„Ha, ha! Ik ben vrij, paatje, hoe heerlijk. Ik had er nooit aan gedacht, dat hij zou gestorven zijn. Het is maar goed ook dat ik in Indië er nooit aan heb gedacht.”Haar vader liet haar alleen. Er was niets aan te doen; ’t was niet mogelijk haar tot kalmte te krijgen.„Naar Indië, naar Indië!”’t Was het eerste denkbeeld, dat haar als ’t ware betooverd hield.Zij stond midden in haar kamer toen haar vader wegging om den storm te laten bedaren.Vrij! Een slavenketen kon niet met grooter zielsgenoegen worden afgeschud.Onbeweeglijk bleef ze staan als altijd, wanneer haar veel gedachten door het hoofd kruisten; naarmate haar geest werkzamer was, scheen haar lichaam meer onder een biologeerenden invloed te komen.Welk een plotselinge verandering! Die man, Van Velton, aan wien ze nog ’s morgens niet zonder haat en afschuw kon denken, maar aan wien ze zich door een geweldigen, onverbreekbaren band voelde verbonden, was nu weg; verdwenen.… voor goed.… voor altijd!En onmiddellijk naast dat gevoel van vrijheid daagde een[196]ander op van diepe ellende. Het was de gedachte aan Fournier, nu gehuwd mèt Hortense.Gehuwd, door haar drijven!Verloren, door haar eigen schuld!Wild streek ze met haar fraai gevormd bruine handje de krullende haren weg, die naast en op haar voorhoofd dartelden.Ze zou teruggaan naar Batavia, als haar vader wilde, met hem,—zoo niet, dan zonder hem. Maar teruggaan zou ze. Hortense kon immers ook sterven!Wie weet!Dokter Van der Linden was kalm naar zijn kamer gegaan en had daar een tien minuten zitten pikiren. Toen had een glimlach ’teureka! geteekend op zijn gezicht. Hij nam twee velletjes papier en schreef op het een:„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.Eenige en algemeene kennisgeving.”En op het andere:„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C. Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door mij en de kinderen aan hem wordt verloren.Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,V. d. LINDEN.”Met deze twee aankondigingen ging de dokter den volgenden ochtend naar het huis van een der mede-eigenaren van het[197]plaatselijk nieuwsblad, en na gemeen overleg bleek de typographische en expeditieve mogelijkheid om de eerste annonce op te nemen in één enkel nommer der oplage van dien dag, welk exemplaar dan zou gezonden worden aan de weduwe; in de overige oplaag zou de tweede advertentie worden geplaatst.’s Avonds, na het eten, werd de courant gebracht. De slimme trek verscheen weer op ’t gezicht van den dokter, maar week daarvan toen hij de geweldige verandering zag op Louise’s gelaat, toen ze de courant had ingezien.Was het nu nog niet goed?Doch ten spijt van ’s dokters berekeningen omtrent de typographische en expeditieve mogelijkheid, had een domme rondbrenger ’t verkeerde exemplaar afgegeven.Dokter Van der Linden begreep dat wel niet direct, maar hij durfde toch niets vragen.Zonder een woord te spreken stond zij op en ging naar haar kamer. Toen keek hij ’t blad in en stond verstomd. Een kleur van woede en ergernis kwam op zijn gezicht; hij greep zijn hoed en liep de straat op.Onderweg ontmoette hij een „bloedverwant.”„Ik ging juist naar u toe om u te condoleeren.”„Zoo; ik heb geen tijd.”„Tevens wilde ik u zeggen dat ik de annonce.…”„Nu?”„Ziet u, wij zijn hier in Holland niet gewoon zulke advertenties te plaatsen, wanneer het iemand betreft, die ons zoo na bestaat.”„Ah zoo.… Hebt u de courant bij u?”[198]„Neen, hoe zoo?”„Ligt die bij u thuis; kan ik ze krijgen?”„Welzeker, maar.…”„Och, doe me een genoegen en laat ons geen tijd verliezen, geef me uw courant.”„Met pleizier.”Een kwartier later was de dokter weer thuis; hij tikte aan de kamer van Louise, die open deed.„Kom,” zei hij vroolijk, „’t was maar gekheid, Wies. Ik heb je wat willen plagen, maar je bent tegenwoordig zoo akelig serieus. Hier heb je de ware advertentie. Kijk die eens in!”Ze glimlachte.„Je bent een echte plaaggeest, pa. Maar in dit geval was het toch te erg. Weet je wat, we moesten maar weer naar Batavia gaan.”„Naar Indië!.… Ik in der eeuwigheid niet, hoor. Ik begin hier pas ’n beetje te gewennen.”„Dus wilt u in Europa blijven?”„Natuurlijk.”„Soedah!Maar ik ga terug.”’t Was eenslagvoor hem. Wat was dat nu weer voor een mal idée. Wat in ’s hemels naam moest ze in Indië doen?„Louise,” zei hij ernstig, „laat ons er nu nog niet zoo gedecideerd over spreken. Onze koffers staan gepakt voor Brussel, waar ik reeds alles heb besteld. Als we nu eerst dáárheen gaan, dan zijn we hier uit den rommel en kunnen op ons gemak bespreken al wat we verder zullen doen en laten.”[199]Zij haalde de schouders op.„’t Is mij wel, pa. Een maand vroeger of later is voor mij de quaestie niet; maar wegaannaar Indië, dat verzeker ik u.”Mistroostig ging hij heen. ’t Was waar dat Europa hem nu juist niet meeviel; ’t was er vaak kil en ongezellig. Toch had hij er zoo zijn „draai” gekregen.De kleeding, het eten, de levenswijze, de talrijke openbare vermakelijkheden,—dat alles was niet zonder invloed op hem gebleven; hij begon zich in de EuropeescheSchwunglangzamerhand weer thuis te gevoelen.En Brussel vooral trok hem aan; die lieve stad voor menschen van elken leeftijd, maar bovenal voor bejaarde heeren, die op geenpièce de vingt francsbehoeven te zien!Neen, het was ronduit gezegdabsurdenu weer naar het warme Oosten terug te keeren, en wat er ook mocht gebeuren, zooveel was wel zeker, dat hij nooit weer daartoe komen zou.Het was Van der Linden voorloopig alleen te doen om uitstel van executie. Twee dingen stonden bij hem vast: naar Indië kon noch wilde hij teruggaan, en van zijn kleinzoon wilde noch kon hij scheiden.Met geweld viel tegen Louise niets te doen; een scène hielp niet en viel bovendien maar zelden in zijn voordeel uit.Tijd winnen—dat was alles!„Paatje,” zei Louise in den sneltrein van Antwerpen, „hoelang zullen wij te Brussel blijven?”„Wel.… een maand of zoo.”„Hoelang is:of zoo?”[200]„Dat hangt er immers van af in hoever het ons bevalt.”„Ik wilde u alleen maar zeggen, dat ik vóór den West-moesson te Batavia wensch te zijn. U kunt het overigens inrichten zooals u wilt.”Haar vader drukte de lippen opéén en keek mismoedig uit het portierraampje naar de dwergachtige pereboompjes, die den spoorweg omzoomden. Was ze maar arm! Hij had zijn drie ton solide belegd, en hij verteerde toch persoonlijk de rente niet van dat geld. Waaraan zou hij het uitgeven? Konden ze daar niet ruimschoots van leven? Wat zou het heerlijk zijn geweest, dacht hij, als zefinantiëelvan hem afhankelijk was geweest en hij de man was, die de opvoeding vanhetkind mocht bekostigen.Hij zou haar dan die aardigheden wel hebben afgeleerd, al was ze nog zoo lastig van humeur.Maar wat kon hij tegen de rijke weduwe, die naast hem zat en wel tweemaal zooveel fortuin bezat als hij?’t Was niet netjes, dat voelde hij, maar toch had hij iets willen geven als die firma van Van Velton eens onverwacht over den kop was gegaan.„Waaraan denkt u?” vroeg ze.„Aan jou, Louise. Ik wou dat je arm waart.”„Heel vriendelijk.”„Ik heb genoeg voor ons en voor ’t kind.”„Geld is een goed ding, paatje. Wij hebben numeerdan genoeg, ’t Is zoo gemakkelijk.”„Ja, voor mij is dat al heel aangenaam! Ik kan op mijn leeftijd niet meer naar Indië gaan, en jijwiltme het verdriet aandoen om me alleen achter te laten.”[201]„Is het u ernst, pa? Blijft ubetoelin Europa?”Hij maakte een gebaar met hoofd en handen zóó duidelijk en zóó wanhopig, dat het Louise een glimlach afdwong.„Nu, dan zult u niet alleen achterblijven.”Vol blijde verrassing zag hij haar aan.„Neen, als u denkt datikblijf, dan hebt u het mis. Ik laat u.… kleinen njo, en.… ik gaalleennaar Indië terug.”Zij zag dat hem deze nieuwe wending pijnlijk aandeed.„Ik begrijp je niet,” zei hij aarzelend.„Dat is ook niet noodig, pa. Ikheb mijn plan. Ik kan het uitvoeren als u ook meegaat, maar als ik alleen met het kind ga, dan wordt het me zeer moeilijk.”„Wies, Wies, kan je het kind verlaten?”Zij zag hem aan met een kouden, donkeren blik.„Het kind laat ik bij zijn grootpa achter, die het liefheeft en er voor zal zorgen.Ikzou mijn kind niet achterlaten bij een slecht wijf, dat er van maakte wat ze er alleen van maken kon: een zoo bedorven schepsel als ze zelve was.”Onder het verwijt boog hij het hoofd.„Het was bij haar moeder.”Driftig haalde Louise de schouders op.„Zooals mijn hond de moeder is van haar jongen, en.… minder zelfs.”Dat ze heenging als ze hem ’t kind achterliet, was voor den dokter nu zoo’n groot verdriet niet. Het zou hem ontheffen van de plak, waaronder hij zoo geducht zat, zóó dat hij nooit van „la reine, ma fille” iets gedaan kon krijgen, zooals hij het wilde, of het moest door list en foppage geschieden.[202]Doch hij vreesde voor dat plan!Bij haar aard en wijze van handelen vreesde hij dat ze allicht tot daden kon komen, die hem minder geschikt schenen en het ergste deden verwachten.Intusschen viel er niets aan te veranderen.Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet welkesinisteredingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.Maar de tijd verstreek.Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen overal en gingen veel uit.Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht, althans er niet verder van sprak.Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al passage voor me genomen?”Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een jongen en gaf onverholen haar spijt er[203]over te kennen. Fournier, die in stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend op wijlen Van Velton geleek.De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar, maar onvoldaan.Zeer langzaam herstelde Hortense.Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar frisch en lekker.Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de week naar haar toe, somtijds te paard.Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw. Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t Was geen gewoonte tusschen[204]hen elkaars brieven open te maken. Voor zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de verzoeking sterk.Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er in dien brief staan?Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hemvoeldezitten.Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.„Lieve Hortense!„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping;il va sans dire, dat de overjouhart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaalnietmet een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je,[205]als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op deNederland, maar ik ga niettemin met deMessageries.„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd vanjeLouise.”Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen, opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij precies genegeerd als wijlen Van Velton.Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.„Egoïste,” dacht hij.Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te lezen stond, sprak hetje ne sais quoitot hem, dat van Louise[206]Van der Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij van het optrekje afwachtte.Hij kuste haar en vroeg:„Hoe gaat het?”„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”„Hoe is het met den eetlust?”„Ik heb nergens trek in.”„En hoe maakt het ons baby-tje?”„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.Het was om ontmoedigd te worden.Altijdwas het wat; ’t was pijn hier en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap. Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de zijne.Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en maakte hemdown.Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en, na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel ’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem voor[207]dat hij een roofdier was en datzijnlevenhaarleven had opgegeten.Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans op verbetering.Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!En te negen uren naar bed!„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”„Het is onbegrijpelijk!”„Heb jij haar geschreven?”„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes weken geleden.”Hij ontkleedde zich en ging slapen.Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek, strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij[208]las den brief van Louise, dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense, die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel genomen om haar te laten afborstelen, en.… had den brief gevonden.Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij maakte.„Wat beteekent dat, Gérard?”Hij glimlachte als een kiespijnboer.„Ik heb je dien brief nietwillengeven.”„Waarom niet?”„Het is een ongepaste manier van schrijven.”„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar humeur.En Fournier niet minder.Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit bleek dat hij haar erg onnoozel vond.Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen, en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.[209]„Och, zoo!”„Is het niet goed thuis?”„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”„Ja-a-a,” zei deold-bachelormet die langgerekte a, waaruit men duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:„Ze was nooit sterk.”„Neen, dat was ze ook niet.”„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfspur sangEuropeesche meisjes niet als kind.”„Ik zou niet weten waarom.”„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier,mon cher. Je ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn meest geliefde manier van rooken was.„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie[210]doet me in zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar anders.…”„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er de gevolgen van?”„De gevolgen?”„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”„Dan.… welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in Holland is?”„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg: egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd, doet er niets toe!”„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”[211]„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”Fournier haalde de schouders op.„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons „plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven heel wat aangenamer is.”„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën! Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze wil.”„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde, werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen wil en dank neersloeg.„Is het je ernst, Gérard?”„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar[212]als het in het belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb ik me beklaagd, Gérard?”„Neen.… maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”„Waarom wil je me dan weg hebben?”„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch in ’t hoofd?”„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.… niets.… niets hoegenaamd. Ik vind het.… zóó verschrikkelijk!”Zij weende.Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigenloisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”Zij wischte haar tranen weg.„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot is, maar zonder jou ga ik niet heen”Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom, maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over[213]spreken. Ik heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het doen.”Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ikkanniet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet anders.”„Laat ons er niet meer van spreken!”„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”„Neen!”„Aanhaar.”Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij er niets van snapte.„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en dat ik toch had moeten weten.”„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke malligheid in ’t hoofd gehaald.”„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”[214]’t Was een pijnlijk oogenblik.Hij kon niet zeggenwathet was;NUniet meer. De waarheid heeft haar tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t moeilijk haar te bekennen.Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; deheelewaarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die ze nooit had kunnen vergeven.Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom glimlachte hij slim en medelijdend.„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense, tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar Holland te zenden. Is het waar of niet?”Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulkesoupçons.”Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar half.In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat ereen schijntegen hem was, en zijn[215]beroep had hem de volle overtuiging geschonken, dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.En toch had Droz gelijk gehad!Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze zich ten volle overtuigd.En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van dieLieder ohne Worte, die elke vrouw kent.Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen; waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze hem kon aanbieden!En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Zemoesthet wel wezen! Een vrouw die kon levensans reprocheop de wijze als zij geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.[216]De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was één reusachtige modderpoel.Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht, beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet uitwoei dat regende uit.E per se muovekon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed van de aarde.Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en honderden Europeanen in dichte rijtuigen.Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was gezet.Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn, voldaan.Hortense wastant soit peuhersteld van boven gekomen en had haar woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.[217]Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met haar kind op den arm ging ze naar voren.Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en omhelsde haar hartelijk.„Dag Stance, hoe gaat het?”Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen, zonder dat iemand er van weet?”„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met „u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”„Soedah!je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop ik.”„Hoe dan?”„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met goed. Kan je me logeeren?”„Natuurlijk.”„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard, dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me daarin helpen.”De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haarfor intérieurgetroffen te zijn[218]over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles; voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind, voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!Zij raakten niet uitgepraat!De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.In Hortense’s boudoir zaten de twee damesen négligéte praten over al het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haarsiëstate denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den tred eens mans.Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met verwondering gade.„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met hun drieën wederom waren uitgeweest en zij[219]doodmoe op haar kleine sofa neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd: „jij ook.”Hij wist niet of hetondankswas often gevolge van, maar dàt was zeker:sedertLouise hen als het ware voorttrok van de eene visite naar de andere en noopte tot het geven van het eene avondje na het andere, was het of Hortense opleefde. Ze begon er beter uit te zien. O, het was haar dikwijls zoo moeilijk zich te kleeden, en ze had zoo graag ’s morgens nog wat te bed gebleven als het tijd was om op te staan. Maar ’s nachts en in den namiddag sliep ze lekker, zonder dat er van slapeloosheid of verveling sprake was. Voor het eerste was ze al te moe en voor het laatste had ze geen tijd.