BLADERVAL

BLADERVALDe boomen strooien weêr den wegmet wakke winterblaren,die, vol gevangen morgendauw,te gronde nedervaren.Ze wentlen, zoo de wouters doen,die weg en weder draaien,van de eene blomme op de andere, inhet heetste zonnelaaien.Geen zonne nu, geen vlindervlucht,geen blommen meer, die blinken;maar blâren, die, verwelkerd, uitde hooge boomen zinken.Maar blâren die, al stemmeloos,in ’t gers en in de biezen,in ’t diepe van den wagenslaghun stille grafsteê kiezen.De lucht is heel doorwaaid ervan:de wegen en de weiden,de voren in den akkergronden kan ik onderscheiden.Zóó dapper, in de velden, zijndes zomers oude padenmet allerhande verwen vangestrooisel overladen.Komt, koning Winter, komt nu maar;bij honderdduizendtallen,van blommen en van blâren isals ’t zomervolk gevallen.Sente, 29/10 ’98.

De boomen strooien weêr den wegmet wakke winterblaren,die, vol gevangen morgendauw,te gronde nedervaren.

Ze wentlen, zoo de wouters doen,die weg en weder draaien,van de eene blomme op de andere, inhet heetste zonnelaaien.

Geen zonne nu, geen vlindervlucht,geen blommen meer, die blinken;maar blâren, die, verwelkerd, uitde hooge boomen zinken.

Maar blâren die, al stemmeloos,in ’t gers en in de biezen,in ’t diepe van den wagenslaghun stille grafsteê kiezen.

De lucht is heel doorwaaid ervan:de wegen en de weiden,de voren in den akkergronden kan ik onderscheiden.

Zóó dapper, in de velden, zijndes zomers oude padenmet allerhande verwen vangestrooisel overladen.

Komt, koning Winter, komt nu maar;bij honderdduizendtallen,van blommen en van blâren isals ’t zomervolk gevallen.

Sente, 29/10 ’98.

EGO FLOS....(Cant. II:1)Ik ben een blommeen bloeide vóór uwe oogen,geweldig zonnelicht,dat, eeuwig onontaard,mij, nietig schepselken,in ’t leven wilt gedoogenen, na dit leven, mijhet eeuwig leven spaart.Ik ben een blommeen doe des morgens open,des avonds toe mijn blad,om beurtelings, nadien,wanneer gij, zonne, zult,heropgestaan, mij nopen,te ontwaken nog eens ofmijn hoofd den slaap te biên.Mijn leven isuw licht: mijn doen, mijn derven,mijn’ hope, mijn geluk,mijn eenigste en mijn al,wat kan ik, zonder u,als eeuwig, eeuwig sterven;wat heb ik, zonder u,dat ik beminnen zal?’k Ben ver van u,ofschoon gij, zoete bronnevan al dat leven isof immer leven doet,mij naast van al genaakten zendt, o lieve zonne,tot in mijn diepste diepuw aldoorgaanden gloed.Haalt op, haalt af!...ontbindt mijne aardsche boeien;ontwortelt mij, ontdelftmij!... Henen laat mij... laatdaar ’t altijd zomer isen zonnelicht mij spoeienen daar gij, eeuwige, ééne,alschoone blomme, staat.Laat alles zijnvoorbij, gedaan, verleden,dat afscheid tusschen onsen diepe kloven spant:laat morgen, avond, aldat heenmoet, henentreden,laat uw oneindig lichtmij zien, in ’t Vaderland!Dan zal ik vóór....o neen, niet vóór uwe oogen,maar naast u, nevens u,maar in u bloeien zaan;zoo gij mij, schepselken,in ’t leven wilt gedoogen,zoo in uw eeuwig lichtme gij laat binnengaan.Kortrijk, 17/11 ’98.

Ik ben een blommeen bloeide vóór uwe oogen,geweldig zonnelicht,dat, eeuwig onontaard,mij, nietig schepselken,in ’t leven wilt gedoogenen, na dit leven, mijhet eeuwig leven spaart.

Ik ben een blommeen doe des morgens open,des avonds toe mijn blad,om beurtelings, nadien,wanneer gij, zonne, zult,heropgestaan, mij nopen,te ontwaken nog eens ofmijn hoofd den slaap te biên.

Mijn leven isuw licht: mijn doen, mijn derven,mijn’ hope, mijn geluk,mijn eenigste en mijn al,wat kan ik, zonder u,als eeuwig, eeuwig sterven;wat heb ik, zonder u,dat ik beminnen zal?

’k Ben ver van u,ofschoon gij, zoete bronnevan al dat leven isof immer leven doet,mij naast van al genaakten zendt, o lieve zonne,tot in mijn diepste diepuw aldoorgaanden gloed.

Haalt op, haalt af!...ontbindt mijne aardsche boeien;ontwortelt mij, ontdelftmij!... Henen laat mij... laatdaar ’t altijd zomer isen zonnelicht mij spoeienen daar gij, eeuwige, ééne,alschoone blomme, staat.

Laat alles zijnvoorbij, gedaan, verleden,dat afscheid tusschen onsen diepe kloven spant:laat morgen, avond, aldat heenmoet, henentreden,laat uw oneindig lichtmij zien, in ’t Vaderland!

Dan zal ik vóór....o neen, niet vóór uwe oogen,maar naast u, nevens u,maar in u bloeien zaan;zoo gij mij, schepselken,in ’t leven wilt gedoogen,zoo in uw eeuwig lichtme gij laat binnengaan.

Kortrijk, 17/11 ’98.

