met onderscheiding van personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken, des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.[138]Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet veel aan.”„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer, wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een hel maakt.”’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een café-chantant.… en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een jongen man akelige ideeën.„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch komt over hen, die hier als celibatair leven?”Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd. Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat hem ’t bloed naar het hoofd steeg.[139]„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe hetvoormij! Verscheur dit. L.”Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze pas uit Europa kwam?”„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”[140]„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last van u met genoegen over te nemen.”Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg. Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier pretendenten zou zijn.Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer Zondagochtend-expeditie.Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep lagen.„Scheelt je iets?” vroeg hij.„Mij? Volstrekt niet.”[141]„Je ziet er zoo.… betrokken uit.”Zij haalde de schouders op.…„Wat komt er dàt op aan!”„Nu, ik breng goed nieuws mee.”„Zoo?”„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me gevraagd heeft?”„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voormijndochter. Dat spreekt vanzelf.”„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van een ander.”„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”„Neen.”„Vindt je haar chic?”„Ook niet.”„Of verstandig, of.…?”„Niets van dat alles, entochzou ze aanzoek hebben gehad, al was ze doodarm.”„Dat is me te hoog.”„Zij heeftiets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”Hij lachte.„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?”[142]Nu, het doet me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht gesnapt hebben.”„Omdat ze je dochter is.”„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn toestemming gegeven. Ik zal.…”„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”„Ik wist niet dat.… en dan.…”„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je moet niet vergeten, datikmevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik je.…”„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me verschuldigd bent. Je weet wel dat je eenbrutebent; dat je niet weet hoe ’t behoort, ondanks al jeairs.”„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”Zij liet hem staan en ging het huis binnen.Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel. Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs[143]zijn schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand, die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs gehad, maar dàt had haar geensoulageverschaft, want ze wist heel goed dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om ieders werk licht te doen zijn.Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar stiefmoeder binnenkwam.„Stoor ik je?” vroeg deze.„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet raden?”Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder hield, beefde.Uit het hoekje van een kleinechaise-longue, waarop zij had plaats genomen, bespiedde Louise het meisje.Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke meisje op die wijze verried,[144]betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui waren anders, meer demonstratief; maarà fondbleef het toch allemaal ’t zelfde.„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden naliet.Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij dechaise-longuestond.„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek over haar voorhoofd en zuchtte.„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd gesproken, zou haar ruw en onaangenaam[145]in de ooren hebben geklonken als in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met hem maakte?”Ze knikte van ja. Of ze het wist!„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd. Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook zoo’n gevoel hebben gehad?”„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets heeft gesproken.”„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was van de toestemming van papa.”„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel heerlijk gevonden.”Louise schudde het hoofd.„Ben je nu nog niet tevreden?”„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij mij had gevraagd en papa had geweigerd.…”„Wat dan?”„Dan had ik hem toch genomen.”[146]„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het moeite.”„Ik zou met hem gevlucht zijn.”Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.„Het is goeddat ik alleenzulke dingen hoor, Hortense.”„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in Holland had gehad!„Hortense, je weet niet wat je zegt.”„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid. Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook begrijpen.”Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.… zelfs niet tegen Fournier.”Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan religie „deed.”Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er een godsdienstmoestzijn, en als er een[147]dominee of een pastoor kwam met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel, of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Eenheiden, foei! En een begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook nimmer inzijnfamilie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf een stichtelijk woord was gesproken. Dat wasadat.Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan Fournier was niets bijzonders op te merken.De waarheid was, dat hij deflairhad gekregen van het „iets”, waarop Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor zichzelven om desoortvan genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar[148]’t scheen wel, dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie, lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn denkbeelden.Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig sieraad.Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.„Ze heeftnietsaan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden. „Het is alleen ijdelheid.”„Ze ziet er slecht uit.”„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”„Nu, dat is thans heel anders.”„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en de paarlen staan haar prachtig.”De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen jeugd en haar verdwenencharmesdaagden op voor haar geest. En dan het vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord![149]Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en verdwenen in de nevelen van den tijd.Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.De dames constateerden het niet zonderSchadenfreude: de heeren vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn genoegen.Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van Van Velton.En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel vertrok voor de andere gasten heengingen.[150]Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor Louise.’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij niet getrouwd was met dien Fournier!Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech. Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen, want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.… dat wil zeggen: alleen methem.Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was immers de man harer keuze.En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem; hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht, omdat hij het niet bezat.Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.[151]Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van Louise’s kamer.„Mag ik binnenkomen?”„Jawel!”Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld en dat had haar schromelijk doen vermageren.Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig vreugde betoonde als deze zelf.„Hoe gaat het?”„Zoo.”„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een maand of wat naar boven gaat.”„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”„’t Is toch zoo heilzaam.”„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op Java; daar krijg ik buikziekte door.”Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa! Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op zijn gezicht.„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan. Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”„Wel.… ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.….”„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het goed, maar nietnoodzakelijk, en raadde het[152]niet aan, omdat hij meende dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”„En wanneer zou je dan willen gaan?”„Hoe eer hoe liever.”Van Velton kreeg nog een idée.„Als je papa eens meeging?”„Dank-je.”Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat dokter Van der Linden bij zijn dochter.„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar kijken.„Het is vanochtend pas opgekomen.”„Ik heb een plan.”„En dat is?”„Ik ga mee.”„Dank u. Ik ga alleen.”„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet gediend zijn?”„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar hebt u me niet naar behandeld.”Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam hij zijn hoed en zei norsch:[153]„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis, was hij altijd goed voor haar geweest.Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed. Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat haar onaangenaam was.Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:„Louise, je hebt me gisteren.…” viel zij hem met een driftig gebaar in de rede.„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen. Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”Hij keek haar onderzoekend aan.Welk een vreemd schepseltje was zij toch!„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu met ons drieën.”Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker, ze had een goed en gezellighomegehad bij hem!Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds[154]in de achtergalerij, toen ze nog een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke, blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was, „kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”Met een zucht richtte zij zich op.„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs.…Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je meevallen.”Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al ’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat het gilde van pret.„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes aan.… en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.… dan krijgt hij ’n kleur als ’n perzik.…”Het scheen dat Van Velton de stoomvaartmaatschappij betooverd had, want ofschoon er op de eerst vertrekkende[155]bootgeenplaats was, slaagde hij er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig, dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel goed uit welke bron dat voortkwam.Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de toeschietelijkheid zelf, en toen hij met deTjiliwongterugvoer, wuifde hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had opgehouden, met zijn zakdoek.Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak stak, zich omkeerde en ging zitten.Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan uit het oog.„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.[156]„Hij is nog zóó jong.”„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”„Pardon, hij gaat alleen.”„Hm?”„Ik sprak over mijn zoontje.”„O.… dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”„Welke zaak?”„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”„Was mevrouw ziek?”„Ja.”