„Weet je wel,” ging Hortense voort, „hoe ze thuis altijd in sarong en kabaja liep? Eerst toen ik kwam werd er een beetje uitgegaan, maar vóór dien tijd kwam ze haast nergens.”„Het schijnt dat ze in Europa een dubbele dosis levenslust heeft opgedaan. Ons leven is nu heel anders. Kom je wel toe met het geld?”Zij lachte.„Ik houd over.”„Houd je over? En vroeger kwam je geregeld tekort!”„O, maar zij is ontzaglijk royaal.”Geheel tegen zijn aard en beschaafde manieren stoof Fournier op.„Je laat haar toch de gastvrijheid, die ze bij ons geniet, niet betalen?”[220]Verschrikt keek ze hem aan.„Mijn God, Gérard, wat scheelt je? Ik kan het niet helpen.”„Wat is dat? Kan je het niet helpen?”„Neen. Ik wilde eerst niet dat ze me geld zou geven. Doch zijwildehet en ik ben niet tegen haar opgewassen. Als zij iets wil, dan gebeurt het; dat was bij ons thuis ook altijd zoo.”„Hortense,” zei Gérard ernstig, „morgenochtend schrijf je op een stukje papier hoeveel ze je heeft gegeven. Ik zal dan geld meebrengen van het kantoor. Ik bezit Goddank genoeg om zulke dingen in mijn huis niet te veroorloven.”„Maar Gérard-lief, zijwilhet.”„En ik wil het niet.”„Ja.… maardankom ik ook zeker tekort.”„Je kunt zooveel van me krijgen als je noodig hebt, maar het geld geef je haar terug. Ik neem het ernstig kwalijk dat je het hebt aangenomen.”Hij was inwendig woedend. Geen karakter had toch die vrouw! Foei, hij had het niet geloofd als een ander het hem had verteld. ’t Was hem moeilijk den slaap te vatten; terwijl Hortense reeds sliep, zoo rustig als ’t maar kon, lag hij zich nog steeds te ergeren over het gebeurde.De slotsom was, dat hij het zijn vrouw half en half vergaf. Wat kon ook zulk een zwak hoofd tegen een vrouw alszij? Het was te dwaas om te verlangen dat de een tegen de andere zou zijn opgewassen. Maar ze had hethemkunnen zeggen, en voorts had Louise moeten bedenken dathijin geen geval zóó iets had kunnen toestaan. Als zij er dan voor Hortense geen beleediging in had gezien, dan[221]had ze moeten begrijpen dat het er een voor hem was.Den volgenden ochtend vermeed hij Louise en ging vroeger dan gewoonlijk naar de stad. Met een portefeuille vol bankbiljetten en een bezwaard gemoed keerde hij des middags terug. Hij zag er niet tegen op als advocaat de lastigste perkara’s aan te vatten en de kwaadaardigste tegenstanders te staan. De groote mond en de hatelijkste aanmerkingen van sommige collega’s vreesde hij volstrekt niet—’t was iets anders tegenoverhaarte staan inzulkeen geval.Hij behoefde niet lang te zoeken naar een geschikte manier om in conversatie te treden over de lastige zaak; zij stond hem reeds op te wachten in de voorgalerij.„Bonjour, schoonzoon, breng je geld voor me mee?”Hij beet zich van ergernis op de lippen.„Ja,” zei hij, „het doet me genoegen, dat u het zelf hebt ingezien.”„Wat?”„Dat het geen houding had tegenover mij.”Zij lachte hem uit in zijn gezicht, en haar kleine, witte tandjes schitterden daarbij als koralen.„Fournier, wat ben je achteruitgegaan!Mon Dieu, wat een stijf, ouderwetsch heer ben je geworden! Ik schaam me haast over onze parentage.”„’t Is mogelijk, maar het is niet anders,” zei hij, zonder zich iets aan te trekken van haar spotternij.„Neen, hetisniet anders, al had het anders kunnen zijn.”„Het is mijn schuld niet.”Ze zag hem aan met dien vreemden blik, waaraan hij, gelijk hij wist, moeilijk weerstand kon bieden.[222]„We dwalen af, Gérard. We moesten spreken over die nare quaestie van geld, nietwaar? Zeg het asjeblieft ronduit: wil je me weg hebben?”„Volstrekt niet. Het is een nieuwe beleediging dat van me te denken.”„Laat maar! Alles wat ik zeg, schijnt je te beleedigen; maarsoedah. Kijk eens, ik ben hier in het huis van.… mijnstiefkinderen.”Fournier hield het niet langer uit. De maat was vol. Al het verdriet, dat ze hem had berokkend, scheen zich plotseling om te zetten in bitterheid, en zóó hevig was het, dat hij voor een oogenblik alles vergat.„Het is niet noodig,” zei hij scherp, „mij daaraan te herinneren. Ik ben uw speelbal geweest en ge moogt u daarover verheugen. Als een echt bedorven Indisch meisje hebt ge uw grillen tegenover mij den vrijen teugel gevierd toen ik volkomen onder de betoovering lag van een schoonheid, waarvan door u schandelijk misbruik werd gemaakt. Het is nu gedaan en de betoovering is gebroken. Verspil niet nutteloos uw spitsvondigheden aan iemand, die het zich gelukkig niet langer waardig acht. Ik heb u liefgehad, zoals ik geloof dat zelden een man een meisje kan liefhebben. In alles heb ik me door u als aan een touwtje laten leiden, totdat ik ten slotte, als gebiologeerd, op uw aandringen de arme Hortense trouwde, zonder dat ik iets anders voor haar gevoelde dan de achting, die men aan een fatsoenlijk jong meisje schuldig is.”Louise was bleek geworden. Zij hield zich vast aan het marmeren blad van de tafel en zag hem verschrikt in het[223]gezicht. Zulk een uitval op een zoo heftigen toon had ze van hem het allerminst verwacht; hij, altijd zoo beschaafd en de goede vormen in acht nemend, stond daar nu voor haar met een brutaal gezicht en slingerde haar allerlei verwijten voor de voeten. En, wonderlijk toch, ze vond hem veel knapper van uiterlijk dan ooit te voren. Wat ze altijd had gevonden, was dat het hem aan iets mannelijks ontbrak; dat had haar getroffen, juist omdat hij haar overigens zoo na aan het hart lag.„Mij dunkt,” zei ze zacht, „dat je geen recht hebt om je te beklagen. Je hebt een gelukkig huwelijksleven; dat is meer danikooit gehad heb.”„Ik zal daarop niet antwoorden,” zei hij even brusk als te voren. „Voor Hortense heb ik veel te veel achting dan dat ik iets zou willen of kunnen zeggen dat beleedigend voor haar zou zijn. En als je haar wilt beleedigen door geld te geven voor een gastvrijheid, die ze nooit gewoon is geweest te laten betalen, dan zal ik haar verdedigen ook tegenover u.”Die laatste woorden maakten haar woedend.„Ei! Wel, je ben een galante ridder, Gérard! Het is waarachtig wel noodig, dat je die hoedanigheid in herinnering brengt. Ik heb medelijden met je!”„En ik kan niet zeggen dat ik zelfs dat heb met u. Hier is het geld terug, dat je aan Hortense hebt gegeven.”„Ikwilhet niet.”„Jemoethet terugnemen. Denk niet dat ik me door uw driftig verzet laat intimideeren. Ik heb het u gezegd; dat is voor goed uit.”[224]„Ikwilniet, Fournier. Neem dat geld van tafel of ik scheur het aan snippers.”Hij moest eerlijk erkennen, dat hem eenigszins de schrik om het hart sloeg. Hij was „man” genoeg om de waarde van het geld te kennen en te appreciëeren, en hij wist met zekerheid dat Louise van een kracht was om te doen wat ze zeide.„’t Is me onverschillig wat u er mee doet. Het is immersuwgeld en niet het mijne. Je kunt er mee doen wat je wilt.”Met één greep had ze het half uiteengeschoven pakje bankbiljetten gegrepen: ze trok, scheurde en rukte in een graad van woede, die Fournier hevig verschrikte en voor een zenuwtoeval deed vreezen.De fragmenten bankpapier vlogen door de voorgalerij; dat was hem te veel, hij deed een greep om nog te redden wat er te redden was, en kreeg met een klein gevuld handje een klap op zijn gezicht, dat hem duizenden sterretjes voor de oogen dansten.Hij stond verstomd. Hij zag dat ze de rest van het kostelijke geld in de grootste opgewondenheid aan snippers scheurde en toen de deur openrukte om de zijkamer binnen te gaan; daarop hoorde hij een harden schreeuw en liep ook naar binnen.Hortense lag doodsbleek op den grond. Bij het vallen had ze haar hoofd bezeerd aan den uitstekenden poot van een wipstoel en een vrij groote bloedplek op de fijne Palembangsche mat toonde dat ze zich had verwond. Louise had van een knaapje een flacon met eau de cologne genomen, en hield dien der bewustelooze onder den neus, terwijl ze haar slapen er mee wiesch.[225]„Ga weg!” beet ze Fournier toe, toen deze dichterbij kwam.En hij ging; hij sloop weg, als een geslagen hond, met een centenaarsgewicht op de borst. Wat hetnuworden moest, wist hij in het geheel niet meer, maar dat er verschrikkelijke dingen op til waren, vreesde hij wel.Gewillig liet Hortense zich naar haar kamer brengen en op haar bed leggen door Louise en de baboe. Zij weende in stilte, en Louise, die voorovergebogen stond aan het bed en wier hoofd ook op het kussen lag, achter dat van de jonge vrouw, vertelde haar alles. Zij deed het op zulk een innig lieven toon; er lag in geheel het verhaal zulk een gloed van echt vrouwelijk gemoedsleven; zulk een levendige herinnering aan doorgestanen strijd en geleden smart, dat de tranen van Hortense niet meer vloeiden, en zij, zich omkeerend, het donkere, droevige gezicht kuste, dat haar een half uur te voren dat van een vleesch geworden duivelin had toegeschenen.Het wondje door het vallen teweeggebracht, had niets om het lijf: toen het afgewasschen en het schrikwekkende „bloed” verdwenen was, bleek het hoogst onbeduidend te zijn.Inwendig was de schok vreeselijk geweest. Hortense kwam pas weer wat bij, en de geweldige ontroering, het groot verdriet, werkte zóó reageerend op haar nog zwakke gezondheid, dat ze hevige koortsen kreeg.Louise verpleegde haar trouw en trachtte van tijd tot tijd den indruk weg te nemen, door den afgeluisterden twist op de jonge vrouw gemaakt.Maar ’t hielp niet.Ze was bereid aan Louise te vergeven dat deze tegen haar[226]had gehuicheld; sterker nog, ze zou het Fournier hebben vergeven, dat hij haar niet had liefgehad; maar ze vergaf hem niet, dat hij haar had bedrogen.Dat was het standpunt, waarop zij zonder nadenken of redeneeren was geraakt, en niets was in staat het haar te doen verlaten.Met groote moeite gelukte het Fournier na eenige dagen toegang te krijgen tot de kamer zijner vrouw.Toen ze hem zag, werd ze nog bleeker dan ze reeds was en haar lippen trilden geweldig.Hij pleitte.Het was niet waar dat hij haar niet had liefgehad. Zijn genegenheid voor haar, zei hij, was reëel, maar van een anderen aard. Wat hij voor Louise had gevoeld, maar nu reeds lang volstrekt niet meer voor haar gevoelde, was meer een platonische liefde: van haar, Hortense, hield hij veel als vrouw. Louise Van der Linden had hem gebiologeerd; Hortense hem bevrediging geschonken.Hij werkte dit thans uit en raakte er bij op dreef. De klank van zijn eigen stem en de innige toon, waarop hij sprak, animeerden hem; vernuftige combinaties en gepaste tegenstellingen volgden elkaar op; stemmodulaties en fraaie effectvolle zinwendingen kwamen als vanzelf.—’t Was alles om niet.Zij hoorde het aan, en toen hij gedaan had met zijn pleitrede, schudde zij het hoofd met een droevig lachje. Voor een jury zou hij zijn pleidooi over het dualistisch karakter der liefde hebben gewonnen, zijn vrouw zei alleen:„Je hebt me bedrogen, Fournier! Ik geloof je niet.”[227]Het ergerde hem, vooral omdat hij overtuigd was dat zij de waarheid sprak. Maar het was ook een miskenning van zijn talent en dat was op zichzelven reeds onaangenaam! Daarbij: hij meende toch dat erietswaar was in zijn pleidooi! In het algemeen was het immers waar dat er sexueele en intellectueele banden bestonden, die scherp van elkaar gescheiden konden zijn; en als dat waar was in abstracto, dan was het dat zeker ook in zijn eigen concreet geval.Het was dom van Hortense dat niet te willen begrijpen en hem altijd maar te antwoorden met een afwijzend hoofdschudden en een beschuldiging van bedrog.Bedrogen! Honderden mannen, dat wist hij, bedriegen metterdaad hun vrouwen op de schromelijkste manier, zonder dat ze er ooit last van ondervinden. Wat had hij eigenlijk gedaan? Niets. Hij had nooit geofferd op andere altaren, dan zijn huisaltaar; al wat hij zich te verwijten had, was, dat hij in een onbewaakt oogenblik een mooie jonge vrouw, die met een oud man getrouwd was, in zijn armen genomen en gekust had.Het was zóó weinig—’t was voor een man haast om over te blozen, zoo weinig was het!En daarvoor werd hij behandeld alsof hij een verrader was. Zelfs zijn talent als advocaat was buiten staat geweest een verzoening te bewerken.„Je hebt me bedrogen!”—ziedaar alles wat hij ten antwoord kreeg.’t Was idioot!Hij verliet schouderophalend de kamer en ging ontbijten[228]in de achtergalerij, waar Louise Van der Linden den huiselijken schepter zwaaide.’t Was er keurig en keurig netjes en zijzelve verlevendigde alles met haar mooie oogen en haar figuurtje om te stelen, dat in sarong en kabaja nog honderdmaal sierlijker scheen dan in Europeesch toilet.Hortense was het niet in het hoofd gekomen om iets verdachts te vinden in het verblijf van haar man en haar jonge stiefmoeder onder één dak, terwijl zijzelve haar kamer hield.Fournier mocht haar bedrogen hebben en Louise verkeerd hebben gedaan met een huwelijk te koppelen, dat beter niet gesloten ware,—fatsoenlijkwaren ze, daar had ze den dood op willen ingaan.En bovendien, hij had het in zijn boosheid immers zelf gezegd: de vroegere bekoring was gebroken.In dat opzicht koesterde zij dus geen de minste vrees, en als zij den blik had gezien, waarmee Fournier Louise beschouwde toen hij met deze aan de ontbijttafel zat,—dan nog zou ze aan niets hebben kunnen denken.Zij wist hoe zuiver de levenswandel van Louise was geweest, toen ze met haar vader zulk een troosteloos huwelijksleven leidde; zij wist dat haar man, al den tijd dat ze getrouwd waren, zijn boeken binnenshuis had bijgehouden, en zij kon en wilde niet aannemen, dat iemand plotseling anders werd, dan zijn opvoeding, zijn beginselen en zijn fatsoen hem van der jeugd af hadden gemaakt.Mistroostig zette hij zich aan tafel. Het was geen leven, vond hij, op die manier. Hoe hij en Louise na het voorgevallene[229]weer met elkaar aan het praten waren geraakt alsof er niets gebeurd was, herinnerde hij zich niet meer; maar het was zoo.„Hoe is het?” vroeg ze op luchthartigen toon.Hij maakte een veelbeteekenende beweging met hoofd en schouders.„Wat zal ik je zeggen!”„Wil ze nog van geen verzoening weten?”„Er is geen denken aan.”„Dat prouveert niet voor je, Gérard.”Hij lei mes en vork neer en keek haar aan.„Ik heb alles gedaan wat ik kon.”„Niet meer?”Een oogenblik aarzelde hij.„Zelfs dat.”„Dan zou ik er mee uitscheiden.”„En haar met onverschilligheid.…”„Soedah, Gérard, wat ben je onuitstaanbaar traag van begrip vandaag. In dat opzicht ben je erg achteruitgegaan. Toen je nog jongmensch waart, vond ik het zoo gezellig dat je iemand was vandemi-mots,—tegenwoordig moet alles letterlijk voor je gespeld worden.”„Het is mogelijk. Ik heb vandaag ook in dat opzicht geenveine. Spel het dan maar, asjeblieft.”„Je moet Hortense niet meer aan het hoofd leuteren over die nare historie.”„En dan?”„Met haar praten over koetjes en kalfjes, net alsof er niets was gebeurd.”[230]„Alsof ze zich dat zou laten welgevallen!”„Natuurlijk zal ze dat. Wat denk je wel te bereiken met al het vergoelijken van omstandigheden, die nu eenmaal geweest zijn, zooals ze waren?”Hij zuchtte diep.„Voor ’t minst den huiselijken vrede.”„Die bestaat reeds. Er is hier niemand, die onaangenaam is tegen den ander. Geloof me, met praatjes bereikt men in zulke omstandigheden niets bij een vrouw. Integendeel: hoe meer men praat, des te wantrouwender wordt ze. Doe wat ik je zeg: vergeven doet ze toch, vergeten toch niet.”„Het is mogelijk.”„Het is nietmogelijk, Gérard. Als ik je zoo iets zeg, dan is het zoo; daar heb jij geen verstand van.”„Ik deed het in aller belang en tot bevordering van.… aller geluk.”Zij lachte zoo luid, dat hij er van schrikte, want het moest zelfs tot Hortense doordringen.„Geluk! Och, Gérard, ge zijt ook al zoo’n zwaarmoedige Hollander! Je denkt ook dat het geluk een olifant is, die honderd jaren oud wordt.Mon cher, het is een vlindertje dat men grijpen moet als men kan.… maar niet te lang vasthouden, anders gaat het beestje dood.”Fournier zweeg.Toen het ontbijt was afgeloopen stond hij op, nam zijn brieven en couranten en ging naar de stad. Zij vergezelde hem tot in de voorgalerij. Het was, vond hij, precies of ze man en vrouw waren. De gouden zonnestralen speelden door het dicht gebladerte; de veelkleurige bloemen en planten op[231]het voorerf zagen er zoo gezellig en vroolijk uit; het donkere ameublement ontleende zulk een fraai relief aan den marmeren vloer; de glanzende, zwarte paarden trappelden vroolijk voor het wachtend rijtuig,—en dan het mooie vrouwtje.… Wel, de betoovering was zoo groot, dat hij haar goeden dag had willen kussen om de illusie te volmaken.„Tot vanmiddag,” zei hij, haar de hand reikend.„Adieu.”„Ik zal eens nadenken over de parabool van zooeven.”Zij lachte weder.„Doe het maar niet, Gérard. Die groote, nare, sombere gebouwen in de stad zijn niet geschikt voor zulke gedachten. Bovendien, ik weet ook niet waartoe het zou dienen.”Onderzoekend keek hij haar aan.„Ik wil oprecht met je wezen. Niemand begreep waarom ik naar Indië terugkeerde, nietwaar?”„Neen.”„Nu, het was om jou.”Het bloed steeg hem naar het hoofd.„Maak je niet zenuwachtig, Fournier. Als het niet voor goed uit was, zou ik het je niet gezegd hebben; dat begrijp je toch wel?”„Maar waarom.…?”„Waarom? Wel je bent me verschrikkelijk tegengevallen. Je vergeeft het me, hè, maar ik hield je ten onrechte voor eenhomme d’esprit. O, ik weet het wel: je bent ergknap—maar dàt is het niet, wat ik bedoel. Ik hield je voor een zwaluw en ik vind een huismusch. Nog eens: neem me mijn openhartigheid niet kwalijk, Gérard. Je weet, ik[232]bennu eenmaal zoo, en niet anders. Ik zal mijn best doen om Hortense weer gezond voor je te maken en leeft jullie dan maar saampjes.… Ik durf het niet te zeggen, omdat ik niet goed weet hoe ik het zeggen moet, maar gelijk de meeste mannen houdt ge erg van je gemak, en je kunt het ter wereld niet gemakkelijker hebben dan thuis.”Hoofdschuddend en zonder een woord te spreken ging hij heen en stapte zijn wagen in. Hij had veel van haar beleefd, maar dat was wel het ergste van alles. En wederom toch moest hij ’t voor zichzelven bekennen: het was waar wat ze gezegd had. Vlug en werkzaam mocht hij in vele opzichten heeten,—hij was een luiaard in de liefde. Geest en stof bewandelden in dat opzicht hun weg niet gezamenlijk en in volkomen harmonie. De eerste was de laatste geregeld een post of wat vóór. Maar hoe kon zij zijn eigenschappen kennen? Dat zij het deed maakte hem boos en taquineerde hem tevens. O, als hij zijn vooroordeelen het zwijgen wilde opleggen, dan zou hij nog wel eens metterdaad kunnen toonen dat zij ongelijk had gehad, toen ze hem, zoo spottend, gemakzucht verweet!Louise Van Velton-Van der Linden wist wel wat ze deed. Toen ze hem zag weggaan, trokken haar mondhoeken snel en herhaaldelijk naar achteren; ze moest zich goed houden om niet te lachen. Ze bleef in de voorgalerij staan tot het rijtuig het erf af en den weg op reed. Hij keek om en zij groette hem met haar zakdoek. Daarna ging ze de kamer van Hortense binnen.„Hoe gaat het?” vroeg ze en nam plaats op een vouwstoeltje aan het voeteneinde van het bed.[233]„Och, zoo! Ik heb vannacht geen koorts gehad en ik voel me nu ook tamelijk wel.”„Dan zou ik eens opstaan en wat op en neer wandelen.”„Och, waartoe?”Met opgetrokken wenkbrauwen keek Louise haar aan.„Mijn God, Hortense, wat zijn jullie toch onuitstaanbare wezens. Neen maar, je bent als het ware voor elkaar geschapen! Ik zie nu in dat ik indertijd heel verstandig heb gedaan.”Hortense gaf op dit laatste geen repliek.„’t Is in hooge mate humoristisch,” vervolgde Louise, „en ik begin er aan te wanhopen een einde aan de dramatische positie te maken. Weet je wat: ga met me mee naar Europa.”„Ik kan niet tegen het klimaat.”„Dwaasheid, kind. Het zuiden van Frankrijk is overheerlijk. Laat ons daar ’n half jaar gaan wonen en ik breng je gezond en sterk weer naar Batavia terug.”„Ik zal er eens over denken. Maar.… Fournier?”„Wel, die moet er zich maar doorslaan gedurende dien tijd.”„Als hij wil.”„Hij moet; ’t is in het belang van jullie kind. Dat heeft het hard noodig. De mail sluit vandaag. Ik zal papa schrijven.”Fournier had het op den maildag ook drukker met het schrijven van brieven aan zijn relaties in Holland. Hij kwam laat thuis en vond tot zijn groote verwondering zijn vrouw in de achtergalerij. Louise gaf hem een wenk; hij begreep.