PLATANUS ORIENTALIS. L.Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,wijd afgevallen blarenbezabberen mij ’t wandelpad,alsof het vagen warenvan verwers handen, geelwe op groen,die ’t grauw der aarde blinken doen.Een zure wind is opgestaan,die ’t schoone der platanen,zijns ondanks, al te langen tijdzag schaduwen de banenvan ’t zomerhof. ’t Is winter haasten ’t oud, afjunstig noorden blaast.Die zatgezopen, zooveel tijd,aan ’t zalig zonneleven,daar stonden, ei! zoo roekeloosen ’t hoofd omhooggeheven,gevallen zie ’k nu los en loom,beneden den plataneboom.Zoo valt, die op de winden schreed,ééns bliksemens, doorschoten,de vogel, bei zijn slagers af,en langzaam neêrgevloten,in ’t zand des wegs: met borst en klauw,vergeefs gewend naar ’t hemelsblauw.Plataneboomen, ’t deert mij, datik, wandelende, ’t zoetegeweefsel van uw schaduwkleed,in ’t stof betreden moete,dat eens zijn bergzaam looverdakmij bood, wanneer de zonne stak.Dat eens mij zoete zangen zongwanneer, te lossen toome,de bolle wind zijn’ sprongen sprongen liep van boom tot boome;al zuchtende.... o, zoo schoon en kweeltgeen vinder, die de harpe speelt.Dat eens!.... Maar nu is ’t veeg en ’t valtin ’t graf: de winden loeienzijn lijkgezang! Platanenloof,te zomer zal ’t hergroeienen wederom den zonneschijnmij zichtend voor de voeten zijn.Kortrijk, 20/11 ’98.

Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,wijd afgevallen blarenbezabberen mij ’t wandelpad,alsof het vagen warenvan verwers handen, geelwe op groen,die ’t grauw der aarde blinken doen.

Een zure wind is opgestaan,die ’t schoone der platanen,zijns ondanks, al te langen tijdzag schaduwen de banenvan ’t zomerhof. ’t Is winter haasten ’t oud, afjunstig noorden blaast.

Die zatgezopen, zooveel tijd,aan ’t zalig zonneleven,daar stonden, ei! zoo roekeloosen ’t hoofd omhooggeheven,gevallen zie ’k nu los en loom,beneden den plataneboom.

Zoo valt, die op de winden schreed,ééns bliksemens, doorschoten,de vogel, bei zijn slagers af,en langzaam neêrgevloten,in ’t zand des wegs: met borst en klauw,vergeefs gewend naar ’t hemelsblauw.

Plataneboomen, ’t deert mij, datik, wandelende, ’t zoetegeweefsel van uw schaduwkleed,in ’t stof betreden moete,dat eens zijn bergzaam looverdakmij bood, wanneer de zonne stak.

Dat eens mij zoete zangen zongwanneer, te lossen toome,de bolle wind zijn’ sprongen sprongen liep van boom tot boome;al zuchtende.... o, zoo schoon en kweeltgeen vinder, die de harpe speelt.

Dat eens!.... Maar nu is ’t veeg en ’t valtin ’t graf: de winden loeienzijn lijkgezang! Platanenloof,te zomer zal ’t hergroeienen wederom den zonneschijnmij zichtend voor de voeten zijn.

Kortrijk, 20/11 ’98.

SLAAPLIEDWaait mij nu zoetjes,o zuchtende wind;wiegt mij en douwt mijdat zuilende kind;speelt om zijn wichtelijkaanzichtje en laatJesuken rusten; hetslapen nu gaat.Palmen die roerende enwagende zijt,stilt om mijn kindeke uwtakken nen tijd;engelkens, zoetjes, ach,Jesuken wiltslapen: uw’ tonge enuw’ harpe nu stilt.Vogelkes zwijgt, die daarhuppelt en springt;dauwdruppels, zoetjes enbelt noch en klinkt;zonne, uw machtigestralen verfrischt:’t kindeke Jesus.... inslape.... nu is ’t!Kerstdag1898.

Waait mij nu zoetjes,o zuchtende wind;wiegt mij en douwt mijdat zuilende kind;speelt om zijn wichtelijkaanzichtje en laatJesuken rusten; hetslapen nu gaat.

Palmen die roerende enwagende zijt,stilt om mijn kindeke uwtakken nen tijd;engelkens, zoetjes, ach,Jesuken wiltslapen: uw’ tonge enuw’ harpe nu stilt.

Vogelkes zwijgt, die daarhuppelt en springt;dauwdruppels, zoetjes enbelt noch en klinkt;zonne, uw machtigestralen verfrischt:’t kindeke Jesus.... inslape.... nu is ’t!

Kerstdag1898.

KROMMENISSERechte en zonder krommenissen,tusschen u en mij, beslissenlaat mij, vaste en veilig, ofgij mij of ik u, vandage,leggen zal aan ’t wijngelage,spijts uw ijdel wangebof!Steene, 12/12 ’98.

Rechte en zonder krommenissen,tusschen u en mij, beslissenlaat mij, vaste en veilig, ofgij mij of ik u, vandage,leggen zal aan ’t wijngelage,spijts uw ijdel wangebof!

Steene, 12/12 ’98.

VERLORENBROODVerlorenbroods zijn zulke lieden,die weinig hope of geene u bieden,’t zij waar zij gaan of waar zij staan,van eens of anders meê te slaan:’t zijn steiteniets, ’t zijn daghuurdieven,’t zijn onbetaalde wisselbrieven,’t zijn bodemlooze vaten, daar’t’t gevangen water deurevaart;die wint voor zulke of werkt, voor nietenzal arbeid hij en geld verschieten;voor zulken bakt, geringe of groot,die bakken wilt—verloren brood!Steene, 12/12 ’98.

Verlorenbroods zijn zulke lieden,die weinig hope of geene u bieden,’t zij waar zij gaan of waar zij staan,van eens of anders meê te slaan:’t zijn steiteniets, ’t zijn daghuurdieven,’t zijn onbetaalde wisselbrieven,’t zijn bodemlooze vaten, daar’t’t gevangen water deurevaart;die wint voor zulke of werkt, voor nietenzal arbeid hij en geld verschieten;voor zulken bakt, geringe of groot,die bakken wilt—verloren brood!

