DE TWAALFSTE STONDE:

DE TWAALFSTE STONDE:GESTORVEN.De vier heilige Evangelisten:—’t Dondert onder grond.—De graven gapen.—’t Splijteen klove, die tot in de moergebinten bijtder bergen.—Zonne en mane en sterren houdt de Dood,—al ’t licht van dezen dag,—geborgen in den schootvan heure afschuwlijkheid.—Zij nadert tot den stam,daar overwonnen, hij, die haar verwinnen kwam,uit vrijen halze, en eer zij hem aan ’t lijf besteelt,—bij ’t deinzen van de dood,—zijn’ ziele aan God beveelten—sterft.

De vier heilige Evangelisten:

—’t Dondert onder grond.—De graven gapen.—’t Splijteen klove, die tot in de moergebinten bijtder bergen.—Zonne en mane en sterren houdt de Dood,—al ’t licht van dezen dag,—geborgen in den schootvan heure afschuwlijkheid.—Zij nadert tot den stam,daar overwonnen, hij, die haar verwinnen kwam,uit vrijen halze, en eer zij hem aan ’t lijf besteelt,—bij ’t deinzen van de dood,—zijn’ ziele aan God beveelten—sterft.

DE DERTIENSTE STONDE:DE VII WEE’N.De heilige Vrouwen, de vrienden ons Heeren:o Moeder van die lange en leede en scherpe zieledolken,die ’t spreken van één woord u in de zijde bracht,geheugt u nog die nacht,als de Engelen, in de wolken,geboren in uw’ schoot, aanbaden hem,onzalig moederherte,—o Zalig Bethlehem!—daar nu ligt, ontlijfd?—o Moeder van veel smerten,Maria, hadt gij meer als één, als honderd herten,in ieder zou, doordoornd, doorgeeseld en doorgaan,het zevenhandig zweerd van uwe droefheid staan!o Moeder, bidt voor ons,—daar bij den boom gezeten,—die einde aan uwe smerte, aan uwe liefde en weten!o Moeder, bidt voor ons, die Jezus’ Moeder zijten onze Moeder nu,—nu—bidt voor ons—altijd...!

De heilige Vrouwen, de vrienden ons Heeren:

o Moeder van die lange en leede en scherpe zieledolken,die ’t spreken van één woord u in de zijde bracht,geheugt u nog die nacht,als de Engelen, in de wolken,geboren in uw’ schoot, aanbaden hem,onzalig moederherte,—o Zalig Bethlehem!—daar nu ligt, ontlijfd?—o Moeder van veel smerten,Maria, hadt gij meer als één, als honderd herten,in ieder zou, doordoornd, doorgeeseld en doorgaan,het zevenhandig zweerd van uwe droefheid staan!o Moeder, bidt voor ons,—daar bij den boom gezeten,—die einde aan uwe smerte, aan uwe liefde en weten!o Moeder, bidt voor ons, die Jezus’ Moeder zijten onze Moeder nu,—nu—bidt voor ons—altijd...!

DE VEERTIENSTE STONDE:EN BEGRAVEN.Joseph van Arimatheia:Ons laat den Heere, na de rouwgeplogentheden,’t nog onlangs uit den steen gegraven graf besteden,dat mij was voorbereid.—Het roomsche volk zal ’t waken,misschien, en joodsche wantrouw zegelvast het maken.De vier heilige Evangelisten:Zoo spraken ze, en ’t gebeurde recht alzoo zij spraken:van roomsche en ander volk, van zegelvast en waken;maar Jesus heeft de Dood, eer dagen drie geleden,—gestegen uit den steen, onsterflijk,—doodgetreden:Allen, eenmaal:Hallelu-jah!

Joseph van Arimatheia:

Ons laat den Heere, na de rouwgeplogentheden,’t nog onlangs uit den steen gegraven graf besteden,dat mij was voorbereid.—Het roomsche volk zal ’t waken,misschien, en joodsche wantrouw zegelvast het maken.

De vier heilige Evangelisten:

Zoo spraken ze, en ’t gebeurde recht alzoo zij spraken:van roomsche en ander volk, van zegelvast en waken;maar Jesus heeft de Dood, eer dagen drie geleden,—gestegen uit den steen, onsterflijk,—doodgetreden:

Allen, eenmaal:

Hallelu-jah!

VRIENDENZOENVIS UNITA FORTIORWaar zat gij dangestoken gij,verduisterd enverdoken, gij,o vriendenhert:door vriendenhandzoo waandet ge inuw onverstand,gekwetst en afgewezen?’k En hadde u nooitvergeten, ik,geen weêrstand uverweten, ik;geen stroo u inden weg geleid,geen werk gedaan,geen woord gezeiddat kwetsend u kon wezen.Nog meer als ik,zijt gij, misschieneen vriendenherte,en mij, misschienspijts al hetgeenons beider liefdein stukken smeet,een ware vriend gebleven?Dat vriendschap ismoet sterker zijn,moet sterk alzoode kerken, zijngesteund op vast-en dieper grondals vriendenhanden vriendenmond,zoo nu, zoo na dit leven.’t Is dit alleen,dat scheiden onszoo bitterlijk,dat beiden onskon drijven om,gij hier, ik daar,verre af en zoonabij malkaar,te porren en te pogenaan ’t gene ik wist,of waande, dathet was; en gijhieldt staande dathet niet en was;niet anders alseen ijdel woord,een vuil en valsch,en opgesmukte logen.Zooziet men ’t geneop dezen dagnog ijzervastgevezen lag,verworteld enverwassen, eer’t ooit morgen is,met eenen keer,ter stede, in stukken vliegen;zoo komt men eereen trouw vaneen,zoo komt men manen vrouw vaneen,zoo vriendenherteen vriendenhanden volk intween te liegen.’k Herbiede u dande vriendenhand,het vriendenhert,den vriendenband,die, spannende enweerspannig aanons beider bede,is losgegaan,nu weer aaneen te binden.’k Herbiede u hulpeen bijstand, inden strijde, om weêrden vijand inte stormen: endat ongekleed,dat edel Wichtdat Waarheid heet,te zoeken en te vinden.30/1/’97