„Ha, ha! Ik ben vrij, paatje, hoe heerlijk. Ik had er nooit aan gedacht, dat hij zou gestorven zijn. Het is maar goed ook dat ik in Indië er nooit aan heb gedacht.”Haar vader liet haar alleen. Er was niets aan te doen; ’t was niet mogelijk haar tot kalmte te krijgen.„Naar Indië, naar Indië!”’t Was het eerste denkbeeld, dat haar als ’t ware betooverd hield.Zij stond midden in haar kamer toen haar vader wegging om den storm te laten bedaren.Vrij! Een slavenketen kon niet met grooter zielsgenoegen worden afgeschud.Onbeweeglijk bleef ze staan als altijd, wanneer haar veel gedachten door het hoofd kruisten; naarmate haar geest werkzamer was, scheen haar lichaam meer onder een biologeerenden invloed te komen.Welk een plotselinge verandering! Die man, Van Velton, aan wien ze nog ’s morgens niet zonder haat en afschuw kon denken, maar aan wien ze zich door een geweldigen, onverbreekbaren band voelde verbonden, was nu weg; verdwenen.… voor goed.… voor altijd!En onmiddellijk naast dat gevoel van vrijheid daagde een[196]ander op van diepe ellende. Het was de gedachte aan Fournier, nu gehuwd mèt Hortense.Gehuwd, door haar drijven!Verloren, door haar eigen schuld!Wild streek ze met haar fraai gevormd bruine handje de krullende haren weg, die naast en op haar voorhoofd dartelden.Ze zou teruggaan naar Batavia, als haar vader wilde, met hem,—zoo niet, dan zonder hem. Maar teruggaan zou ze. Hortense kon immers ook sterven!Wie weet!Dokter Van der Linden was kalm naar zijn kamer gegaan en had daar een tien minuten zitten pikiren. Toen had een glimlach ’teureka! geteekend op zijn gezicht. Hij nam twee velletjes papier en schreef op het een:„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.Eenige en algemeene kennisgeving.”En op het andere:„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C. Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door mij en de kinderen aan hem wordt verloren.Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,V. d. LINDEN.”Met deze twee aankondigingen ging de dokter den volgenden ochtend naar het huis van een der mede-eigenaren van het[197]plaatselijk nieuwsblad, en na gemeen overleg bleek de typographische en expeditieve mogelijkheid om de eerste annonce op te nemen in één enkel nommer der oplage van dien dag, welk exemplaar dan zou gezonden worden aan de weduwe; in de overige oplaag zou de tweede advertentie worden geplaatst.’s Avonds, na het eten, werd de courant gebracht. De slimme trek verscheen weer op ’t gezicht van den dokter, maar week daarvan toen hij de geweldige verandering zag op Louise’s gelaat, toen ze de courant had ingezien.Was het nu nog niet goed?Doch ten spijt van ’s dokters berekeningen omtrent de typographische en expeditieve mogelijkheid, had een domme rondbrenger ’t verkeerde exemplaar afgegeven.Dokter Van der Linden begreep dat wel niet direct, maar hij durfde toch niets vragen.Zonder een woord te spreken stond zij op en ging naar haar kamer. Toen keek hij ’t blad in en stond verstomd. Een kleur van woede en ergernis kwam op zijn gezicht; hij greep zijn hoed en liep de straat op.Onderweg ontmoette hij een „bloedverwant.”„Ik ging juist naar u toe om u te condoleeren.”„Zoo; ik heb geen tijd.”„Tevens wilde ik u zeggen dat ik de annonce.…”„Nu?”„Ziet u, wij zijn hier in Holland niet gewoon zulke advertenties te plaatsen, wanneer het iemand betreft, die ons zoo na bestaat.”„Ah zoo.… Hebt u de courant bij u?”[198]„Neen, hoe zoo?”„Ligt die bij u thuis; kan ik ze krijgen?”„Welzeker, maar.…”„Och, doe me een genoegen en laat ons geen tijd verliezen, geef me uw courant.”„Met pleizier.”Een kwartier later was de dokter weer thuis; hij tikte aan de kamer van Louise, die open deed.„Kom,” zei hij vroolijk, „’t was maar gekheid, Wies. Ik heb je wat willen plagen, maar je bent tegenwoordig zoo akelig serieus. Hier heb je de ware advertentie. Kijk die eens in!”Ze glimlachte.„Je bent een echte plaaggeest, pa. Maar in dit geval was het toch te erg. Weet je wat, we moesten maar weer naar Batavia gaan.”„Naar Indië!.… Ik in der eeuwigheid niet, hoor. Ik begin hier pas ’n beetje te gewennen.”„Dus wilt u in Europa blijven?”„Natuurlijk.”„Soedah!Maar ik ga terug.”’t Was eenslagvoor hem. Wat was dat nu weer voor een mal idée. Wat in ’s hemels naam moest ze in Indië doen?„Louise,” zei hij ernstig, „laat ons er nu nog niet zoo gedecideerd over spreken. Onze koffers staan gepakt voor Brussel, waar ik reeds alles heb besteld. Als we nu eerst dáárheen gaan, dan zijn we hier uit den rommel en kunnen op ons gemak bespreken al wat we verder zullen doen en laten.”[199]Zij haalde de schouders op.„’t Is mij wel, pa. Een maand vroeger of later is voor mij de quaestie niet; maar wegaannaar Indië, dat verzeker ik u.”Mistroostig ging hij heen. ’t Was waar dat Europa hem nu juist niet meeviel; ’t was er vaak kil en ongezellig. Toch had hij er zoo zijn „draai” gekregen.De kleeding, het eten, de levenswijze, de talrijke openbare vermakelijkheden,—dat alles was niet zonder invloed op hem gebleven; hij begon zich in de EuropeescheSchwunglangzamerhand weer thuis te gevoelen.En Brussel vooral trok hem aan; die lieve stad voor menschen van elken leeftijd, maar bovenal voor bejaarde heeren, die op geenpièce de vingt francsbehoeven te zien!Neen, het was ronduit gezegdabsurdenu weer naar het warme Oosten terug te keeren, en wat er ook mocht gebeuren, zooveel was wel zeker, dat hij nooit weer daartoe komen zou.Het was Van der Linden voorloopig alleen te doen om uitstel van executie. Twee dingen stonden bij hem vast: naar Indië kon noch wilde hij teruggaan, en van zijn kleinzoon wilde noch kon hij scheiden.Met geweld viel tegen Louise niets te doen; een scène hielp niet en viel bovendien maar zelden in zijn voordeel uit.Tijd winnen—dat was alles!„Paatje,” zei Louise in den sneltrein van Antwerpen, „hoelang zullen wij te Brussel blijven?”„Wel.… een maand of zoo.”„Hoelang is:of zoo?”[200]„Dat hangt er immers van af in hoever het ons bevalt.”„Ik wilde u alleen maar zeggen, dat ik vóór den West-moesson te Batavia wensch te zijn. U kunt het overigens inrichten zooals u wilt.”Haar vader drukte de lippen opéén en keek mismoedig uit het portierraampje naar de dwergachtige pereboompjes, die den spoorweg omzoomden. Was ze maar arm! Hij had zijn drie ton solide belegd, en hij verteerde toch persoonlijk de rente niet van dat geld. Waaraan zou hij het uitgeven? Konden ze daar niet ruimschoots van leven? Wat zou het heerlijk zijn geweest, dacht hij, als zefinantiëelvan hem afhankelijk was geweest en hij de man was, die de opvoeding vanhetkind mocht bekostigen.Hij zou haar dan die aardigheden wel hebben afgeleerd, al was ze nog zoo lastig van humeur.Maar wat kon hij tegen de rijke weduwe, die naast hem zat en wel tweemaal zooveel fortuin bezat als hij?’t Was niet netjes, dat voelde hij, maar toch had hij iets willen geven als die firma van Van Velton eens onverwacht over den kop was gegaan.„Waaraan denkt u?” vroeg ze.„Aan jou, Louise. Ik wou dat je arm waart.”„Heel vriendelijk.”„Ik heb genoeg voor ons en voor ’t kind.”„Geld is een goed ding, paatje. Wij hebben numeerdan genoeg, ’t Is zoo gemakkelijk.”„Ja, voor mij is dat al heel aangenaam! Ik kan op mijn leeftijd niet meer naar Indië gaan, en jijwiltme het verdriet aandoen om me alleen achter te laten.”[201]„Is het u ernst, pa? Blijft ubetoelin Europa?”Hij maakte een gebaar met hoofd en handen zóó duidelijk en zóó wanhopig, dat het Louise een glimlach afdwong.„Nu, dan zult u niet alleen achterblijven.”Vol blijde verrassing zag hij haar aan.„Neen, als u denkt datikblijf, dan hebt u het mis. Ik laat u.… kleinen njo, en.… ik gaalleennaar Indië terug.”Zij zag dat hem deze nieuwe wending pijnlijk aandeed.„Ik begrijp je niet,” zei hij aarzelend.„Dat is ook niet noodig, pa. Ikheb mijn plan. Ik kan het uitvoeren als u ook meegaat, maar als ik alleen met het kind ga, dan wordt het me zeer moeilijk.”„Wies, Wies, kan je het kind verlaten?”Zij zag hem aan met een kouden, donkeren blik.„Het kind laat ik bij zijn grootpa achter, die het liefheeft en er voor zal zorgen.Ikzou mijn kind niet achterlaten bij een slecht wijf, dat er van maakte wat ze er alleen van maken kon: een zoo bedorven schepsel als ze zelve was.”Onder het verwijt boog hij het hoofd.„Het was bij haar moeder.”Driftig haalde Louise de schouders op.„Zooals mijn hond de moeder is van haar jongen, en.… minder zelfs.”Dat ze heenging als ze hem ’t kind achterliet, was voor den dokter nu zoo’n groot verdriet niet. Het zou hem ontheffen van de plak, waaronder hij zoo geducht zat, zóó dat hij nooit van „la reine, ma fille” iets gedaan kon krijgen, zooals hij het wilde, of het moest door list en foppage geschieden.[202]Doch hij vreesde voor dat plan!Bij haar aard en wijze van handelen vreesde hij dat ze allicht tot daden kon komen, die hem minder geschikt schenen en het ergste deden verwachten.Intusschen viel er niets aan te veranderen.Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet welkesinisteredingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.Maar de tijd verstreek.Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen overal en gingen veel uit.Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht, althans er niet verder van sprak.Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al passage voor me genomen?”Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een jongen en gaf onverholen haar spijt er[203]over te kennen. Fournier, die in stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend op wijlen Van Velton geleek.De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar, maar onvoldaan.Zeer langzaam herstelde Hortense.Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar frisch en lekker.Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de week naar haar toe, somtijds te paard.Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw. Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t Was geen gewoonte tusschen[204]hen elkaars brieven open te maken. Voor zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de verzoeking sterk.Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er in dien brief staan?Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hemvoeldezitten.Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.„Lieve Hortense!„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping;il va sans dire, dat de overjouhart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaalnietmet een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je,[205]als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op deNederland, maar ik ga niettemin met deMessageries.„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd vanjeLouise.”Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen, opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij precies genegeerd als wijlen Van Velton.Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.„Egoïste,” dacht hij.Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te lezen stond, sprak hetje ne sais quoitot hem, dat van Louise[206]Van der Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij van het optrekje afwachtte.Hij kuste haar en vroeg:„Hoe gaat het?”„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”„Hoe is het met den eetlust?”„Ik heb nergens trek in.”„En hoe maakt het ons baby-tje?”„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.Het was om ontmoedigd te worden.Altijdwas het wat; ’t was pijn hier en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap. Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de zijne.Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en maakte hemdown.Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en, na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel ’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem voor[207]dat hij een roofdier was en datzijnlevenhaarleven had opgegeten.Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans op verbetering.Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!En te negen uren naar bed!„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”„Het is onbegrijpelijk!”„Heb jij haar geschreven?”„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes weken geleden.”Hij ontkleedde zich en ging slapen.Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek, strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij[208]las den brief van Louise, dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense, die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel genomen om haar te laten afborstelen, en.… had den brief gevonden.Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij maakte.„Wat beteekent dat, Gérard?”Hij glimlachte als een kiespijnboer.„Ik heb je dien brief nietwillengeven.”„Waarom niet?”„Het is een ongepaste manier van schrijven.”„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar humeur.En Fournier niet minder.Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit bleek dat hij haar erg onnoozel vond.Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen, en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.[209]„Och, zoo!”„Is het niet goed thuis?”„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”„Ja-a-a,” zei deold-bachelormet die langgerekte a, waaruit men duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:„Ze was nooit sterk.”„Neen, dat was ze ook niet.”„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfspur sangEuropeesche meisjes niet als kind.”„Ik zou niet weten waarom.”„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier,mon cher. Je ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn meest geliefde manier van rooken was.„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie[210]doet me in zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar anders.…”„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er de gevolgen van?”„De gevolgen?”„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”„Dan.… welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in Holland is?”„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg: egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd, doet er niets toe!”„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”[211]„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”Fournier haalde de schouders op.„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons „plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven heel wat aangenamer is.”„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën! Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze wil.”„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde, werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen wil en dank neersloeg.„Is het je ernst, Gérard?”„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar[212]als het in het belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb ik me beklaagd, Gérard?”„Neen.… maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”„Waarom wil je me dan weg hebben?”„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch in ’t hoofd?”„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.… niets.… niets hoegenaamd. Ik vind het.… zóó verschrikkelijk!”Zij weende.Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigenloisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”Zij wischte haar tranen weg.„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot is, maar zonder jou ga ik niet heen”Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom, maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over[213]spreken. Ik heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het doen.”Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ikkanniet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet anders.”„Laat ons er niet meer van spreken!”„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”„Neen!”„Aanhaar.”Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij er niets van snapte.„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en dat ik toch had moeten weten.”„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke malligheid in ’t hoofd gehaald.”„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”[214]’t Was een pijnlijk oogenblik.Hij kon niet zeggenwathet was;NUniet meer. De waarheid heeft haar tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t moeilijk haar te bekennen.Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; deheelewaarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die ze nooit had kunnen vergeven.Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom glimlachte hij slim en medelijdend.„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense, tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar Holland te zenden. Is het waar of niet?”Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulkesoupçons.”Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar half.In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat ereen schijntegen hem was, en zijn[215]beroep had hem de volle overtuiging geschonken, dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.En toch had Droz gelijk gehad!Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze zich ten volle overtuigd.En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van dieLieder ohne Worte, die elke vrouw kent.Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen; waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze hem kon aanbieden!En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Zemoesthet wel wezen! Een vrouw die kon levensans reprocheop de wijze als zij geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.[216]De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was één reusachtige modderpoel.Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht, beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet uitwoei dat regende uit.E per se muovekon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed van de aarde.Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en honderden Europeanen in dichte rijtuigen.Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was gezet.Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn, voldaan.Hortense wastant soit peuhersteld van boven gekomen en had haar woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.[217]Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met haar kind op den arm ging ze naar voren.Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en omhelsde haar hartelijk.„Dag Stance, hoe gaat het?”Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen, zonder dat iemand er van weet?”„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met „u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”„Soedah!je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop ik.”„Hoe dan?”„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met goed. Kan je me logeeren?”„Natuurlijk.”„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard, dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me daarin helpen.”De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haarfor intérieurgetroffen te zijn[218]over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles; voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind, voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!Zij raakten niet uitgepraat!De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.In Hortense’s boudoir zaten de twee damesen négligéte praten over al het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haarsiëstate denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den tred eens mans.Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met verwondering gade.„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met hun drieën wederom waren uitgeweest en zij[219]doodmoe op haar kleine sofa neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd: „jij ook.”Hij wist niet of hetondankswas often gevolge van, maar dàt was zeker:sedertLouise hen als het ware voorttrok van de eene visite naar de andere en noopte tot het geven van het eene avondje na het andere, was het of Hortense opleefde. Ze begon er beter uit te zien. O, het was haar dikwijls zoo moeilijk zich te kleeden, en ze had zoo graag ’s morgens nog wat te bed gebleven als het tijd was om op te staan. Maar ’s nachts en in den namiddag sliep ze lekker, zonder dat er van slapeloosheid of verveling sprake was. Voor het eerste was ze al te moe en voor het laatste had ze geen tijd.