’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaalen train, overstelpte het meisje met attenties; zij was[118]vroolijk en geestig, en met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet bevreemdde.Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te worden uitgenoodigd.Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.Gewoonte is zoo’n tweede natuur!Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.„Bij een vriendin in de buurt.”„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”„Och ja.”Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond met een boodschap aan haar dochter.[119]In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geenexistentieop die wijze; maar wat moest hij doen?’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen. Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door; hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij huiswaarts.Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoonin spe. Die Fournier was er als het ware voor geknipt, meende hij.Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder geval zeer speet.Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan, maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen. Wat kon ze toch[120]onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was een uitmuntend idée.„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is geëngageerd?”„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”„Hoezoo?”„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd was.”„Zoo-o.”„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”„Och wat?.… Maar hebt u niets opgemerkt?”„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”„Nu, dat meende ik ook.”„Moeder en dochter; ’t is mooi!”„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend en me er alles van verteld.”Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van Velton had gediend enalleshad verteld,—dat was een buitenkansje, waarvan moest geprofiteerd worden!Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend, ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.[121]„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.„Wat dan?”„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu en zij en die Fournier.…”Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn vrouw aan.„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij ofikde zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”„O,ikzeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel, die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is gekomen.…”„Nu ja?”„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”„Och kom? En wat is het dan?”„Hijgaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van gelegenheden.”„En zij?”„Zij weet het met dien Fournier.”De heer Nedor begon te lachen.„De meid is gek.”[122]„Nu, geloof jij het maar niet.”„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”„Ikzal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag hetjoutoch wel vertellen!”„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was, en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten!La bonne fortunelag in een klein hoekje!Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t lokaal eener Vereeniging.„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend, „wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”„Hij moet elken avond.…” De heeren traden in onbeschrijfelijke bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd. Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s leeftijd!Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet zonder kranigheid,[123]dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijdle jeune hommete spelen en op avontuurtjes uit te gaan.Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel in deze booze wereld dat nietgoedwas, maar toch een zachtmoedige beoordeeling toeliet.De wereld wist zeer veel;meerdan zij, die rechtstreeks betrokken waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist” met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wistendietwee ook niet.Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen hem was.„Wat scheelt je?” vroeg hij.„Mij? Niets!”„Je bent zoo geretireerd.”„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als het zoo was.„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”„En dat is?”„Nu, houd je nu goed!”„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te komen.[124]„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter geëngageerd is.”„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”„Dus is het zoo?”„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was, dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd schrikkelijk voorbarig.”Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé binnen, gaf hem de hand en zei:„Amice, ik feliciteer je, hoor.”„Ik ben anders niet jarig!”„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de schouders op.„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van Velton bent geëngageerd.”„Met Hortense?”„Ja, met wie anders?”„Och, maar.… dat is onzin.”„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”„Er is niets van aan.”„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over ’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop[125]weder op te vatten. Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke gedragslijn te volgen.Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise eenbillet-douxte zenden en haar om eenrendez-vouste smeeken, maar telkens weer waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken gescheurd en verwezen naar de snippermand.En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!Natuurlijk zou hij gaan.Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van meer voortvarendheid, datzijgaf, vuurde hem aan.Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen[126]en laten iets van zou hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed.Alshet tot eenliaisonkwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van een ander.…Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”„Wat scheelt er aan?”„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”„Zoo. Nu, beterschap!”’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou voortspruiten.De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden van zijn gedachtenloop drong zij zich[127]op en maalde voor zijn geest de liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in de banden van het conventioneel goede. Het hielp.… voor een oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.Desiëstawilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.[128]„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel, dat vind ik goed.”Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging zitten.„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.„Wat zal ik er op antwoorden?”„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam discours te profiteeren.”Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”’t Was hem te veel.„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje.…” Hij tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij hield hem tegen met een gebaar.„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en.…”Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het op en neer gaan van haar boezem.[129]„En?” vroeg hij.„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.… dat ik het nog tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.„Kijk eens,” zei hij eindelijk op eencrayonwijzend, dat een Indisch landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam bij. Van wien is het?”Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche landschap verwaardigde zij met geen blik.„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde helder en de deur stond open.’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van poëzie lag over ’t decoratief van ditrendez-vous![130]Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk, en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor diepe gronden, doch met stille wateren.Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking, die haar gezicht aannam.„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water halen?”Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem ergunheimisch. Plotseling stond ze op, lei haar[131]beide handen op zijn schouders en zag hem strak in het gezicht.„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.„Jemoethet doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg jemoet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maardoehet, Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.Meester Gérard Fournier was volkomenau bout de son latin, hoe vlijtig hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien ochtend. Welk een idée!’t Was waar, dat nu dáárop hetrendez-vousuitdraaide, waarom hij den geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer[132]op en neer, in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.Maar ze kwam niet.Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om, tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis weer voor den geest kwam.Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met haar stiefmoeder, bracht eenéclatantnieuwtje mee van ’t partijtje, dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes stilzwijgend waren bijgelegd.Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten hoek van het zacht verlichte vertrek.„Wat zit u daar ongezellig.”[133]„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking niet had gehoord.„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde vertellen.”Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschengewendenhaar oogen aan het flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood waren en gezwollen.De nacht bracht kalmte.Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich om en was er aan gewoon geraakt hetobjectte zien zonder het te kunnen grijpen.[134]’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan. Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere portieroedjaqte vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir, nu en dan stilstaand enkoempoelanmakend om te overleggen hoe ze ’t best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch; men had er bij kunnen indommelen.Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke[135]wereldwijsheid te stemmen, die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken, die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en sprak een streng oordeel uit over allemariages de convenanceofde raison.Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed knarsen.’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar voren, ’t Was Van Velton zelf!Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op zijn kamers.„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz zei dat je ziek waart.”