Steene, 12/12 ’98.

GODDELIJKE BESCHOUWINGEN.[1]o Hoogste, grootste goedheid, God,mijn herte haakt om u, tot smachtens,tot stervens schier; en immer wachtens,is ’t moe voortaan. Och, uit het slot,dat mij benauwd houdt en gevangen,verlost me, gij die mijn verlangenvolleesten kunt alleen! Wie zal,in ’s werelds perk, in ’s hemels paden,mij buiten u, o God, verzaden,mijn eenig deel, mijn eeuwig al?1898.[1]Uit de vertaling van Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert’sMeditationes Theologicae.Edoch, o Heere God,hoe geren is ’t dat wijerkennen uw bestaan,aanbidden u en lovenootmoediglijk, die ’t albeneên berekt en boven,dat ’t voegende in getal,gewichte en mate zij!Gij buiten alle macht,Zijt immer, meer als aldat grootheid heeten kanof mogendheid, almachtig;de kracht van uwen arm,waar is er één zoo krachtig,die ’t geen hij willens werkthem tegenwerken zal?Het op- of nedergaaneens evenaars en heeftgeen mindere achtbaarheid,in al zijn onbeduiden,als ’s werelds ommeloop,bij u; ’t en laaft de kruideneer ’t dageraadt, geen dauw,of gij daar acht op geeft.Ontfermens zijt gij vol,die God almachtig zijt,voor allen; al dat isbemint gij; geene zakenen zijnder, die gij eensgemaakt hebt, of zult maken,die gij geen jonste en hebt,geen liefde toegewijd.Hoe kon dan ievers iet,uws nillens, blijven staan,van al dat staande blijft,een stonde? Zou het levenniet, zonder uwen roep,die dooden wekt, begeven?Zou al dat wezen heeftniet wezenloos vergaan?Gij spaart intusschentijd,al ’t uwe en ongespaarden laat gij wicht van aldat lief u is; vernielenen zal de zielendief,o minnaar van de zielen,hetgeen gij, ’s Heeren goedeen zoete geest, bewaart[1].1898.[1]Boek der Wijsheid XI, 21-27; XII, 1.Hoe dankbaar moesten wij,ontfermnisvolle, wezen,u, grooten, goeden God,en die, van jongs af aan,nooit anders ons en hebtals immer goed gedaan:’t zij, niet zijnde, ons gemaakt,’t zij, dood zijnde, ons genezen?Niet eer en leefde er lichtin ons, en rechte reden,of wij erkenden, wijgeloofden u, o Heer;beminden u, dien wijerkenden, immermeeren brachten u den lofonschuldiger gebeden.Wij waren, aan de handvan ouders en van vrienden,geleidsmand en geleerd;wij zaten, door uw kerk,als teêre vogelkensgeborgen in de vlerkvan al uw goedheid, diegeen goedheid en verdienden.Hoe komt het dan, dat wij,die al uw goedheid wisten,al uw bermhertig, aluw vaderlijk voorzien;u varen lieten en,zoo dikwijls, bovendien,hetgeen gij geren gaaftal roekeloos verkwistten?Te spade en is het nooitte leeren en te weten,dat u te weten onsrechtveerdig maken zal;dat gij ons redden kunten wilt, die immers alrechtveerdigheid, o God,en macht zijt, ongemeten.Och, laat, van nu voortaan,voor goed ons herbeginnente leeren wat gij zijtafgrondelijke schatvan liefde en leven; laatons u, in Sion’s stad,onsterfelijke liefde,onsterfelijk beminnen!1898.Nog nauwelijks hebben wijden mond aan ’t glas geleidder hemelschale, die,vol bruiloftswijn geschonken,ons de al te milde handvan God heeft voorbereid,of dadelijk ontspringtons herte en, liefdedronken,vereert het u, o God,zijn volle dankbaarheid!1898.Verwonderd zien wij uwalmachtig Voorbeschik,wijl de eeuwen ommegaan,de vaste gronden bouwenvan ’t Huis- en ’t Kerkgewelf,dat, aller hellen schrik,dat aller menschen heildie op uw woord betrouwenstaat eeuwig, Godvast, nuen elken oogenblik.1898.Belofte is al die Gods[1]goe vrienden zijn, gedaan,dat, als zij, zalig, eenshet Leven binnentreden,zij wezen zullen zoode vorsten zijn, voortaan,die heerschen in ’t gebiedder hooge hemelsteden,en die, naast Michaël,getrouw zijn blijven staan.Zoo zal Jeruzalem,des vreden vrije steê,van al Gods kinderende moeder eens bedijgen;veel vreemde steden zalGod ééne stad ermeêdoen worden om alzoo’t getal bijeen te krijgenvan ’t Volk, dat eeuwig hembehooren moet, in vreê.’t Getal der Heiligenen weet geen een; ’t getalgeen een, der geesten, dieGods heiligdom ontvielen:toch weten wij hoe uweontvorste zetels al,o Hemel, zetten eensvol vrijgemaakte zielende milde moederschootvan Roomsche Kerke zal.O Roomsche Kerke, die,als kinderloos veracht,als barre wildernisse,op aarde, wierdt verwezen,hoevelen zijnder, diege in ’t leven hebt gebrachtof die ge in ’t leven nogzult brengen? In ’t nadezen,hoevelen zijnder, dieGods wil van u verwacht?Hij weet alleen hoe grootis nu zijn eigen diet,hoe groot het wezen zalhierna, die alle zakengeschapen heeft;die aldat wezen heeft of niette voorschijn roepenen[2]kanmaken of ontmaken:ie ’t al op mate, wichten tel geworden liet.1898.[1]Augustinus.Enchiridion de fide spe et charitate, hoofdstuk IX, t. 29.[2]Ad Rom. IV, 17.o Heere, God, uw licht hebt ge, engenade, mij gegeven,daarbij mij dieper, nu als ooit,is in de ziel gedreven,dat u alleen, o gever goedvan ’t waar geloove, ik danken moet.Zoo helder als de zonne, straaltde grootheid uwer gave’t onschatbaar, hemelsch licht, daaraanmijn herte ik langend lave.Wie kent er... Ik en kenne geenzoo onbederfbaar edelsteen.Noodwendig is ’t geloove, datbegrijpe ik, en geen zaken,geloove ik niet, en helpen mijter zaligheid geraken:mijn eigen goed of ware ’t al,’t geloove alleen mij baten zal.Mijn wille en mijn verstand ben ikbereid, ten allen stonde,te vellen vóór uw voeten oméén woord uit uwen monde:zoo is het en, die Waarheid zijt,betaamt het u, ten allen tijd.Mijn redelijk verstand betuigt,dat ’t zoo behoort te wezen;en, komt mijne arme onwetenschapdaartegen opgerezen,’k geloove en helpt o God, voortaan,mijn ongeloove ook rechte staan!Heel vaste en onberoerd is mijngeloove: niets en is er,van al dat ooit onloochenbaarof waarheid was, gewisser:’k geloove en, uit mijns herten grond,bedanke ik u, ten allen stond.’k En was maar eerst geboren, ofgij goedheid zonder gronden,’t geloof hebt in mijn herte diep,als heblijkheid, gezonden;g’ hebt levende als een zaad, voortaan,’t geloove in mij doen wortel slaan.In ’t Doopsel is ’t geloove mij,als deugd, eerst ingegeven,die werkzaam, is ontwaakt en, metder daad, in mij gaan leven,zoohaast haar en verstandigheiden wil den weg had voorbereid.Zoo is t, door uw genade, o God,en ’t leeren uwer Kerke,dat eindlijk mijn gelooven enmijn willen kwam te werke:door ouders, herders, vrienden goed,geholpen eerst en opgevoed.’t Geloove was mij, ’t leven door,een licht en, langs de padendes werelds, heeft het, recht en wel,mij, schamel mensch, geraden:het heeft mij, vaste en onverkeerd,de waarheid uwer wet geleerd.Het heeft mij, daar, och arme, ik wasgevallen of gaan dwalen,weêr opgesterkt, mijn stappen mijdoen wenden, doen herhalen:dat leed was, af- en weggedaan;dat goed is, al, mij toegestaan.Ootmoedig, eerbiedvuldig, zaluw gave, o God, ik dragen,tot ’t einde toe mijns levens, en,daar ’t nood doet, hulpe vragen;totdat mijne ooge uw weerglans niet,maar vlak uwe eigen wezen ziet.Intusschen, wille ik doen alzoo’t geloove leert en winnenmeer wetenschap om God, voortaan,meer wetend, meer te minnen.Zoo weze ’t mij en alle liên,die blind eerst, nu den dagraad zien.Die blad voor blad, heeft opgemaaktdit werksken, wenscht, bij dezen,dat ’t voordeel doe aan allen, die’t godvruchtig willen lezen;opdat uw’ name, God en Heer,vereerd zij, nu en immermeer.1898.