„Weet je wel,” ging Hortense voort, „hoe ze thuis altijd in sarong en kabaja liep? Eerst toen ik kwam werd er een beetje uitgegaan, maar vóór dien tijd kwam ze haast nergens.”„Het schijnt dat ze in Europa een dubbele dosis levenslust heeft opgedaan. Ons leven is nu heel anders. Kom je wel toe met het geld?”Zij lachte.„Ik houd over.”„Houd je over? En vroeger kwam je geregeld tekort!”„O, maar zij is ontzaglijk royaal.”Geheel tegen zijn aard en beschaafde manieren stoof Fournier op.„Je laat haar toch de gastvrijheid, die ze bij ons geniet, niet betalen?”[220]Verschrikt keek ze hem aan.„Mijn God, Gérard, wat scheelt je? Ik kan het niet helpen.”„Wat is dat? Kan je het niet helpen?”„Neen. Ik wilde eerst niet dat ze me geld zou geven. Doch zijwildehet en ik ben niet tegen haar opgewassen. Als zij iets wil, dan gebeurt het; dat was bij ons thuis ook altijd zoo.”„Hortense,” zei Gérard ernstig, „morgenochtend schrijf je op een stukje papier hoeveel ze je heeft gegeven. Ik zal dan geld meebrengen van het kantoor. Ik bezit Goddank genoeg om zulke dingen in mijn huis niet te veroorloven.”„Maar Gérard-lief, zijwilhet.”„En ik wil het niet.”„Ja.… maardankom ik ook zeker tekort.”„Je kunt zooveel van me krijgen als je noodig hebt, maar het geld geef je haar terug. Ik neem het ernstig kwalijk dat je het hebt aangenomen.”Hij was inwendig woedend. Geen karakter had toch die vrouw! Foei, hij had het niet geloofd als een ander het hem had verteld. ’t Was hem moeilijk den slaap te vatten; terwijl Hortense reeds sliep, zoo rustig als ’t maar kon, lag hij zich nog steeds te ergeren over het gebeurde.De slotsom was, dat hij het zijn vrouw half en half vergaf. Wat kon ook zulk een zwak hoofd tegen een vrouw alszij? Het was te dwaas om te verlangen dat de een tegen de andere zou zijn opgewassen. Maar ze had hethemkunnen zeggen, en voorts had Louise moeten bedenken dathijin geen geval zóó iets had kunnen toestaan. Als zij er dan voor Hortense geen beleediging in had gezien, dan[221]had ze moeten begrijpen dat het er een voor hem was.Den volgenden ochtend vermeed hij Louise en ging vroeger dan gewoonlijk naar de stad. Met een portefeuille vol bankbiljetten en een bezwaard gemoed keerde hij des middags terug. Hij zag er niet tegen op als advocaat de lastigste perkara’s aan te vatten en de kwaadaardigste tegenstanders te staan. De groote mond en de hatelijkste aanmerkingen van sommige collega’s vreesde hij volstrekt niet—’t was iets anders tegenoverhaarte staan inzulkeen geval.Hij behoefde niet lang te zoeken naar een geschikte manier om in conversatie te treden over de lastige zaak; zij stond hem reeds op te wachten in de voorgalerij.„Bonjour, schoonzoon, breng je geld voor me mee?”Hij beet zich van ergernis op de lippen.„Ja,” zei hij, „het doet me genoegen, dat u het zelf hebt ingezien.”„Wat?”„Dat het geen houding had tegenover mij.”Zij lachte hem uit in zijn gezicht, en haar kleine, witte tandjes schitterden daarbij als koralen.„Fournier, wat ben je achteruitgegaan!Mon Dieu, wat een stijf, ouderwetsch heer ben je geworden! Ik schaam me haast over onze parentage.”„’t Is mogelijk, maar het is niet anders,” zei hij, zonder zich iets aan te trekken van haar spotternij.„Neen, hetisniet anders, al had het anders kunnen zijn.”„Het is mijn schuld niet.”Ze zag hem aan met dien vreemden blik, waaraan hij, gelijk hij wist, moeilijk weerstand kon bieden.[222]„We dwalen af, Gérard. We moesten spreken over die nare quaestie van geld, nietwaar? Zeg het asjeblieft ronduit: wil je me weg hebben?”„Volstrekt niet. Het is een nieuwe beleediging dat van me te denken.”„Laat maar! Alles wat ik zeg, schijnt je te beleedigen; maarsoedah. Kijk eens, ik ben hier in het huis van.… mijnstiefkinderen.”Fournier hield het niet langer uit. De maat was vol. Al het verdriet, dat ze hem had berokkend, scheen zich plotseling om te zetten in bitterheid, en zóó hevig was het, dat hij voor een oogenblik alles vergat.„Het is niet noodig,” zei hij scherp, „mij daaraan te herinneren. Ik ben uw speelbal geweest en ge moogt u daarover verheugen. Als een echt bedorven Indisch meisje hebt ge uw grillen tegenover mij den vrijen teugel gevierd toen ik volkomen onder de betoovering lag van een schoonheid, waarvan door u schandelijk misbruik werd gemaakt. Het is nu gedaan en de betoovering is gebroken. Verspil niet nutteloos uw spitsvondigheden aan iemand, die het zich gelukkig niet langer waardig acht. Ik heb u liefgehad, zoals ik geloof dat zelden een man een meisje kan liefhebben. In alles heb ik me door u als aan een touwtje laten leiden, totdat ik ten slotte, als gebiologeerd, op uw aandringen de arme Hortense trouwde, zonder dat ik iets anders voor haar gevoelde dan de achting, die men aan een fatsoenlijk jong meisje schuldig is.”Louise was bleek geworden. Zij hield zich vast aan het marmeren blad van de tafel en zag hem verschrikt in het[223]gezicht. Zulk een uitval op een zoo heftigen toon had ze van hem het allerminst verwacht; hij, altijd zoo beschaafd en de goede vormen in acht nemend, stond daar nu voor haar met een brutaal gezicht en slingerde haar allerlei verwijten voor de voeten. En, wonderlijk toch, ze vond hem veel knapper van uiterlijk dan ooit te voren. Wat ze altijd had gevonden, was dat het hem aan iets mannelijks ontbrak; dat had haar getroffen, juist omdat hij haar overigens zoo na aan het hart lag.„Mij dunkt,” zei ze zacht, „dat je geen recht hebt om je te beklagen. Je hebt een gelukkig huwelijksleven; dat is meer danikooit gehad heb.”„Ik zal daarop niet antwoorden,” zei hij even brusk als te voren. „Voor Hortense heb ik veel te veel achting dan dat ik iets zou willen of kunnen zeggen dat beleedigend voor haar zou zijn. En als je haar wilt beleedigen door geld te geven voor een gastvrijheid, die ze nooit gewoon is geweest te laten betalen, dan zal ik haar verdedigen ook tegenover u.”Die laatste woorden maakten haar woedend.„Ei! Wel, je ben een galante ridder, Gérard! Het is waarachtig wel noodig, dat je die hoedanigheid in herinnering brengt. Ik heb medelijden met je!”„En ik kan niet zeggen dat ik zelfs dat heb met u. Hier is het geld terug, dat je aan Hortense hebt gegeven.”„Ikwilhet niet.”„Jemoethet terugnemen. Denk niet dat ik me door uw driftig verzet laat intimideeren. Ik heb het u gezegd; dat is voor goed uit.”[224]„Ikwilniet, Fournier. Neem dat geld van tafel of ik scheur het aan snippers.”Hij moest eerlijk erkennen, dat hem eenigszins de schrik om het hart sloeg. Hij was „man” genoeg om de waarde van het geld te kennen en te appreciëeren, en hij wist met zekerheid dat Louise van een kracht was om te doen wat ze zeide.„’t Is me onverschillig wat u er mee doet. Het is immersuwgeld en niet het mijne. Je kunt er mee doen wat je wilt.”Met één greep had ze het half uiteengeschoven pakje bankbiljetten gegrepen: ze trok, scheurde en rukte in een graad van woede, die Fournier hevig verschrikte en voor een zenuwtoeval deed vreezen.De fragmenten bankpapier vlogen door de voorgalerij; dat was hem te veel, hij deed een greep om nog te redden wat er te redden was, en kreeg met een klein gevuld handje een klap op zijn gezicht, dat hem duizenden sterretjes voor de oogen dansten.Hij stond verstomd. Hij zag dat ze de rest van het kostelijke geld in de grootste opgewondenheid aan snippers scheurde en toen de deur openrukte om de zijkamer binnen te gaan; daarop hoorde hij een harden schreeuw en liep ook naar binnen.Hortense lag doodsbleek op den grond. Bij het vallen had ze haar hoofd bezeerd aan den uitstekenden poot van een wipstoel en een vrij groote bloedplek op de fijne Palembangsche mat toonde dat ze zich had verwond. Louise had van een knaapje een flacon met eau de cologne genomen, en hield dien der bewustelooze onder den neus, terwijl ze haar slapen er mee wiesch.[225]„Ga weg!” beet ze Fournier toe, toen deze dichterbij kwam.En hij ging; hij sloop weg, als een geslagen hond, met een centenaarsgewicht op de borst. Wat hetnuworden moest, wist hij in het geheel niet meer, maar dat er verschrikkelijke dingen op til waren, vreesde hij wel.Gewillig liet Hortense zich naar haar kamer brengen en op haar bed leggen door Louise en de baboe. Zij weende in stilte, en Louise, die voorovergebogen stond aan het bed en wier hoofd ook op het kussen lag, achter dat van de jonge vrouw, vertelde haar alles. Zij deed het op zulk een innig lieven toon; er lag in geheel het verhaal zulk een gloed van echt vrouwelijk gemoedsleven; zulk een levendige herinnering aan doorgestanen strijd en geleden smart, dat de tranen van Hortense niet meer vloeiden, en zij, zich omkeerend, het donkere, droevige gezicht kuste, dat haar een half uur te voren dat van een vleesch geworden duivelin had toegeschenen.Het wondje door het vallen teweeggebracht, had niets om het lijf: toen het afgewasschen en het schrikwekkende „bloed” verdwenen was, bleek het hoogst onbeduidend te zijn.Inwendig was de schok vreeselijk geweest. Hortense kwam pas weer wat bij, en de geweldige ontroering, het groot verdriet, werkte zóó reageerend op haar nog zwakke gezondheid, dat ze hevige koortsen kreeg.Louise verpleegde haar trouw en trachtte van tijd tot tijd den indruk weg te nemen, door den afgeluisterden twist op de jonge vrouw gemaakt.Maar ’t hielp niet.Ze was bereid aan Louise te vergeven dat deze tegen haar[226]had gehuicheld; sterker nog, ze zou het Fournier hebben vergeven, dat hij haar niet had liefgehad; maar ze vergaf hem niet, dat hij haar had bedrogen.Dat was het standpunt, waarop zij zonder nadenken of redeneeren was geraakt, en niets was in staat het haar te doen verlaten.Met groote moeite gelukte het Fournier na eenige dagen toegang te krijgen tot de kamer zijner vrouw.Toen ze hem zag, werd ze nog bleeker dan ze reeds was en haar lippen trilden geweldig.Hij pleitte.Het was niet waar dat hij haar niet had liefgehad. Zijn genegenheid voor haar, zei hij, was reëel, maar van een anderen aard. Wat hij voor Louise had gevoeld, maar nu reeds lang volstrekt niet meer voor haar gevoelde, was meer een platonische liefde: van haar, Hortense, hield hij veel als vrouw. Louise Van der Linden had hem gebiologeerd; Hortense hem bevrediging geschonken.Hij werkte dit thans uit en raakte er bij op dreef. De klank van zijn eigen stem en de innige toon, waarop hij sprak, animeerden hem; vernuftige combinaties en gepaste tegenstellingen volgden elkaar op; stemmodulaties en fraaie effectvolle zinwendingen kwamen als vanzelf.—’t Was alles om niet.Zij hoorde het aan, en toen hij gedaan had met zijn pleitrede, schudde zij het hoofd met een droevig lachje. Voor een jury zou hij zijn pleidooi over het dualistisch karakter der liefde hebben gewonnen, zijn vrouw zei alleen:„Je hebt me bedrogen, Fournier! Ik geloof je niet.”[227]Het ergerde hem, vooral omdat hij overtuigd was dat zij de waarheid sprak. Maar het was ook een miskenning van zijn talent en dat was op zichzelven reeds onaangenaam! Daarbij: hij meende toch dat erietswaar was in zijn pleidooi! In het algemeen was het immers waar dat er sexueele en intellectueele banden bestonden, die scherp van elkaar gescheiden konden zijn; en als dat waar was in abstracto, dan was het dat zeker ook in zijn eigen concreet geval.Het was dom van Hortense dat niet te willen begrijpen en hem altijd maar te antwoorden met een afwijzend hoofdschudden en een beschuldiging van bedrog.Bedrogen! Honderden mannen, dat wist hij, bedriegen metterdaad hun vrouwen op de schromelijkste manier, zonder dat ze er ooit last van ondervinden. Wat had hij eigenlijk gedaan? Niets. Hij had nooit geofferd op andere altaren, dan zijn huisaltaar; al wat hij zich te verwijten had, was, dat hij in een onbewaakt oogenblik een mooie jonge vrouw, die met een oud man getrouwd was, in zijn armen genomen en gekust had.Het was zóó weinig—’t was voor een man haast om over te blozen, zoo weinig was het!En daarvoor werd hij behandeld alsof hij een verrader was. Zelfs zijn talent als advocaat was buiten staat geweest een verzoening te bewerken.„Je hebt me bedrogen!”—ziedaar alles wat hij ten antwoord kreeg.’t Was idioot!Hij verliet schouderophalend de kamer en ging ontbijten[228]in de achtergalerij, waar Louise Van der Linden den huiselijken schepter zwaaide.’t Was er keurig en keurig netjes en zijzelve verlevendigde alles met haar mooie oogen en haar figuurtje om te stelen, dat in sarong en kabaja nog honderdmaal sierlijker scheen dan in Europeesch toilet.Hortense was het niet in het hoofd gekomen om iets verdachts te vinden in het verblijf van haar man en haar jonge stiefmoeder onder één dak, terwijl zijzelve haar kamer hield.Fournier mocht haar bedrogen hebben en Louise verkeerd hebben gedaan met een huwelijk te koppelen, dat beter niet gesloten ware,—fatsoenlijkwaren ze, daar had ze den dood op willen ingaan.En bovendien, hij had het in zijn boosheid immers zelf gezegd: de vroegere bekoring was gebroken.In dat opzicht koesterde zij dus geen de minste vrees, en als zij den blik had gezien, waarmee Fournier Louise beschouwde toen hij met deze aan de ontbijttafel zat,—dan nog zou ze aan niets hebben kunnen denken.Zij wist hoe zuiver de levenswandel van Louise was geweest, toen ze met haar vader zulk een troosteloos huwelijksleven leidde; zij wist dat haar man, al den tijd dat ze getrouwd waren, zijn boeken binnenshuis had bijgehouden, en zij kon en wilde niet aannemen, dat iemand plotseling anders werd, dan zijn opvoeding, zijn beginselen en zijn fatsoen hem van der jeugd af hadden gemaakt.Mistroostig zette hij zich aan tafel. Het was geen leven, vond hij, op die manier. Hoe hij en Louise na het voorgevallene[229]weer met elkaar aan het praten waren geraakt alsof er niets gebeurd was, herinnerde hij zich niet meer; maar het was zoo.„Hoe is het?” vroeg ze op luchthartigen toon.Hij maakte een veelbeteekenende beweging met hoofd en schouders.„Wat zal ik je zeggen!”„Wil ze nog van geen verzoening weten?”„Er is geen denken aan.”„Dat prouveert niet voor je, Gérard.”Hij lei mes en vork neer en keek haar aan.„Ik heb alles gedaan wat ik kon.”„Niet meer?”Een oogenblik aarzelde hij.„Zelfs dat.”„Dan zou ik er mee uitscheiden.”„En haar met onverschilligheid.…”„Soedah, Gérard, wat ben je onuitstaanbaar traag van begrip vandaag. In dat opzicht ben je erg achteruitgegaan. Toen je nog jongmensch waart, vond ik het zoo gezellig dat je iemand was vandemi-mots,—tegenwoordig moet alles letterlijk voor je gespeld worden.”„Het is mogelijk. Ik heb vandaag ook in dat opzicht geenveine. Spel het dan maar, asjeblieft.”„Je moet Hortense niet meer aan het hoofd leuteren over die nare historie.”„En dan?”„Met haar praten over koetjes en kalfjes, net alsof er niets was gebeurd.”[230]„Alsof ze zich dat zou laten welgevallen!”„Natuurlijk zal ze dat. Wat denk je wel te bereiken met al het vergoelijken van omstandigheden, die nu eenmaal geweest zijn, zooals ze waren?”Hij zuchtte diep.„Voor ’t minst den huiselijken vrede.”„Die bestaat reeds. Er is hier niemand, die onaangenaam is tegen den ander. Geloof me, met praatjes bereikt men in zulke omstandigheden niets bij een vrouw. Integendeel: hoe meer men praat, des te wantrouwender wordt ze. Doe wat ik je zeg: vergeven doet ze toch, vergeten toch niet.”„Het is mogelijk.”„Het is nietmogelijk, Gérard. Als ik je zoo iets zeg, dan is het zoo; daar heb jij geen verstand van.”„Ik deed het in aller belang en tot bevordering van.… aller geluk.”Zij lachte zoo luid, dat hij er van schrikte, want het moest zelfs tot Hortense doordringen.„Geluk! Och, Gérard, ge zijt ook al zoo’n zwaarmoedige Hollander! Je denkt ook dat het geluk een olifant is, die honderd jaren oud wordt.Mon cher, het is een vlindertje dat men grijpen moet als men kan.… maar niet te lang vasthouden, anders gaat het beestje dood.”Fournier zweeg.Toen het ontbijt was afgeloopen stond hij op, nam zijn brieven en couranten en ging naar de stad. Zij vergezelde hem tot in de voorgalerij. Het was, vond hij, precies of ze man en vrouw waren. De gouden zonnestralen speelden door het dicht gebladerte; de veelkleurige bloemen en planten op[231]het voorerf zagen er zoo gezellig en vroolijk uit; het donkere ameublement ontleende zulk een fraai relief aan den marmeren vloer; de glanzende, zwarte paarden trappelden vroolijk voor het wachtend rijtuig,—en dan het mooie vrouwtje.… Wel, de betoovering was zoo groot, dat hij haar goeden dag had willen kussen om de illusie te volmaken.„Tot vanmiddag,” zei hij, haar de hand reikend.„Adieu.”„Ik zal eens nadenken over de parabool van zooeven.”Zij lachte weder.„Doe het maar niet, Gérard. Die groote, nare, sombere gebouwen in de stad zijn niet geschikt voor zulke gedachten. Bovendien, ik weet ook niet waartoe het zou dienen.”Onderzoekend keek hij haar aan.„Ik wil oprecht met je wezen. Niemand begreep waarom ik naar Indië terugkeerde, nietwaar?”„Neen.”„Nu, het was om jou.”Het bloed steeg hem naar het hoofd.„Maak je niet zenuwachtig, Fournier. Als het niet voor goed uit was, zou ik het je niet gezegd hebben; dat begrijp je toch wel?”„Maar waarom.…?”„Waarom? Wel je bent me verschrikkelijk tegengevallen. Je vergeeft het me, hè, maar ik hield je ten onrechte voor eenhomme d’esprit. O, ik weet het wel: je bent ergknap—maar dàt is het niet, wat ik bedoel. Ik hield je voor een zwaluw en ik vind een huismusch. Nog eens: neem me mijn openhartigheid niet kwalijk, Gérard. Je weet, ik[232]bennu eenmaal zoo, en niet anders. Ik zal mijn best doen om Hortense weer gezond voor je te maken en leeft jullie dan maar saampjes.… Ik durf het niet te zeggen, omdat ik niet goed weet hoe ik het zeggen moet, maar gelijk de meeste mannen houdt ge erg van je gemak, en je kunt het ter wereld niet gemakkelijker hebben dan thuis.”Hoofdschuddend en zonder een woord te spreken ging hij heen en stapte zijn wagen in. Hij had veel van haar beleefd, maar dat was wel het ergste van alles. En wederom toch moest hij ’t voor zichzelven bekennen: het was waar wat ze gezegd had. Vlug en werkzaam mocht hij in vele opzichten heeten,—hij was een luiaard in de liefde. Geest en stof bewandelden in dat opzicht hun weg niet gezamenlijk en in volkomen harmonie. De eerste was de laatste geregeld een post of wat vóór. Maar hoe kon zij zijn eigenschappen kennen? Dat zij het deed maakte hem boos en taquineerde hem tevens. O, als hij zijn vooroordeelen het zwijgen wilde opleggen, dan zou hij nog wel eens metterdaad kunnen toonen dat zij ongelijk had gehad, toen ze hem, zoo spottend, gemakzucht verweet!Louise Van Velton-Van der Linden wist wel wat ze deed. Toen ze hem zag weggaan, trokken haar mondhoeken snel en herhaaldelijk naar achteren; ze moest zich goed houden om niet te lachen. Ze bleef in de voorgalerij staan tot het rijtuig het erf af en den weg op reed. Hij keek om en zij groette hem met haar zakdoek. Daarna ging ze de kamer van Hortense binnen.„Hoe gaat het?” vroeg ze en nam plaats op een vouwstoeltje aan het voeteneinde van het bed.[233]„Och, zoo! Ik heb vannacht geen koorts gehad en ik voel me nu ook tamelijk wel.”„Dan zou ik eens opstaan en wat op en neer wandelen.”„Och, waartoe?”Met opgetrokken wenkbrauwen keek Louise haar aan.„Mijn God, Hortense, wat zijn jullie toch onuitstaanbare wezens. Neen maar, je bent als het ware voor elkaar geschapen! Ik zie nu in dat ik indertijd heel verstandig heb gedaan.”Hortense gaf op dit laatste geen repliek.„’t Is in hooge mate humoristisch,” vervolgde Louise, „en ik begin er aan te wanhopen een einde aan de dramatische positie te maken. Weet je wat: ga met me mee naar Europa.”„Ik kan niet tegen het klimaat.”„Dwaasheid, kind. Het zuiden van Frankrijk is overheerlijk. Laat ons daar ’n half jaar gaan wonen en ik breng je gezond en sterk weer naar Batavia terug.”„Ik zal er eens over denken. Maar.… Fournier?”„Wel, die moet er zich maar doorslaan gedurende dien tijd.”„Als hij wil.”„Hij moet; ’t is in het belang van jullie kind. Dat heeft het hard noodig. De mail sluit vandaag. Ik zal papa schrijven.”Fournier had het op den maildag ook drukker met het schrijven van brieven aan zijn relaties in Holland. Hij kwam laat thuis en vond tot zijn groote verwondering zijn vrouw in de achtergalerij. Louise gaf hem een wenk; hij begreep.