„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine[136]zaakjes, waarover ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”„Welzeker; met genoegen.”Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geenmimesmakende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.„Je woont hier wel aardig.”„Ja, dat gaat nogal.”„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders. Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door de wereld alshetcriterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag steken.Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een zegen zijn!”Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier[137]tikte de asch van zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Levenen garçonin Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie.… neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites” maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.… zich gruwelijk vervelen.”„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur en hun studie.”Dat laatste was iets waartegen Van Veltonnietskon inbrengen. Het andere „iets”.… ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn dictionnaire was geschrapt.Hij had er alle respect voor; hij sprak met onderscheiding van personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken, des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.[138]Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet veel aan.”„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer, wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een hel maakt.”’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een café-chantant.… en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een jongen man akelige ideeën.„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch komt over hen, die hier als celibatair leven?”Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd. Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat hem ’t bloed naar het hoofd steeg.[139]„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe hetvoormij! Verscheur dit. L.”Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze pas uit Europa kwam?”„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”[140]„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last van u met genoegen over te nemen.”Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg. Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier pretendenten zou zijn.Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer Zondagochtend-expeditie.Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep lagen.„Scheelt je iets?” vroeg hij.„Mij? Volstrekt niet.”[141]„Je ziet er zoo.… betrokken uit.”Zij haalde de schouders op.…„Wat komt er dàt op aan!”„Nu, ik breng goed nieuws mee.”„Zoo?”„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me gevraagd heeft?”„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voormijndochter. Dat spreekt vanzelf.”„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van een ander.”„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”„Neen.”„Vindt je haar chic?”„Ook niet.”„Of verstandig, of.…?”„Niets van dat alles, entochzou ze aanzoek hebben gehad, al was ze doodarm.”„Dat is me te hoog.”„Zij heeftiets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”Hij lachte.„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?”[142]Nu, het doet me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht gesnapt hebben.”„Omdat ze je dochter is.”„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn toestemming gegeven. Ik zal.…”„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”„Ik wist niet dat.… en dan.…”„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je moet niet vergeten, datikmevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik je.…”„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me verschuldigd bent. Je weet wel dat je eenbrutebent; dat je niet weet hoe ’t behoort, ondanks al jeairs.”„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”Zij liet hem staan en ging het huis binnen.Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel. Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs[143]zijn schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand, die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs gehad, maar dàt had haar geensoulageverschaft, want ze wist heel goed dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om ieders werk licht te doen zijn.Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar stiefmoeder binnenkwam.„Stoor ik je?” vroeg deze.„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet raden?”Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder hield, beefde.Uit het hoekje van een kleinechaise-longue, waarop zij had plaats genomen, bespiedde Louise het meisje.Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke meisje op die wijze verried,[144]betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui waren anders, meer demonstratief; maarà fondbleef het toch allemaal ’t zelfde.„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden naliet.Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij dechaise-longuestond.„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek over haar voorhoofd en zuchtte.„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd gesproken, zou haar ruw en onaangenaam[145]in de ooren hebben geklonken als in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met hem maakte?”Ze knikte van ja. Of ze het wist!„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd. Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook zoo’n gevoel hebben gehad?”„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets heeft gesproken.”„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was van de toestemming van papa.”„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel heerlijk gevonden.”Louise schudde het hoofd.„Ben je nu nog niet tevreden?”„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij mij had gevraagd en papa had geweigerd.…”„Wat dan?”„Dan had ik hem toch genomen.”[146]„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het moeite.”„Ik zou met hem gevlucht zijn.”Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.„Het is goeddat ik alleenzulke dingen hoor, Hortense.”„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in Holland had gehad!„Hortense, je weet niet wat je zegt.”„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid. Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook begrijpen.”Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.… zelfs niet tegen Fournier.”Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan religie „deed.”Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er een godsdienstmoestzijn, en als er een[147]dominee of een pastoor kwam met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel, of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Eenheiden, foei! En een begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook nimmer inzijnfamilie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf een stichtelijk woord was gesproken. Dat wasadat.Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan Fournier was niets bijzonders op te merken.De waarheid was, dat hij deflairhad gekregen van het „iets”, waarop Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor zichzelven om desoortvan genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar[148]’t scheen wel, dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie, lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn denkbeelden.Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig sieraad.Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.„Ze heeftnietsaan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden. „Het is alleen ijdelheid.”„Ze ziet er slecht uit.”„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”„Nu, dat is thans heel anders.”„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en de paarlen staan haar prachtig.”De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen jeugd en haar verdwenencharmesdaagden op voor haar geest. En dan het vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord![149]Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en verdwenen in de nevelen van den tijd.Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.De dames constateerden het niet zonderSchadenfreude: de heeren vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn genoegen.Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van Van Velton.En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel vertrok voor de andere gasten heengingen.[150]Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor Louise.’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij niet getrouwd was met dien Fournier!Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech. Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen, want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.… dat wil zeggen: alleen methem.Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was immers de man harer keuze.En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem; hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht, omdat hij het niet bezat.Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.[151]Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van Louise’s kamer.„Mag ik binnenkomen?”„Jawel!”Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld en dat had haar schromelijk doen vermageren.Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig vreugde betoonde als deze zelf.„Hoe gaat het?”„Zoo.”„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een maand of wat naar boven gaat.”„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”„’t Is toch zoo heilzaam.”„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op Java; daar krijg ik buikziekte door.”Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa! Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op zijn gezicht.„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan. Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”„Wel.… ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.….”„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het goed, maar nietnoodzakelijk, en raadde het[152]niet aan, omdat hij meende dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”„En wanneer zou je dan willen gaan?”„Hoe eer hoe liever.”Van Velton kreeg nog een idée.„Als je papa eens meeging?”„Dank-je.”Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat dokter Van der Linden bij zijn dochter.„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar kijken.„Het is vanochtend pas opgekomen.”„Ik heb een plan.”„En dat is?”„Ik ga mee.”„Dank u. Ik ga alleen.”„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet gediend zijn?”„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar hebt u me niet naar behandeld.”Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam hij zijn hoed en zei norsch:[153]„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis, was hij altijd goed voor haar geweest.Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed. Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat haar onaangenaam was.Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:„Louise, je hebt me gisteren.…” viel zij hem met een driftig gebaar in de rede.„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen. Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”Hij keek haar onderzoekend aan.Welk een vreemd schepseltje was zij toch!„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu met ons drieën.”Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker, ze had een goed en gezellighomegehad bij hem!Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds[154]in de achtergalerij, toen ze nog een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke, blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was, „kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”Met een zucht richtte zij zich op.„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs.…Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je meevallen.”Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al ’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat het gilde van pret.„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes aan.… en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.… dan krijgt hij ’n kleur als ’n perzik.…”Het scheen dat Van Velton de stoomvaartmaatschappij betooverd had, want ofschoon er op de eerst vertrekkende[155]bootgeenplaats was, slaagde hij er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig, dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel goed uit welke bron dat voortkwam.Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de toeschietelijkheid zelf, en toen hij met deTjiliwongterugvoer, wuifde hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had opgehouden, met zijn zakdoek.Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak stak, zich omkeerde en ging zitten.Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan uit het oog.„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.[156]„Hij is nog zóó jong.”„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”„Pardon, hij gaat alleen.”„Hm?”„Ik sprak over mijn zoontje.”„O.… dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”„Welke zaak?”„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”„Was mevrouw ziek?”„Ja.”
’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaalen train, overstelpte het meisje met attenties; zij was[118]vroolijk en geestig, en met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet bevreemdde.Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te worden uitgenoodigd.Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.Gewoonte is zoo’n tweede natuur!Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.„Bij een vriendin in de buurt.”„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”„Och ja.”Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond met een boodschap aan haar dochter.[119]In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geenexistentieop die wijze; maar wat moest hij doen?’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen. Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door; hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij huiswaarts.Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoonin spe. Die Fournier was er als het ware voor geknipt, meende hij.Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder geval zeer speet.Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan, maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen. Wat kon ze toch[120]onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was een uitmuntend idée.„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is geëngageerd?”„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”„Hoezoo?”„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd was.”„Zoo-o.”„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”„Och wat?.… Maar hebt u niets opgemerkt?”„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”„Nu, dat meende ik ook.”„Moeder en dochter; ’t is mooi!”„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend en me er alles van verteld.”Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van Velton had gediend enalleshad verteld,—dat was een buitenkansje, waarvan moest geprofiteerd worden!Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend, ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.[121]„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.„Wat dan?”„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”„Neen, dat wist ik niet.”„Nu en zij en die Fournier.…”Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn vrouw aan.„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij ofikde zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”„O,ikzeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel, die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is gekomen.…”„Nu ja?”„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”„Och kom? En wat is het dan?”„Hijgaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van gelegenheden.”„En zij?”„Zij weet het met dien Fournier.”De heer Nedor begon te lachen.„De meid is gek.”[122]„Nu, geloof jij het maar niet.”„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”„Ikzal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag hetjoutoch wel vertellen!”„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was, en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten!La bonne fortunelag in een klein hoekje!Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t lokaal eener Vereeniging.„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend, „wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”„Hij moet elken avond.…” De heeren traden in onbeschrijfelijke bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd. Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s leeftijd!Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet zonder kranigheid,[123]dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijdle jeune hommete spelen en op avontuurtjes uit te gaan.Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel in deze booze wereld dat nietgoedwas, maar toch een zachtmoedige beoordeeling toeliet.De wereld wist zeer veel;meerdan zij, die rechtstreeks betrokken waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist” met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wistendietwee ook niet.Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen hem was.„Wat scheelt je?” vroeg hij.„Mij? Niets!”„Je bent zoo geretireerd.”„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als het zoo was.„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”„En dat is?”„Nu, houd je nu goed!”„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te komen.[124]„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter geëngageerd is.”„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”„Dus is het zoo?”„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was, dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd schrikkelijk voorbarig.”Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé binnen, gaf hem de hand en zei:„Amice, ik feliciteer je, hoor.”„Ik ben anders niet jarig!”„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de schouders op.„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van Velton bent geëngageerd.”„Met Hortense?”„Ja, met wie anders?”„Och, maar.… dat is onzin.”„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”„Er is niets van aan.”„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over ’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop[125]weder op te vatten. Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke gedragslijn te volgen.Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise eenbillet-douxte zenden en haar om eenrendez-vouste smeeken, maar telkens weer waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken gescheurd en verwezen naar de snippermand.En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!Natuurlijk zou hij gaan.Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van meer voortvarendheid, datzijgaf, vuurde hem aan.Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen[126]en laten iets van zou hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed.Alshet tot eenliaisonkwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van een ander.…Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”„Wat scheelt er aan?”„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”„Zoo. Nu, beterschap!”’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou voortspruiten.De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden van zijn gedachtenloop drong zij zich[127]op en maalde voor zijn geest de liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in de banden van het conventioneel goede. Het hielp.… voor een oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.Desiëstawilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.[128]„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel, dat vind ik goed.”Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging zitten.„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.„Wat zal ik er op antwoorden?”„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam discours te profiteeren.”Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”’t Was hem te veel.„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje.…” Hij tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij hield hem tegen met een gebaar.„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en.…”Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het op en neer gaan van haar boezem.[129]„En?” vroeg hij.„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.… dat ik het nog tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.„Kijk eens,” zei hij eindelijk op eencrayonwijzend, dat een Indisch landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam bij. Van wien is het?”Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche landschap verwaardigde zij met geen blik.„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde helder en de deur stond open.’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van poëzie lag over ’t decoratief van ditrendez-vous![130]Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk, en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor diepe gronden, doch met stille wateren.Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking, die haar gezicht aannam.„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water halen?”Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem ergunheimisch. Plotseling stond ze op, lei haar[131]beide handen op zijn schouders en zag hem strak in het gezicht.„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.„Jemoethet doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg jemoet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maardoehet, Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.Meester Gérard Fournier was volkomenau bout de son latin, hoe vlijtig hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien ochtend. Welk een idée!’t Was waar, dat nu dáárop hetrendez-vousuitdraaide, waarom hij den geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer[132]op en neer, in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.Maar ze kwam niet.Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om, tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis weer voor den geest kwam.Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met haar stiefmoeder, bracht eenéclatantnieuwtje mee van ’t partijtje, dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes stilzwijgend waren bijgelegd.Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten hoek van het zacht verlichte vertrek.„Wat zit u daar ongezellig.”[133]„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking niet had gehoord.„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde vertellen.”Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschengewendenhaar oogen aan het flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood waren en gezwollen.De nacht bracht kalmte.Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich om en was er aan gewoon geraakt hetobjectte zien zonder het te kunnen grijpen.[134]’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan. Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere portieroedjaqte vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir, nu en dan stilstaand enkoempoelanmakend om te overleggen hoe ze ’t best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch; men had er bij kunnen indommelen.Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke[135]wereldwijsheid te stemmen, die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken, die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en sprak een streng oordeel uit over allemariages de convenanceofde raison.Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed knarsen.’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar voren, ’t Was Van Velton zelf!Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op zijn kamers.„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz zei dat je ziek waart.”„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine[136]zaakjes, waarover ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”„Welzeker; met genoegen.”Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geenmimesmakende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.„Je woont hier wel aardig.”„Ja, dat gaat nogal.”„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders. Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door de wereld alshetcriterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag steken.Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een zegen zijn!”Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier[137]tikte de asch van zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Levenen garçonin Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie.… neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites” maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.… zich gruwelijk vervelen.”„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur en hun studie.”Dat laatste was iets waartegen Van Veltonnietskon inbrengen. Het andere „iets”.… ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn dictionnaire was geschrapt.Hij had er alle respect voor; hij sprak met onderscheiding van personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken, des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.[138]Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet veel aan.”„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer, wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een hel maakt.”’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een café-chantant.… en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een jongen man akelige ideeën.„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch komt over hen, die hier als celibatair leven?”Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd. Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat hem ’t bloed naar het hoofd steeg.[139]„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe hetvoormij! Verscheur dit. L.”Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze pas uit Europa kwam?”„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”[140]„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last van u met genoegen over te nemen.”Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg. Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier pretendenten zou zijn.Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer Zondagochtend-expeditie.Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep lagen.„Scheelt je iets?” vroeg hij.„Mij? Volstrekt niet.”[141]„Je ziet er zoo.… betrokken uit.”Zij haalde de schouders op.…„Wat komt er dàt op aan!”„Nu, ik breng goed nieuws mee.”„Zoo?”„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me gevraagd heeft?”„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voormijndochter. Dat spreekt vanzelf.”„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van een ander.”„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”„Neen.”„Vindt je haar chic?”„Ook niet.”„Of verstandig, of.…?”„Niets van dat alles, entochzou ze aanzoek hebben gehad, al was ze doodarm.”„Dat is me te hoog.”„Zij heeftiets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”Hij lachte.„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?”[142]Nu, het doet me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht gesnapt hebben.”„Omdat ze je dochter is.”„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn toestemming gegeven. Ik zal.…”„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”„Ik wist niet dat.… en dan.…”„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je moet niet vergeten, datikmevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik je.…”„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me verschuldigd bent. Je weet wel dat je eenbrutebent; dat je niet weet hoe ’t behoort, ondanks al jeairs.”„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”Zij liet hem staan en ging het huis binnen.Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel. Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs[143]zijn schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand, die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs gehad, maar dàt had haar geensoulageverschaft, want ze wist heel goed dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om ieders werk licht te doen zijn.Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar stiefmoeder binnenkwam.„Stoor ik je?” vroeg deze.„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet raden?”Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder hield, beefde.Uit het hoekje van een kleinechaise-longue, waarop zij had plaats genomen, bespiedde Louise het meisje.Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke meisje op die wijze verried,[144]betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui waren anders, meer demonstratief; maarà fondbleef het toch allemaal ’t zelfde.„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden naliet.Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij dechaise-longuestond.„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek over haar voorhoofd en zuchtte.„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd gesproken, zou haar ruw en onaangenaam[145]in de ooren hebben geklonken als in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met hem maakte?”Ze knikte van ja. Of ze het wist!„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd. Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook zoo’n gevoel hebben gehad?”„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets heeft gesproken.”„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was van de toestemming van papa.”„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel heerlijk gevonden.”Louise schudde het hoofd.„Ben je nu nog niet tevreden?”„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij mij had gevraagd en papa had geweigerd.…”„Wat dan?”„Dan had ik hem toch genomen.”[146]„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het moeite.”„Ik zou met hem gevlucht zijn.”Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.„Het is goeddat ik alleenzulke dingen hoor, Hortense.”„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in Holland had gehad!„Hortense, je weet niet wat je zegt.”„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid. Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook begrijpen.”Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.… zelfs niet tegen Fournier.”Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan religie „deed.”Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er een godsdienstmoestzijn, en als er een[147]dominee of een pastoor kwam met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel, of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Eenheiden, foei! En een begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook nimmer inzijnfamilie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf een stichtelijk woord was gesproken. Dat wasadat.Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan Fournier was niets bijzonders op te merken.De waarheid was, dat hij deflairhad gekregen van het „iets”, waarop Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor zichzelven om desoortvan genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar[148]’t scheen wel, dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie, lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn denkbeelden.Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig sieraad.Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.„Ze heeftnietsaan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden. „Het is alleen ijdelheid.”„Ze ziet er slecht uit.”„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”„Nu, dat is thans heel anders.”„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en de paarlen staan haar prachtig.”De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen jeugd en haar verdwenencharmesdaagden op voor haar geest. En dan het vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord![149]Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en verdwenen in de nevelen van den tijd.Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.De dames constateerden het niet zonderSchadenfreude: de heeren vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn genoegen.Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van Van Velton.En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel vertrok voor de andere gasten heengingen.[150]Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor Louise.’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij niet getrouwd was met dien Fournier!Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech. Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen, want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.… dat wil zeggen: alleen methem.Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was immers de man harer keuze.En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem; hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht, omdat hij het niet bezat.Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.[151]Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van Louise’s kamer.„Mag ik binnenkomen?”„Jawel!”Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld en dat had haar schromelijk doen vermageren.Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig vreugde betoonde als deze zelf.„Hoe gaat het?”„Zoo.”„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een maand of wat naar boven gaat.”„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”„’t Is toch zoo heilzaam.”„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op Java; daar krijg ik buikziekte door.”Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa! Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op zijn gezicht.„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan. Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”„Wel.… ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.….”„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het goed, maar nietnoodzakelijk, en raadde het[152]niet aan, omdat hij meende dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”„En wanneer zou je dan willen gaan?”„Hoe eer hoe liever.”Van Velton kreeg nog een idée.„Als je papa eens meeging?”„Dank-je.”Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat dokter Van der Linden bij zijn dochter.„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar kijken.„Het is vanochtend pas opgekomen.”„Ik heb een plan.”„En dat is?”„Ik ga mee.”„Dank u. Ik ga alleen.”„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet gediend zijn?”„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar hebt u me niet naar behandeld.”Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam hij zijn hoed en zei norsch:[153]„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis, was hij altijd goed voor haar geweest.Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed. Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat haar onaangenaam was.Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:„Louise, je hebt me gisteren.…” viel zij hem met een driftig gebaar in de rede.„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen. Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”Hij keek haar onderzoekend aan.Welk een vreemd schepseltje was zij toch!„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu met ons drieën.”Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker, ze had een goed en gezellighomegehad bij hem!Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds[154]in de achtergalerij, toen ze nog een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke, blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was, „kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”Met een zucht richtte zij zich op.„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs.…Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je meevallen.”Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al ’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat het gilde van pret.„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes aan.… en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.… dan krijgt hij ’n kleur als ’n perzik.…”Het scheen dat Van Velton de stoomvaartmaatschappij betooverd had, want ofschoon er op de eerst vertrekkende[155]bootgeenplaats was, slaagde hij er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig, dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel goed uit welke bron dat voortkwam.Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de toeschietelijkheid zelf, en toen hij met deTjiliwongterugvoer, wuifde hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had opgehouden, met zijn zakdoek.Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak stak, zich omkeerde en ging zitten.Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan uit het oog.„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.[156]„Hij is nog zóó jong.”„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”„Pardon, hij gaat alleen.”„Hm?”„Ik sprak over mijn zoontje.”„O.… dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”„Welke zaak?”„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”„Was mevrouw ziek?”„Ja.”
’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaalen train, overstelpte het meisje met attenties; zij was[118]vroolijk en geestig, en met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.
Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.
Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet bevreemdde.
Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te worden uitgenoodigd.
Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.
Gewoonte is zoo’n tweede natuur!
Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.
„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.
„Bij een vriendin in de buurt.”
„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”
„Och ja.”
Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond met een boodschap aan haar dochter.[119]
In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.
’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geenexistentieop die wijze; maar wat moest hij doen?
’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.
Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen. Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door; hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij huiswaarts.
Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoonin spe. Die Fournier was er als het ware voor geknipt, meende hij.
Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder geval zeer speet.
Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan, maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen. Wat kon ze toch[120]onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was een uitmuntend idée.
„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is geëngageerd?”
„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”
„Hoezoo?”
„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd was.”
„Zoo-o.”
„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”
„Och wat?.… Maar hebt u niets opgemerkt?”
„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”
„Nu, dat meende ik ook.”
„Moeder en dochter; ’t is mooi!”
„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”
„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend en me er alles van verteld.”
Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.
Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van Velton had gediend enalleshad verteld,—dat was een buitenkansje, waarvan moest geprofiteerd worden!
Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend, ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.
Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.[121]
„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.
„Wat dan?”
„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”
„Neen, dat wist ik niet.”
„Nu en zij en die Fournier.…”
Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn vrouw aan.
„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij ofikde zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”
„O,ikzeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”
Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.
„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel, die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is gekomen.…”
„Nu ja?”
„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”
„Och kom? En wat is het dan?”
„Hijgaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van gelegenheden.”
„En zij?”
„Zij weet het met dien Fournier.”
De heer Nedor begon te lachen.
„De meid is gek.”[122]
„Nu, geloof jij het maar niet.”
„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”
„Ikzal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag hetjoutoch wel vertellen!”
„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”
Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was, en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten!La bonne fortunelag in een klein hoekje!
Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t lokaal eener Vereeniging.
„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend, „wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”
„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”
„Hij moet elken avond.…” De heeren traden in onbeschrijfelijke bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd. Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s leeftijd!
Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet zonder kranigheid,[123]dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijdle jeune hommete spelen en op avontuurtjes uit te gaan.
Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel in deze booze wereld dat nietgoedwas, maar toch een zachtmoedige beoordeeling toeliet.
De wereld wist zeer veel;meerdan zij, die rechtstreeks betrokken waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist” met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wistendietwee ook niet.
Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen hem was.
„Wat scheelt je?” vroeg hij.
„Mij? Niets!”
„Je bent zoo geretireerd.”
„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”
Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als het zoo was.
„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”
„En dat is?”
„Nu, houd je nu goed!”
„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”
Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te komen.[124]
„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter geëngageerd is.”
„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”
„Dus is het zoo?”
„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was, dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd schrikkelijk voorbarig.”
Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé binnen, gaf hem de hand en zei:
„Amice, ik feliciteer je, hoor.”