o Hoogste, grootste goedheid, God,mijn herte haakt om u, tot smachtens,tot stervens schier; en immer wachtens,is ’t moe voortaan. Och, uit het slot,dat mij benauwd houdt en gevangen,verlost me, gij die mijn verlangenvolleesten kunt alleen! Wie zal,in ’s werelds perk, in ’s hemels paden,mij buiten u, o God, verzaden,mijn eenig deel, mijn eeuwig al?

1898.

[1]Uit de vertaling van Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert’sMeditationes Theologicae.

[1]Uit de vertaling van Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert’sMeditationes Theologicae.

Edoch, o Heere God,hoe geren is ’t dat wijerkennen uw bestaan,aanbidden u en lovenootmoediglijk, die ’t albeneên berekt en boven,dat ’t voegende in getal,gewichte en mate zij!

Gij buiten alle macht,Zijt immer, meer als aldat grootheid heeten kanof mogendheid, almachtig;de kracht van uwen arm,waar is er één zoo krachtig,die ’t geen hij willens werkthem tegenwerken zal?

Het op- of nedergaaneens evenaars en heeftgeen mindere achtbaarheid,in al zijn onbeduiden,als ’s werelds ommeloop,bij u; ’t en laaft de kruideneer ’t dageraadt, geen dauw,of gij daar acht op geeft.

Ontfermens zijt gij vol,die God almachtig zijt,voor allen; al dat isbemint gij; geene zakenen zijnder, die gij eensgemaakt hebt, of zult maken,die gij geen jonste en hebt,geen liefde toegewijd.

Hoe kon dan ievers iet,uws nillens, blijven staan,van al dat staande blijft,een stonde? Zou het levenniet, zonder uwen roep,die dooden wekt, begeven?Zou al dat wezen heeftniet wezenloos vergaan?

Gij spaart intusschentijd,al ’t uwe en ongespaarden laat gij wicht van aldat lief u is; vernielenen zal de zielendief,o minnaar van de zielen,hetgeen gij, ’s Heeren goedeen zoete geest, bewaart[1].

1898.

[1]Boek der Wijsheid XI, 21-27; XII, 1.

[1]Boek der Wijsheid XI, 21-27; XII, 1.

Hoe dankbaar moesten wij,ontfermnisvolle, wezen,u, grooten, goeden God,en die, van jongs af aan,nooit anders ons en hebtals immer goed gedaan:’t zij, niet zijnde, ons gemaakt,’t zij, dood zijnde, ons genezen?