„Ha, ha! Ik ben vrij, paatje, hoe heerlijk. Ik had er nooit aan gedacht, dat hij zou gestorven zijn. Het is maar goed ook dat ik in Indië er nooit aan heb gedacht.”Haar vader liet haar alleen. Er was niets aan te doen; ’t was niet mogelijk haar tot kalmte te krijgen.„Naar Indië, naar Indië!”’t Was het eerste denkbeeld, dat haar als ’t ware betooverd hield.Zij stond midden in haar kamer toen haar vader wegging om den storm te laten bedaren.Vrij! Een slavenketen kon niet met grooter zielsgenoegen worden afgeschud.Onbeweeglijk bleef ze staan als altijd, wanneer haar veel gedachten door het hoofd kruisten; naarmate haar geest werkzamer was, scheen haar lichaam meer onder een biologeerenden invloed te komen.Welk een plotselinge verandering! Die man, Van Velton, aan wien ze nog ’s morgens niet zonder haat en afschuw kon denken, maar aan wien ze zich door een geweldigen, onverbreekbaren band voelde verbonden, was nu weg; verdwenen.… voor goed.… voor altijd!En onmiddellijk naast dat gevoel van vrijheid daagde een[196]ander op van diepe ellende. Het was de gedachte aan Fournier, nu gehuwd mèt Hortense.Gehuwd, door haar drijven!Verloren, door haar eigen schuld!Wild streek ze met haar fraai gevormd bruine handje de krullende haren weg, die naast en op haar voorhoofd dartelden.Ze zou teruggaan naar Batavia, als haar vader wilde, met hem,—zoo niet, dan zonder hem. Maar teruggaan zou ze. Hortense kon immers ook sterven!Wie weet!Dokter Van der Linden was kalm naar zijn kamer gegaan en had daar een tien minuten zitten pikiren. Toen had een glimlach ’teureka! geteekend op zijn gezicht. Hij nam twee velletjes papier en schreef op het een:„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.Eenige en algemeene kennisgeving.”En op het andere:„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C. Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door mij en de kinderen aan hem wordt verloren.Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,V. d. LINDEN.”Met deze twee aankondigingen ging de dokter den volgenden ochtend naar het huis van een der mede-eigenaren van het[197]plaatselijk nieuwsblad, en na gemeen overleg bleek de typographische en expeditieve mogelijkheid om de eerste annonce op te nemen in één enkel nommer der oplage van dien dag, welk exemplaar dan zou gezonden worden aan de weduwe; in de overige oplaag zou de tweede advertentie worden geplaatst.’s Avonds, na het eten, werd de courant gebracht. De slimme trek verscheen weer op ’t gezicht van den dokter, maar week daarvan toen hij de geweldige verandering zag op Louise’s gelaat, toen ze de courant had ingezien.Was het nu nog niet goed?Doch ten spijt van ’s dokters berekeningen omtrent de typographische en expeditieve mogelijkheid, had een domme rondbrenger ’t verkeerde exemplaar afgegeven.Dokter Van der Linden begreep dat wel niet direct, maar hij durfde toch niets vragen.Zonder een woord te spreken stond zij op en ging naar haar kamer. Toen keek hij ’t blad in en stond verstomd. Een kleur van woede en ergernis kwam op zijn gezicht; hij greep zijn hoed en liep de straat op.Onderweg ontmoette hij een „bloedverwant.”„Ik ging juist naar u toe om u te condoleeren.”„Zoo; ik heb geen tijd.”„Tevens wilde ik u zeggen dat ik de annonce.…”„Nu?”„Ziet u, wij zijn hier in Holland niet gewoon zulke advertenties te plaatsen, wanneer het iemand betreft, die ons zoo na bestaat.”„Ah zoo.… Hebt u de courant bij u?”[198]„Neen, hoe zoo?”„Ligt die bij u thuis; kan ik ze krijgen?”„Welzeker, maar.…”„Och, doe me een genoegen en laat ons geen tijd verliezen, geef me uw courant.”„Met pleizier.”Een kwartier later was de dokter weer thuis; hij tikte aan de kamer van Louise, die open deed.„Kom,” zei hij vroolijk, „’t was maar gekheid, Wies. Ik heb je wat willen plagen, maar je bent tegenwoordig zoo akelig serieus. Hier heb je de ware advertentie. Kijk die eens in!”Ze glimlachte.„Je bent een echte plaaggeest, pa. Maar in dit geval was het toch te erg. Weet je wat, we moesten maar weer naar Batavia gaan.”„Naar Indië!.… Ik in der eeuwigheid niet, hoor. Ik begin hier pas ’n beetje te gewennen.”„Dus wilt u in Europa blijven?”„Natuurlijk.”„Soedah!Maar ik ga terug.”’t Was eenslagvoor hem. Wat was dat nu weer voor een mal idée. Wat in ’s hemels naam moest ze in Indië doen?„Louise,” zei hij ernstig, „laat ons er nu nog niet zoo gedecideerd over spreken. Onze koffers staan gepakt voor Brussel, waar ik reeds alles heb besteld. Als we nu eerst dáárheen gaan, dan zijn we hier uit den rommel en kunnen op ons gemak bespreken al wat we verder zullen doen en laten.”[199]Zij haalde de schouders op.„’t Is mij wel, pa. Een maand vroeger of later is voor mij de quaestie niet; maar wegaannaar Indië, dat verzeker ik u.”Mistroostig ging hij heen. ’t Was waar dat Europa hem nu juist niet meeviel; ’t was er vaak kil en ongezellig. Toch had hij er zoo zijn „draai” gekregen.De kleeding, het eten, de levenswijze, de talrijke openbare vermakelijkheden,—dat alles was niet zonder invloed op hem gebleven; hij begon zich in de EuropeescheSchwunglangzamerhand weer thuis te gevoelen.En Brussel vooral trok hem aan; die lieve stad voor menschen van elken leeftijd, maar bovenal voor bejaarde heeren, die op geenpièce de vingt francsbehoeven te zien!Neen, het was ronduit gezegdabsurdenu weer naar het warme Oosten terug te keeren, en wat er ook mocht gebeuren, zooveel was wel zeker, dat hij nooit weer daartoe komen zou.Het was Van der Linden voorloopig alleen te doen om uitstel van executie. Twee dingen stonden bij hem vast: naar Indië kon noch wilde hij teruggaan, en van zijn kleinzoon wilde noch kon hij scheiden.Met geweld viel tegen Louise niets te doen; een scène hielp niet en viel bovendien maar zelden in zijn voordeel uit.Tijd winnen—dat was alles!„Paatje,” zei Louise in den sneltrein van Antwerpen, „hoelang zullen wij te Brussel blijven?”„Wel.… een maand of zoo.”„Hoelang is:of zoo?”[200]„Dat hangt er immers van af in hoever het ons bevalt.”„Ik wilde u alleen maar zeggen, dat ik vóór den West-moesson te Batavia wensch te zijn. U kunt het overigens inrichten zooals u wilt.”Haar vader drukte de lippen opéén en keek mismoedig uit het portierraampje naar de dwergachtige pereboompjes, die den spoorweg omzoomden. Was ze maar arm! Hij had zijn drie ton solide belegd, en hij verteerde toch persoonlijk de rente niet van dat geld. Waaraan zou hij het uitgeven? Konden ze daar niet ruimschoots van leven? Wat zou het heerlijk zijn geweest, dacht hij, als zefinantiëelvan hem afhankelijk was geweest en hij de man was, die de opvoeding vanhetkind mocht bekostigen.Hij zou haar dan die aardigheden wel hebben afgeleerd, al was ze nog zoo lastig van humeur.Maar wat kon hij tegen de rijke weduwe, die naast hem zat en wel tweemaal zooveel fortuin bezat als hij?’t Was niet netjes, dat voelde hij, maar toch had hij iets willen geven als die firma van Van Velton eens onverwacht over den kop was gegaan.„Waaraan denkt u?” vroeg ze.„Aan jou, Louise. Ik wou dat je arm waart.”„Heel vriendelijk.”„Ik heb genoeg voor ons en voor ’t kind.”„Geld is een goed ding, paatje. Wij hebben numeerdan genoeg, ’t Is zoo gemakkelijk.”„Ja, voor mij is dat al heel aangenaam! Ik kan op mijn leeftijd niet meer naar Indië gaan, en jijwiltme het verdriet aandoen om me alleen achter te laten.”[201]„Is het u ernst, pa? Blijft ubetoelin Europa?”Hij maakte een gebaar met hoofd en handen zóó duidelijk en zóó wanhopig, dat het Louise een glimlach afdwong.„Nu, dan zult u niet alleen achterblijven.”Vol blijde verrassing zag hij haar aan.„Neen, als u denkt datikblijf, dan hebt u het mis. Ik laat u.… kleinen njo, en.… ik gaalleennaar Indië terug.”Zij zag dat hem deze nieuwe wending pijnlijk aandeed.„Ik begrijp je niet,” zei hij aarzelend.„Dat is ook niet noodig, pa. Ikheb mijn plan. Ik kan het uitvoeren als u ook meegaat, maar als ik alleen met het kind ga, dan wordt het me zeer moeilijk.”„Wies, Wies, kan je het kind verlaten?”Zij zag hem aan met een kouden, donkeren blik.„Het kind laat ik bij zijn grootpa achter, die het liefheeft en er voor zal zorgen.Ikzou mijn kind niet achterlaten bij een slecht wijf, dat er van maakte wat ze er alleen van maken kon: een zoo bedorven schepsel als ze zelve was.”Onder het verwijt boog hij het hoofd.„Het was bij haar moeder.”Driftig haalde Louise de schouders op.„Zooals mijn hond de moeder is van haar jongen, en.… minder zelfs.”Dat ze heenging als ze hem ’t kind achterliet, was voor den dokter nu zoo’n groot verdriet niet. Het zou hem ontheffen van de plak, waaronder hij zoo geducht zat, zóó dat hij nooit van „la reine, ma fille” iets gedaan kon krijgen, zooals hij het wilde, of het moest door list en foppage geschieden.[202]Doch hij vreesde voor dat plan!Bij haar aard en wijze van handelen vreesde hij dat ze allicht tot daden kon komen, die hem minder geschikt schenen en het ergste deden verwachten.Intusschen viel er niets aan te veranderen.Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet welkesinisteredingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.Maar de tijd verstreek.Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen overal en gingen veel uit.Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht, althans er niet verder van sprak.Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al passage voor me genomen?”Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een jongen en gaf onverholen haar spijt er[203]over te kennen. Fournier, die in stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend op wijlen Van Velton geleek.De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar, maar onvoldaan.Zeer langzaam herstelde Hortense.Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar frisch en lekker.Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de week naar haar toe, somtijds te paard.Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw. Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t Was geen gewoonte tusschen[204]hen elkaars brieven open te maken. Voor zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de verzoeking sterk.Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er in dien brief staan?Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hemvoeldezitten.Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.„Lieve Hortense!„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping;il va sans dire, dat de overjouhart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaalnietmet een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je,[205]als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op deNederland, maar ik ga niettemin met deMessageries.„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd vanjeLouise.”Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen, opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij precies genegeerd als wijlen Van Velton.Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.„Egoïste,” dacht hij.Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te lezen stond, sprak hetje ne sais quoitot hem, dat van Louise[206]Van der Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij van het optrekje afwachtte.Hij kuste haar en vroeg:„Hoe gaat het?”„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”„Hoe is het met den eetlust?”„Ik heb nergens trek in.”„En hoe maakt het ons baby-tje?”„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.Het was om ontmoedigd te worden.Altijdwas het wat; ’t was pijn hier en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap. Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de zijne.Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en maakte hemdown.Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en, na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel ’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem voor[207]dat hij een roofdier was en datzijnlevenhaarleven had opgegeten.Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans op verbetering.Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!En te negen uren naar bed!„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”„Het is onbegrijpelijk!”„Heb jij haar geschreven?”„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes weken geleden.”Hij ontkleedde zich en ging slapen.Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek, strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij[208]las den brief van Louise, dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense, die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel genomen om haar te laten afborstelen, en.… had den brief gevonden.Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij maakte.„Wat beteekent dat, Gérard?”Hij glimlachte als een kiespijnboer.„Ik heb je dien brief nietwillengeven.”„Waarom niet?”„Het is een ongepaste manier van schrijven.”„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar humeur.En Fournier niet minder.Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit bleek dat hij haar erg onnoozel vond.Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen, en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.[209]„Och, zoo!”„Is het niet goed thuis?”„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”„Ja-a-a,” zei deold-bachelormet die langgerekte a, waaruit men duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:„Ze was nooit sterk.”„Neen, dat was ze ook niet.”„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfspur sangEuropeesche meisjes niet als kind.”„Ik zou niet weten waarom.”„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier,mon cher. Je ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn meest geliefde manier van rooken was.„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie[210]doet me in zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar anders.…”„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er de gevolgen van?”„De gevolgen?”„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”„Dan.… welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in Holland is?”„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg: egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd, doet er niets toe!”„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”[211]„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”Fournier haalde de schouders op.„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons „plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven heel wat aangenamer is.”„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën! Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze wil.”„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde, werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen wil en dank neersloeg.„Is het je ernst, Gérard?”„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar[212]als het in het belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb ik me beklaagd, Gérard?”„Neen.… maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”„Waarom wil je me dan weg hebben?”„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch in ’t hoofd?”„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.… niets.… niets hoegenaamd. Ik vind het.… zóó verschrikkelijk!”Zij weende.Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigenloisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”Zij wischte haar tranen weg.„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot is, maar zonder jou ga ik niet heen”Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom, maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over[213]spreken. Ik heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het doen.”Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ikkanniet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet anders.”„Laat ons er niet meer van spreken!”„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”„Neen!”„Aanhaar.”Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij er niets van snapte.„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en dat ik toch had moeten weten.”„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke malligheid in ’t hoofd gehaald.”„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”[214]’t Was een pijnlijk oogenblik.Hij kon niet zeggenwathet was;NUniet meer. De waarheid heeft haar tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t moeilijk haar te bekennen.Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; deheelewaarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die ze nooit had kunnen vergeven.Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom glimlachte hij slim en medelijdend.„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense, tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar Holland te zenden. Is het waar of niet?”Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulkesoupçons.”Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar half.In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat ereen schijntegen hem was, en zijn[215]beroep had hem de volle overtuiging geschonken, dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.En toch had Droz gelijk gehad!Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze zich ten volle overtuigd.En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van dieLieder ohne Worte, die elke vrouw kent.Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen; waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze hem kon aanbieden!En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Zemoesthet wel wezen! Een vrouw die kon levensans reprocheop de wijze als zij geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.[216]De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was één reusachtige modderpoel.Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht, beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet uitwoei dat regende uit.E per se muovekon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed van de aarde.Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en honderden Europeanen in dichte rijtuigen.Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was gezet.Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn, voldaan.Hortense wastant soit peuhersteld van boven gekomen en had haar woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.[217]Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met haar kind op den arm ging ze naar voren.Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en omhelsde haar hartelijk.„Dag Stance, hoe gaat het?”Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen, zonder dat iemand er van weet?”„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met „u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”„Soedah!je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop ik.”„Hoe dan?”„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met goed. Kan je me logeeren?”„Natuurlijk.”„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard, dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me daarin helpen.”De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haarfor intérieurgetroffen te zijn[218]over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles; voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind, voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!Zij raakten niet uitgepraat!De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.In Hortense’s boudoir zaten de twee damesen négligéte praten over al het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haarsiëstate denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den tred eens mans.Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met verwondering gade.„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met hun drieën wederom waren uitgeweest en zij[219]doodmoe op haar kleine sofa neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd: „jij ook.”Hij wist niet of hetondankswas often gevolge van, maar dàt was zeker:sedertLouise hen als het ware voorttrok van de eene visite naar de andere en noopte tot het geven van het eene avondje na het andere, was het of Hortense opleefde. Ze begon er beter uit te zien. O, het was haar dikwijls zoo moeilijk zich te kleeden, en ze had zoo graag ’s morgens nog wat te bed gebleven als het tijd was om op te staan. Maar ’s nachts en in den namiddag sliep ze lekker, zonder dat er van slapeloosheid of verveling sprake was. Voor het eerste was ze al te moe en voor het laatste had ze geen tijd.„Weet je wel,” ging Hortense voort, „hoe ze thuis altijd in sarong en kabaja liep? Eerst toen ik kwam werd er een beetje uitgegaan, maar vóór dien tijd kwam ze haast nergens.”„Het schijnt dat ze in Europa een dubbele dosis levenslust heeft opgedaan. Ons leven is nu heel anders. Kom je wel toe met het geld?”Zij lachte.„Ik houd over.”„Houd je over? En vroeger kwam je geregeld tekort!”„O, maar zij is ontzaglijk royaal.”Geheel tegen zijn aard en beschaafde manieren stoof Fournier op.