„Ik ben anders niet jarig!”
„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”
Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de schouders op.
„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”
„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van Velton bent geëngageerd.”
„Met Hortense?”
„Ja, met wie anders?”
„Och, maar.… dat is onzin.”
„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”
„Er is niets van aan.”
„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”
Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over ’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop[125]weder op te vatten. Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.
In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke gedragslijn te volgen.
Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.
Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise eenbillet-douxte zenden en haar om eenrendez-vouste smeeken, maar telkens weer waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken gescheurd en verwezen naar de snippermand.
En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!
Natuurlijk zou hij gaan.
Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van meer voortvarendheid, datzijgaf, vuurde hem aan.
Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen[126]en laten iets van zou hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed.Alshet tot eenliaisonkwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.
Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van een ander.…
Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.
„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”
„Wat scheelt er aan?”
„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”
„Zoo. Nu, beterschap!”
’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou voortspruiten.
De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden van zijn gedachtenloop drong zij zich[127]op en maalde voor zijn geest de liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in de banden van het conventioneel goede. Het hielp.… voor een oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.
Desiëstawilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.
Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.
Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.[128]
„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel, dat vind ik goed.”
Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging zitten.
„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.
Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.
„Wat zal ik er op antwoorden?”
„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”
„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”
„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam discours te profiteeren.”
Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.
„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”
’t Was hem te veel.
„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje.…” Hij tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij hield hem tegen met een gebaar.
„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en.…”
Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het op en neer gaan van haar boezem.[129]
„En?” vroeg hij.
„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.… dat ik het nog tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”
’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.
„Kijk eens,” zei hij eindelijk op eencrayonwijzend, dat een Indisch landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam bij. Van wien is het?”
Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche landschap verwaardigde zij met geen blik.
„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”
Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde helder en de deur stond open.
’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.
Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van poëzie lag over ’t decoratief van ditrendez-vous![130]
Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk, en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor diepe gronden, doch met stille wateren.
Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.
Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking, die haar gezicht aannam.
„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water halen?”
Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.
„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”
Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem ergunheimisch. Plotseling stond ze op, lei haar[131]beide handen op zijn schouders en zag hem strak in het gezicht.
„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”
„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.
„Jemoethet doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg jemoet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maardoehet, Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”
Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.
Meester Gérard Fournier was volkomenau bout de son latin, hoe vlijtig hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien ochtend. Welk een idée!
’t Was waar, dat nu dáárop hetrendez-vousuitdraaide, waarom hij den geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.
Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer[132]op en neer, in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.
Maar ze kwam niet.
Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om, tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.
’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis weer voor den geest kwam.
Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.
Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met haar stiefmoeder, bracht eenéclatantnieuwtje mee van ’t partijtje, dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes stilzwijgend waren bijgelegd.
Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten hoek van het zacht verlichte vertrek.
„Wat zit u daar ongezellig.”[133]
„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking niet had gehoord.
„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde vertellen.”
Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschengewendenhaar oogen aan het flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood waren en gezwollen.
De nacht bracht kalmte.
Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.
Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.
Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.
Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.
Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich om en was er aan gewoon geraakt hetobjectte zien zonder het te kunnen grijpen.[134]
’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan. Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere portieroedjaqte vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir, nu en dan stilstaand enkoempoelanmakend om te overleggen hoe ze ’t best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch; men had er bij kunnen indommelen.
Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke[135]wereldwijsheid te stemmen, die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.
Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken, die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en sprak een streng oordeel uit over allemariages de convenanceofde raison.
Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.
Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed knarsen.
’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.
Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar voren, ’t Was Van Velton zelf!
Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.
Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op zijn kamers.
„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz zei dat je ziek waart.”
„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”
„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine[136]zaakjes, waarover ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”
„Welzeker; met genoegen.”
Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geenmimesmakende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.
„Je woont hier wel aardig.”
„Ja, dat gaat nogal.”
„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”
„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”
„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”
Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders. Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door de wereld alshetcriterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag steken.
Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.
„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een zegen zijn!”
Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier[137]tikte de asch van zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.
„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Levenen garçonin Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”
„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie.… neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”
„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites” maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.… zich gruwelijk vervelen.”
„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur en hun studie.”
Dat laatste was iets waartegen Van Veltonnietskon inbrengen. Het andere „iets”.… ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn dictionnaire was geschrapt.
Hij had er alle respect voor; hij sprak met onderscheiding van personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken, des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.[138]
Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.
„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet veel aan.”
„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer, wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een hel maakt.”
’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een café-chantant.… en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een jongen man akelige ideeën.
„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch komt over hen, die hier als celibatair leven?”
Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd. Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat hem ’t bloed naar het hoofd steeg.[139]
„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.
Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe hetvoormij! Verscheur dit. L.”
Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.
Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:
„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”
„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze pas uit Europa kwam?”
„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”
„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”
„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”
Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.
„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”[140]
„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last van u met genoegen over te nemen.”
Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg. Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”
En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier pretendenten zou zijn.
Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer Zondagochtend-expeditie.
Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.
Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep lagen.
„Scheelt je iets?” vroeg hij.
„Mij? Volstrekt niet.”[141]
„Je ziet er zoo.… betrokken uit.”
Zij haalde de schouders op.…
„Wat komt er dàt op aan!”
„Nu, ik breng goed nieuws mee.”
„Zoo?”
„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me gevraagd heeft?”
„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”
„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.
„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”
„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voormijndochter. Dat spreekt vanzelf.”
„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van een ander.”
„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”
„Neen.”
„Vindt je haar chic?”
„Ook niet.”
„Of verstandig, of.…?”
„Niets van dat alles, entochzou ze aanzoek hebben gehad, al was ze doodarm.”
„Dat is me te hoog.”
„Zij heeftiets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”
Hij lachte.
„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?”[142]Nu, het doet me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht gesnapt hebben.”
„Omdat ze je dochter is.”
