Chapter 7

„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel. Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een opvoeding in Holland.”„Neen zeker niet.”„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: hetmoet; het is in zijn eigen belang. Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een scène van belang zijn geweest.”„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort, terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de kinderen.”Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar Europa had geëxpediëerd, en daar[157]kwam nu die man hem aan de ooren leuteren over dien kwajongen!„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn vadersmart.„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst sprak?”De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende over zaken, bereikte Van Velton den Boom.Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn heerlijk verlaten huis.Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer, alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde bijwerken.Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn. Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige[158]gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat hij verkoos.Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken! Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie elken dag te zien!Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder onverschillig zou toonen.Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken, en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid te kennen gaf.Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan boord.„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van dien leelijken kerel!”„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóóbosènvan!”De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen invloed uit.[159]’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween, en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving. Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven, de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar gezondheid terugkeerde.Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en de bedienden vlogen voor haar.Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze bijzonder beleefd en gedienstig waren voor[160]de echtgenooten van heeren, die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen mannen; maar dat begrepen ze niet.Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die menschen?Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen. Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie welgevallen.Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje chocolade te slorpen.„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er bepaald slecht uit, en nu.…”„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen. „Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het hoofd warm gemaakt.”„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs, mevrouwtje.”„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van ziek,” meende de luitenant.[161]„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei, dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen was, uitgeput, ’t Was meestbitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf, en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling in.„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik zie niet, dat er ook nu iets van komt.”„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”[162]„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten,watzoo’n jonge man daar toch wel inschreef.In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet, en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette. Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”„Ronduit gezegd, ja.”„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”„Heb je er wel eens een gelezen?”„Nooit anders dan in boeken.”„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers maar zelf.”[163]„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen schrijver is.”„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek iswaar, en daarom is het me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt dagboek te schrijven.”„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor, „ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen inliet.Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan, met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.„Mag ik meewandelen, dames?”„Welzeker.”„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de wacht, op en neer geloopen met twee dames.”Men lachte.„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van Velton?”[164]„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek.…”„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.… „Ga verder.” .… „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men maar zelden tegen anderen.”Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier, die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig zijn partij en maakte grappen mee.Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende geluiden van den stoomer.Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.„Wie is daar?”„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”[165]„Wie is het dan?”„Ik.… mevrouw Van Stralen.”Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.„Ik heb het!”Louise keek haar verwonderd aan.„Wat bedoelt u?”„Wel, het dagboek van Van Hoven.”„Heeft hij het u toch gegeven?”„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders niet. En hij zal er niets van te weten komen.”Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht, dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd, alle waarborgen opleverde tegen brand.Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek[166]geopend op haar knieën en las bij het flauwe schijnsel van het licht.Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!.… De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets hoegenaamd.Februari 16.Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen. Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn, want die doet ook de reis mee.De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van de boot is, voor zooveel mogelijk, eengentleman, en geen oude schipper naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi weer.Februari 18.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kolonel heet Van Stralen en is eenjolly old fellow, dien ik ondanks zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa[167]alle dienstmeisjes na te loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel zich de oogen blind kijkt.…Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een vragenden blik.„’t Is onbeschaamd.”„Hij schrijft van u geen kwaad.”„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.… Een luitenant!”Louise lachte.„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan niet op aan?”„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit doen.”„En wat denkt u te doen?”„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam naloopen.…”„Is er dan geen goede verhouding bij u.… Ik dacht toch.…”„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel jaren. Hij maakt, ’t is waar,alledames het hof en daarom is er geen kwaad bij.”Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was, dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad.[168]Hij kan het niet nalaten. Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur, glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”Zij lachten samen op gesmoorden toon.Februari 20.Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon.…„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.[169]„Er staat niets meer in.”„Laat me eens zien!”„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel meer.… Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman, die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”„Och.… zoo.…!”„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij soms den Rubicon mocht willen overtrekken.… Adieu, ik ga ’t boek weer op zijn plaats laten leggen.”De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht geschoven.Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.Het was alsof zij in een andere wereld leefde.Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen dan ze ooit zou hebben voorondersteld.Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.… ze zou voor alle schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.[170]Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren kreeg.De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere losse voorwerpen in beweging.Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoosakit keraswas. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat weldra in heviger geluiden overging.Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers. Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten.[171]’t Was zwaar weer geworden, heel onverwacht; vangevaarwas echter geen quaestie, ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun laatste uur was geslagen.Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op verminderd.Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden, retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche lucht te scheppen.[172]Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar achter en vice-versa.Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling naar het rusteloos spel der golven.Toen eenige dagen later het gezelschap weer compleet was en met de zee de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat Louise liep.„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een haast ongepaste manier het hof maakt?”„Nou ja!”„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en injouwbijzijn.”„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar steekt niets in.”De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de dokter, wanneer mevrouw Van Stralen[173]hem zoo iets zei, waar hij, kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens de dames; dat wist hij bij ervaring.„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine vertrekje binnentraden.„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.„Het betreft uw dochter.”„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”„Volstrekt niet.”„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”„Ik ook.”„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”[174]„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de waarschijnlijkheid.”„En ik zeg u dat ook die groot is.”„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”„Welnu, dan zie ik ook niet in.…”„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten, drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met degewoneliefde niets gemeen.”„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank u.”„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”„Wel neen, zeker niet.”Zij vond het toch wel een beetje gek.Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water, terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had[175]gegrepen, lag half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig notitie te nemen.De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht. Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde, en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij, maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met die „harmonie”; ’t was wèl zoo.„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.De luitenant kreeg een kleur.„O.… niets.…” zei hij.„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’tà proposmet een blik.„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen .…”Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin, die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest, lag hem op de lippen; maar de dokter viel hemsans complimentsin de rede.„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het heerlijk.”[176]De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”„U steekt er den gek mee!”„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken.…”„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.„.… Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken, of wàt was het eigenlijk?„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”„Hoezoo?”Dat was nu ook een vraag! dacht hij.„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van niemand anders zou hebben verdragen.”„Van niemand anders dan van.…?”„Uw vader.”[177]„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in een Franschen roman.”Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.„Waarom zou ik ’t zijn?”„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg ook, en als.…”„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel: als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken elkaar.”„Mag ik?”Hij was eenpartner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde doen.[178]„Wat?”„Mij aan uw voeten werpen.”Haar gezicht betrok.„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in staat wezen.„Nu dan?”„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden gegrift.Zij leefden als duifjes.Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd, maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.Hij had inderdaadgeleerdvan haar te houden. Zij was goed, lief en aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat[179]afleiding te verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen kwam eten.Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bijhemkwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden; hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het paardenvolk.Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven voortduren!Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat vond hij aardig.Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen; de lasten zijn voor den vader en de moeder.Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.„Neen.… Zij schrijft zelden.”„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet[180]schrijft,” meende Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje gemaakt door Italië.”„Ja, dat hebt u me al verteld.”„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te zetten naar Parijs.”„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”„Vermoedelijk.”„En amuseeren ze zich nogal?”„Daarvan schrijft ze geen woord.”Men zweeg.’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel Europa door.”Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad met njootje op den arm.[181]„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek hield.„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”„Ja, zoo dom ben je.”Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”„Hoe niet?”„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich niet wilde laten foppen, dan meende hij hetbetoel, maar dan was er van haar kant ook geen sprake van gekscheren.„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang.…”„Bent u niet bang?”„Natuurlijk niet.”„Nu,ikben het wèl. Ik weet niet wat het is.…”„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.… ik zou haast zeggen aan het onbeschaamde grenst.”„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ikvrees, dat zoo iets mezou kunnen overkomen, nu[182]noemt u me onbeschaamd.… Hoe denkt u over uzelven, pa?”De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn kleinkind om de ooren wilde slaan.„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe de mannen over het algemeen zijn.A fondzijn het cynische wezens, die hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank drinken, en ze vervallen tot.…”„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat jebangwaart. Nu,datvind ik verschrikkelijk.”„Ja.… ik ook.… maar het is toch zoo.”Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk zien aan zijn gezicht.„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen lust toe, en u bent het ook niet waard.”„Maar dat is een grofheid, die.…”„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen[183]mijzelve en ik heb overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds.…”„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”„Soedah, het was ernstig.”„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld en het speet me toen.”Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:„Het spijt me nog.”„Spijtendoet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo weinig gescheeld.…”„Wat?”„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan een schoonvader.”„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”„Dat hebikgedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is zij ten minste gelukkig.”Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat datis, weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de fabel.”[184]„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen overdenman maar rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke pessimistische praatjes overdenman gehoord. Een arme drommel mag zich weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei, je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”Zij streek peinzend haar golvend haar weg.„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft, ja?”„Niets liever.”Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms misnoegd aan.Daarom betoomde hij zijn ijver.Wel volgden zijn oogen het mooie vrouwtje ’t grootste deel van den dag, maar hijzelf stond niet meer zoo vaak met haar te praten en hij hield zich zelfs van de geheele club verwijderd.De „club” zag het, en ’t was een geschikt onderwerp voor fluisterend uitgesproken praatjes, die weldra ook de andere passagiers bereikten.En wat die daarin een genoegen smaakten!’t Was immers een onderwerp van gesprek, en men begon daar, nu de reis ten einde liep, bitter verlegen om te raken.[185]Louise zag genoeg om te bespeuren dat zij besproken werd.„U moest me wat minder met uw aandacht vereeren,” zei ze tot haar vader. „Het loopt zoo in het oog en de menschen spreken er over.”Hij wilde verwondering veinzen, maar bedacht zich.„Ben je dan niet meer bang?”Zij lachte.„Neen, pa. Ik begreep wel dat hetdatwas. Ga maar gerust een partijtje schaken met den commandant. Het is komiek. Ik heb u nog nooit in zoo’n zorgvolle rol gezien als de laatste dagen.”„Spot maar niet,” bromde de dokter. „Je hebt me ongerust gemaakt met je praatjes.”Ze gaf hem een kus, met tranen in haar oogen, en daarna een zachten klap op zijn gezicht.„Je bent erg mal, pa.”Met dat al dankte dokter Van der Linden den hemel toen ze te Napels waren. Hij roerde het onderwerp niet meer aan, maar zeker van zijn zaak was hij niet.Och, het was geen zedigheid die hem beheerschte. Volstrekt niet. Hij had geen vooroordeelen en was goedhartig genoeg om aan elk mensch te gunnen, wat, menschelijker wijze gesproken, hem of haar toekwam.Het eenige was: de wereld.Diemoest men ontzien;danhield men zijn fatsoen. Nadat hij zijn bewaking van Louise had gestaakt, was er weer toenadering geweest tusschen de jonge vrouw en den zee-officier, en.… „die blikskatersche zeelui,” dacht de dokter, „vertrouw ik niet verder dan ik ze zie.”[186]Hoe dan ook, hij voedde twijfel. Er waren briefjes gewisseld, dat wist hij vrij zeker, en het kon heel goed zijn dat er meer was gebeurd, zonder dat hij ’t wist.Goddank, daar was Napels!Als men maar eenmaal voet aan wal had, dan was alles gedaan, meende hij, en dan kon hij geruster zijn.Daar strekte zich het prachtig donker groen omlijst panorama uit. De passagiers waren verrukt, voor zoover ze gezond waren. Iedereen had het druk met pakken; iedereen sprak over de schoone vroolijke stad, die zoovelen verrukte, maar nog nooit iemand er toe had gebracht het „Voir Naples et puis mourir” in de practijk toe te passen.„Waar gaan we logeeren?” vroeg Louise.Haar vader keek haar wantrouwend aan.„Dat weet ik nog niet.”Dezelfde vraag werd hem gedaan door den kolonel en anderen, maar de dokter antwoordde ontwijkend, en toen Van Hoven het vroeg werd hij nurksch.Dokter Van der Linden had zijn plan, dat hij in alle stilte wilde doorvoeren.Aan den wal nam hij een gids en sprak zacht met hem. Hun koffers werden op een impériale geladen en men reed weg. In plaats van voor een hotel, hield men stil voor een spoorwegstation.Louise stapte uit en keek verbaasd rond.„Wat beteekent dat?” vroeg ze bleek en met vast opeengedrukte lippen.„Niets. We moeten een klein eindje sporen om aan ons hotel te komen.”[187]„Zijn er dan dichtbij geen goede hotels?”„Neen.”Een half uur verliep.„Ik vraag u nog eens, pa,” fluisterde zij hem woedend in het oor, „watmoet dat beduiden?”„Alleen, dat we op weg zijn naar Rome. ’t Is nog zoowat zes uren sporens.”„Dat is schandelijk, dat is gemeen.”„Hm?”„Ik ga dadelijk terug.”„Dat doe je niet, Louise. Napels kan je altijd nog zien. We hebben tijd en geld genoeg om er desverkiezende drie maanden te vertoeven.”„Maar ik begrijp volstrekt niet, pa, waarom u zoo’n willekeurigen en onaangenamen maatregel hebt genomen. Het komt niet te pas. Ik ben geen kind dat men meeneemt, waarheen men wil. Het lijkt wel of we van boord zijn gevlucht!”„Dat zijn we ook.”„Zijn we gevlucht?”„Ik ten minste.”„Maar waarom?”„Louise,” zei hij met deftigen ernst: „ik was bang.”Zij wendde het hoofd af en keek zwijgend naar de schrale boomgaarden en slecht onderhouden groentetuinen, die ze voorbijstoomden. Haar boezem zwoegde heftig onder het eenvoudig grijzen reiskleedje dat ze droeg. Njootje sliep op den schoot van de baboe, die in haar schoenen, welke ze voor het eerst droeg, zat te transpireeren van de pijn.[188]Dokter Van der Linden las ijverig in een Baedeker, dien hij zich voor zijn vertrek uit Indië had aangeschaft.Na een half uurtje vroeg hij uiterst vriendelijk zijn dochter of ze niets wilde gebruiken. Zij schudde van neen met het hoofd.Een beetje later werd de kleine jongen wakker en begon dadelijk te dwingen om bij den dokter te komen, maar deze weerde het kind voor ’t eerst van zijn leven en met een bloedend hart vrij ruw af.Louise keek op alsof ze uit een droom ontwaakte en nam ’t kind op haar schoot.Wat scheelde haar vader? Was hij gek geworden? Zij wilde hem nu niets vragen, maar te Rome was zij het die de conversatie begon, met de opmerking, dat dit smerige spelonk onmogelijk de „stad der steden” wezen kon.„Je kunt er nog niets van zeggen, Louise. Ik heb Rome vroeger gezien, en bij den eersten aanblik dacht ik er net over als jij. Later werd dat beter en leerde ik het schoone waardeeren.”„Het is mogelijk,” antwoordde ze verstrooid. „Ik zal blij wezen als we onder dak zijn.”Een half uur later strekten ze hun vermoeide leden met welgevallen uit in een ruim bed, dat op vasten bodem stond. Och, dat is voor landrotten zoo’n zaligheid na een lange zeereis!Zij bereisden Italië. Dokter Van der Linden zag met vreugde dat zijn dochter de Koninklijke Nederlandsche Marine uit haar hoofd had gezet en zijn critische, geoefende blik bespeurde geen verschijnselen van gestoorde gemoedsrust.[189]Van Hoven zelf was na twee dagen toevens en vruchteloos informeerend naar het verblijf van mevrouw Van Velton,teroesdoor naar Holland gespoord; zijn geld was op;c’est tout dire.Te Weenen amuseerde men zich uitstekend, en ze zouden er langer zijn gebleven, als de menschen, waarmee ze kennis maakten, er niet zoo bijzonder lief waren geweest; zóó lief, dat zelfs de K. N. M. er niet bij kon vergeleken worden, en dat maakte den dokter weer bevreesd.Daarom gingen zij op zijn voorstel naar Parijs, dat voor Louise veel aantrekkelijks had, doch aan haar hoog gespannen verwachtingen niet geheel beantwoordde.Zij vond het al te druk en de dokter was dat volkomen met haar eens.In Holland beviel het hun ook niet. De weinige bloedverwanten der Van der Linden’s waren stijve, saaie lieden in hun oogen, en daarbij bekrompen en krenterig. Maar zij kwamen heel dikwijls te visite en dronken gaarne des dokters lekkere sherry, rookten met genoegen zijn havana’s, accepteerden zeer gaarne de cadeautjes van Louise, ook voor hun vrouwen en kinderen; maar nooit dacht een hunner er aan de familie uit Indië eenige andere attentie te bewijzen dan door van haar voor onbepaalden tijd geld te leenen.Dit harteloos egoïsme stuitte vooral Louise tegen de borst. Zij had wel een geschenk van duizend gulden willen geven aan hem of haar, die uit vrije beweging haar kind een pop van een rijksdaalder had geschonken.Maar dat gebeurde niet; de „goede” lieden dachten er niet aan. Indië mocht niets kosten. Integendeel. Zóó luidt de[190]Nederlandsche traditie, en dat besef is volkomen ingevleescht.Van der Linden waagde een onderstelling.„Als we eens te Brussel gingen wonen?”„Is het daar aardig?”„Zeker. Trouwens je bent er zelf geweest.”„Een dag, doortrekkende. Dat is niet genoeg om te oordeelen. Ik bedoel ’t voortdurend verblijf.”„Ja, ’t is een lieve stad. Het is een afschaduwing van Parijsche chic, maar dat wordt getemperd door den aard van het volk. Brussel heeft iets huiselijks, en daar houden wij Hollanders van, ook al zijn we lang in Indië geweest.”„Mij is het goed.”„Erg prettig schijn je het idée niet te vinden.”„Toch wel. Al ware het alleen om verlost te wezen van onze nare familie.”Terwijl zij in Holland deze plannen maakten, zat Van Velton op zijn kantoor aan de kali-besar te Batavia.Het was Zondag-ochtend.In geen jaren was het gebeurd dat hij des Zondags werkte, maar dien ochtend was het geweest alsof hij werd gejaagd naar zijn kantoor.Loopende zaken deed hij niet. Één voor één opende hij de kastjes van zijn lessenaar, haalde er den inhoud uit, keek dien door en scheurde de grootste helft der brieven en nota’s aan snippers. Na deze soort van auto-da-fé ging hij weer huiswaarts en deed daar hetzelfde in zijn kantoor.Hij was zenuwachtig en gejaagd.Een hoogst onaangenaam gevoel had zich reeds den geheelen[191]nacht van hem meestergemaakt. Nu en dan had hij geslapen, maar telkens was hij weer wakker geworden en gevoelde zich diep ellendig. Hij ging op zijn bed liggen, sluimerde in, doch werd na een paar minuten weer wakker met snijdende pijn in de ingewanden.De kleur van zijn huid was vaal; zijn oogen en zijn geheele lichaam schenen ingezonken. Toen de dokter kwam en hem aanzag, bespeurde hij in een oogwenk wat het was. Dadelijk werden er geneesmiddelen gehaald en was voorloopig aangewend wat dienstig wezen kon.Ook zond de dokter om Fournier en Hortense, die hun vrees overwonnen en kwamen.Van Velton was zich, ondanks de ondraaglijke pijnen en het hevig verloop der ziekte, volkomen bewust van zijn toestand. Hij verbood uitdrukkelijk zijn dochter of zijn schoonzoon toe te laten.Tusschen duim en wijsvinger der rechterhand nam hij de bovenhuid van zijn linkerhand, kneep die zacht in een plooi en liet toen los. De plooi bleef staan; alle veerkracht scheen uit de huid verdwenen.Hij keek den dokter ernstig aan.„Het is uit, nietwaar?”„Men kan niet weten.”„Maak mij niets wijs; het is gedaan.”In de voorgalerij zat Hortense bitter te weenen. Fournier liep in zenuwachtige onrust heen en weer; de bedienden slopen rond met verschrikte gezichten. Niets stoorde de doodelijke stilte in het groote huis dan nu en dan Hortense’s gesmoord snikken.[192]De portière voor de binnendeur was dichtgeschoven; ze werd zacht geopend.„Meneer Fournier, wil u even hier komen, asjeblieft?”„Wel?” vroeg de advocaat zeer bleek en ontsteld.„Hij is dood. Ik condoleer u.”Fournier boog het hoofd. Het was toch vreeselijk! Dat is de dood op zoo’n wijze altijd.Het was voor Louise Van Velton niet noodig lang te tobben over de vraag of ze al dan niet te Brussel zou gaan wonen. De dokter had het terecht gezegd: zij hadden tijd en geld; dat was het voornaamste. Het speet de familiezeer, volgens haar zeggen, en dokter Van der Linden werd aangezocht, wel niet rechtstreeks, maar toch erg duidelijk zijdelings, om een afscheidspartij te geven; licht dat men er dat nog van had!Het was er zeer geanimeerd. Louise was in haar humeur; ’t vooruitzicht van weg te gaan uit Holland streelde haar.Te midden van het fijn soupeetje, dat dokter Van der Linden ’s morgens met een glimlach tegen Louise had doen zeggen dat het ’t galgenmaal was zijner familieleden, werd hard gescheld, en een oogenblik later kwam er een telegram van een Amsterdamsch handelshuis aan den dokter.„Volgens telegrammen uit Indië is heer Van Velton eergisteren plotseling overleden. Firma verzocht u te seinen.”De oude heer verbleekte en zag zwijgend in het rond. Natuurlijk waren aller oogen op hem gevestigd. Zoo’n telegram was een évènement.„Wat is het?” vroeg Louise.[193]Hij bedacht zich een oogenblik.„Niets. ’t Heeft niets te beduiden,” zei hij geruststellend, en vouwde langzaam het telegram dicht, waarna hij het in den zak stak.Toen ’s avonds laat de gasten naar huis waren, vroeg Louise, die wel gezien had dat er iets niet in den haak was:„Vertel me eens pa, wat stond er in het telegram?”„Hm! Als Van Velton iets overkwam, zou je het je dan erg aantrekken?”„Iets overkwam? Wat kan hem overkomen?”„Wel, drommels, hij is geen buitengewoon schepsel, en staat ook bloot aan allerlei; aan ziekte.… enzoovoort.”„Ziekte.…” Een oogenblik keek ze weifelend en in afwachting van wat er volgen zou, rond.„Is hij dood?”„Ja.”„Goddank!”De dokter fronste de wenkbrauwen. Hij was nog eenigszins een man van vormen en vond dat Louise, al meende zij het zoo, het niet zóó had moeten zeggen. Het was hem te kras.„Foei,” zei hij streng. „Je moest je schamen.”„Waarover?”„Je moest begrijpen, dat je eenverlieslijdt. Al hieldt ge niet van Van Velton,—hij was toch je wettige man.…”„Tot mijn leedwezena peu près?”„Hè?”„Hij keek nooit om naar ’t kind; hij haatte het. Wat beduidt zoo’n vader?”„Veel. Een vader beduidt altijd veel, omdat hij de natuurlijke[194]beschermer is zijner kinderen en hun een positie geeft in de maatschappij.”Zij barstte in een zenuwachtig lachen los, dat lang aanhield en den dokter eenigszins ongerust maakte.Daarna richtte ze zich fier op en nog met tranen van het lachen in de groote zwarte oogen, zei ze op haar stelligsten toon:„Een vader kan veel zijn voor een kind, maar ook letterlijkniets, en zelfs minder. Ik lach wat om die „natuurlijke bescherming.” In dat opzicht kan geen vader een moeder evenaren als zij de vrije hand heeft. Een vrouw laat alles na om haar kind en offert er alles voor op. Het scheelt een man wat of hij kinderen heeft of niet! O, ik zeg dat niet voor hen die moeten zwoegen en werken voor hun huisgezin, maar daarvan is geen quaestie bij ons. Ik heb zelf geld en ik zou mijn kind opvoeding en positie beiden kunnen geven, ook al had het geen duit van vaders zijde.”„Niet waar, Louise; ’t is niet waar! Doch ik wil er niet verder over twisten. Ik ben ook blij dat ge van dien hatelijken band ontslagen zijt; maar voor de wereld moeten we hetdecorumbewaren. Ik zal een advertentie opmaken.”„Waarschijnlijk met: „mijn geliefde echtgenoot” er in, en mijn kind, „dat te jong is om zijn verlies te beseffen.… Ik waarschuw u, papa, doe het niet.”„Wieslief, het behoort zoo. Wees nu eens kalm en verstandig.”„Ik wil zoo verstandig niet wezen, pa. Als u het durft te doen, dan plaats ik een contra-annonce.”„Dus zou je schandaal maken?”„Neen, dat zoudt u met zoo’n gemeen huichelachtig ding. Ik moet er niet van hooren, pa. Wilt u ook misschien een[195]zwarten band om uw hoed gaan dragen? Zullen we niet rouwen, pa? Zullen we niet voor kleinen njo ’n zwart pakje laten komen en dan met ons drieën gaan paradeeren langs den weg als de treurende familie, die asjeblieft de aandacht vraagt van het publiek voor haar uitgemonsterde smart? Zullen we niet.…”„Louise, maak je toch niet zoo verschrikkelijk zenuwachtig.”