„Je laat haar toch de gastvrijheid, die ze bij ons geniet, niet betalen?”[220]Verschrikt keek ze hem aan.„Mijn God, Gérard, wat scheelt je? Ik kan het niet helpen.”„Wat is dat? Kan je het niet helpen?”„Neen. Ik wilde eerst niet dat ze me geld zou geven. Doch zijwildehet en ik ben niet tegen haar opgewassen. Als zij iets wil, dan gebeurt het; dat was bij ons thuis ook altijd zoo.”„Hortense,” zei Gérard ernstig, „morgenochtend schrijf je op een stukje papier hoeveel ze je heeft gegeven. Ik zal dan geld meebrengen van het kantoor. Ik bezit Goddank genoeg om zulke dingen in mijn huis niet te veroorloven.”„Maar Gérard-lief, zijwilhet.”„En ik wil het niet.”„Ja.… maardankom ik ook zeker tekort.”„Je kunt zooveel van me krijgen als je noodig hebt, maar het geld geef je haar terug. Ik neem het ernstig kwalijk dat je het hebt aangenomen.”Hij was inwendig woedend. Geen karakter had toch die vrouw! Foei, hij had het niet geloofd als een ander het hem had verteld. ’t Was hem moeilijk den slaap te vatten; terwijl Hortense reeds sliep, zoo rustig als ’t maar kon, lag hij zich nog steeds te ergeren over het gebeurde.De slotsom was, dat hij het zijn vrouw half en half vergaf. Wat kon ook zulk een zwak hoofd tegen een vrouw alszij? Het was te dwaas om te verlangen dat de een tegen de andere zou zijn opgewassen. Maar ze had hethemkunnen zeggen, en voorts had Louise moeten bedenken dathijin geen geval zóó iets had kunnen toestaan. Als zij er dan voor Hortense geen beleediging in had gezien, dan[221]had ze moeten begrijpen dat het er een voor hem was.Den volgenden ochtend vermeed hij Louise en ging vroeger dan gewoonlijk naar de stad. Met een portefeuille vol bankbiljetten en een bezwaard gemoed keerde hij des middags terug. Hij zag er niet tegen op als advocaat de lastigste perkara’s aan te vatten en de kwaadaardigste tegenstanders te staan. De groote mond en de hatelijkste aanmerkingen van sommige collega’s vreesde hij volstrekt niet—’t was iets anders tegenoverhaarte staan inzulkeen geval.Hij behoefde niet lang te zoeken naar een geschikte manier om in conversatie te treden over de lastige zaak; zij stond hem reeds op te wachten in de voorgalerij.„Bonjour, schoonzoon, breng je geld voor me mee?”Hij beet zich van ergernis op de lippen.„Ja,” zei hij, „het doet me genoegen, dat u het zelf hebt ingezien.”„Wat?”„Dat het geen houding had tegenover mij.”Zij lachte hem uit in zijn gezicht, en haar kleine, witte tandjes schitterden daarbij als koralen.„Fournier, wat ben je achteruitgegaan!Mon Dieu, wat een stijf, ouderwetsch heer ben je geworden! Ik schaam me haast over onze parentage.”„’t Is mogelijk, maar het is niet anders,” zei hij, zonder zich iets aan te trekken van haar spotternij.„Neen, hetisniet anders, al had het anders kunnen zijn.”„Het is mijn schuld niet.”Ze zag hem aan met dien vreemden blik, waaraan hij, gelijk hij wist, moeilijk weerstand kon bieden.[222]„We dwalen af, Gérard. We moesten spreken over die nare quaestie van geld, nietwaar? Zeg het asjeblieft ronduit: wil je me weg hebben?”„Volstrekt niet. Het is een nieuwe beleediging dat van me te denken.”„Laat maar! Alles wat ik zeg, schijnt je te beleedigen; maarsoedah. Kijk eens, ik ben hier in het huis van.… mijnstiefkinderen.”Fournier hield het niet langer uit. De maat was vol. Al het verdriet, dat ze hem had berokkend, scheen zich plotseling om te zetten in bitterheid, en zóó hevig was het, dat hij voor een oogenblik alles vergat.„Het is niet noodig,” zei hij scherp, „mij daaraan te herinneren. Ik ben uw speelbal geweest en ge moogt u daarover verheugen. Als een echt bedorven Indisch meisje hebt ge uw grillen tegenover mij den vrijen teugel gevierd toen ik volkomen onder de betoovering lag van een schoonheid, waarvan door u schandelijk misbruik werd gemaakt. Het is nu gedaan en de betoovering is gebroken. Verspil niet nutteloos uw spitsvondigheden aan iemand, die het zich gelukkig niet langer waardig acht. Ik heb u liefgehad, zoals ik geloof dat zelden een man een meisje kan liefhebben. In alles heb ik me door u als aan een touwtje laten leiden, totdat ik ten slotte, als gebiologeerd, op uw aandringen de arme Hortense trouwde, zonder dat ik iets anders voor haar gevoelde dan de achting, die men aan een fatsoenlijk jong meisje schuldig is.”Louise was bleek geworden. Zij hield zich vast aan het marmeren blad van de tafel en zag hem verschrikt in het[223]gezicht. Zulk een uitval op een zoo heftigen toon had ze van hem het allerminst verwacht; hij, altijd zoo beschaafd en de goede vormen in acht nemend, stond daar nu voor haar met een brutaal gezicht en slingerde haar allerlei verwijten voor de voeten. En, wonderlijk toch, ze vond hem veel knapper van uiterlijk dan ooit te voren. Wat ze altijd had gevonden, was dat het hem aan iets mannelijks ontbrak; dat had haar getroffen, juist omdat hij haar overigens zoo na aan het hart lag.„Mij dunkt,” zei ze zacht, „dat je geen recht hebt om je te beklagen. Je hebt een gelukkig huwelijksleven; dat is meer danikooit gehad heb.”„Ik zal daarop niet antwoorden,” zei hij even brusk als te voren. „Voor Hortense heb ik veel te veel achting dan dat ik iets zou willen of kunnen zeggen dat beleedigend voor haar zou zijn. En als je haar wilt beleedigen door geld te geven voor een gastvrijheid, die ze nooit gewoon is geweest te laten betalen, dan zal ik haar verdedigen ook tegenover u.”Die laatste woorden maakten haar woedend.„Ei! Wel, je ben een galante ridder, Gérard! Het is waarachtig wel noodig, dat je die hoedanigheid in herinnering brengt. Ik heb medelijden met je!”„En ik kan niet zeggen dat ik zelfs dat heb met u. Hier is het geld terug, dat je aan Hortense hebt gegeven.”„Ikwilhet niet.”„Jemoethet terugnemen. Denk niet dat ik me door uw driftig verzet laat intimideeren. Ik heb het u gezegd; dat is voor goed uit.”[224]„Ikwilniet, Fournier. Neem dat geld van tafel of ik scheur het aan snippers.”Hij moest eerlijk erkennen, dat hem eenigszins de schrik om het hart sloeg. Hij was „man” genoeg om de waarde van het geld te kennen en te appreciëeren, en hij wist met zekerheid dat Louise van een kracht was om te doen wat ze zeide.„’t Is me onverschillig wat u er mee doet. Het is immersuwgeld en niet het mijne. Je kunt er mee doen wat je wilt.”Met één greep had ze het half uiteengeschoven pakje bankbiljetten gegrepen: ze trok, scheurde en rukte in een graad van woede, die Fournier hevig verschrikte en voor een zenuwtoeval deed vreezen.De fragmenten bankpapier vlogen door de voorgalerij; dat was hem te veel, hij deed een greep om nog te redden wat er te redden was, en kreeg met een klein gevuld handje een klap op zijn gezicht, dat hem duizenden sterretjes voor de oogen dansten.Hij stond verstomd. Hij zag dat ze de rest van het kostelijke geld in de grootste opgewondenheid aan snippers scheurde en toen de deur openrukte om de zijkamer binnen te gaan; daarop hoorde hij een harden schreeuw en liep ook naar binnen.Hortense lag doodsbleek op den grond. Bij het vallen had ze haar hoofd bezeerd aan den uitstekenden poot van een wipstoel en een vrij groote bloedplek op de fijne Palembangsche mat toonde dat ze zich had verwond. Louise had van een knaapje een flacon met eau de cologne genomen, en hield dien der bewustelooze onder den neus, terwijl ze haar slapen er mee wiesch.[225]„Ga weg!” beet ze Fournier toe, toen deze dichterbij kwam.En hij ging; hij sloop weg, als een geslagen hond, met een centenaarsgewicht op de borst. Wat hetnuworden moest, wist hij in het geheel niet meer, maar dat er verschrikkelijke dingen op til waren, vreesde hij wel.Gewillig liet Hortense zich naar haar kamer brengen en op haar bed leggen door Louise en de baboe. Zij weende in stilte, en Louise, die voorovergebogen stond aan het bed en wier hoofd ook op het kussen lag, achter dat van de jonge vrouw, vertelde haar alles. Zij deed het op zulk een innig lieven toon; er lag in geheel het verhaal zulk een gloed van echt vrouwelijk gemoedsleven; zulk een levendige herinnering aan doorgestanen strijd en geleden smart, dat de tranen van Hortense niet meer vloeiden, en zij, zich omkeerend, het donkere, droevige gezicht kuste, dat haar een half uur te voren dat van een vleesch geworden duivelin had toegeschenen.Het wondje door het vallen teweeggebracht, had niets om het lijf: toen het afgewasschen en het schrikwekkende „bloed” verdwenen was, bleek het hoogst onbeduidend te zijn.Inwendig was de schok vreeselijk geweest. Hortense kwam pas weer wat bij, en de geweldige ontroering, het groot verdriet, werkte zóó reageerend op haar nog zwakke gezondheid, dat ze hevige koortsen kreeg.Louise verpleegde haar trouw en trachtte van tijd tot tijd den indruk weg te nemen, door den afgeluisterden twist op de jonge vrouw gemaakt.Maar ’t hielp niet.Ze was bereid aan Louise te vergeven dat deze tegen haar[226]had gehuicheld; sterker nog, ze zou het Fournier hebben vergeven, dat hij haar niet had liefgehad; maar ze vergaf hem niet, dat hij haar had bedrogen.Dat was het standpunt, waarop zij zonder nadenken of redeneeren was geraakt, en niets was in staat het haar te doen verlaten.Met groote moeite gelukte het Fournier na eenige dagen toegang te krijgen tot de kamer zijner vrouw.Toen ze hem zag, werd ze nog bleeker dan ze reeds was en haar lippen trilden geweldig.Hij pleitte.Het was niet waar dat hij haar niet had liefgehad. Zijn genegenheid voor haar, zei hij, was reëel, maar van een anderen aard. Wat hij voor Louise had gevoeld, maar nu reeds lang volstrekt niet meer voor haar gevoelde, was meer een platonische liefde: van haar, Hortense, hield hij veel als vrouw. Louise Van der Linden had hem gebiologeerd; Hortense hem bevrediging geschonken.Hij werkte dit thans uit en raakte er bij op dreef. De klank van zijn eigen stem en de innige toon, waarop hij sprak, animeerden hem; vernuftige combinaties en gepaste tegenstellingen volgden elkaar op; stemmodulaties en fraaie effectvolle zinwendingen kwamen als vanzelf.—’t Was alles om niet.Zij hoorde het aan, en toen hij gedaan had met zijn pleitrede, schudde zij het hoofd met een droevig lachje. Voor een jury zou hij zijn pleidooi over het dualistisch karakter der liefde hebben gewonnen, zijn vrouw zei alleen:„Je hebt me bedrogen, Fournier! Ik geloof je niet.”[227]Het ergerde hem, vooral omdat hij overtuigd was dat zij de waarheid sprak. Maar het was ook een miskenning van zijn talent en dat was op zichzelven reeds onaangenaam! Daarbij: hij meende toch dat erietswaar was in zijn pleidooi! In het algemeen was het immers waar dat er sexueele en intellectueele banden bestonden, die scherp van elkaar gescheiden konden zijn; en als dat waar was in abstracto, dan was het dat zeker ook in zijn eigen concreet geval.Het was dom van Hortense dat niet te willen begrijpen en hem altijd maar te antwoorden met een afwijzend hoofdschudden en een beschuldiging van bedrog.Bedrogen! Honderden mannen, dat wist hij, bedriegen metterdaad hun vrouwen op de schromelijkste manier, zonder dat ze er ooit last van ondervinden. Wat had hij eigenlijk gedaan? Niets. Hij had nooit geofferd op andere altaren, dan zijn huisaltaar; al wat hij zich te verwijten had, was, dat hij in een onbewaakt oogenblik een mooie jonge vrouw, die met een oud man getrouwd was, in zijn armen genomen en gekust had.Het was zóó weinig—’t was voor een man haast om over te blozen, zoo weinig was het!En daarvoor werd hij behandeld alsof hij een verrader was. Zelfs zijn talent als advocaat was buiten staat geweest een verzoening te bewerken.„Je hebt me bedrogen!”—ziedaar alles wat hij ten antwoord kreeg.’t Was idioot!Hij verliet schouderophalend de kamer en ging ontbijten[228]in de achtergalerij, waar Louise Van der Linden den huiselijken schepter zwaaide.’t Was er keurig en keurig netjes en zijzelve verlevendigde alles met haar mooie oogen en haar figuurtje om te stelen, dat in sarong en kabaja nog honderdmaal sierlijker scheen dan in Europeesch toilet.Hortense was het niet in het hoofd gekomen om iets verdachts te vinden in het verblijf van haar man en haar jonge stiefmoeder onder één dak, terwijl zijzelve haar kamer hield.Fournier mocht haar bedrogen hebben en Louise verkeerd hebben gedaan met een huwelijk te koppelen, dat beter niet gesloten ware,—fatsoenlijkwaren ze, daar had ze den dood op willen ingaan.En bovendien, hij had het in zijn boosheid immers zelf gezegd: de vroegere bekoring was gebroken.In dat opzicht koesterde zij dus geen de minste vrees, en als zij den blik had gezien, waarmee Fournier Louise beschouwde toen hij met deze aan de ontbijttafel zat,—dan nog zou ze aan niets hebben kunnen denken.Zij wist hoe zuiver de levenswandel van Louise was geweest, toen ze met haar vader zulk een troosteloos huwelijksleven leidde; zij wist dat haar man, al den tijd dat ze getrouwd waren, zijn boeken binnenshuis had bijgehouden, en zij kon en wilde niet aannemen, dat iemand plotseling anders werd, dan zijn opvoeding, zijn beginselen en zijn fatsoen hem van der jeugd af hadden gemaakt.Mistroostig zette hij zich aan tafel. Het was geen leven, vond hij, op die manier. Hoe hij en Louise na het voorgevallene[229]weer met elkaar aan het praten waren geraakt alsof er niets gebeurd was, herinnerde hij zich niet meer; maar het was zoo.„Hoe is het?” vroeg ze op luchthartigen toon.Hij maakte een veelbeteekenende beweging met hoofd en schouders.„Wat zal ik je zeggen!”„Wil ze nog van geen verzoening weten?”„Er is geen denken aan.”„Dat prouveert niet voor je, Gérard.”Hij lei mes en vork neer en keek haar aan.„Ik heb alles gedaan wat ik kon.”„Niet meer?”Een oogenblik aarzelde hij.„Zelfs dat.”„Dan zou ik er mee uitscheiden.”„En haar met onverschilligheid.…”„Soedah, Gérard, wat ben je onuitstaanbaar traag van begrip vandaag. In dat opzicht ben je erg achteruitgegaan. Toen je nog jongmensch waart, vond ik het zoo gezellig dat je iemand was vandemi-mots,—tegenwoordig moet alles letterlijk voor je gespeld worden.”„Het is mogelijk. Ik heb vandaag ook in dat opzicht geenveine. Spel het dan maar, asjeblieft.”„Je moet Hortense niet meer aan het hoofd leuteren over die nare historie.”„En dan?”„Met haar praten over koetjes en kalfjes, net alsof er niets was gebeurd.”[230]„Alsof ze zich dat zou laten welgevallen!”„Natuurlijk zal ze dat. Wat denk je wel te bereiken met al het vergoelijken van omstandigheden, die nu eenmaal geweest zijn, zooals ze waren?”Hij zuchtte diep.„Voor ’t minst den huiselijken vrede.”„Die bestaat reeds. Er is hier niemand, die onaangenaam is tegen den ander. Geloof me, met praatjes bereikt men in zulke omstandigheden niets bij een vrouw. Integendeel: hoe meer men praat, des te wantrouwender wordt ze. Doe wat ik je zeg: vergeven doet ze toch, vergeten toch niet.”„Het is mogelijk.”„Het is nietmogelijk, Gérard. Als ik je zoo iets zeg, dan is het zoo; daar heb jij geen verstand van.”„Ik deed het in aller belang en tot bevordering van.… aller geluk.”Zij lachte zoo luid, dat hij er van schrikte, want het moest zelfs tot Hortense doordringen.„Geluk! Och, Gérard, ge zijt ook al zoo’n zwaarmoedige Hollander! Je denkt ook dat het geluk een olifant is, die honderd jaren oud wordt.Mon cher, het is een vlindertje dat men grijpen moet als men kan.… maar niet te lang vasthouden, anders gaat het beestje dood.”Fournier zweeg.Toen het ontbijt was afgeloopen stond hij op, nam zijn brieven en couranten en ging naar de stad. Zij vergezelde hem tot in de voorgalerij. Het was, vond hij, precies of ze man en vrouw waren. De gouden zonnestralen speelden door het dicht gebladerte; de veelkleurige bloemen en planten op[231]het voorerf zagen er zoo gezellig en vroolijk uit; het donkere ameublement ontleende zulk een fraai relief aan den marmeren vloer; de glanzende, zwarte paarden trappelden vroolijk voor het wachtend rijtuig,—en dan het mooie vrouwtje.… Wel, de betoovering was zoo groot, dat hij haar goeden dag had willen kussen om de illusie te volmaken.„Tot vanmiddag,” zei hij, haar de hand reikend.„Adieu.”„Ik zal eens nadenken over de parabool van zooeven.”Zij lachte weder.„Doe het maar niet, Gérard. Die groote, nare, sombere gebouwen in de stad zijn niet geschikt voor zulke gedachten. Bovendien, ik weet ook niet waartoe het zou dienen.”Onderzoekend keek hij haar aan.„Ik wil oprecht met je wezen. Niemand begreep waarom ik naar Indië terugkeerde, nietwaar?”„Neen.”„Nu, het was om jou.”Het bloed steeg hem naar het hoofd.„Maak je niet zenuwachtig, Fournier. Als het niet voor goed uit was, zou ik het je niet gezegd hebben; dat begrijp je toch wel?”„Maar waarom.…?”„Waarom? Wel je bent me verschrikkelijk tegengevallen. Je vergeeft het me, hè, maar ik hield je ten onrechte voor eenhomme d’esprit. O, ik weet het wel: je bent ergknap—maar dàt is het niet, wat ik bedoel. Ik hield je voor een zwaluw en ik vind een huismusch. Nog eens: neem me mijn openhartigheid niet kwalijk, Gérard. Je weet, ik[232]bennu eenmaal zoo, en niet anders. Ik zal mijn best doen om Hortense weer gezond voor je te maken en leeft jullie dan maar saampjes.… Ik durf het niet te zeggen, omdat ik niet goed weet hoe ik het zeggen moet, maar gelijk de meeste mannen houdt ge erg van je gemak, en je kunt het ter wereld niet gemakkelijker hebben dan thuis.”Hoofdschuddend en zonder een woord te spreken ging hij heen en stapte zijn wagen in. Hij had veel van haar beleefd, maar dat was wel het ergste van alles. En wederom toch moest hij ’t voor zichzelven bekennen: het was waar wat ze gezegd had. Vlug en werkzaam mocht hij in vele opzichten heeten,—hij was een luiaard in de liefde. Geest en stof bewandelden in dat opzicht hun weg niet gezamenlijk en in volkomen harmonie. De eerste was de laatste geregeld een post of wat vóór. Maar hoe kon zij zijn eigenschappen kennen? Dat zij het deed maakte hem boos en taquineerde hem tevens. O, als hij zijn vooroordeelen het zwijgen wilde opleggen, dan zou hij nog wel eens metterdaad kunnen toonen dat zij ongelijk had gehad, toen ze hem, zoo spottend, gemakzucht verweet!Louise Van Velton-Van der Linden wist wel wat ze deed. Toen ze hem zag weggaan, trokken haar mondhoeken snel en herhaaldelijk naar achteren; ze moest zich goed houden om niet te lachen. Ze bleef in de voorgalerij staan tot het rijtuig het erf af en den weg op reed. Hij keek om en zij groette hem met haar zakdoek. Daarna ging ze de kamer van Hortense binnen.„Hoe gaat het?” vroeg ze en nam plaats op een vouwstoeltje aan het voeteneinde van het bed.[233]„Och, zoo! Ik heb vannacht geen koorts gehad en ik voel me nu ook tamelijk wel.”„Dan zou ik eens opstaan en wat op en neer wandelen.”„Och, waartoe?”Met opgetrokken wenkbrauwen keek Louise haar aan.„Mijn God, Hortense, wat zijn jullie toch onuitstaanbare wezens. Neen maar, je bent als het ware voor elkaar geschapen! Ik zie nu in dat ik indertijd heel verstandig heb gedaan.”Hortense gaf op dit laatste geen repliek.„’t Is in hooge mate humoristisch,” vervolgde Louise, „en ik begin er aan te wanhopen een einde aan de dramatische positie te maken. Weet je wat: ga met me mee naar Europa.”„Ik kan niet tegen het klimaat.”„Dwaasheid, kind. Het zuiden van Frankrijk is overheerlijk. Laat ons daar ’n half jaar gaan wonen en ik breng je gezond en sterk weer naar Batavia terug.”„Ik zal er eens over denken. Maar.… Fournier?”„Wel, die moet er zich maar doorslaan gedurende dien tijd.”„Als hij wil.”„Hij moet; ’t is in het belang van jullie kind. Dat heeft het hard noodig. De mail sluit vandaag. Ik zal papa schrijven.”Fournier had het op den maildag ook drukker met het schrijven van brieven aan zijn relaties in Holland. Hij kwam laat thuis en vond tot zijn groote verwondering zijn vrouw in de achtergalerij. Louise gaf hem een wenk; hij begreep.
„Ha, ha! Ik ben vrij, paatje, hoe heerlijk. Ik had er nooit aan gedacht, dat hij zou gestorven zijn. Het is maar goed ook dat ik in Indië er nooit aan heb gedacht.”
Haar vader liet haar alleen. Er was niets aan te doen; ’t was niet mogelijk haar tot kalmte te krijgen.
„Naar Indië, naar Indië!”
’t Was het eerste denkbeeld, dat haar als ’t ware betooverd hield.
Zij stond midden in haar kamer toen haar vader wegging om den storm te laten bedaren.
Vrij! Een slavenketen kon niet met grooter zielsgenoegen worden afgeschud.
Onbeweeglijk bleef ze staan als altijd, wanneer haar veel gedachten door het hoofd kruisten; naarmate haar geest werkzamer was, scheen haar lichaam meer onder een biologeerenden invloed te komen.
Welk een plotselinge verandering! Die man, Van Velton, aan wien ze nog ’s morgens niet zonder haat en afschuw kon denken, maar aan wien ze zich door een geweldigen, onverbreekbaren band voelde verbonden, was nu weg; verdwenen.… voor goed.… voor altijd!
En onmiddellijk naast dat gevoel van vrijheid daagde een[196]ander op van diepe ellende. Het was de gedachte aan Fournier, nu gehuwd mèt Hortense.
Gehuwd, door haar drijven!
Verloren, door haar eigen schuld!
Wild streek ze met haar fraai gevormd bruine handje de krullende haren weg, die naast en op haar voorhoofd dartelden.