Niet eer en leefde er lichtin ons, en rechte reden,of wij erkenden, wijgeloofden u, o Heer;beminden u, dien wijerkenden, immermeeren brachten u den lofonschuldiger gebeden.

Wij waren, aan de handvan ouders en van vrienden,geleidsmand en geleerd;wij zaten, door uw kerk,als teêre vogelkensgeborgen in de vlerkvan al uw goedheid, diegeen goedheid en verdienden.

Hoe komt het dan, dat wij,die al uw goedheid wisten,al uw bermhertig, aluw vaderlijk voorzien;u varen lieten en,zoo dikwijls, bovendien,hetgeen gij geren gaaftal roekeloos verkwistten?

Te spade en is het nooitte leeren en te weten,dat u te weten onsrechtveerdig maken zal;dat gij ons redden kunten wilt, die immers alrechtveerdigheid, o God,en macht zijt, ongemeten.

Och, laat, van nu voortaan,voor goed ons herbeginnente leeren wat gij zijtafgrondelijke schatvan liefde en leven; laatons u, in Sion’s stad,onsterfelijke liefde,onsterfelijk beminnen!

1898.

Nog nauwelijks hebben wijden mond aan ’t glas geleidder hemelschale, die,vol bruiloftswijn geschonken,ons de al te milde handvan God heeft voorbereid,of dadelijk ontspringtons herte en, liefdedronken,vereert het u, o God,zijn volle dankbaarheid!

1898.

Verwonderd zien wij uwalmachtig Voorbeschik,wijl de eeuwen ommegaan,de vaste gronden bouwenvan ’t Huis- en ’t Kerkgewelf,dat, aller hellen schrik,dat aller menschen heildie op uw woord betrouwenstaat eeuwig, Godvast, nuen elken oogenblik.

1898.

Belofte is al die Gods[1]goe vrienden zijn, gedaan,dat, als zij, zalig, eenshet Leven binnentreden,zij wezen zullen zoode vorsten zijn, voortaan,die heerschen in ’t gebiedder hooge hemelsteden,en die, naast Michaël,getrouw zijn blijven staan.

Zoo zal Jeruzalem,des vreden vrije steê,van al Gods kinderende moeder eens bedijgen;veel vreemde steden zalGod ééne stad ermeêdoen worden om alzoo’t getal bijeen te krijgenvan ’t Volk, dat eeuwig hembehooren moet, in vreê.

’t Getal der Heiligenen weet geen een; ’t getalgeen een, der geesten, dieGods heiligdom ontvielen:toch weten wij hoe uweontvorste zetels al,o Hemel, zetten eensvol vrijgemaakte zielende milde moederschootvan Roomsche Kerke zal.

O Roomsche Kerke, die,als kinderloos veracht,als barre wildernisse,op aarde, wierdt verwezen,hoevelen zijnder, diege in ’t leven hebt gebrachtof die ge in ’t leven nogzult brengen? In ’t nadezen,hoevelen zijnder, dieGods wil van u verwacht?

Hij weet alleen hoe grootis nu zijn eigen diet,hoe groot het wezen zalhierna, die alle zakengeschapen heeft;die aldat wezen heeft of niette voorschijn roepenen[2]kanmaken of ontmaken:ie ’t al op mate, wichten tel geworden liet.

1898.

[1]Augustinus.Enchiridion de fide spe et charitate, hoofdstuk IX, t. 29.

[1]Augustinus.Enchiridion de fide spe et charitate, hoofdstuk IX, t. 29.

[2]Ad Rom. IV, 17.

[2]Ad Rom. IV, 17.

o Heere, God, uw licht hebt ge, engenade, mij gegeven,daarbij mij dieper, nu als ooit,is in de ziel gedreven,dat u alleen, o gever goedvan ’t waar geloove, ik danken moet.

Zoo helder als de zonne, straaltde grootheid uwer gave’t onschatbaar, hemelsch licht, daaraanmijn herte ik langend lave.Wie kent er... Ik en kenne geenzoo onbederfbaar edelsteen.

Noodwendig is ’t geloove, datbegrijpe ik, en geen zaken,geloove ik niet, en helpen mijter zaligheid geraken:mijn eigen goed of ware ’t al,’t geloove alleen mij baten zal.

Mijn wille en mijn verstand ben ikbereid, ten allen stonde,te vellen vóór uw voeten oméén woord uit uwen monde:zoo is het en, die Waarheid zijt,betaamt het u, ten allen tijd.

Mijn redelijk verstand betuigt,dat ’t zoo behoort te wezen;en, komt mijne arme onwetenschapdaartegen opgerezen,’k geloove en helpt o God, voortaan,mijn ongeloove ook rechte staan!

Heel vaste en onberoerd is mijngeloove: niets en is er,van al dat ooit onloochenbaarof waarheid was, gewisser:’k geloove en, uit mijns herten grond,bedanke ik u, ten allen stond.

’k En was maar eerst geboren, ofgij goedheid zonder gronden,’t geloof hebt in mijn herte diep,als heblijkheid, gezonden;g’ hebt levende als een zaad, voortaan,’t geloove in mij doen wortel slaan.

In ’t Doopsel is ’t geloove mij,als deugd, eerst ingegeven,die werkzaam, is ontwaakt en, metder daad, in mij gaan leven,zoohaast haar en verstandigheiden wil den weg had voorbereid.

Zoo is t, door uw genade, o God,en ’t leeren uwer Kerke,dat eindlijk mijn gelooven enmijn willen kwam te werke:door ouders, herders, vrienden goed,geholpen eerst en opgevoed.

’t Geloove was mij, ’t leven door,een licht en, langs de padendes werelds, heeft het, recht en wel,mij, schamel mensch, geraden:het heeft mij, vaste en onverkeerd,de waarheid uwer wet geleerd.