„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn toestemming gegeven. Ik zal.…”
„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”
„Ik wist niet dat.… en dan.…”
„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je moet niet vergeten, datikmevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”
„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik je.…”
„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me verschuldigd bent. Je weet wel dat je eenbrutebent; dat je niet weet hoe ’t behoort, ondanks al jeairs.”
„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”
„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”
Zij liet hem staan en ging het huis binnen.
Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel. Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs[143]zijn schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.
Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand, die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs gehad, maar dàt had haar geensoulageverschaft, want ze wist heel goed dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om ieders werk licht te doen zijn.
Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.
Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar stiefmoeder binnenkwam.
„Stoor ik je?” vroeg deze.
„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”
„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”
„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”
„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet raden?”
Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder hield, beefde.
Uit het hoekje van een kleinechaise-longue, waarop zij had plaats genomen, bespiedde Louise het meisje.
Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke meisje op die wijze verried,[144]betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui waren anders, meer demonstratief; maarà fondbleef het toch allemaal ’t zelfde.
„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden naliet.
Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.
„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”
Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij dechaise-longuestond.
„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”
„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”
Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek over haar voorhoofd en zuchtte.
„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”
Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.
In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd gesproken, zou haar ruw en onaangenaam[145]in de ooren hebben geklonken als in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.
„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met hem maakte?”
Ze knikte van ja. Of ze het wist!
„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd. Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook zoo’n gevoel hebben gehad?”
„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”
„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets heeft gesproken.”
„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was van de toestemming van papa.”
„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel heerlijk gevonden.”
Louise schudde het hoofd.
„Ben je nu nog niet tevreden?”
„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij mij had gevraagd en papa had geweigerd.…”
„Wat dan?”
„Dan had ik hem toch genomen.”[146]
„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het moeite.”
„Ik zou met hem gevlucht zijn.”
Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.
„Het is goeddat ik alleenzulke dingen hoor, Hortense.”
„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”
Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in Holland had gehad!
„Hortense, je weet niet wat je zegt.”
„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid. Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook begrijpen.”
Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.
„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.… zelfs niet tegen Fournier.”
Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan religie „deed.”
Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er een godsdienstmoestzijn, en als er een[147]dominee of een pastoor kwam met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel, of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Eenheiden, foei! En een begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook nimmer inzijnfamilie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf een stichtelijk woord was gesproken. Dat wasadat.
Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.
Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan Fournier was niets bijzonders op te merken.
De waarheid was, dat hij deflairhad gekregen van het „iets”, waarop Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor zichzelven om desoortvan genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.
Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar[148]’t scheen wel, dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie, lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn denkbeelden.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig sieraad.
Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.
„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.
„Ze heeftnietsaan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden. „Het is alleen ijdelheid.”
„Ze ziet er slecht uit.”
„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”
„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”
„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”
„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”
„Nu, dat is thans heel anders.”
„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en de paarlen staan haar prachtig.”
De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen jeugd en haar verdwenencharmesdaagden op voor haar geest. En dan het vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord![149]
Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en verdwenen in de nevelen van den tijd.
Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.
De dames constateerden het niet zonderSchadenfreude: de heeren vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.
Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn genoegen.
Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van Van Velton.
En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel vertrok voor de andere gasten heengingen.[150]
Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor Louise.
’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.
Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij niet getrouwd was met dien Fournier!
Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech. Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen, want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.… dat wil zeggen: alleen methem.
Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was immers de man harer keuze.
En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem; hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht, omdat hij het niet bezat.
Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.[151]
Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van Louise’s kamer.
„Mag ik binnenkomen?”
„Jawel!”
Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld en dat had haar schromelijk doen vermageren.
Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig vreugde betoonde als deze zelf.
„Hoe gaat het?”
„Zoo.”
„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een maand of wat naar boven gaat.”
„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”
„’t Is toch zoo heilzaam.”
„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op Java; daar krijg ik buikziekte door.”
Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa! Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op zijn gezicht.
„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan. Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”
„Wel.… ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.….”
„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het goed, maar nietnoodzakelijk, en raadde het[152]niet aan, omdat hij meende dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”
„En wanneer zou je dan willen gaan?”
„Hoe eer hoe liever.”
Van Velton kreeg nog een idée.
„Als je papa eens meeging?”
„Dank-je.”
Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat dokter Van der Linden bij zijn dochter.
„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”
Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar kijken.
„Het is vanochtend pas opgekomen.”
„Ik heb een plan.”
„En dat is?”
„Ik ga mee.”
„Dank u. Ik ga alleen.”
„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet gediend zijn?”
„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar hebt u me niet naar behandeld.”
Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam hij zijn hoed en zei norsch:[153]
„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”
Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.
Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis, was hij altijd goed voor haar geweest.
Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed. Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat haar onaangenaam was.
Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:
„Louise, je hebt me gisteren.…” viel zij hem met een driftig gebaar in de rede.
„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen. Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”
Hij keek haar onderzoekend aan.
Welk een vreemd schepseltje was zij toch!
„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu met ons drieën.”
Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker, ze had een goed en gezellighomegehad bij hem!
Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds[154]in de achtergalerij, toen ze nog een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.
Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke, blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.
„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was, „kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”
Met een zucht richtte zij zich op.
„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”
„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs.…Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je meevallen.”
Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al ’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.
Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat het gilde van pret.
„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes aan.… en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.… dan krijgt hij ’n kleur als ’n perzik.…”
Het scheen dat Van Velton de stoomvaartmaatschappij betooverd had, want ofschoon er op de eerst vertrekkende[155]bootgeenplaats was, slaagde hij er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.
Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig, dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel goed uit welke bron dat voortkwam.
Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.
Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.
Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de toeschietelijkheid zelf, en toen hij met deTjiliwongterugvoer, wuifde hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had opgehouden, met zijn zakdoek.
Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak stak, zich omkeerde en ging zitten.
Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!
Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan uit het oog.
„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”
„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.[156]
„Hij is nog zóó jong.”
„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”
„Pardon, hij gaat alleen.”
„Hm?”
„Ik sprak over mijn zoontje.”
„O.… dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”
„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”
„Welke zaak?”
„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”
„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”
„Was mevrouw ziek?”
„Ja.”