„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel. Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een opvoeding in Holland.”„Neen zeker niet.”„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: hetmoet; het is in zijn eigen belang. Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een scène van belang zijn geweest.”„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort, terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de kinderen.”Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar Europa had geëxpediëerd, en daar[157]kwam nu die man hem aan de ooren leuteren over dien kwajongen!„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn vadersmart.„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst sprak?”De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende over zaken, bereikte Van Velton den Boom.Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn heerlijk verlaten huis.Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer, alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde bijwerken.Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn. Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige[158]gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat hij verkoos.Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken! Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie elken dag te zien!Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder onverschillig zou toonen.Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken, en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid te kennen gaf.Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan boord.„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van dien leelijken kerel!”„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóóbosènvan!”De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen invloed uit.[159]’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween, en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving. Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven, de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar gezondheid terugkeerde.Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en de bedienden vlogen voor haar.Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze bijzonder beleefd en gedienstig waren voor[160]de echtgenooten van heeren, die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen mannen; maar dat begrepen ze niet.Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die menschen?Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen. Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie welgevallen.Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje chocolade te slorpen.„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er bepaald slecht uit, en nu.…”„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen. „Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het hoofd warm gemaakt.”„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs, mevrouwtje.”„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van ziek,” meende de luitenant.[161]„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei, dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen was, uitgeput, ’t Was meestbitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf, en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling in.„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik zie niet, dat er ook nu iets van komt.”„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”[162]„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten,watzoo’n jonge man daar toch wel inschreef.In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet, en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette. Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”„Ronduit gezegd, ja.”„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”„Heb je er wel eens een gelezen?”„Nooit anders dan in boeken.”„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers maar zelf.”[163]„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen schrijver is.”„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek iswaar, en daarom is het me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt dagboek te schrijven.”„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor, „ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen inliet.Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan, met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.„Mag ik meewandelen, dames?”„Welzeker.”„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de wacht, op en neer geloopen met twee dames.”Men lachte.„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van Velton?”[164]„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek.…”„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.… „Ga verder.” .… „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men maar zelden tegen anderen.”Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier, die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig zijn partij en maakte grappen mee.Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende geluiden van den stoomer.Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.„Wie is daar?”„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”[165]„Wie is het dan?”„Ik.… mevrouw Van Stralen.”Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.„Ik heb het!”Louise keek haar verwonderd aan.„Wat bedoelt u?”„Wel, het dagboek van Van Hoven.”„Heeft hij het u toch gegeven?”„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders niet. En hij zal er niets van te weten komen.”Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht, dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd, alle waarborgen opleverde tegen brand.Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek[166]geopend op haar knieën en las bij het flauwe schijnsel van het licht.Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!.… De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets hoegenaamd.Februari 16.Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen. Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn, want die doet ook de reis mee.De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van de boot is, voor zooveel mogelijk, eengentleman, en geen oude schipper naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi weer.Februari 18.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kolonel heet Van Stralen en is eenjolly old fellow, dien ik ondanks zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa[167]alle dienstmeisjes na te loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel zich de oogen blind kijkt.…Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een vragenden blik.„’t Is onbeschaamd.”„Hij schrijft van u geen kwaad.”„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.… Een luitenant!”Louise lachte.„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan niet op aan?”„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit doen.”„En wat denkt u te doen?”„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam naloopen.…”„Is er dan geen goede verhouding bij u.… Ik dacht toch.…”„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel jaren. Hij maakt, ’t is waar,alledames het hof en daarom is er geen kwaad bij.”Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was, dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad.[168]Hij kan het niet nalaten. Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur, glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”Zij lachten samen op gesmoorden toon.Februari 20.Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon.…„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.[169]„Er staat niets meer in.”„Laat me eens zien!”„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel meer.… Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman, die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”„Och.… zoo.…!”„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij soms den Rubicon mocht willen overtrekken.… Adieu, ik ga ’t boek weer op zijn plaats laten leggen.”De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht geschoven.Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.Het was alsof zij in een andere wereld leefde.Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen dan ze ooit zou hebben voorondersteld.Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.… ze zou voor alle schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.[170]Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren kreeg.De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere losse voorwerpen in beweging.Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoosakit keraswas. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat weldra in heviger geluiden overging.Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers. Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten.[171]’t Was zwaar weer geworden, heel onverwacht; vangevaarwas echter geen quaestie, ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun laatste uur was geslagen.Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op verminderd.Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden, retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche lucht te scheppen.[172]Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar achter en vice-versa.Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling naar het rusteloos spel der golven.Toen eenige dagen later het gezelschap weer compleet was en met de zee de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat Louise liep.„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een haast ongepaste manier het hof maakt?”„Nou ja!”„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en injouwbijzijn.”„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar steekt niets in.”De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de dokter, wanneer mevrouw Van Stralen[173]hem zoo iets zei, waar hij, kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens de dames; dat wist hij bij ervaring.„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine vertrekje binnentraden.„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.„Het betreft uw dochter.”„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”„Volstrekt niet.”„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”„Ik ook.”„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”[174]„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de waarschijnlijkheid.”„En ik zeg u dat ook die groot is.”„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”„Welnu, dan zie ik ook niet in.…”„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten, drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met degewoneliefde niets gemeen.”„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank u.”„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”„Wel neen, zeker niet.”Zij vond het toch wel een beetje gek.Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water, terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had[175]gegrepen, lag half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig notitie te nemen.De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht. Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde, en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij, maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met die „harmonie”; ’t was wèl zoo.„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.De luitenant kreeg een kleur.„O.… niets.…” zei hij.„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’tà proposmet een blik.„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen .…”Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin, die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest, lag hem op de lippen; maar de dokter viel hemsans complimentsin de rede.„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het heerlijk.”[176]De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”„U steekt er den gek mee!”„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken.…”„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.„.… Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken, of wàt was het eigenlijk?„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”„Hoezoo?”Dat was nu ook een vraag! dacht hij.„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van niemand anders zou hebben verdragen.”„Van niemand anders dan van.…?”„Uw vader.”[177]„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in een Franschen roman.”Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.„Waarom zou ik ’t zijn?”„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg ook, en als.…”„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel: als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken elkaar.”„Mag ik?”Hij was eenpartner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde doen.[178]„Wat?”„Mij aan uw voeten werpen.”Haar gezicht betrok.„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in staat wezen.„Nu dan?”„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden gegrift.Zij leefden als duifjes.Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd, maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.Hij had inderdaadgeleerdvan haar te houden. Zij was goed, lief en aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat[179]afleiding te verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen kwam eten.Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bijhemkwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden; hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het paardenvolk.Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven voortduren!Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat vond hij aardig.Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen; de lasten zijn voor den vader en de moeder.Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.„Neen.… Zij schrijft zelden.”„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet[180]schrijft,” meende Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje gemaakt door Italië.”„Ja, dat hebt u me al verteld.”„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te zetten naar Parijs.”„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”„Vermoedelijk.”„En amuseeren ze zich nogal?”„Daarvan schrijft ze geen woord.”Men zweeg.’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel Europa door.”Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad met njootje op den arm.[181]„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek hield.„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”„Ja, zoo dom ben je.”Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”„Hoe niet?”„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich niet wilde laten foppen, dan meende hij hetbetoel, maar dan was er van haar kant ook geen sprake van gekscheren.„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang.…”„Bent u niet bang?”„Natuurlijk niet.”„Nu,ikben het wèl. Ik weet niet wat het is.…”„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.… ik zou haast zeggen aan het onbeschaamde grenst.”„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ikvrees, dat zoo iets mezou kunnen overkomen, nu[182]noemt u me onbeschaamd.… Hoe denkt u over uzelven, pa?”De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn kleinkind om de ooren wilde slaan.„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe de mannen over het algemeen zijn.A fondzijn het cynische wezens, die hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank drinken, en ze vervallen tot.…”„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat jebangwaart. Nu,datvind ik verschrikkelijk.”„Ja.… ik ook.… maar het is toch zoo.”Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk zien aan zijn gezicht.„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen lust toe, en u bent het ook niet waard.”„Maar dat is een grofheid, die.…”„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen[183]mijzelve en ik heb overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds.…”„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”„Soedah, het was ernstig.”„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld en het speet me toen.”Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:„Het spijt me nog.”„Spijtendoet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo weinig gescheeld.…”„Wat?”„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan een schoonvader.”„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”„Dat hebikgedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is zij ten minste gelukkig.”Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat datis, weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de fabel.”[184]„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen overdenman maar rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke pessimistische praatjes overdenman gehoord. Een arme drommel mag zich weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei, je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”Zij streek peinzend haar golvend haar weg.„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft, ja?”„Niets liever.”Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms misnoegd aan.Daarom betoomde hij zijn ijver.Wel volgden zijn oogen het mooie vrouwtje ’t grootste deel van den dag, maar hijzelf stond niet meer zoo vaak met haar te praten en hij hield zich zelfs van de geheele club verwijderd.De „club” zag het, en ’t was een geschikt onderwerp voor fluisterend uitgesproken praatjes, die weldra ook de andere passagiers bereikten.En wat die daarin een genoegen smaakten!’t Was immers een onderwerp van gesprek, en men begon daar, nu de reis ten einde liep, bitter verlegen om te raken.[185]Louise zag genoeg om te bespeuren dat zij besproken werd.„U moest me wat minder met uw aandacht vereeren,” zei ze tot haar vader. „Het loopt zoo in het oog en de menschen spreken er over.”Hij wilde verwondering veinzen, maar bedacht zich.„Ben je dan niet meer bang?”Zij lachte.„Neen, pa. Ik begreep wel dat hetdatwas. Ga maar gerust een partijtje schaken met den commandant. Het is komiek. Ik heb u nog nooit in zoo’n zorgvolle rol gezien als de laatste dagen.”„Spot maar niet,” bromde de dokter. „Je hebt me ongerust gemaakt met je praatjes.”Ze gaf hem een kus, met tranen in haar oogen, en daarna een zachten klap op zijn gezicht.„Je bent erg mal, pa.”Met dat al dankte dokter Van der Linden den hemel toen ze te Napels waren. Hij roerde het onderwerp niet meer aan, maar zeker van zijn zaak was hij niet.Och, het was geen zedigheid die hem beheerschte. Volstrekt niet. Hij had geen vooroordeelen en was goedhartig genoeg om aan elk mensch te gunnen, wat, menschelijker wijze gesproken, hem of haar toekwam.Het eenige was: de wereld.Diemoest men ontzien;danhield men zijn fatsoen. Nadat hij zijn bewaking van Louise had gestaakt, was er weer toenadering geweest tusschen de jonge vrouw en den zee-officier, en.… „die blikskatersche zeelui,” dacht de dokter, „vertrouw ik niet verder dan ik ze zie.”[186]Hoe dan ook, hij voedde twijfel. Er waren briefjes gewisseld, dat wist hij vrij zeker, en het kon heel goed zijn dat er meer was gebeurd, zonder dat hij ’t wist.Goddank, daar was Napels!Als men maar eenmaal voet aan wal had, dan was alles gedaan, meende hij, en dan kon hij geruster zijn.Daar strekte zich het prachtig donker groen omlijst panorama uit. De passagiers waren verrukt, voor zoover ze gezond waren. Iedereen had het druk met pakken; iedereen sprak over de schoone vroolijke stad, die zoovelen verrukte, maar nog nooit iemand er toe had gebracht het „Voir Naples et puis mourir” in de practijk toe te passen.„Waar gaan we logeeren?” vroeg Louise.Haar vader keek haar wantrouwend aan.„Dat weet ik nog niet.”Dezelfde vraag werd hem gedaan door den kolonel en anderen, maar de dokter antwoordde ontwijkend, en toen Van Hoven het vroeg werd hij nurksch.Dokter Van der Linden had zijn plan, dat hij in alle stilte wilde doorvoeren.Aan den wal nam hij een gids en sprak zacht met hem. Hun koffers werden op een impériale geladen en men reed weg. In plaats van voor een hotel, hield men stil voor een spoorwegstation.Louise stapte uit en keek verbaasd rond.„Wat beteekent dat?” vroeg ze bleek en met vast opeengedrukte lippen.„Niets. We moeten een klein eindje sporen om aan ons hotel te komen.”[187]„Zijn er dan dichtbij geen goede hotels?”„Neen.”Een half uur verliep.„Ik vraag u nog eens, pa,” fluisterde zij hem woedend in het oor, „watmoet dat beduiden?”„Alleen, dat we op weg zijn naar Rome. ’t Is nog zoowat zes uren sporens.”„Dat is schandelijk, dat is gemeen.”„Hm?”„Ik ga dadelijk terug.”„Dat doe je niet, Louise. Napels kan je altijd nog zien. We hebben tijd en geld genoeg om er desverkiezende drie maanden te vertoeven.”„Maar ik begrijp volstrekt niet, pa, waarom u zoo’n willekeurigen en onaangenamen maatregel hebt genomen. Het komt niet te pas. Ik ben geen kind dat men meeneemt, waarheen men wil. Het lijkt wel of we van boord zijn gevlucht!”„Dat zijn we ook.”„Zijn we gevlucht?”„Ik ten minste.”„Maar waarom?”„Louise,” zei hij met deftigen ernst: „ik was bang.”Zij wendde het hoofd af en keek zwijgend naar de schrale boomgaarden en slecht onderhouden groentetuinen, die ze voorbijstoomden. Haar boezem zwoegde heftig onder het eenvoudig grijzen reiskleedje dat ze droeg. Njootje sliep op den schoot van de baboe, die in haar schoenen, welke ze voor het eerst droeg, zat te transpireeren van de pijn.[188]Dokter Van der Linden las ijverig in een Baedeker, dien hij zich voor zijn vertrek uit Indië had aangeschaft.Na een half uurtje vroeg hij uiterst vriendelijk zijn dochter of ze niets wilde gebruiken. Zij schudde van neen met het hoofd.Een beetje later werd de kleine jongen wakker en begon dadelijk te dwingen om bij den dokter te komen, maar deze weerde het kind voor ’t eerst van zijn leven en met een bloedend hart vrij ruw af.Louise keek op alsof ze uit een droom ontwaakte en nam ’t kind op haar schoot.Wat scheelde haar vader? Was hij gek geworden? Zij wilde hem nu niets vragen, maar te Rome was zij het die de conversatie begon, met de opmerking, dat dit smerige spelonk onmogelijk de „stad der steden” wezen kon.„Je kunt er nog niets van zeggen, Louise. Ik heb Rome vroeger gezien, en bij den eersten aanblik dacht ik er net over als jij. Later werd dat beter en leerde ik het schoone waardeeren.”„Het is mogelijk,” antwoordde ze verstrooid. „Ik zal blij wezen als we onder dak zijn.”Een half uur later strekten ze hun vermoeide leden met welgevallen uit in een ruim bed, dat op vasten bodem stond. Och, dat is voor landrotten zoo’n zaligheid na een lange zeereis!Zij bereisden Italië. Dokter Van der Linden zag met vreugde dat zijn dochter de Koninklijke Nederlandsche Marine uit haar hoofd had gezet en zijn critische, geoefende blik bespeurde geen verschijnselen van gestoorde gemoedsrust.[189]Van Hoven zelf was na twee dagen toevens en vruchteloos informeerend naar het verblijf van mevrouw Van Velton,teroesdoor naar Holland gespoord; zijn geld was op;c’est tout dire.Te Weenen amuseerde men zich uitstekend, en ze zouden er langer zijn gebleven, als de menschen, waarmee ze kennis maakten, er niet zoo bijzonder lief waren geweest; zóó lief, dat zelfs de K. N. M. er niet bij kon vergeleken worden, en dat maakte den dokter weer bevreesd.Daarom gingen zij op zijn voorstel naar Parijs, dat voor Louise veel aantrekkelijks had, doch aan haar hoog gespannen verwachtingen niet geheel beantwoordde.Zij vond het al te druk en de dokter was dat volkomen met haar eens.In Holland beviel het hun ook niet. De weinige bloedverwanten der Van der Linden’s waren stijve, saaie lieden in hun oogen, en daarbij bekrompen en krenterig. Maar zij kwamen heel dikwijls te visite en dronken gaarne des dokters lekkere sherry, rookten met genoegen zijn havana’s, accepteerden zeer gaarne de cadeautjes van Louise, ook voor hun vrouwen en kinderen; maar nooit dacht een hunner er aan de familie uit Indië eenige andere attentie te bewijzen dan door van haar voor onbepaalden tijd geld te leenen.Dit harteloos egoïsme stuitte vooral Louise tegen de borst. Zij had wel een geschenk van duizend gulden willen geven aan hem of haar, die uit vrije beweging haar kind een pop van een rijksdaalder had geschonken.Maar dat gebeurde niet; de „goede” lieden dachten er niet aan. Indië mocht niets kosten. Integendeel. Zóó luidt de[190]Nederlandsche traditie, en dat besef is volkomen ingevleescht.Van der Linden waagde een onderstelling.„Als we eens te Brussel gingen wonen?”„Is het daar aardig?”„Zeker. Trouwens je bent er zelf geweest.”„Een dag, doortrekkende. Dat is niet genoeg om te oordeelen. Ik bedoel ’t voortdurend verblijf.”„Ja, ’t is een lieve stad. Het is een afschaduwing van Parijsche chic, maar dat wordt getemperd door den aard van het volk. Brussel heeft iets huiselijks, en daar houden wij Hollanders van, ook al zijn we lang in Indië geweest.”„Mij is het goed.”„Erg prettig schijn je het idée niet te vinden.”„Toch wel. Al ware het alleen om verlost te wezen van onze nare familie.”Terwijl zij in Holland deze plannen maakten, zat Van Velton op zijn kantoor aan de kali-besar te Batavia.Het was Zondag-ochtend.In geen jaren was het gebeurd dat hij des Zondags werkte, maar dien ochtend was het geweest alsof hij werd gejaagd naar zijn kantoor.Loopende zaken deed hij niet. Één voor één opende hij de kastjes van zijn lessenaar, haalde er den inhoud uit, keek dien door en scheurde de grootste helft der brieven en nota’s aan snippers. Na deze soort van auto-da-fé ging hij weer huiswaarts en deed daar hetzelfde in zijn kantoor.Hij was zenuwachtig en gejaagd.Een hoogst onaangenaam gevoel had zich reeds den geheelen[191]nacht van hem meestergemaakt. Nu en dan had hij geslapen, maar telkens was hij weer wakker geworden en gevoelde zich diep ellendig. Hij ging op zijn bed liggen, sluimerde in, doch werd na een paar minuten weer wakker met snijdende pijn in de ingewanden.De kleur van zijn huid was vaal; zijn oogen en zijn geheele lichaam schenen ingezonken. Toen de dokter kwam en hem aanzag, bespeurde hij in een oogwenk wat het was. Dadelijk werden er geneesmiddelen gehaald en was voorloopig aangewend wat dienstig wezen kon.Ook zond de dokter om Fournier en Hortense, die hun vrees overwonnen en kwamen.Van Velton was zich, ondanks de ondraaglijke pijnen en het hevig verloop der ziekte, volkomen bewust van zijn toestand. Hij verbood uitdrukkelijk zijn dochter of zijn schoonzoon toe te laten.Tusschen duim en wijsvinger der rechterhand nam hij de bovenhuid van zijn linkerhand, kneep die zacht in een plooi en liet toen los. De plooi bleef staan; alle veerkracht scheen uit de huid verdwenen.Hij keek den dokter ernstig aan.„Het is uit, nietwaar?”„Men kan niet weten.”„Maak mij niets wijs; het is gedaan.”In de voorgalerij zat Hortense bitter te weenen. Fournier liep in zenuwachtige onrust heen en weer; de bedienden slopen rond met verschrikte gezichten. Niets stoorde de doodelijke stilte in het groote huis dan nu en dan Hortense’s gesmoord snikken.[192]De portière voor de binnendeur was dichtgeschoven; ze werd zacht geopend.„Meneer Fournier, wil u even hier komen, asjeblieft?”„Wel?” vroeg de advocaat zeer bleek en ontsteld.„Hij is dood. Ik condoleer u.”Fournier boog het hoofd. Het was toch vreeselijk! Dat is de dood op zoo’n wijze altijd.Het was voor Louise Van Velton niet noodig lang te tobben over de vraag of ze al dan niet te Brussel zou gaan wonen. De dokter had het terecht gezegd: zij hadden tijd en geld; dat was het voornaamste. Het speet de familiezeer, volgens haar zeggen, en dokter Van der Linden werd aangezocht, wel niet rechtstreeks, maar toch erg duidelijk zijdelings, om een afscheidspartij te geven; licht dat men er dat nog van had!Het was er zeer geanimeerd. Louise was in haar humeur; ’t vooruitzicht van weg te gaan uit Holland streelde haar.Te midden van het fijn soupeetje, dat dokter Van der Linden ’s morgens met een glimlach tegen Louise had doen zeggen dat het ’t galgenmaal was zijner familieleden, werd hard gescheld, en een oogenblik later kwam er een telegram van een Amsterdamsch handelshuis aan den dokter.„Volgens telegrammen uit Indië is heer Van Velton eergisteren plotseling overleden. Firma verzocht u te seinen.”De oude heer verbleekte en zag zwijgend in het rond. Natuurlijk waren aller oogen op hem gevestigd. Zoo’n telegram was een évènement.„Wat is het?” vroeg Louise.[193]Hij bedacht zich een oogenblik.„Niets. ’t Heeft niets te beduiden,” zei hij geruststellend, en vouwde langzaam het telegram dicht, waarna hij het in den zak stak.Toen ’s avonds laat de gasten naar huis waren, vroeg Louise, die wel gezien had dat er iets niet in den haak was:„Vertel me eens pa, wat stond er in het telegram?”„Hm! Als Van Velton iets overkwam, zou je het je dan erg aantrekken?”„Iets overkwam? Wat kan hem overkomen?”„Wel, drommels, hij is geen buitengewoon schepsel, en staat ook bloot aan allerlei; aan ziekte.… enzoovoort.”„Ziekte.…” Een oogenblik keek ze weifelend en in afwachting van wat er volgen zou, rond.„Is hij dood?”„Ja.”„Goddank!”De dokter fronste de wenkbrauwen. Hij was nog eenigszins een man van vormen en vond dat Louise, al meende zij het zoo, het niet zóó had moeten zeggen. Het was hem te kras.„Foei,” zei hij streng. „Je moest je schamen.”„Waarover?”„Je moest begrijpen, dat je eenverlieslijdt. Al hieldt ge niet van Van Velton,—hij was toch je wettige man.…”„Tot mijn leedwezena peu près?”„Hè?”„Hij keek nooit om naar ’t kind; hij haatte het. Wat beduidt zoo’n vader?”„Veel. Een vader beduidt altijd veel, omdat hij de natuurlijke[194]beschermer is zijner kinderen en hun een positie geeft in de maatschappij.”Zij barstte in een zenuwachtig lachen los, dat lang aanhield en den dokter eenigszins ongerust maakte.Daarna richtte ze zich fier op en nog met tranen van het lachen in de groote zwarte oogen, zei ze op haar stelligsten toon:„Een vader kan veel zijn voor een kind, maar ook letterlijkniets, en zelfs minder. Ik lach wat om die „natuurlijke bescherming.” In dat opzicht kan geen vader een moeder evenaren als zij de vrije hand heeft. Een vrouw laat alles na om haar kind en offert er alles voor op. Het scheelt een man wat of hij kinderen heeft of niet! O, ik zeg dat niet voor hen die moeten zwoegen en werken voor hun huisgezin, maar daarvan is geen quaestie bij ons. Ik heb zelf geld en ik zou mijn kind opvoeding en positie beiden kunnen geven, ook al had het geen duit van vaders zijde.”„Niet waar, Louise; ’t is niet waar! Doch ik wil er niet verder over twisten. Ik ben ook blij dat ge van dien hatelijken band ontslagen zijt; maar voor de wereld moeten we hetdecorumbewaren. Ik zal een advertentie opmaken.”„Waarschijnlijk met: „mijn geliefde echtgenoot” er in, en mijn kind, „dat te jong is om zijn verlies te beseffen.… Ik waarschuw u, papa, doe het niet.”„Wieslief, het behoort zoo. Wees nu eens kalm en verstandig.”„Ik wil zoo verstandig niet wezen, pa. Als u het durft te doen, dan plaats ik een contra-annonce.”„Dus zou je schandaal maken?”„Neen, dat zoudt u met zoo’n gemeen huichelachtig ding. Ik moet er niet van hooren, pa. Wilt u ook misschien een[195]zwarten band om uw hoed gaan dragen? Zullen we niet rouwen, pa? Zullen we niet voor kleinen njo ’n zwart pakje laten komen en dan met ons drieën gaan paradeeren langs den weg als de treurende familie, die asjeblieft de aandacht vraagt van het publiek voor haar uitgemonsterde smart? Zullen we niet.…”„Louise, maak je toch niet zoo verschrikkelijk zenuwachtig.”