Het heeft mij, daar, och arme, ik wasgevallen of gaan dwalen,weêr opgesterkt, mijn stappen mijdoen wenden, doen herhalen:dat leed was, af- en weggedaan;dat goed is, al, mij toegestaan.

Ootmoedig, eerbiedvuldig, zaluw gave, o God, ik dragen,tot ’t einde toe mijns levens, en,daar ’t nood doet, hulpe vragen;totdat mijne ooge uw weerglans niet,maar vlak uwe eigen wezen ziet.

Intusschen, wille ik doen alzoo’t geloove leert en winnenmeer wetenschap om God, voortaan,meer wetend, meer te minnen.Zoo weze ’t mij en alle liên,die blind eerst, nu den dagraad zien.

Die blad voor blad, heeft opgemaaktdit werksken, wenscht, bij dezen,dat ’t voordeel doe aan allen, die’t godvruchtig willen lezen;opdat uw’ name, God en Heer,vereerd zij, nu en immermeer.

1898.

„VADER OVERLEDEN”[1]o Al te kwade boodschapper,die, bitsig als een horselbie;die, stekende als een degenstoot;die, snel gelijk den bliksemslag;die, stom en doof, noodzakelijk,te mijwaard op de snaren komtgevlogen van den teekendraad!Te gauwe, ach armen, vindt ge mijen biedt gij, in uw bitsigheid,de boodschap,—en geen troost daartoe!—dat „vader overleden” is!Ge’n zegt niet hoe hij, vroomgezind,zijn kruise en zijne ellenden droeg;g’en zegt niet, echt en recht, hoe hijonwankelbaar geloovig enbetrouwende in Gods goedheid was;g’en zegt niet hoe, beneên den bastvan buitenwaardsche onteederheid,hij teêrheid in zijn herte borg;g’en zegt niet hoe, van ’s morgens vroegtot ’s avonds, hij was werkzaam; hoe’t gevaar hij niet en minde, nieten vreesde, daar ’t de plicht beval:g’en zegt niet hoe nauwkeuriglijkhij omzag, daar te zorgen vielvoor kinderlijke onschuldigheid;g’en zegt niet hoe noch wat hij was,vóór God en vóór de menschen: gijen steekt me.... en gij en stoot me maardoor ’t herte, dat hij henen is,mijn broeder! Van geen zielenrusteen rept gij!—Och, hoe herteloosdoorslaat mij nu die bliksemslagen biedt hij mij, in zijn bitsigheid,de boodschap,—en geen troost daartoe!—dat „vader overleden” is!—Zijn ziele God genadig zij!o Al te kwade boodschapper!Kortrijk, 1/1 ’99.[1]„Vader overleden”was de tekst van een telegram meldend de dood van ’s dichters broeder,Romaan Gezelle,kunstvuurwerker te Brugge.

o Al te kwade boodschapper,die, bitsig als een horselbie;die, stekende als een degenstoot;die, snel gelijk den bliksemslag;die, stom en doof, noodzakelijk,te mijwaard op de snaren komtgevlogen van den teekendraad!Te gauwe, ach armen, vindt ge mijen biedt gij, in uw bitsigheid,de boodschap,—en geen troost daartoe!—dat „vader overleden” is!Ge’n zegt niet hoe hij, vroomgezind,zijn kruise en zijne ellenden droeg;g’en zegt niet, echt en recht, hoe hijonwankelbaar geloovig enbetrouwende in Gods goedheid was;g’en zegt niet hoe, beneên den bastvan buitenwaardsche onteederheid,hij teêrheid in zijn herte borg;g’en zegt niet hoe, van ’s morgens vroegtot ’s avonds, hij was werkzaam; hoe’t gevaar hij niet en minde, nieten vreesde, daar ’t de plicht beval:g’en zegt niet hoe nauwkeuriglijkhij omzag, daar te zorgen vielvoor kinderlijke onschuldigheid;g’en zegt niet hoe noch wat hij was,vóór God en vóór de menschen: gijen steekt me.... en gij en stoot me maardoor ’t herte, dat hij henen is,mijn broeder! Van geen zielenrusteen rept gij!—Och, hoe herteloosdoorslaat mij nu die bliksemslagen biedt hij mij, in zijn bitsigheid,de boodschap,—en geen troost daartoe!—dat „vader overleden” is!—Zijn ziele God genadig zij!o Al te kwade boodschapper!

Kortrijk, 1/1 ’99.

[1]„Vader overleden”was de tekst van een telegram meldend de dood van ’s dichters broeder,Romaan Gezelle,kunstvuurwerker te Brugge.

[1]„Vader overleden”was de tekst van een telegram meldend de dood van ’s dichters broeder,Romaan Gezelle,kunstvuurwerker te Brugge.