Ze zou teruggaan naar Batavia, als haar vader wilde, met hem,—zoo niet, dan zonder hem. Maar teruggaan zou ze. Hortense kon immers ook sterven!
Wie weet!
Dokter Van der Linden was kalm naar zijn kamer gegaan en had daar een tien minuten zitten pikiren. Toen had een glimlach ’teureka! geteekend op zijn gezicht. Hij nam twee velletjes papier en schreef op het een:
„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.Eenige en algemeene kennisgeving.”
„Overleden te Batavia de heer J. F. C. Van Velton.Eenige en algemeene kennisgeving.”
En op het andere:
„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C. Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door mij en de kinderen aan hem wordt verloren.Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,V. d. LINDEN.”
„Tot mijn diepe droefheid ontving ik uit Batavia de treurige tijding, dat mijn hartelijk geliefde echtgenoot, de heer J. F. C. Van Velton, na een kortstondig, doch hevig lijden, is overleden.
Allen, die den overledene hebben gekend, zullen beseffen wat door mij en de kinderen aan hem wordt verloren.
Mevr. de Wed. L. VAN VELTON,V. d. LINDEN.”
Met deze twee aankondigingen ging de dokter den volgenden ochtend naar het huis van een der mede-eigenaren van het[197]plaatselijk nieuwsblad, en na gemeen overleg bleek de typographische en expeditieve mogelijkheid om de eerste annonce op te nemen in één enkel nommer der oplage van dien dag, welk exemplaar dan zou gezonden worden aan de weduwe; in de overige oplaag zou de tweede advertentie worden geplaatst.
’s Avonds, na het eten, werd de courant gebracht. De slimme trek verscheen weer op ’t gezicht van den dokter, maar week daarvan toen hij de geweldige verandering zag op Louise’s gelaat, toen ze de courant had ingezien.
Was het nu nog niet goed?
Doch ten spijt van ’s dokters berekeningen omtrent de typographische en expeditieve mogelijkheid, had een domme rondbrenger ’t verkeerde exemplaar afgegeven.
Dokter Van der Linden begreep dat wel niet direct, maar hij durfde toch niets vragen.
Zonder een woord te spreken stond zij op en ging naar haar kamer. Toen keek hij ’t blad in en stond verstomd. Een kleur van woede en ergernis kwam op zijn gezicht; hij greep zijn hoed en liep de straat op.
Onderweg ontmoette hij een „bloedverwant.”
„Ik ging juist naar u toe om u te condoleeren.”
„Zoo; ik heb geen tijd.”
„Tevens wilde ik u zeggen dat ik de annonce.…”
„Nu?”
„Ziet u, wij zijn hier in Holland niet gewoon zulke advertenties te plaatsen, wanneer het iemand betreft, die ons zoo na bestaat.”
„Ah zoo.… Hebt u de courant bij u?”[198]
„Neen, hoe zoo?”
„Ligt die bij u thuis; kan ik ze krijgen?”
„Welzeker, maar.…”
„Och, doe me een genoegen en laat ons geen tijd verliezen, geef me uw courant.”
„Met pleizier.”
Een kwartier later was de dokter weer thuis; hij tikte aan de kamer van Louise, die open deed.
„Kom,” zei hij vroolijk, „’t was maar gekheid, Wies. Ik heb je wat willen plagen, maar je bent tegenwoordig zoo akelig serieus. Hier heb je de ware advertentie. Kijk die eens in!”
Ze glimlachte.
„Je bent een echte plaaggeest, pa. Maar in dit geval was het toch te erg. Weet je wat, we moesten maar weer naar Batavia gaan.”
„Naar Indië!.… Ik in der eeuwigheid niet, hoor. Ik begin hier pas ’n beetje te gewennen.”
„Dus wilt u in Europa blijven?”
„Natuurlijk.”
„Soedah!Maar ik ga terug.”
’t Was eenslagvoor hem. Wat was dat nu weer voor een mal idée. Wat in ’s hemels naam moest ze in Indië doen?
„Louise,” zei hij ernstig, „laat ons er nu nog niet zoo gedecideerd over spreken. Onze koffers staan gepakt voor Brussel, waar ik reeds alles heb besteld. Als we nu eerst dáárheen gaan, dan zijn we hier uit den rommel en kunnen op ons gemak bespreken al wat we verder zullen doen en laten.”[199]
Zij haalde de schouders op.
„’t Is mij wel, pa. Een maand vroeger of later is voor mij de quaestie niet; maar wegaannaar Indië, dat verzeker ik u.”
Mistroostig ging hij heen. ’t Was waar dat Europa hem nu juist niet meeviel; ’t was er vaak kil en ongezellig. Toch had hij er zoo zijn „draai” gekregen.
De kleeding, het eten, de levenswijze, de talrijke openbare vermakelijkheden,—dat alles was niet zonder invloed op hem gebleven; hij begon zich in de EuropeescheSchwunglangzamerhand weer thuis te gevoelen.
En Brussel vooral trok hem aan; die lieve stad voor menschen van elken leeftijd, maar bovenal voor bejaarde heeren, die op geenpièce de vingt francsbehoeven te zien!
Neen, het was ronduit gezegdabsurdenu weer naar het warme Oosten terug te keeren, en wat er ook mocht gebeuren, zooveel was wel zeker, dat hij nooit weer daartoe komen zou.
Het was Van der Linden voorloopig alleen te doen om uitstel van executie. Twee dingen stonden bij hem vast: naar Indië kon noch wilde hij teruggaan, en van zijn kleinzoon wilde noch kon hij scheiden.
Met geweld viel tegen Louise niets te doen; een scène hielp niet en viel bovendien maar zelden in zijn voordeel uit.
Tijd winnen—dat was alles!
„Paatje,” zei Louise in den sneltrein van Antwerpen, „hoelang zullen wij te Brussel blijven?”
„Wel.… een maand of zoo.”
„Hoelang is:of zoo?”[200]
„Dat hangt er immers van af in hoever het ons bevalt.”
„Ik wilde u alleen maar zeggen, dat ik vóór den West-moesson te Batavia wensch te zijn. U kunt het overigens inrichten zooals u wilt.”
Haar vader drukte de lippen opéén en keek mismoedig uit het portierraampje naar de dwergachtige pereboompjes, die den spoorweg omzoomden. Was ze maar arm! Hij had zijn drie ton solide belegd, en hij verteerde toch persoonlijk de rente niet van dat geld. Waaraan zou hij het uitgeven? Konden ze daar niet ruimschoots van leven? Wat zou het heerlijk zijn geweest, dacht hij, als zefinantiëelvan hem afhankelijk was geweest en hij de man was, die de opvoeding vanhetkind mocht bekostigen.
Hij zou haar dan die aardigheden wel hebben afgeleerd, al was ze nog zoo lastig van humeur.
Maar wat kon hij tegen de rijke weduwe, die naast hem zat en wel tweemaal zooveel fortuin bezat als hij?
’t Was niet netjes, dat voelde hij, maar toch had hij iets willen geven als die firma van Van Velton eens onverwacht over den kop was gegaan.
„Waaraan denkt u?” vroeg ze.
„Aan jou, Louise. Ik wou dat je arm waart.”
„Heel vriendelijk.”
„Ik heb genoeg voor ons en voor ’t kind.”
„Geld is een goed ding, paatje. Wij hebben numeerdan genoeg, ’t Is zoo gemakkelijk.”
„Ja, voor mij is dat al heel aangenaam! Ik kan op mijn leeftijd niet meer naar Indië gaan, en jijwiltme het verdriet aandoen om me alleen achter te laten.”[201]
„Is het u ernst, pa? Blijft ubetoelin Europa?”
Hij maakte een gebaar met hoofd en handen zóó duidelijk en zóó wanhopig, dat het Louise een glimlach afdwong.
„Nu, dan zult u niet alleen achterblijven.”
Vol blijde verrassing zag hij haar aan.
„Neen, als u denkt datikblijf, dan hebt u het mis. Ik laat u.… kleinen njo, en.… ik gaalleennaar Indië terug.”
Zij zag dat hem deze nieuwe wending pijnlijk aandeed.
„Ik begrijp je niet,” zei hij aarzelend.
„Dat is ook niet noodig, pa. Ikheb mijn plan. Ik kan het uitvoeren als u ook meegaat, maar als ik alleen met het kind ga, dan wordt het me zeer moeilijk.”
„Wies, Wies, kan je het kind verlaten?”
Zij zag hem aan met een kouden, donkeren blik.
„Het kind laat ik bij zijn grootpa achter, die het liefheeft en er voor zal zorgen.Ikzou mijn kind niet achterlaten bij een slecht wijf, dat er van maakte wat ze er alleen van maken kon: een zoo bedorven schepsel als ze zelve was.”
Onder het verwijt boog hij het hoofd.
„Het was bij haar moeder.”
Driftig haalde Louise de schouders op.
„Zooals mijn hond de moeder is van haar jongen, en.… minder zelfs.”
Dat ze heenging als ze hem ’t kind achterliet, was voor den dokter nu zoo’n groot verdriet niet. Het zou hem ontheffen van de plak, waaronder hij zoo geducht zat, zóó dat hij nooit van „la reine, ma fille” iets gedaan kon krijgen, zooals hij het wilde, of het moest door list en foppage geschieden.[202]
Doch hij vreesde voor dat plan!
Bij haar aard en wijze van handelen vreesde hij dat ze allicht tot daden kon komen, die hem minder geschikt schenen en het ergste deden verwachten.
Intusschen viel er niets aan te veranderen.
Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet welkesinisteredingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.
Maar de tijd verstreek.
Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen overal en gingen veel uit.
Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht, althans er niet verder van sprak.
Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al passage voor me genomen?”
Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.
Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een jongen en gaf onverholen haar spijt er[203]over te kennen. Fournier, die in stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend op wijlen Van Velton geleek.
De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar, maar onvoldaan.
Zeer langzaam herstelde Hortense.
Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.
Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar frisch en lekker.
Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de week naar haar toe, somtijds te paard.
Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.
De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw. Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t Was geen gewoonte tusschen[204]hen elkaars brieven open te maken. Voor zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de verzoeking sterk.
Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er in dien brief staan?
Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hemvoeldezitten.
Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.
„Lieve Hortense!„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping;il va sans dire, dat de overjouhart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaalnietmet een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je,[205]als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op deNederland, maar ik ga niettemin met deMessageries.„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd vanjeLouise.”
„Lieve Hortense!
„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.
„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping;il va sans dire, dat de overjouhart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.
„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaalnietmet een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je,[205]als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.
„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op deNederland, maar ik ga niettemin met deMessageries.
„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.
„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.
„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd van
jeLouise.”
Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen, opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij precies genegeerd als wijlen Van Velton.
Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.
„Egoïste,” dacht hij.
Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te lezen stond, sprak hetje ne sais quoitot hem, dat van Louise[206]Van der Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.
Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.
In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij van het optrekje afwachtte.
Hij kuste haar en vroeg:
„Hoe gaat het?”
„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”
„Hoe is het met den eetlust?”
„Ik heb nergens trek in.”
„En hoe maakt het ons baby-tje?”
„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”
De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.
Het was om ontmoedigd te worden.Altijdwas het wat; ’t was pijn hier en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap. Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de zijne.
Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en maakte hemdown.
Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en, na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel ’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem voor[207]dat hij een roofdier was en datzijnlevenhaarleven had opgegeten.
Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans op verbetering.
Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.
Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!
En te negen uren naar bed!
„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”
Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?
„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”
„Het is onbegrijpelijk!”
„Heb jij haar geschreven?”
„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes weken geleden.”
Hij ontkleedde zich en ging slapen.
Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek, strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij[208]las den brief van Louise, dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense, die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel genomen om haar te laten afborstelen, en.… had den brief gevonden.
Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij maakte.
„Wat beteekent dat, Gérard?”
Hij glimlachte als een kiespijnboer.
„Ik heb je dien brief nietwillengeven.”
„Waarom niet?”
„Het is een ongepaste manier van schrijven.”
„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”
„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”
Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.
Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar humeur.
En Fournier niet minder.
Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.
„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit bleek dat hij haar erg onnoozel vond.
Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen, en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!
De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.
„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.[209]
„Och, zoo!”
„Is het niet goed thuis?”
„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”
„Ja-a-a,” zei deold-bachelormet die langgerekte a, waaruit men duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.
Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:
„Ze was nooit sterk.”
„Neen, dat was ze ook niet.”
„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfspur sangEuropeesche meisjes niet als kind.”
„Ik zou niet weten waarom.”
„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier,mon cher. Je ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”
„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn meest geliefde manier van rooken was.
„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”
„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”
„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie[210]doet me in zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”
„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar anders.…”
„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”
Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.
„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er de gevolgen van?”
„De gevolgen?”
„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”
„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”
„Dan.… welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in Holland is?”
„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg: egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd, doet er niets toe!”
„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”[211]
„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”
Fournier haalde de schouders op.
„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”
„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons „plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven heel wat aangenamer is.”
„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”
„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën! Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”
„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze wil.”
„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”
Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde, werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen wil en dank neersloeg.
„Is het je ernst, Gérard?”
„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar[212]als het in het belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”
„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb ik me beklaagd, Gérard?”
„Neen.… maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”
„Waarom wil je me dan weg hebben?”
„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch in ’t hoofd?”
„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.… niets.… niets hoegenaamd. Ik vind het.… zóó verschrikkelijk!”
Zij weende.
Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigenloisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?
„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”
Zij wischte haar tranen weg.
„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot is, maar zonder jou ga ik niet heen”
Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom, maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.
„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over[213]spreken. Ik heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het doen.”
Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.
„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ikkanniet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet anders.”
„Laat ons er niet meer van spreken!”
„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”
„Neen!”
„Aanhaar.”
Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij er niets van snapte.
„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”
„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en dat ik toch had moeten weten.”
„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke malligheid in ’t hoofd gehaald.”
„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”[214]
’t Was een pijnlijk oogenblik.
Hij kon niet zeggenwathet was;NUniet meer. De waarheid heeft haar tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t moeilijk haar te bekennen.
Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; deheelewaarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die ze nooit had kunnen vergeven.
Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom glimlachte hij slim en medelijdend.
„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense, tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar Holland te zenden. Is het waar of niet?”
Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.
„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulkesoupçons.”
Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.
De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar half.
In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat ereen schijntegen hem was, en zijn[215]beroep had hem de volle overtuiging geschonken, dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.
Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.
En toch had Droz gelijk gehad!
Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze zich ten volle overtuigd.
En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van dieLieder ohne Worte, die elke vrouw kent.
Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen; waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze hem kon aanbieden!
En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!
Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Zemoesthet wel wezen! Een vrouw die kon levensans reprocheop de wijze als zij geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.
En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.[216]
De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was één reusachtige modderpoel.
Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.
De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht, beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet uitwoei dat regende uit.
E per se muovekon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed van de aarde.
Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en honderden Europeanen in dichte rijtuigen.
Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was gezet.
Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn, voldaan.
Hortense wastant soit peuhersteld van boven gekomen en had haar woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.
Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.[217]
Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met haar kind op den arm ging ze naar voren.
Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en omhelsde haar hartelijk.
„Dag Stance, hoe gaat het?”
Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!
„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen, zonder dat iemand er van weet?”
„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met „u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”
„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”
„Soedah!je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop ik.”
„Hoe dan?”
„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met goed. Kan je me logeeren?”
„Natuurlijk.”
„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard, dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me daarin helpen.”
De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haarfor intérieurgetroffen te zijn[218]over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles; voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind, voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!
Zij raakten niet uitgepraat!
De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.
In Hortense’s boudoir zaten de twee damesen négligéte praten over al het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haarsiëstate denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den tred eens mans.
Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.
Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.
Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.
In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met verwondering gade.
„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met hun drieën wederom waren uitgeweest en zij[219]doodmoe op haar kleine sofa neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.
„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd: „jij ook.”
Hij wist niet of hetondankswas often gevolge van, maar dàt was zeker:sedertLouise hen als het ware voorttrok van de eene visite naar de andere en noopte tot het geven van het eene avondje na het andere, was het of Hortense opleefde. Ze begon er beter uit te zien. O, het was haar dikwijls zoo moeilijk zich te kleeden, en ze had zoo graag ’s morgens nog wat te bed gebleven als het tijd was om op te staan. Maar ’s nachts en in den namiddag sliep ze lekker, zonder dat er van slapeloosheid of verveling sprake was. Voor het eerste was ze al te moe en voor het laatste had ze geen tijd.
„Weet je wel,” ging Hortense voort, „hoe ze thuis altijd in sarong en kabaja liep? Eerst toen ik kwam werd er een beetje uitgegaan, maar vóór dien tijd kwam ze haast nergens.”
„Het schijnt dat ze in Europa een dubbele dosis levenslust heeft opgedaan. Ons leven is nu heel anders. Kom je wel toe met het geld?”
Zij lachte.
„Ik houd over.”
„Houd je over? En vroeger kwam je geregeld tekort!”
„O, maar zij is ontzaglijk royaal.”
Geheel tegen zijn aard en beschaafde manieren stoof Fournier op.
„Je laat haar toch de gastvrijheid, die ze bij ons geniet, niet betalen?”[220]
Verschrikt keek ze hem aan.
„Mijn God, Gérard, wat scheelt je? Ik kan het niet helpen.”
„Wat is dat? Kan je het niet helpen?”
„Neen. Ik wilde eerst niet dat ze me geld zou geven. Doch zijwildehet en ik ben niet tegen haar opgewassen. Als zij iets wil, dan gebeurt het; dat was bij ons thuis ook altijd zoo.”
„Hortense,” zei Gérard ernstig, „morgenochtend schrijf je op een stukje papier hoeveel ze je heeft gegeven. Ik zal dan geld meebrengen van het kantoor. Ik bezit Goddank genoeg om zulke dingen in mijn huis niet te veroorloven.”
„Maar Gérard-lief, zijwilhet.”
„En ik wil het niet.”
„Ja.… maardankom ik ook zeker tekort.”
„Je kunt zooveel van me krijgen als je noodig hebt, maar het geld geef je haar terug. Ik neem het ernstig kwalijk dat je het hebt aangenomen.”
Hij was inwendig woedend. Geen karakter had toch die vrouw! Foei, hij had het niet geloofd als een ander het hem had verteld. ’t Was hem moeilijk den slaap te vatten; terwijl Hortense reeds sliep, zoo rustig als ’t maar kon, lag hij zich nog steeds te ergeren over het gebeurde.
De slotsom was, dat hij het zijn vrouw half en half vergaf. Wat kon ook zulk een zwak hoofd tegen een vrouw alszij? Het was te dwaas om te verlangen dat de een tegen de andere zou zijn opgewassen. Maar ze had hethemkunnen zeggen, en voorts had Louise moeten bedenken dathijin geen geval zóó iets had kunnen toestaan. Als zij er dan voor Hortense geen beleediging in had gezien, dan[221]had ze moeten begrijpen dat het er een voor hem was.
Den volgenden ochtend vermeed hij Louise en ging vroeger dan gewoonlijk naar de stad. Met een portefeuille vol bankbiljetten en een bezwaard gemoed keerde hij des middags terug. Hij zag er niet tegen op als advocaat de lastigste perkara’s aan te vatten en de kwaadaardigste tegenstanders te staan. De groote mond en de hatelijkste aanmerkingen van sommige collega’s vreesde hij volstrekt niet—’t was iets anders tegenoverhaarte staan inzulkeen geval.
Hij behoefde niet lang te zoeken naar een geschikte manier om in conversatie te treden over de lastige zaak; zij stond hem reeds op te wachten in de voorgalerij.
„Bonjour, schoonzoon, breng je geld voor me mee?”
Hij beet zich van ergernis op de lippen.
„Ja,” zei hij, „het doet me genoegen, dat u het zelf hebt ingezien.”
„Wat?”
„Dat het geen houding had tegenover mij.”
Zij lachte hem uit in zijn gezicht, en haar kleine, witte tandjes schitterden daarbij als koralen.