„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel. Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een opvoeding in Holland.”„Neen zeker niet.”„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: hetmoet; het is in zijn eigen belang. Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een scène van belang zijn geweest.”„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort, terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de kinderen.”Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar Europa had geëxpediëerd, en daar[157]kwam nu die man hem aan de ooren leuteren over dien kwajongen!„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn vadersmart.„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst sprak?”De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende over zaken, bereikte Van Velton den Boom.Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn heerlijk verlaten huis.Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer, alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde bijwerken.Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn. Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige[158]gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat hij verkoos.Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken! Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie elken dag te zien!Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder onverschillig zou toonen.Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken, en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid te kennen gaf.Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan boord.„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van dien leelijken kerel!”„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóóbosènvan!”De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen invloed uit.[159]’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween, en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving. Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven, de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar gezondheid terugkeerde.Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en de bedienden vlogen voor haar.Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze bijzonder beleefd en gedienstig waren voor[160]de echtgenooten van heeren, die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen mannen; maar dat begrepen ze niet.Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die menschen?Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen. Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie welgevallen.Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje chocolade te slorpen.„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er bepaald slecht uit, en nu.…”„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen. „Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het hoofd warm gemaakt.”„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs, mevrouwtje.”„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van ziek,” meende de luitenant.[161]„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei, dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen was, uitgeput, ’t Was meestbitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf, en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling in.„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik zie niet, dat er ook nu iets van komt.”„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”[162]„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten,watzoo’n jonge man daar toch wel inschreef.In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet, en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette. Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”„Ronduit gezegd, ja.”„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”„Heb je er wel eens een gelezen?”„Nooit anders dan in boeken.”„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers maar zelf.”[163]„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen schrijver is.”„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek iswaar, en daarom is het me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt dagboek te schrijven.”„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor, „ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen inliet.Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan, met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.„Mag ik meewandelen, dames?”„Welzeker.”„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de wacht, op en neer geloopen met twee dames.”Men lachte.„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van Velton?”[164]„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek.…”„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.… „Ga verder.” .… „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men maar zelden tegen anderen.”Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier, die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig zijn partij en maakte grappen mee.Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende geluiden van den stoomer.Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.„Wie is daar?”„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”[165]„Wie is het dan?”„Ik.… mevrouw Van Stralen.”Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.„Ik heb het!”Louise keek haar verwonderd aan.„Wat bedoelt u?”„Wel, het dagboek van Van Hoven.”„Heeft hij het u toch gegeven?”„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders niet. En hij zal er niets van te weten komen.”Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht, dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd, alle waarborgen opleverde tegen brand.Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek[166]geopend op haar knieën en las bij het flauwe schijnsel van het licht.Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!.… De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets hoegenaamd.Februari 16.Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen. Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn, want die doet ook de reis mee.De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van de boot is, voor zooveel mogelijk, eengentleman, en geen oude schipper naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi weer.Februari 18.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kolonel heet Van Stralen en is eenjolly old fellow, dien ik ondanks zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa[167]alle dienstmeisjes na te loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel zich de oogen blind kijkt.…Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een vragenden blik.„’t Is onbeschaamd.”„Hij schrijft van u geen kwaad.”„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.… Een luitenant!”Louise lachte.„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan niet op aan?”„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit doen.”„En wat denkt u te doen?”„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam naloopen.…”„Is er dan geen goede verhouding bij u.… Ik dacht toch.…”„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel jaren. Hij maakt, ’t is waar,alledames het hof en daarom is er geen kwaad bij.”Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was, dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad.[168]Hij kan het niet nalaten. Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur, glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”Zij lachten samen op gesmoorden toon.Februari 20.Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon.…„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.[169]„Er staat niets meer in.”„Laat me eens zien!”„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel meer.… Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman, die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”„Och.… zoo.…!”„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij soms den Rubicon mocht willen overtrekken.… Adieu, ik ga ’t boek weer op zijn plaats laten leggen.”De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht geschoven.Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.Het was alsof zij in een andere wereld leefde.Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen dan ze ooit zou hebben voorondersteld.Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.… ze zou voor alle schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.[170]Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren kreeg.De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere losse voorwerpen in beweging.Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoosakit keraswas. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat weldra in heviger geluiden overging.Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers. Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten.[171]’t Was zwaar weer geworden, heel onverwacht; vangevaarwas echter geen quaestie, ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun laatste uur was geslagen.Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op verminderd.Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden, retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche lucht te scheppen.[172]Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar achter en vice-versa.Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling naar het rusteloos spel der golven.Toen eenige dagen later het gezelschap weer compleet was en met de zee de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat Louise liep.„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een haast ongepaste manier het hof maakt?”„Nou ja!”„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en injouwbijzijn.”„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar steekt niets in.”De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de dokter, wanneer mevrouw Van Stralen[173]hem zoo iets zei, waar hij, kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens de dames; dat wist hij bij ervaring.„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine vertrekje binnentraden.„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.„Het betreft uw dochter.”„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”„Volstrekt niet.”„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”„Ik ook.”„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”[174]„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de waarschijnlijkheid.”„En ik zeg u dat ook die groot is.”„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”„Welnu, dan zie ik ook niet in.…”„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten, drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met degewoneliefde niets gemeen.”„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank u.”„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”„Wel neen, zeker niet.”Zij vond het toch wel een beetje gek.Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water, terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had[175]gegrepen, lag half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig notitie te nemen.De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht. Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde, en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij, maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met die „harmonie”; ’t was wèl zoo.„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.De luitenant kreeg een kleur.„O.… niets.…” zei hij.„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’tà proposmet een blik.„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen .…”Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin, die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest, lag hem op de lippen; maar de dokter viel hemsans complimentsin de rede.„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het heerlijk.”[176]De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”„U steekt er den gek mee!”„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken.…”„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.„.… Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken, of wàt was het eigenlijk?„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”„Hoezoo?”Dat was nu ook een vraag! dacht hij.„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van niemand anders zou hebben verdragen.”„Van niemand anders dan van.…?”„Uw vader.”[177]„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in een Franschen roman.”Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.„Waarom zou ik ’t zijn?”„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg ook, en als.…”„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel: als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken elkaar.”„Mag ik?”Hij was eenpartner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde doen.[178]„Wat?”„Mij aan uw voeten werpen.”Haar gezicht betrok.„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in staat wezen.„Nu dan?”„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden gegrift.Zij leefden als duifjes.Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd, maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.Hij had inderdaadgeleerdvan haar te houden. Zij was goed, lief en aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat[179]afleiding te verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen kwam eten.Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bijhemkwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden; hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het paardenvolk.Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven voortduren!Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat vond hij aardig.Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen; de lasten zijn voor den vader en de moeder.Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.„Neen.… Zij schrijft zelden.”„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet[180]schrijft,” meende Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje gemaakt door Italië.”„Ja, dat hebt u me al verteld.”„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te zetten naar Parijs.”„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”„Vermoedelijk.”„En amuseeren ze zich nogal?”„Daarvan schrijft ze geen woord.”Men zweeg.’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel Europa door.”Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad met njootje op den arm.[181]„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek hield.„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”„Ja, zoo dom ben je.”Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”„Hoe niet?”„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich niet wilde laten foppen, dan meende hij hetbetoel, maar dan was er van haar kant ook geen sprake van gekscheren.„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang.…”„Bent u niet bang?”„Natuurlijk niet.”„Nu,ikben het wèl. Ik weet niet wat het is.…”„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.… ik zou haast zeggen aan het onbeschaamde grenst.”„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ikvrees, dat zoo iets mezou kunnen overkomen, nu[182]noemt u me onbeschaamd.… Hoe denkt u over uzelven, pa?”De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn kleinkind om de ooren wilde slaan.„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe de mannen over het algemeen zijn.A fondzijn het cynische wezens, die hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank drinken, en ze vervallen tot.…”„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat jebangwaart. Nu,datvind ik verschrikkelijk.”„Ja.… ik ook.… maar het is toch zoo.”Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk zien aan zijn gezicht.„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen lust toe, en u bent het ook niet waard.”„Maar dat is een grofheid, die.…”„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen[183]mijzelve en ik heb overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds.…”„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”„Soedah, het was ernstig.”„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld en het speet me toen.”Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:„Het spijt me nog.”„Spijtendoet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo weinig gescheeld.…”„Wat?”„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan een schoonvader.”„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”„Dat hebikgedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is zij ten minste gelukkig.”Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat datis, weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de fabel.”[184]„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen overdenman maar rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke pessimistische praatjes overdenman gehoord. Een arme drommel mag zich weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei, je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”Zij streek peinzend haar golvend haar weg.„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft, ja?”„Niets liever.”Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms misnoegd aan.Daarom betoomde hij zijn ijver.Wel volgden zijn oogen het mooie vrouwtje ’t grootste deel van den dag, maar hijzelf stond niet meer zoo vaak met haar te praten en hij hield zich zelfs van de geheele club verwijderd.De „club” zag het, en ’t was een geschikt onderwerp voor fluisterend uitgesproken praatjes, die weldra ook de andere passagiers bereikten.En wat die daarin een genoegen smaakten!’t Was immers een onderwerp van gesprek, en men begon daar, nu de reis ten einde liep, bitter verlegen om te raken.[185]Louise zag genoeg om te bespeuren dat zij besproken werd.„U moest me wat minder met uw aandacht vereeren,” zei ze tot haar vader. „Het loopt zoo in het oog en de menschen spreken er over.”Hij wilde verwondering veinzen, maar bedacht zich.„Ben je dan niet meer bang?”Zij lachte.„Neen, pa. Ik begreep wel dat hetdatwas. Ga maar gerust een partijtje schaken met den commandant. Het is komiek. Ik heb u nog nooit in zoo’n zorgvolle rol gezien als de laatste dagen.”„Spot maar niet,” bromde de dokter. „Je hebt me ongerust gemaakt met je praatjes.”Ze gaf hem een kus, met tranen in haar oogen, en daarna een zachten klap op zijn gezicht.„Je bent erg mal, pa.”Met dat al dankte dokter Van der Linden den hemel toen ze te Napels waren. Hij roerde het onderwerp niet meer aan, maar zeker van zijn zaak was hij niet.Och, het was geen zedigheid die hem beheerschte. Volstrekt niet. Hij had geen vooroordeelen en was goedhartig genoeg om aan elk mensch te gunnen, wat, menschelijker wijze gesproken, hem of haar toekwam.Het eenige was: de wereld.Diemoest men ontzien;danhield men zijn fatsoen. Nadat hij zijn bewaking van Louise had gestaakt, was er weer toenadering geweest tusschen de jonge vrouw en den zee-officier, en.… „die blikskatersche zeelui,” dacht de dokter, „vertrouw ik niet verder dan ik ze zie.”[186]Hoe dan ook, hij voedde twijfel. Er waren briefjes gewisseld, dat wist hij vrij zeker, en het kon heel goed zijn dat er meer was gebeurd, zonder dat hij ’t wist.Goddank, daar was Napels!Als men maar eenmaal voet aan wal had, dan was alles gedaan, meende hij, en dan kon hij geruster zijn.Daar strekte zich het prachtig donker groen omlijst panorama uit. De passagiers waren verrukt, voor zoover ze gezond waren. Iedereen had het druk met pakken; iedereen sprak over de schoone vroolijke stad, die zoovelen verrukte, maar nog nooit iemand er toe had gebracht het „Voir Naples et puis mourir” in de practijk toe te passen.„Waar gaan we logeeren?” vroeg Louise.Haar vader keek haar wantrouwend aan.„Dat weet ik nog niet.”Dezelfde vraag werd hem gedaan door den kolonel en anderen, maar de dokter antwoordde ontwijkend, en toen Van Hoven het vroeg werd hij nurksch.Dokter Van der Linden had zijn plan, dat hij in alle stilte wilde doorvoeren.Aan den wal nam hij een gids en sprak zacht met hem. Hun koffers werden op een impériale geladen en men reed weg. In plaats van voor een hotel, hield men stil voor een spoorwegstation.Louise stapte uit en keek verbaasd rond.„Wat beteekent dat?” vroeg ze bleek en met vast opeengedrukte lippen.„Niets. We moeten een klein eindje sporen om aan ons hotel te komen.”[187]„Zijn er dan dichtbij geen goede hotels?”„Neen.”Een half uur verliep.„Ik vraag u nog eens, pa,” fluisterde zij hem woedend in het oor, „watmoet dat beduiden?”„Alleen, dat we op weg zijn naar Rome. ’t Is nog zoowat zes uren sporens.”„Dat is schandelijk, dat is gemeen.”„Hm?”„Ik ga dadelijk terug.”„Dat doe je niet, Louise. Napels kan je altijd nog zien. We hebben tijd en geld genoeg om er desverkiezende drie maanden te vertoeven.”„Maar ik begrijp volstrekt niet, pa, waarom u zoo’n willekeurigen en onaangenamen maatregel hebt genomen. Het komt niet te pas. Ik ben geen kind dat men meeneemt, waarheen men wil. Het lijkt wel of we van boord zijn gevlucht!”„Dat zijn we ook.”„Zijn we gevlucht?”„Ik ten minste.”„Maar waarom?”„Louise,” zei hij met deftigen ernst: „ik was bang.”Zij wendde het hoofd af en keek zwijgend naar de schrale boomgaarden en slecht onderhouden groentetuinen, die ze voorbijstoomden. Haar boezem zwoegde heftig onder het eenvoudig grijzen reiskleedje dat ze droeg. Njootje sliep op den schoot van de baboe, die in haar schoenen, welke ze voor het eerst droeg, zat te transpireeren van de pijn.[188]Dokter Van der Linden las ijverig in een Baedeker, dien hij zich voor zijn vertrek uit Indië had aangeschaft.Na een half uurtje vroeg hij uiterst vriendelijk zijn dochter of ze niets wilde gebruiken. Zij schudde van neen met het hoofd.Een beetje later werd de kleine jongen wakker en begon dadelijk te dwingen om bij den dokter te komen, maar deze weerde het kind voor ’t eerst van zijn leven en met een bloedend hart vrij ruw af.Louise keek op alsof ze uit een droom ontwaakte en nam ’t kind op haar schoot.Wat scheelde haar vader? Was hij gek geworden? Zij wilde hem nu niets vragen, maar te Rome was zij het die de conversatie begon, met de opmerking, dat dit smerige spelonk onmogelijk de „stad der steden” wezen kon.„Je kunt er nog niets van zeggen, Louise. Ik heb Rome vroeger gezien, en bij den eersten aanblik dacht ik er net over als jij. Later werd dat beter en leerde ik het schoone waardeeren.”„Het is mogelijk,” antwoordde ze verstrooid. „Ik zal blij wezen als we onder dak zijn.”Een half uur later strekten ze hun vermoeide leden met welgevallen uit in een ruim bed, dat op vasten bodem stond. Och, dat is voor landrotten zoo’n zaligheid na een lange zeereis!Zij bereisden Italië. Dokter Van der Linden zag met vreugde dat zijn dochter de Koninklijke Nederlandsche Marine uit haar hoofd had gezet en zijn critische, geoefende blik bespeurde geen verschijnselen van gestoorde gemoedsrust.[189]Van Hoven zelf was na twee dagen toevens en vruchteloos informeerend naar het verblijf van mevrouw Van Velton,teroesdoor naar Holland gespoord; zijn geld was op;c’est tout dire.Te Weenen amuseerde men zich uitstekend, en ze zouden er langer zijn gebleven, als de menschen, waarmee ze kennis maakten, er niet zoo bijzonder lief waren geweest; zóó lief, dat zelfs de K. N. M. er niet bij kon vergeleken worden, en dat maakte den dokter weer bevreesd.Daarom gingen zij op zijn voorstel naar Parijs, dat voor Louise veel aantrekkelijks had, doch aan haar hoog gespannen verwachtingen niet geheel beantwoordde.Zij vond het al te druk en de dokter was dat volkomen met haar eens.In Holland beviel het hun ook niet. De weinige bloedverwanten der Van der Linden’s waren stijve, saaie lieden in hun oogen, en daarbij bekrompen en krenterig. Maar zij kwamen heel dikwijls te visite en dronken gaarne des dokters lekkere sherry, rookten met genoegen zijn havana’s, accepteerden zeer gaarne de cadeautjes van Louise, ook voor hun vrouwen en kinderen; maar nooit dacht een hunner er aan de familie uit Indië eenige andere attentie te bewijzen dan door van haar voor onbepaalden tijd geld te leenen.Dit harteloos egoïsme stuitte vooral Louise tegen de borst. Zij had wel een geschenk van duizend gulden willen geven aan hem of haar, die uit vrije beweging haar kind een pop van een rijksdaalder had geschonken.Maar dat gebeurde niet; de „goede” lieden dachten er niet aan. Indië mocht niets kosten. Integendeel. Zóó luidt de[190]Nederlandsche traditie, en dat besef is volkomen ingevleescht.Van der Linden waagde een onderstelling.„Als we eens te Brussel gingen wonen?”„Is het daar aardig?”„Zeker. Trouwens je bent er zelf geweest.”„Een dag, doortrekkende. Dat is niet genoeg om te oordeelen. Ik bedoel ’t voortdurend verblijf.”„Ja, ’t is een lieve stad. Het is een afschaduwing van Parijsche chic, maar dat wordt getemperd door den aard van het volk. Brussel heeft iets huiselijks, en daar houden wij Hollanders van, ook al zijn we lang in Indië geweest.”„Mij is het goed.”„Erg prettig schijn je het idée niet te vinden.”„Toch wel. Al ware het alleen om verlost te wezen van onze nare familie.”Terwijl zij in Holland deze plannen maakten, zat Van Velton op zijn kantoor aan de kali-besar te Batavia.Het was Zondag-ochtend.In geen jaren was het gebeurd dat hij des Zondags werkte, maar dien ochtend was het geweest alsof hij werd gejaagd naar zijn kantoor.Loopende zaken deed hij niet. Één voor één opende hij de kastjes van zijn lessenaar, haalde er den inhoud uit, keek dien door en scheurde de grootste helft der brieven en nota’s aan snippers. Na deze soort van auto-da-fé ging hij weer huiswaarts en deed daar hetzelfde in zijn kantoor.Hij was zenuwachtig en gejaagd.Een hoogst onaangenaam gevoel had zich reeds den geheelen[191]nacht van hem meestergemaakt. Nu en dan had hij geslapen, maar telkens was hij weer wakker geworden en gevoelde zich diep ellendig. Hij ging op zijn bed liggen, sluimerde in, doch werd na een paar minuten weer wakker met snijdende pijn in de ingewanden.De kleur van zijn huid was vaal; zijn oogen en zijn geheele lichaam schenen ingezonken. Toen de dokter kwam en hem aanzag, bespeurde hij in een oogwenk wat het was. Dadelijk werden er geneesmiddelen gehaald en was voorloopig aangewend wat dienstig wezen kon.Ook zond de dokter om Fournier en Hortense, die hun vrees overwonnen en kwamen.Van Velton was zich, ondanks de ondraaglijke pijnen en het hevig verloop der ziekte, volkomen bewust van zijn toestand. Hij verbood uitdrukkelijk zijn dochter of zijn schoonzoon toe te laten.Tusschen duim en wijsvinger der rechterhand nam hij de bovenhuid van zijn linkerhand, kneep die zacht in een plooi en liet toen los. De plooi bleef staan; alle veerkracht scheen uit de huid verdwenen.Hij keek den dokter ernstig aan.„Het is uit, nietwaar?”„Men kan niet weten.”„Maak mij niets wijs; het is gedaan.”In de voorgalerij zat Hortense bitter te weenen. Fournier liep in zenuwachtige onrust heen en weer; de bedienden slopen rond met verschrikte gezichten. Niets stoorde de doodelijke stilte in het groote huis dan nu en dan Hortense’s gesmoord snikken.[192]De portière voor de binnendeur was dichtgeschoven; ze werd zacht geopend.„Meneer Fournier, wil u even hier komen, asjeblieft?”„Wel?” vroeg de advocaat zeer bleek en ontsteld.„Hij is dood. Ik condoleer u.”Fournier boog het hoofd. Het was toch vreeselijk! Dat is de dood op zoo’n wijze altijd.Het was voor Louise Van Velton niet noodig lang te tobben over de vraag of ze al dan niet te Brussel zou gaan wonen. De dokter had het terecht gezegd: zij hadden tijd en geld; dat was het voornaamste. Het speet de familiezeer, volgens haar zeggen, en dokter Van der Linden werd aangezocht, wel niet rechtstreeks, maar toch erg duidelijk zijdelings, om een afscheidspartij te geven; licht dat men er dat nog van had!Het was er zeer geanimeerd. Louise was in haar humeur; ’t vooruitzicht van weg te gaan uit Holland streelde haar.Te midden van het fijn soupeetje, dat dokter Van der Linden ’s morgens met een glimlach tegen Louise had doen zeggen dat het ’t galgenmaal was zijner familieleden, werd hard gescheld, en een oogenblik later kwam er een telegram van een Amsterdamsch handelshuis aan den dokter.„Volgens telegrammen uit Indië is heer Van Velton eergisteren plotseling overleden. Firma verzocht u te seinen.”De oude heer verbleekte en zag zwijgend in het rond. Natuurlijk waren aller oogen op hem gevestigd. Zoo’n telegram was een évènement.„Wat is het?” vroeg Louise.[193]Hij bedacht zich een oogenblik.„Niets. ’t Heeft niets te beduiden,” zei hij geruststellend, en vouwde langzaam het telegram dicht, waarna hij het in den zak stak.Toen ’s avonds laat de gasten naar huis waren, vroeg Louise, die wel gezien had dat er iets niet in den haak was:„Vertel me eens pa, wat stond er in het telegram?”„Hm! Als Van Velton iets overkwam, zou je het je dan erg aantrekken?”„Iets overkwam? Wat kan hem overkomen?”„Wel, drommels, hij is geen buitengewoon schepsel, en staat ook bloot aan allerlei; aan ziekte.… enzoovoort.”„Ziekte.…” Een oogenblik keek ze weifelend en in afwachting van wat er volgen zou, rond.„Is hij dood?”„Ja.”„Goddank!”De dokter fronste de wenkbrauwen. Hij was nog eenigszins een man van vormen en vond dat Louise, al meende zij het zoo, het niet zóó had moeten zeggen. Het was hem te kras.„Foei,” zei hij streng. „Je moest je schamen.”„Waarover?”„Je moest begrijpen, dat je eenverlieslijdt. Al hieldt ge niet van Van Velton,—hij was toch je wettige man.…”„Tot mijn leedwezena peu près?”„Hè?”„Hij keek nooit om naar ’t kind; hij haatte het. Wat beduidt zoo’n vader?”„Veel. Een vader beduidt altijd veel, omdat hij de natuurlijke[194]beschermer is zijner kinderen en hun een positie geeft in de maatschappij.”Zij barstte in een zenuwachtig lachen los, dat lang aanhield en den dokter eenigszins ongerust maakte.Daarna richtte ze zich fier op en nog met tranen van het lachen in de groote zwarte oogen, zei ze op haar stelligsten toon:„Een vader kan veel zijn voor een kind, maar ook letterlijkniets, en zelfs minder. Ik lach wat om die „natuurlijke bescherming.” In dat opzicht kan geen vader een moeder evenaren als zij de vrije hand heeft. Een vrouw laat alles na om haar kind en offert er alles voor op. Het scheelt een man wat of hij kinderen heeft of niet! O, ik zeg dat niet voor hen die moeten zwoegen en werken voor hun huisgezin, maar daarvan is geen quaestie bij ons. Ik heb zelf geld en ik zou mijn kind opvoeding en positie beiden kunnen geven, ook al had het geen duit van vaders zijde.”„Niet waar, Louise; ’t is niet waar! Doch ik wil er niet verder over twisten. Ik ben ook blij dat ge van dien hatelijken band ontslagen zijt; maar voor de wereld moeten we hetdecorumbewaren. Ik zal een advertentie opmaken.”„Waarschijnlijk met: „mijn geliefde echtgenoot” er in, en mijn kind, „dat te jong is om zijn verlies te beseffen.… Ik waarschuw u, papa, doe het niet.”„Wieslief, het behoort zoo. Wees nu eens kalm en verstandig.”„Ik wil zoo verstandig niet wezen, pa. Als u het durft te doen, dan plaats ik een contra-annonce.”„Dus zou je schandaal maken?”„Neen, dat zoudt u met zoo’n gemeen huichelachtig ding. Ik moet er niet van hooren, pa. Wilt u ook misschien een[195]zwarten band om uw hoed gaan dragen? Zullen we niet rouwen, pa? Zullen we niet voor kleinen njo ’n zwart pakje laten komen en dan met ons drieën gaan paradeeren langs den weg als de treurende familie, die asjeblieft de aandacht vraagt van het publiek voor haar uitgemonsterde smart? Zullen we niet.…”„Louise, maak je toch niet zoo verschrikkelijk zenuwachtig.”