REQUIESCAT IN PACE![1]Ze hebben hier hem neêrgeleid,in de aarde der gestorvene,den kunstvierwerker, aan en bijZijn grafsteê is[2]het oefenperk,daar dagelijks men schieten hoorten poffen van geweerschot.Wij stonden en wij horkten, inde stilte van den morgenstond,naar ’t halfgezwegen lijkgebed,dat iedereens begroetinge is,die komt alhier. In ’t oefenperk,daar schoten en daar poften zezoo dapper, dat het, spotgewijs,den doode scheen te gelden. Hemdie menigmaal tienduizendendeed roepen: „Och, hoe wonderschoonhet schittert!” als hij bommen schootin ’t luchtgewelf, bij nachte. Neen,nu ligt hij daar en zien en kannoch hooren hij ’t geweergeschut,dat henenbarst, omtrent hem. Nuen weet hij van geen duizenden,die, opwaards ziende, roepen hoe ’tal hemel vier en vonke is.Geen volk en ziet hij vluchten engeen kinders, op den arm getorscht,die schrikkend schreeuwen. Poppen nuen raderwerk en ziet hij meer,die breken, braken, branden, schieralsof de lucht vol sterren envol bliksemende zonnen zat.Het vier, dat in zijn herte leefde,is uitgedoofd: hier slaapt hij nu!Wij stonden daar...tienduizenden?Neen, twintig stille vrienden, die,omleege ziende en sprakelooshem volgden, daar hij henenvoervoor eeuwig; die beminden hem,ten grave toe en verder nog!o Waker, die de dooden hierbewaakt, in uw gebeden hemindachtig zijt: des morgens, alsde nooit vermoeide zonne uitgaaten leven strooit in ’t doodenveld.Des avonds, als ’t al slapen gaaten, moegeleefd, te sterven zoekteen stonde of twee; indachtig hemdan weest, aleer gij slapen gaat.Des nachts, als heel uw kudde ligtomtrent u, hunnen herder, dienalleen de lieve zonne zalontwekken, als het morgen is:indachtig weest den doode dan,als ’t leven u de ruste ontzegt.Kortrijk, 8/1/’99.[1]Bij de begraving vanRom. Gezelle;zie voorgaande stuk.[2]Aan ’t stedelijk kerkhof, te Brugge, paalt het plein voor schietoefeningen.

Ze hebben hier hem neêrgeleid,in de aarde der gestorvene,den kunstvierwerker, aan en bijZijn grafsteê is[2]het oefenperk,daar dagelijks men schieten hoorten poffen van geweerschot.Wij stonden en wij horkten, inde stilte van den morgenstond,naar ’t halfgezwegen lijkgebed,dat iedereens begroetinge is,die komt alhier. In ’t oefenperk,daar schoten en daar poften zezoo dapper, dat het, spotgewijs,den doode scheen te gelden. Hemdie menigmaal tienduizendendeed roepen: „Och, hoe wonderschoonhet schittert!” als hij bommen schootin ’t luchtgewelf, bij nachte. Neen,nu ligt hij daar en zien en kannoch hooren hij ’t geweergeschut,dat henenbarst, omtrent hem. Nuen weet hij van geen duizenden,die, opwaards ziende, roepen hoe ’tal hemel vier en vonke is.Geen volk en ziet hij vluchten engeen kinders, op den arm getorscht,die schrikkend schreeuwen. Poppen nuen raderwerk en ziet hij meer,die breken, braken, branden, schieralsof de lucht vol sterren envol bliksemende zonnen zat.Het vier, dat in zijn herte leefde,is uitgedoofd: hier slaapt hij nu!Wij stonden daar...tienduizenden?Neen, twintig stille vrienden, die,omleege ziende en sprakelooshem volgden, daar hij henenvoervoor eeuwig; die beminden hem,ten grave toe en verder nog!o Waker, die de dooden hierbewaakt, in uw gebeden hemindachtig zijt: des morgens, alsde nooit vermoeide zonne uitgaaten leven strooit in ’t doodenveld.Des avonds, als ’t al slapen gaaten, moegeleefd, te sterven zoekteen stonde of twee; indachtig hemdan weest, aleer gij slapen gaat.Des nachts, als heel uw kudde ligtomtrent u, hunnen herder, dienalleen de lieve zonne zalontwekken, als het morgen is:indachtig weest den doode dan,als ’t leven u de ruste ontzegt.

Kortrijk, 8/1/’99.

[1]Bij de begraving vanRom. Gezelle;zie voorgaande stuk.

[1]Bij de begraving vanRom. Gezelle;zie voorgaande stuk.

[2]Aan ’t stedelijk kerkhof, te Brugge, paalt het plein voor schietoefeningen.

[2]Aan ’t stedelijk kerkhof, te Brugge, paalt het plein voor schietoefeningen.

UIT DE DIEPTEN.Ik hoore ’t klokspel nauwelijks,en nauwelijks de slagen,die slaan de lange stonden vande stomme winterdagen;’t is doof omtrent mij alles, enschier dood, hetgeen mij moed,mij mannelijken wil, te mets,en kracht in ’t herte doet:daar zit entwat in ’t luchtgewelfdat krank is; dat, benedendie krankheid, armen mensche, mijdoet krank en ziek zijn, heden.Wat is dat? Aarde of hemel, watontbreekt mij nu, die wanenmij vrij van alle zorgen dorst,nog onlangs; die, de banendes levens gei doorgaande, hieldden zin op u gericht,o zonne, die mij tegenblonktin ’s hemels aangezicht!Waar is nu alles henen enhoe zitte ik hier, gekrompen,vernederd en ontzenuwd, indes winters doove dompen?Ach! wis is mij de dood omtrenten, heimlijk aangekropen,des nachts ong’ hiere duisternissein ’s herten grond gedropen;de droefheid,—of ik blijde wasen helder eens van zin,—op mij heeft heure vuist gevelden giet mij tranen in.Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u,o troostloos ondervindender zware weemoedsketenen,die nu mij nederbinden?Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, ofwie zal mij....? Zal ik vluchten,die bidden kan; die God bij mij,voor bijstand, heb: die zuchtenin de oore Gods mijn lijden kan;die, sprakeloos, verstaanbij hem kan zijn; die, schaamteloosbij hem kan binnengaan?Aanhoort mij dus, o Vader; uitde diepten roepe ik henen;„Ontferme ’t u eens dooden enuw licht zij mij verschenen!”Gij ook zijt eens in ’t graf geweest,drie dagen en drie nachten;gij ook hebt uwe onlustigheidgeklaagd; als al uw krachtenbegaven u, om hulp gebeên,die aller hulpe en troost,God zelf, voor mij te lijden en,gegalgd, te sterven koost.Ontferme ’t u eens stervenden,die, naast u, neêrgebedenin ’t graf van zijne ellendigheid,verrijzen wilt ook, heden!Kortrijk, 15/1 ’99.