„Fournier, wat ben je achteruitgegaan!Mon Dieu, wat een stijf, ouderwetsch heer ben je geworden! Ik schaam me haast over onze parentage.”
„’t Is mogelijk, maar het is niet anders,” zei hij, zonder zich iets aan te trekken van haar spotternij.
„Neen, hetisniet anders, al had het anders kunnen zijn.”
„Het is mijn schuld niet.”
Ze zag hem aan met dien vreemden blik, waaraan hij, gelijk hij wist, moeilijk weerstand kon bieden.[222]
„We dwalen af, Gérard. We moesten spreken over die nare quaestie van geld, nietwaar? Zeg het asjeblieft ronduit: wil je me weg hebben?”
„Volstrekt niet. Het is een nieuwe beleediging dat van me te denken.”
„Laat maar! Alles wat ik zeg, schijnt je te beleedigen; maarsoedah. Kijk eens, ik ben hier in het huis van.… mijnstiefkinderen.”
Fournier hield het niet langer uit. De maat was vol. Al het verdriet, dat ze hem had berokkend, scheen zich plotseling om te zetten in bitterheid, en zóó hevig was het, dat hij voor een oogenblik alles vergat.
„Het is niet noodig,” zei hij scherp, „mij daaraan te herinneren. Ik ben uw speelbal geweest en ge moogt u daarover verheugen. Als een echt bedorven Indisch meisje hebt ge uw grillen tegenover mij den vrijen teugel gevierd toen ik volkomen onder de betoovering lag van een schoonheid, waarvan door u schandelijk misbruik werd gemaakt. Het is nu gedaan en de betoovering is gebroken. Verspil niet nutteloos uw spitsvondigheden aan iemand, die het zich gelukkig niet langer waardig acht. Ik heb u liefgehad, zoals ik geloof dat zelden een man een meisje kan liefhebben. In alles heb ik me door u als aan een touwtje laten leiden, totdat ik ten slotte, als gebiologeerd, op uw aandringen de arme Hortense trouwde, zonder dat ik iets anders voor haar gevoelde dan de achting, die men aan een fatsoenlijk jong meisje schuldig is.”
Louise was bleek geworden. Zij hield zich vast aan het marmeren blad van de tafel en zag hem verschrikt in het[223]gezicht. Zulk een uitval op een zoo heftigen toon had ze van hem het allerminst verwacht; hij, altijd zoo beschaafd en de goede vormen in acht nemend, stond daar nu voor haar met een brutaal gezicht en slingerde haar allerlei verwijten voor de voeten. En, wonderlijk toch, ze vond hem veel knapper van uiterlijk dan ooit te voren. Wat ze altijd had gevonden, was dat het hem aan iets mannelijks ontbrak; dat had haar getroffen, juist omdat hij haar overigens zoo na aan het hart lag.
„Mij dunkt,” zei ze zacht, „dat je geen recht hebt om je te beklagen. Je hebt een gelukkig huwelijksleven; dat is meer danikooit gehad heb.”
„Ik zal daarop niet antwoorden,” zei hij even brusk als te voren. „Voor Hortense heb ik veel te veel achting dan dat ik iets zou willen of kunnen zeggen dat beleedigend voor haar zou zijn. En als je haar wilt beleedigen door geld te geven voor een gastvrijheid, die ze nooit gewoon is geweest te laten betalen, dan zal ik haar verdedigen ook tegenover u.”
Die laatste woorden maakten haar woedend.
„Ei! Wel, je ben een galante ridder, Gérard! Het is waarachtig wel noodig, dat je die hoedanigheid in herinnering brengt. Ik heb medelijden met je!”
„En ik kan niet zeggen dat ik zelfs dat heb met u. Hier is het geld terug, dat je aan Hortense hebt gegeven.”
„Ikwilhet niet.”
„Jemoethet terugnemen. Denk niet dat ik me door uw driftig verzet laat intimideeren. Ik heb het u gezegd; dat is voor goed uit.”[224]
„Ikwilniet, Fournier. Neem dat geld van tafel of ik scheur het aan snippers.”
Hij moest eerlijk erkennen, dat hem eenigszins de schrik om het hart sloeg. Hij was „man” genoeg om de waarde van het geld te kennen en te appreciëeren, en hij wist met zekerheid dat Louise van een kracht was om te doen wat ze zeide.
„’t Is me onverschillig wat u er mee doet. Het is immersuwgeld en niet het mijne. Je kunt er mee doen wat je wilt.”
Met één greep had ze het half uiteengeschoven pakje bankbiljetten gegrepen: ze trok, scheurde en rukte in een graad van woede, die Fournier hevig verschrikte en voor een zenuwtoeval deed vreezen.
De fragmenten bankpapier vlogen door de voorgalerij; dat was hem te veel, hij deed een greep om nog te redden wat er te redden was, en kreeg met een klein gevuld handje een klap op zijn gezicht, dat hem duizenden sterretjes voor de oogen dansten.
Hij stond verstomd. Hij zag dat ze de rest van het kostelijke geld in de grootste opgewondenheid aan snippers scheurde en toen de deur openrukte om de zijkamer binnen te gaan; daarop hoorde hij een harden schreeuw en liep ook naar binnen.
Hortense lag doodsbleek op den grond. Bij het vallen had ze haar hoofd bezeerd aan den uitstekenden poot van een wipstoel en een vrij groote bloedplek op de fijne Palembangsche mat toonde dat ze zich had verwond. Louise had van een knaapje een flacon met eau de cologne genomen, en hield dien der bewustelooze onder den neus, terwijl ze haar slapen er mee wiesch.[225]
„Ga weg!” beet ze Fournier toe, toen deze dichterbij kwam.
En hij ging; hij sloop weg, als een geslagen hond, met een centenaarsgewicht op de borst. Wat hetnuworden moest, wist hij in het geheel niet meer, maar dat er verschrikkelijke dingen op til waren, vreesde hij wel.
Gewillig liet Hortense zich naar haar kamer brengen en op haar bed leggen door Louise en de baboe. Zij weende in stilte, en Louise, die voorovergebogen stond aan het bed en wier hoofd ook op het kussen lag, achter dat van de jonge vrouw, vertelde haar alles. Zij deed het op zulk een innig lieven toon; er lag in geheel het verhaal zulk een gloed van echt vrouwelijk gemoedsleven; zulk een levendige herinnering aan doorgestanen strijd en geleden smart, dat de tranen van Hortense niet meer vloeiden, en zij, zich omkeerend, het donkere, droevige gezicht kuste, dat haar een half uur te voren dat van een vleesch geworden duivelin had toegeschenen.
Het wondje door het vallen teweeggebracht, had niets om het lijf: toen het afgewasschen en het schrikwekkende „bloed” verdwenen was, bleek het hoogst onbeduidend te zijn.
Inwendig was de schok vreeselijk geweest. Hortense kwam pas weer wat bij, en de geweldige ontroering, het groot verdriet, werkte zóó reageerend op haar nog zwakke gezondheid, dat ze hevige koortsen kreeg.
Louise verpleegde haar trouw en trachtte van tijd tot tijd den indruk weg te nemen, door den afgeluisterden twist op de jonge vrouw gemaakt.
Maar ’t hielp niet.
Ze was bereid aan Louise te vergeven dat deze tegen haar[226]had gehuicheld; sterker nog, ze zou het Fournier hebben vergeven, dat hij haar niet had liefgehad; maar ze vergaf hem niet, dat hij haar had bedrogen.
Dat was het standpunt, waarop zij zonder nadenken of redeneeren was geraakt, en niets was in staat het haar te doen verlaten.
Met groote moeite gelukte het Fournier na eenige dagen toegang te krijgen tot de kamer zijner vrouw.
Toen ze hem zag, werd ze nog bleeker dan ze reeds was en haar lippen trilden geweldig.
Hij pleitte.
Het was niet waar dat hij haar niet had liefgehad. Zijn genegenheid voor haar, zei hij, was reëel, maar van een anderen aard. Wat hij voor Louise had gevoeld, maar nu reeds lang volstrekt niet meer voor haar gevoelde, was meer een platonische liefde: van haar, Hortense, hield hij veel als vrouw. Louise Van der Linden had hem gebiologeerd; Hortense hem bevrediging geschonken.
Hij werkte dit thans uit en raakte er bij op dreef. De klank van zijn eigen stem en de innige toon, waarop hij sprak, animeerden hem; vernuftige combinaties en gepaste tegenstellingen volgden elkaar op; stemmodulaties en fraaie effectvolle zinwendingen kwamen als vanzelf.—’t Was alles om niet.
Zij hoorde het aan, en toen hij gedaan had met zijn pleitrede, schudde zij het hoofd met een droevig lachje. Voor een jury zou hij zijn pleidooi over het dualistisch karakter der liefde hebben gewonnen, zijn vrouw zei alleen:
„Je hebt me bedrogen, Fournier! Ik geloof je niet.”[227]
Het ergerde hem, vooral omdat hij overtuigd was dat zij de waarheid sprak. Maar het was ook een miskenning van zijn talent en dat was op zichzelven reeds onaangenaam! Daarbij: hij meende toch dat erietswaar was in zijn pleidooi! In het algemeen was het immers waar dat er sexueele en intellectueele banden bestonden, die scherp van elkaar gescheiden konden zijn; en als dat waar was in abstracto, dan was het dat zeker ook in zijn eigen concreet geval.
Het was dom van Hortense dat niet te willen begrijpen en hem altijd maar te antwoorden met een afwijzend hoofdschudden en een beschuldiging van bedrog.
Bedrogen! Honderden mannen, dat wist hij, bedriegen metterdaad hun vrouwen op de schromelijkste manier, zonder dat ze er ooit last van ondervinden. Wat had hij eigenlijk gedaan? Niets. Hij had nooit geofferd op andere altaren, dan zijn huisaltaar; al wat hij zich te verwijten had, was, dat hij in een onbewaakt oogenblik een mooie jonge vrouw, die met een oud man getrouwd was, in zijn armen genomen en gekust had.
Het was zóó weinig—’t was voor een man haast om over te blozen, zoo weinig was het!
En daarvoor werd hij behandeld alsof hij een verrader was. Zelfs zijn talent als advocaat was buiten staat geweest een verzoening te bewerken.
„Je hebt me bedrogen!”—ziedaar alles wat hij ten antwoord kreeg.
’t Was idioot!
Hij verliet schouderophalend de kamer en ging ontbijten[228]in de achtergalerij, waar Louise Van der Linden den huiselijken schepter zwaaide.
’t Was er keurig en keurig netjes en zijzelve verlevendigde alles met haar mooie oogen en haar figuurtje om te stelen, dat in sarong en kabaja nog honderdmaal sierlijker scheen dan in Europeesch toilet.
Hortense was het niet in het hoofd gekomen om iets verdachts te vinden in het verblijf van haar man en haar jonge stiefmoeder onder één dak, terwijl zijzelve haar kamer hield.
Fournier mocht haar bedrogen hebben en Louise verkeerd hebben gedaan met een huwelijk te koppelen, dat beter niet gesloten ware,—fatsoenlijkwaren ze, daar had ze den dood op willen ingaan.
En bovendien, hij had het in zijn boosheid immers zelf gezegd: de vroegere bekoring was gebroken.
In dat opzicht koesterde zij dus geen de minste vrees, en als zij den blik had gezien, waarmee Fournier Louise beschouwde toen hij met deze aan de ontbijttafel zat,—dan nog zou ze aan niets hebben kunnen denken.
Zij wist hoe zuiver de levenswandel van Louise was geweest, toen ze met haar vader zulk een troosteloos huwelijksleven leidde; zij wist dat haar man, al den tijd dat ze getrouwd waren, zijn boeken binnenshuis had bijgehouden, en zij kon en wilde niet aannemen, dat iemand plotseling anders werd, dan zijn opvoeding, zijn beginselen en zijn fatsoen hem van der jeugd af hadden gemaakt.
Mistroostig zette hij zich aan tafel. Het was geen leven, vond hij, op die manier. Hoe hij en Louise na het voorgevallene[229]weer met elkaar aan het praten waren geraakt alsof er niets gebeurd was, herinnerde hij zich niet meer; maar het was zoo.
„Hoe is het?” vroeg ze op luchthartigen toon.
Hij maakte een veelbeteekenende beweging met hoofd en schouders.
„Wat zal ik je zeggen!”
„Wil ze nog van geen verzoening weten?”
„Er is geen denken aan.”
„Dat prouveert niet voor je, Gérard.”
Hij lei mes en vork neer en keek haar aan.
„Ik heb alles gedaan wat ik kon.”
„Niet meer?”
Een oogenblik aarzelde hij.
„Zelfs dat.”
„Dan zou ik er mee uitscheiden.”
„En haar met onverschilligheid.…”
„Soedah, Gérard, wat ben je onuitstaanbaar traag van begrip vandaag. In dat opzicht ben je erg achteruitgegaan. Toen je nog jongmensch waart, vond ik het zoo gezellig dat je iemand was vandemi-mots,—tegenwoordig moet alles letterlijk voor je gespeld worden.”
„Het is mogelijk. Ik heb vandaag ook in dat opzicht geenveine. Spel het dan maar, asjeblieft.”
„Je moet Hortense niet meer aan het hoofd leuteren over die nare historie.”
„En dan?”
„Met haar praten over koetjes en kalfjes, net alsof er niets was gebeurd.”[230]
„Alsof ze zich dat zou laten welgevallen!”
„Natuurlijk zal ze dat. Wat denk je wel te bereiken met al het vergoelijken van omstandigheden, die nu eenmaal geweest zijn, zooals ze waren?”
Hij zuchtte diep.
„Voor ’t minst den huiselijken vrede.”
„Die bestaat reeds. Er is hier niemand, die onaangenaam is tegen den ander. Geloof me, met praatjes bereikt men in zulke omstandigheden niets bij een vrouw. Integendeel: hoe meer men praat, des te wantrouwender wordt ze. Doe wat ik je zeg: vergeven doet ze toch, vergeten toch niet.”
„Het is mogelijk.”
„Het is nietmogelijk, Gérard. Als ik je zoo iets zeg, dan is het zoo; daar heb jij geen verstand van.”
„Ik deed het in aller belang en tot bevordering van.… aller geluk.”
Zij lachte zoo luid, dat hij er van schrikte, want het moest zelfs tot Hortense doordringen.
„Geluk! Och, Gérard, ge zijt ook al zoo’n zwaarmoedige Hollander! Je denkt ook dat het geluk een olifant is, die honderd jaren oud wordt.Mon cher, het is een vlindertje dat men grijpen moet als men kan.… maar niet te lang vasthouden, anders gaat het beestje dood.”
Fournier zweeg.
Toen het ontbijt was afgeloopen stond hij op, nam zijn brieven en couranten en ging naar de stad. Zij vergezelde hem tot in de voorgalerij. Het was, vond hij, precies of ze man en vrouw waren. De gouden zonnestralen speelden door het dicht gebladerte; de veelkleurige bloemen en planten op[231]het voorerf zagen er zoo gezellig en vroolijk uit; het donkere ameublement ontleende zulk een fraai relief aan den marmeren vloer; de glanzende, zwarte paarden trappelden vroolijk voor het wachtend rijtuig,—en dan het mooie vrouwtje.… Wel, de betoovering was zoo groot, dat hij haar goeden dag had willen kussen om de illusie te volmaken.
„Tot vanmiddag,” zei hij, haar de hand reikend.
„Adieu.”
„Ik zal eens nadenken over de parabool van zooeven.”
Zij lachte weder.
„Doe het maar niet, Gérard. Die groote, nare, sombere gebouwen in de stad zijn niet geschikt voor zulke gedachten. Bovendien, ik weet ook niet waartoe het zou dienen.”
Onderzoekend keek hij haar aan.
„Ik wil oprecht met je wezen. Niemand begreep waarom ik naar Indië terugkeerde, nietwaar?”
„Neen.”
„Nu, het was om jou.”
Het bloed steeg hem naar het hoofd.
„Maak je niet zenuwachtig, Fournier. Als het niet voor goed uit was, zou ik het je niet gezegd hebben; dat begrijp je toch wel?”
„Maar waarom.…?”
„Waarom? Wel je bent me verschrikkelijk tegengevallen. Je vergeeft het me, hè, maar ik hield je ten onrechte voor eenhomme d’esprit. O, ik weet het wel: je bent ergknap—maar dàt is het niet, wat ik bedoel. Ik hield je voor een zwaluw en ik vind een huismusch. Nog eens: neem me mijn openhartigheid niet kwalijk, Gérard. Je weet, ik[232]bennu eenmaal zoo, en niet anders. Ik zal mijn best doen om Hortense weer gezond voor je te maken en leeft jullie dan maar saampjes.… Ik durf het niet te zeggen, omdat ik niet goed weet hoe ik het zeggen moet, maar gelijk de meeste mannen houdt ge erg van je gemak, en je kunt het ter wereld niet gemakkelijker hebben dan thuis.”
Hoofdschuddend en zonder een woord te spreken ging hij heen en stapte zijn wagen in. Hij had veel van haar beleefd, maar dat was wel het ergste van alles. En wederom toch moest hij ’t voor zichzelven bekennen: het was waar wat ze gezegd had. Vlug en werkzaam mocht hij in vele opzichten heeten,—hij was een luiaard in de liefde. Geest en stof bewandelden in dat opzicht hun weg niet gezamenlijk en in volkomen harmonie. De eerste was de laatste geregeld een post of wat vóór. Maar hoe kon zij zijn eigenschappen kennen? Dat zij het deed maakte hem boos en taquineerde hem tevens. O, als hij zijn vooroordeelen het zwijgen wilde opleggen, dan zou hij nog wel eens metterdaad kunnen toonen dat zij ongelijk had gehad, toen ze hem, zoo spottend, gemakzucht verweet!
Louise Van Velton-Van der Linden wist wel wat ze deed. Toen ze hem zag weggaan, trokken haar mondhoeken snel en herhaaldelijk naar achteren; ze moest zich goed houden om niet te lachen. Ze bleef in de voorgalerij staan tot het rijtuig het erf af en den weg op reed. Hij keek om en zij groette hem met haar zakdoek. Daarna ging ze de kamer van Hortense binnen.
„Hoe gaat het?” vroeg ze en nam plaats op een vouwstoeltje aan het voeteneinde van het bed.[233]
„Och, zoo! Ik heb vannacht geen koorts gehad en ik voel me nu ook tamelijk wel.”
„Dan zou ik eens opstaan en wat op en neer wandelen.”
„Och, waartoe?”
Met opgetrokken wenkbrauwen keek Louise haar aan.
„Mijn God, Hortense, wat zijn jullie toch onuitstaanbare wezens. Neen maar, je bent als het ware voor elkaar geschapen! Ik zie nu in dat ik indertijd heel verstandig heb gedaan.”
Hortense gaf op dit laatste geen repliek.
„’t Is in hooge mate humoristisch,” vervolgde Louise, „en ik begin er aan te wanhopen een einde aan de dramatische positie te maken. Weet je wat: ga met me mee naar Europa.”
„Ik kan niet tegen het klimaat.”
„Dwaasheid, kind. Het zuiden van Frankrijk is overheerlijk. Laat ons daar ’n half jaar gaan wonen en ik breng je gezond en sterk weer naar Batavia terug.”
„Ik zal er eens over denken. Maar.… Fournier?”
„Wel, die moet er zich maar doorslaan gedurende dien tijd.”
„Als hij wil.”
„Hij moet; ’t is in het belang van jullie kind. Dat heeft het hard noodig. De mail sluit vandaag. Ik zal papa schrijven.”
Fournier had het op den maildag ook drukker met het schrijven van brieven aan zijn relaties in Holland. Hij kwam laat thuis en vond tot zijn groote verwondering zijn vrouw in de achtergalerij. Louise gaf hem een wenk; hij begreep.