„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel. Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een opvoeding in Holland.”

„Neen zeker niet.”

„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: hetmoet; het is in zijn eigen belang. Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een scène van belang zijn geweest.”

„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”

„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort, terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de kinderen.”

Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar Europa had geëxpediëerd, en daar[157]kwam nu die man hem aan de ooren leuteren over dien kwajongen!

„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”

„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”

Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn vadersmart.

„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst sprak?”

De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende over zaken, bereikte Van Velton den Boom.

Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn heerlijk verlaten huis.

Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer, alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde bijwerken.

Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.

Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn. Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige[158]gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat hij verkoos.

Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken! Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie elken dag te zien!

Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder onverschillig zou toonen.

Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken, en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid te kennen gaf.

Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan boord.

„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”

„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van dien leelijken kerel!”

„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”

„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóóbosènvan!”

De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen invloed uit.[159]

’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.

Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween, en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving. Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven, de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar gezondheid terugkeerde.

Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en de bedienden vlogen voor haar.

Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.

En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze bijzonder beleefd en gedienstig waren voor[160]de echtgenooten van heeren, die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen mannen; maar dat begrepen ze niet.

Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die menschen?

Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen. Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie welgevallen.

Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.

Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje chocolade te slorpen.

„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er bepaald slecht uit, en nu.…”

„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”

„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen. „Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het hoofd warm gemaakt.”

„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs, mevrouwtje.”

„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van ziek,” meende de luitenant.[161]

„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”

Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei, dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.

Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen was, uitgeput, ’t Was meestbitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf, en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling in.

„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik zie niet, dat er ook nu iets van komt.”

„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”

„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”

Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.

„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.

„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”[162]

„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.

„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”

Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten,watzoo’n jonge man daar toch wel inschreef.

In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.

Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet, en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette. Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.

„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”

„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”

„Ronduit gezegd, ja.”

„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”

„Heb je er wel eens een gelezen?”

„Nooit anders dan in boeken.”

„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers maar zelf.”[163]

„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen schrijver is.”

„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek iswaar, en daarom is het me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt dagboek te schrijven.”

„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”

„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”

„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”

„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor, „ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””

„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen inliet.

Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan, met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.

„Mag ik meewandelen, dames?”

„Welzeker.”

„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de wacht, op en neer geloopen met twee dames.”

Men lachte.

„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.

„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van Velton?”[164]

„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”

Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:

„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek.…”

„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.… „Ga verder.” .… „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men maar zelden tegen anderen.”

Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.

Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier, die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.

Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig zijn partij en maakte grappen mee.

Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende geluiden van den stoomer.

Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.

„Wie is daar?”

„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”[165]

„Wie is het dan?”

„Ik.… mevrouw Van Stralen.”

Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.

„Ik heb het!”

Louise keek haar verwonderd aan.

„Wat bedoelt u?”

„Wel, het dagboek van Van Hoven.”

„Heeft hij het u toch gegeven?”

„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”

„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”

„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”

„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”

„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders niet. En hij zal er niets van te weten komen.”

Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht, dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd, alle waarborgen opleverde tegen brand.

Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek[166]geopend op haar knieën en las bij het flauwe schijnsel van het licht.

Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!.… De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets hoegenaamd.

Februari 16.

Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen. Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn, want die doet ook de reis mee.

De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van de boot is, voor zooveel mogelijk, eengentleman, en geen oude schipper naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi weer.

Februari 18.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De kolonel heet Van Stralen en is eenjolly old fellow, dien ik ondanks zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa[167]alle dienstmeisjes na te loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel zich de oogen blind kijkt.…

Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een vragenden blik.

„’t Is onbeschaamd.”

„Hij schrijft van u geen kwaad.”

„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.… Een luitenant!”

Louise lachte.

„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan niet op aan?”

„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit doen.”

„En wat denkt u te doen?”

„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam naloopen.…”

„Is er dan geen goede verhouding bij u.… Ik dacht toch.…”

„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel jaren. Hij maakt, ’t is waar,alledames het hof en daarom is er geen kwaad bij.”

Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:

„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was, dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad.[168]Hij kan het niet nalaten. Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur, glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”

Zij lachten samen op gesmoorden toon.

Februari 20.

Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon.…

„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.

Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.[169]

„Er staat niets meer in.”

„Laat me eens zien!”

„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel meer.… Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman, die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”

„Och.… zoo.…!”

„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij soms den Rubicon mocht willen overtrekken.… Adieu, ik ga ’t boek weer op zijn plaats laten leggen.”

De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht geschoven.

Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.

Het was alsof zij in een andere wereld leefde.

Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen dan ze ooit zou hebben voorondersteld.

Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.… ze zou voor alle schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.[170]

Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren kreeg.

De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.

De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere losse voorwerpen in beweging.

Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoosakit keraswas. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat weldra in heviger geluiden overging.

Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers. Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten.[171]’t Was zwaar weer geworden, heel onverwacht; vangevaarwas echter geen quaestie, ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun laatste uur was geslagen.

Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op verminderd.

Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.

Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden, retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.

Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche lucht te scheppen.[172]

Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar achter en vice-versa.

Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling naar het rusteloos spel der golven.

Toen eenige dagen later het gezelschap weer compleet was en met de zee de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat Louise liep.

„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.

„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een haast ongepaste manier het hof maakt?”

„Nou ja!”

„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”

„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”

„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”

„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”

„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en injouwbijzijn.”

„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar steekt niets in.”

De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de dokter, wanneer mevrouw Van Stralen[173]hem zoo iets zei, waar hij, kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.

Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens de dames; dat wist hij bij ervaring.

„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine vertrekje binnentraden.

„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”

„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.

„Het betreft uw dochter.”

„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”

„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”

„Volstrekt niet.”

„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”

„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”

„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”

„Ik ook.”

„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”[174]

„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de waarschijnlijkheid.”

„En ik zeg u dat ook die groot is.”

„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”

„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”

„Welnu, dan zie ik ook niet in.…”

„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten, drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met degewoneliefde niets gemeen.”

„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank u.”

„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”

„Wel neen, zeker niet.”

Zij vond het toch wel een beetje gek.

Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.

Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water, terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.

Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had[175]gegrepen, lag half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.

Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig notitie te nemen.

De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht. Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde, en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij, maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met die „harmonie”; ’t was wèl zoo.

„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.

De luitenant kreeg een kleur.

„O.… niets.…” zei hij.

„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’tà proposmet een blik.

„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”

Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.

„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen .…”

Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin, die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest, lag hem op de lippen; maar de dokter viel hemsans complimentsin de rede.

„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het heerlijk.”[176]

De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.

„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”

„U steekt er den gek mee!”

„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken.…”

„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.

Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.

„.… Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”

Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.

Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken, of wàt was het eigenlijk?

„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”

„Hoezoo?”

Dat was nu ook een vraag! dacht hij.

„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van niemand anders zou hebben verdragen.”

„Van niemand anders dan van.…?”

„Uw vader.”[177]

„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in een Franschen roman.”

Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.

Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.

Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.

„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.

„Waarom zou ik ’t zijn?”

„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg ook, en als.…”

„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel: als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken elkaar.”

„Mag ik?”

Hij was eenpartner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde doen.[178]

„Wat?”

„Mij aan uw voeten werpen.”

Haar gezicht betrok.

„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”

„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”

Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in staat wezen.

„Nu dan?”

„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”

Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.

„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.

Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden gegrift.

Zij leefden als duifjes.

Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd, maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.

Hij had inderdaadgeleerdvan haar te houden. Zij was goed, lief en aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.

Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat[179]afleiding te verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.

Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen kwam eten.

Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bijhemkwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.

Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden; hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het paardenvolk.

Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven voortduren!

Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat vond hij aardig.

Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen; de lasten zijn voor den vader en de moeder.

Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.

„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.

„Neen.… Zij schrijft zelden.”

„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet[180]schrijft,” meende Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”

„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje gemaakt door Italië.”

„Ja, dat hebt u me al verteld.”

„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te zetten naar Parijs.”

„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”

„Vermoedelijk.”

„En amuseeren ze zich nogal?”

„Daarvan schrijft ze geen woord.”

Men zweeg.

’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.

„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel Europa door.”

Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.

Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.

Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad met njootje op den arm.[181]

„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”

Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek hield.

„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”

„Ja, zoo dom ben je.”

Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.

„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”

„Hoe niet?”

„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”

Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich niet wilde laten foppen, dan meende hij hetbetoel, maar dan was er van haar kant ook geen sprake van gekscheren.

„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”

„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang.…”

„Bent u niet bang?”

„Natuurlijk niet.”

„Nu,ikben het wèl. Ik weet niet wat het is.…”

„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.… ik zou haast zeggen aan het onbeschaamde grenst.”

„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ikvrees, dat zoo iets mezou kunnen overkomen, nu[182]noemt u me onbeschaamd.… Hoe denkt u over uzelven, pa?”

De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn kleinkind om de ooren wilde slaan.

„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe de mannen over het algemeen zijn.A fondzijn het cynische wezens, die hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank drinken, en ze vervallen tot.…”

„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat jebangwaart. Nu,datvind ik verschrikkelijk.”

„Ja.… ik ook.… maar het is toch zoo.”

Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk zien aan zijn gezicht.

„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”

„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen lust toe, en u bent het ook niet waard.”

„Maar dat is een grofheid, die.…”

„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen[183]mijzelve en ik heb overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds.…”

„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”

„Soedah, het was ernstig.”

„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld en het speet me toen.”

Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:

„Het spijt me nog.”

„Spijtendoet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo weinig gescheeld.…”

„Wat?”

„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan een schoonvader.”

„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”

„Dat hebikgedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is zij ten minste gelukkig.”

Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.

„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat datis, weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de fabel.”[184]

„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen overdenman maar rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke pessimistische praatjes overdenman gehoord. Een arme drommel mag zich weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei, je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”

Zij streek peinzend haar golvend haar weg.

„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft, ja?”

„Niets liever.”

Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms misnoegd aan.

Daarom betoomde hij zijn ijver.

Wel volgden zijn oogen het mooie vrouwtje ’t grootste deel van den dag, maar hijzelf stond niet meer zoo vaak met haar te praten en hij hield zich zelfs van de geheele club verwijderd.

De „club” zag het, en ’t was een geschikt onderwerp voor fluisterend uitgesproken praatjes, die weldra ook de andere passagiers bereikten.

En wat die daarin een genoegen smaakten!

’t Was immers een onderwerp van gesprek, en men begon daar, nu de reis ten einde liep, bitter verlegen om te raken.[185]

Louise zag genoeg om te bespeuren dat zij besproken werd.

„U moest me wat minder met uw aandacht vereeren,” zei ze tot haar vader. „Het loopt zoo in het oog en de menschen spreken er over.”

Hij wilde verwondering veinzen, maar bedacht zich.

„Ben je dan niet meer bang?”

Zij lachte.

„Neen, pa. Ik begreep wel dat hetdatwas. Ga maar gerust een partijtje schaken met den commandant. Het is komiek. Ik heb u nog nooit in zoo’n zorgvolle rol gezien als de laatste dagen.”

„Spot maar niet,” bromde de dokter. „Je hebt me ongerust gemaakt met je praatjes.”

Ze gaf hem een kus, met tranen in haar oogen, en daarna een zachten klap op zijn gezicht.

„Je bent erg mal, pa.”

Met dat al dankte dokter Van der Linden den hemel toen ze te Napels waren. Hij roerde het onderwerp niet meer aan, maar zeker van zijn zaak was hij niet.

Och, het was geen zedigheid die hem beheerschte. Volstrekt niet. Hij had geen vooroordeelen en was goedhartig genoeg om aan elk mensch te gunnen, wat, menschelijker wijze gesproken, hem of haar toekwam.

Het eenige was: de wereld.Diemoest men ontzien;danhield men zijn fatsoen. Nadat hij zijn bewaking van Louise had gestaakt, was er weer toenadering geweest tusschen de jonge vrouw en den zee-officier, en.… „die blikskatersche zeelui,” dacht de dokter, „vertrouw ik niet verder dan ik ze zie.”[186]

Hoe dan ook, hij voedde twijfel. Er waren briefjes gewisseld, dat wist hij vrij zeker, en het kon heel goed zijn dat er meer was gebeurd, zonder dat hij ’t wist.

Goddank, daar was Napels!

Als men maar eenmaal voet aan wal had, dan was alles gedaan, meende hij, en dan kon hij geruster zijn.

Daar strekte zich het prachtig donker groen omlijst panorama uit. De passagiers waren verrukt, voor zoover ze gezond waren. Iedereen had het druk met pakken; iedereen sprak over de schoone vroolijke stad, die zoovelen verrukte, maar nog nooit iemand er toe had gebracht het „Voir Naples et puis mourir” in de practijk toe te passen.

„Waar gaan we logeeren?” vroeg Louise.

Haar vader keek haar wantrouwend aan.

„Dat weet ik nog niet.”

Dezelfde vraag werd hem gedaan door den kolonel en anderen, maar de dokter antwoordde ontwijkend, en toen Van Hoven het vroeg werd hij nurksch.

Dokter Van der Linden had zijn plan, dat hij in alle stilte wilde doorvoeren.

Aan den wal nam hij een gids en sprak zacht met hem. Hun koffers werden op een impériale geladen en men reed weg. In plaats van voor een hotel, hield men stil voor een spoorwegstation.

Louise stapte uit en keek verbaasd rond.

„Wat beteekent dat?” vroeg ze bleek en met vast opeengedrukte lippen.

„Niets. We moeten een klein eindje sporen om aan ons hotel te komen.”[187]

„Zijn er dan dichtbij geen goede hotels?”

„Neen.”

Een half uur verliep.

„Ik vraag u nog eens, pa,” fluisterde zij hem woedend in het oor, „watmoet dat beduiden?”

„Alleen, dat we op weg zijn naar Rome. ’t Is nog zoowat zes uren sporens.”

„Dat is schandelijk, dat is gemeen.”

„Hm?”

„Ik ga dadelijk terug.”