Ik hoore ’t klokspel nauwelijks,en nauwelijks de slagen,die slaan de lange stonden vande stomme winterdagen;’t is doof omtrent mij alles, enschier dood, hetgeen mij moed,mij mannelijken wil, te mets,en kracht in ’t herte doet:daar zit entwat in ’t luchtgewelfdat krank is; dat, benedendie krankheid, armen mensche, mijdoet krank en ziek zijn, heden.

Wat is dat? Aarde of hemel, watontbreekt mij nu, die wanenmij vrij van alle zorgen dorst,nog onlangs; die, de banendes levens gei doorgaande, hieldden zin op u gericht,o zonne, die mij tegenblonktin ’s hemels aangezicht!Waar is nu alles henen enhoe zitte ik hier, gekrompen,vernederd en ontzenuwd, indes winters doove dompen?

Ach! wis is mij de dood omtrenten, heimlijk aangekropen,des nachts ong’ hiere duisternissein ’s herten grond gedropen;de droefheid,—of ik blijde wasen helder eens van zin,—op mij heeft heure vuist gevelden giet mij tranen in.Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u,o troostloos ondervindender zware weemoedsketenen,die nu mij nederbinden?

Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, ofwie zal mij....? Zal ik vluchten,die bidden kan; die God bij mij,voor bijstand, heb: die zuchtenin de oore Gods mijn lijden kan;die, sprakeloos, verstaanbij hem kan zijn; die, schaamteloosbij hem kan binnengaan?Aanhoort mij dus, o Vader; uitde diepten roepe ik henen;„Ontferme ’t u eens dooden enuw licht zij mij verschenen!”

Gij ook zijt eens in ’t graf geweest,drie dagen en drie nachten;gij ook hebt uwe onlustigheidgeklaagd; als al uw krachtenbegaven u, om hulp gebeên,die aller hulpe en troost,God zelf, voor mij te lijden en,gegalgd, te sterven koost.Ontferme ’t u eens stervenden,die, naast u, neêrgebedenin ’t graf van zijne ellendigheid,verrijzen wilt ook, heden!

Kortrijk, 15/1 ’99.

HET VLAAMSCHE VOLKWanneer, wanneer zal ’t hier in Vlanderenzoo ’t vroeger ging, eens weder gaan?Of mag ’t niet meer dat is, veranderen,moet immer valsch de klokke slaan?o Neen, o neen, de duinen daverende kerels zijn weêr opgestaan:Van hier, onvlaamsche volksbeschaveren,het jonge Diet is vrij voortaan.Te lange alreê zijn oud- en jongenhet vreemde woord gewend alhier,en ’t Vlaamsche lied op Vlaamsche tongendoen galmen, ’t is een schande schier.’t En zal niet meer zoo ’t was geschieden:de kerels zijn weêr opgestaan:het vrije lied past vrije liedenen ’t jonge Volk is vrij voortaan.Welaan, wie zal den stroom beteugelen,die breken wil door boei en band?Wie kort het Volk zijn’ vrije vleugelenwie temt het jonge Vlanderland?Geen zuiderlings ontaarde krachten:de kerels zijn weêr opgestaanhun stem en zal geen dwang versmachten,het Vlaamsche Volk is vrij voortaan!12/1901.

Wanneer, wanneer zal ’t hier in Vlanderenzoo ’t vroeger ging, eens weder gaan?Of mag ’t niet meer dat is, veranderen,moet immer valsch de klokke slaan?o Neen, o neen, de duinen daverende kerels zijn weêr opgestaan:Van hier, onvlaamsche volksbeschaveren,het jonge Diet is vrij voortaan.

Te lange alreê zijn oud- en jongenhet vreemde woord gewend alhier,en ’t Vlaamsche lied op Vlaamsche tongendoen galmen, ’t is een schande schier.’t En zal niet meer zoo ’t was geschieden:de kerels zijn weêr opgestaan:het vrije lied past vrije liedenen ’t jonge Volk is vrij voortaan.

Welaan, wie zal den stroom beteugelen,die breken wil door boei en band?Wie kort het Volk zijn’ vrije vleugelenwie temt het jonge Vlanderland?Geen zuiderlings ontaarde krachten:de kerels zijn weêr opgestaanhun stem en zal geen dwang versmachten,het Vlaamsche Volk is vrij voortaan!

12/1901.

DE BOODSCHAPDe boodschap uit des Heeren woon’t geheim des Heeren boodschappend,begroet ze vol genaden, diezal Moeder Gods en Maged zijn.De Maagd bezoekt de moeder vanJohannes, haar in ’t bloed verwant,en ongebaard verkondigt hijdat Jezus reeds geboren is.Het woord dat vóór alle eeuwen uitdes Vaders wezen wierd, verschijnt,het sterflijk uit een’ Moedermaagdgesproken God- en menschenkind.Het kind wordt in Gods huis gebracht,die ’t al gebiedt hoort man’s geboden, afgekocht om niet bijkanswordt hij die ons verlossen zal.Hymn. in off. ss. Rosarii.

De boodschap uit des Heeren woon’t geheim des Heeren boodschappend,begroet ze vol genaden, diezal Moeder Gods en Maged zijn.

De Maagd bezoekt de moeder vanJohannes, haar in ’t bloed verwant,en ongebaard verkondigt hijdat Jezus reeds geboren is.

Het woord dat vóór alle eeuwen uitdes Vaders wezen wierd, verschijnt,het sterflijk uit een’ Moedermaagdgesproken God- en menschenkind.

Het kind wordt in Gods huis gebracht,die ’t al gebiedt hoort man’s geboden, afgekocht om niet bijkanswordt hij die ons verlossen zal.

Hymn. in off. ss. Rosarii.


Back to IndexNext