„Dat doe je niet, Louise. Napels kan je altijd nog zien. We hebben tijd en geld genoeg om er desverkiezende drie maanden te vertoeven.”

„Maar ik begrijp volstrekt niet, pa, waarom u zoo’n willekeurigen en onaangenamen maatregel hebt genomen. Het komt niet te pas. Ik ben geen kind dat men meeneemt, waarheen men wil. Het lijkt wel of we van boord zijn gevlucht!”

„Dat zijn we ook.”

„Zijn we gevlucht?”

„Ik ten minste.”

„Maar waarom?”

„Louise,” zei hij met deftigen ernst: „ik was bang.”

Zij wendde het hoofd af en keek zwijgend naar de schrale boomgaarden en slecht onderhouden groentetuinen, die ze voorbijstoomden. Haar boezem zwoegde heftig onder het eenvoudig grijzen reiskleedje dat ze droeg. Njootje sliep op den schoot van de baboe, die in haar schoenen, welke ze voor het eerst droeg, zat te transpireeren van de pijn.[188]

Dokter Van der Linden las ijverig in een Baedeker, dien hij zich voor zijn vertrek uit Indië had aangeschaft.

Na een half uurtje vroeg hij uiterst vriendelijk zijn dochter of ze niets wilde gebruiken. Zij schudde van neen met het hoofd.

Een beetje later werd de kleine jongen wakker en begon dadelijk te dwingen om bij den dokter te komen, maar deze weerde het kind voor ’t eerst van zijn leven en met een bloedend hart vrij ruw af.

Louise keek op alsof ze uit een droom ontwaakte en nam ’t kind op haar schoot.

Wat scheelde haar vader? Was hij gek geworden? Zij wilde hem nu niets vragen, maar te Rome was zij het die de conversatie begon, met de opmerking, dat dit smerige spelonk onmogelijk de „stad der steden” wezen kon.

„Je kunt er nog niets van zeggen, Louise. Ik heb Rome vroeger gezien, en bij den eersten aanblik dacht ik er net over als jij. Later werd dat beter en leerde ik het schoone waardeeren.”

„Het is mogelijk,” antwoordde ze verstrooid. „Ik zal blij wezen als we onder dak zijn.”

Een half uur later strekten ze hun vermoeide leden met welgevallen uit in een ruim bed, dat op vasten bodem stond. Och, dat is voor landrotten zoo’n zaligheid na een lange zeereis!

Zij bereisden Italië. Dokter Van der Linden zag met vreugde dat zijn dochter de Koninklijke Nederlandsche Marine uit haar hoofd had gezet en zijn critische, geoefende blik bespeurde geen verschijnselen van gestoorde gemoedsrust.[189]Van Hoven zelf was na twee dagen toevens en vruchteloos informeerend naar het verblijf van mevrouw Van Velton,teroesdoor naar Holland gespoord; zijn geld was op;c’est tout dire.

Te Weenen amuseerde men zich uitstekend, en ze zouden er langer zijn gebleven, als de menschen, waarmee ze kennis maakten, er niet zoo bijzonder lief waren geweest; zóó lief, dat zelfs de K. N. M. er niet bij kon vergeleken worden, en dat maakte den dokter weer bevreesd.

Daarom gingen zij op zijn voorstel naar Parijs, dat voor Louise veel aantrekkelijks had, doch aan haar hoog gespannen verwachtingen niet geheel beantwoordde.

Zij vond het al te druk en de dokter was dat volkomen met haar eens.

In Holland beviel het hun ook niet. De weinige bloedverwanten der Van der Linden’s waren stijve, saaie lieden in hun oogen, en daarbij bekrompen en krenterig. Maar zij kwamen heel dikwijls te visite en dronken gaarne des dokters lekkere sherry, rookten met genoegen zijn havana’s, accepteerden zeer gaarne de cadeautjes van Louise, ook voor hun vrouwen en kinderen; maar nooit dacht een hunner er aan de familie uit Indië eenige andere attentie te bewijzen dan door van haar voor onbepaalden tijd geld te leenen.

Dit harteloos egoïsme stuitte vooral Louise tegen de borst. Zij had wel een geschenk van duizend gulden willen geven aan hem of haar, die uit vrije beweging haar kind een pop van een rijksdaalder had geschonken.

Maar dat gebeurde niet; de „goede” lieden dachten er niet aan. Indië mocht niets kosten. Integendeel. Zóó luidt de[190]Nederlandsche traditie, en dat besef is volkomen ingevleescht.

Van der Linden waagde een onderstelling.

„Als we eens te Brussel gingen wonen?”

„Is het daar aardig?”

„Zeker. Trouwens je bent er zelf geweest.”

„Een dag, doortrekkende. Dat is niet genoeg om te oordeelen. Ik bedoel ’t voortdurend verblijf.”

„Ja, ’t is een lieve stad. Het is een afschaduwing van Parijsche chic, maar dat wordt getemperd door den aard van het volk. Brussel heeft iets huiselijks, en daar houden wij Hollanders van, ook al zijn we lang in Indië geweest.”

„Mij is het goed.”

„Erg prettig schijn je het idée niet te vinden.”

„Toch wel. Al ware het alleen om verlost te wezen van onze nare familie.”

Terwijl zij in Holland deze plannen maakten, zat Van Velton op zijn kantoor aan de kali-besar te Batavia.

Het was Zondag-ochtend.

In geen jaren was het gebeurd dat hij des Zondags werkte, maar dien ochtend was het geweest alsof hij werd gejaagd naar zijn kantoor.

Loopende zaken deed hij niet. Één voor één opende hij de kastjes van zijn lessenaar, haalde er den inhoud uit, keek dien door en scheurde de grootste helft der brieven en nota’s aan snippers. Na deze soort van auto-da-fé ging hij weer huiswaarts en deed daar hetzelfde in zijn kantoor.

Hij was zenuwachtig en gejaagd.

Een hoogst onaangenaam gevoel had zich reeds den geheelen[191]nacht van hem meestergemaakt. Nu en dan had hij geslapen, maar telkens was hij weer wakker geworden en gevoelde zich diep ellendig. Hij ging op zijn bed liggen, sluimerde in, doch werd na een paar minuten weer wakker met snijdende pijn in de ingewanden.

De kleur van zijn huid was vaal; zijn oogen en zijn geheele lichaam schenen ingezonken. Toen de dokter kwam en hem aanzag, bespeurde hij in een oogwenk wat het was. Dadelijk werden er geneesmiddelen gehaald en was voorloopig aangewend wat dienstig wezen kon.

Ook zond de dokter om Fournier en Hortense, die hun vrees overwonnen en kwamen.

Van Velton was zich, ondanks de ondraaglijke pijnen en het hevig verloop der ziekte, volkomen bewust van zijn toestand. Hij verbood uitdrukkelijk zijn dochter of zijn schoonzoon toe te laten.

Tusschen duim en wijsvinger der rechterhand nam hij de bovenhuid van zijn linkerhand, kneep die zacht in een plooi en liet toen los. De plooi bleef staan; alle veerkracht scheen uit de huid verdwenen.

Hij keek den dokter ernstig aan.

„Het is uit, nietwaar?”

„Men kan niet weten.”

„Maak mij niets wijs; het is gedaan.”

In de voorgalerij zat Hortense bitter te weenen. Fournier liep in zenuwachtige onrust heen en weer; de bedienden slopen rond met verschrikte gezichten. Niets stoorde de doodelijke stilte in het groote huis dan nu en dan Hortense’s gesmoord snikken.[192]

De portière voor de binnendeur was dichtgeschoven; ze werd zacht geopend.

„Meneer Fournier, wil u even hier komen, asjeblieft?”

„Wel?” vroeg de advocaat zeer bleek en ontsteld.

„Hij is dood. Ik condoleer u.”

Fournier boog het hoofd. Het was toch vreeselijk! Dat is de dood op zoo’n wijze altijd.

Het was voor Louise Van Velton niet noodig lang te tobben over de vraag of ze al dan niet te Brussel zou gaan wonen. De dokter had het terecht gezegd: zij hadden tijd en geld; dat was het voornaamste. Het speet de familiezeer, volgens haar zeggen, en dokter Van der Linden werd aangezocht, wel niet rechtstreeks, maar toch erg duidelijk zijdelings, om een afscheidspartij te geven; licht dat men er dat nog van had!

Het was er zeer geanimeerd. Louise was in haar humeur; ’t vooruitzicht van weg te gaan uit Holland streelde haar.

Te midden van het fijn soupeetje, dat dokter Van der Linden ’s morgens met een glimlach tegen Louise had doen zeggen dat het ’t galgenmaal was zijner familieleden, werd hard gescheld, en een oogenblik later kwam er een telegram van een Amsterdamsch handelshuis aan den dokter.

„Volgens telegrammen uit Indië is heer Van Velton eergisteren plotseling overleden. Firma verzocht u te seinen.”

De oude heer verbleekte en zag zwijgend in het rond. Natuurlijk waren aller oogen op hem gevestigd. Zoo’n telegram was een évènement.

„Wat is het?” vroeg Louise.[193]

Hij bedacht zich een oogenblik.

„Niets. ’t Heeft niets te beduiden,” zei hij geruststellend, en vouwde langzaam het telegram dicht, waarna hij het in den zak stak.

Toen ’s avonds laat de gasten naar huis waren, vroeg Louise, die wel gezien had dat er iets niet in den haak was:

„Vertel me eens pa, wat stond er in het telegram?”

„Hm! Als Van Velton iets overkwam, zou je het je dan erg aantrekken?”

„Iets overkwam? Wat kan hem overkomen?”

„Wel, drommels, hij is geen buitengewoon schepsel, en staat ook bloot aan allerlei; aan ziekte.… enzoovoort.”

„Ziekte.…” Een oogenblik keek ze weifelend en in afwachting van wat er volgen zou, rond.

„Is hij dood?”

„Ja.”

„Goddank!”

De dokter fronste de wenkbrauwen. Hij was nog eenigszins een man van vormen en vond dat Louise, al meende zij het zoo, het niet zóó had moeten zeggen. Het was hem te kras.

„Foei,” zei hij streng. „Je moest je schamen.”

„Waarover?”

„Je moest begrijpen, dat je eenverlieslijdt. Al hieldt ge niet van Van Velton,—hij was toch je wettige man.…”

„Tot mijn leedwezena peu près?”

„Hè?”

„Hij keek nooit om naar ’t kind; hij haatte het. Wat beduidt zoo’n vader?”

„Veel. Een vader beduidt altijd veel, omdat hij de natuurlijke[194]beschermer is zijner kinderen en hun een positie geeft in de maatschappij.”

Zij barstte in een zenuwachtig lachen los, dat lang aanhield en den dokter eenigszins ongerust maakte.

Daarna richtte ze zich fier op en nog met tranen van het lachen in de groote zwarte oogen, zei ze op haar stelligsten toon:

„Een vader kan veel zijn voor een kind, maar ook letterlijkniets, en zelfs minder. Ik lach wat om die „natuurlijke bescherming.” In dat opzicht kan geen vader een moeder evenaren als zij de vrije hand heeft. Een vrouw laat alles na om haar kind en offert er alles voor op. Het scheelt een man wat of hij kinderen heeft of niet! O, ik zeg dat niet voor hen die moeten zwoegen en werken voor hun huisgezin, maar daarvan is geen quaestie bij ons. Ik heb zelf geld en ik zou mijn kind opvoeding en positie beiden kunnen geven, ook al had het geen duit van vaders zijde.”

„Niet waar, Louise; ’t is niet waar! Doch ik wil er niet verder over twisten. Ik ben ook blij dat ge van dien hatelijken band ontslagen zijt; maar voor de wereld moeten we hetdecorumbewaren. Ik zal een advertentie opmaken.”

„Waarschijnlijk met: „mijn geliefde echtgenoot” er in, en mijn kind, „dat te jong is om zijn verlies te beseffen.… Ik waarschuw u, papa, doe het niet.”

„Wieslief, het behoort zoo. Wees nu eens kalm en verstandig.”

„Ik wil zoo verstandig niet wezen, pa. Als u het durft te doen, dan plaats ik een contra-annonce.”

„Dus zou je schandaal maken?”

„Neen, dat zoudt u met zoo’n gemeen huichelachtig ding. Ik moet er niet van hooren, pa. Wilt u ook misschien een[195]zwarten band om uw hoed gaan dragen? Zullen we niet rouwen, pa? Zullen we niet voor kleinen njo ’n zwart pakje laten komen en dan met ons drieën gaan paradeeren langs den weg als de treurende familie, die asjeblieft de aandacht vraagt van het publiek voor haar uitgemonsterde smart? Zullen we niet.…”

„Louise, maak je toch niet zoo verschrikkelijk zenuwachtig.”


Back to IndexNext