Waar zat gij dangestoken gij,verduisterd enverdoken, gij,o vriendenhert:door vriendenhandzoo waandet ge inuw onverstand,gekwetst en afgewezen?’k En hadde u nooitvergeten, ik,geen weêrstand uverweten, ik;geen stroo u inden weg geleid,geen werk gedaan,geen woord gezeiddat kwetsend u kon wezen.

Nog meer als ik,zijt gij, misschieneen vriendenherte,en mij, misschienspijts al hetgeenons beider liefdein stukken smeet,een ware vriend gebleven?Dat vriendschap ismoet sterker zijn,moet sterk alzoode kerken, zijngesteund op vast-en dieper grondals vriendenhanden vriendenmond,zoo nu, zoo na dit leven.

’t Is dit alleen,dat scheiden onszoo bitterlijk,dat beiden onskon drijven om,gij hier, ik daar,verre af en zoonabij malkaar,te porren en te pogenaan ’t gene ik wist,of waande, dathet was; en gijhieldt staande dathet niet en was;niet anders alseen ijdel woord,een vuil en valsch,en opgesmukte logen.

Zooziet men ’t geneop dezen dagnog ijzervastgevezen lag,verworteld enverwassen, eer’t ooit morgen is,met eenen keer,ter stede, in stukken vliegen;zoo komt men eereen trouw vaneen,zoo komt men manen vrouw vaneen,zoo vriendenherteen vriendenhanden volk intween te liegen.

’k Herbiede u dande vriendenhand,het vriendenhert,den vriendenband,die, spannende enweerspannig aanons beider bede,is losgegaan,nu weer aaneen te binden.’k Herbiede u hulpeen bijstand, inden strijde, om weêrden vijand inte stormen: endat ongekleed,dat edel Wichtdat Waarheid heet,te zoeken en te vinden.

30/1/’97

IK DROOME ALREÊIk droome alreê van u, mijn kind,en van de blijde dagen, de dagendat samen wij, en welgezind,vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,ons lief en leed gaan dragen.Ik droome alreê van u, mijn kind,noch late ik mij gelegen, gelegenaan al dat aardsch en bitter smaakt,dat ’t lijf en ’t lijf alleene raakt,en daar de geest kan tegen.Ik droome alreê van u, mijn kind;gij hebt hem, doorgestreden, gestredenden nacht dien ’s vijands booze handgespreid had om ’t beloofde land:gij zijt erin getreden.Ik droome alreê van u, mijn kind,en ga ik langs de straten, de straten,daar heimlijk in mijn herte weunt’t gedacht daar al mijn hope op steunt:God zal u mij toch laten.Aan Eug. van Oye.12/2 ’97.

Ik droome alreê van u, mijn kind,en van de blijde dagen, de dagendat samen wij, en welgezind,vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,ons lief en leed gaan dragen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,noch late ik mij gelegen, gelegenaan al dat aardsch en bitter smaakt,dat ’t lijf en ’t lijf alleene raakt,en daar de geest kan tegen.

Ik droome alreê van u, mijn kind;gij hebt hem, doorgestreden, gestredenden nacht dien ’s vijands booze handgespreid had om ’t beloofde land:gij zijt erin getreden.

Ik droome alreê van u, mijn kind,en ga ik langs de straten, de straten,daar heimlijk in mijn herte weunt’t gedacht daar al mijn hope op steunt:God zal u mij toch laten.

Aan Eug. van Oye.12/2 ’97.

O BANDo Band, om oost en west te snoeren,om zuid en noord, om zee en zandter overwinning heen te voeren,o hert- en ziel- en tongenband,vereent mij, lijf en ziele en aderen,met de overeeuwde onvalsche vaderenen.... leve vrij ons Vlanderland!12/2 ’97.

o Band, om oost en west te snoeren,om zuid en noord, om zee en zandter overwinning heen te voeren,o hert- en ziel- en tongenband,vereent mij, lijf en ziele en aderen,met de overeeuwde onvalsche vaderenen.... leve vrij ons Vlanderland!

12/2 ’97.

WIJ NADERENHoe komt het, dat de lucht,zoo hel, geleêntwee stonden amper, nuvol duisterheên,vol donkerte is? Hoe komt ’tdat ’t gers, zoo neteen’ schreê te ruggewaard,is al besmetmet onraad nu? Hoe ligtalomme hiergebroken handalaamen drukpapier?De zonne is blindgedoekten rookgeweld,dat bitter is van bete,omhooggesnelt,of doolt de wegen langs,en stinkt! Wat is ’t,dat ’t overal, omtrentmij, goort en gisten geil is nu? Dat zachten zoete om gaanen zijn de paden meer?Dat ’t steen voortaan,dat ’t tanden ongetemd,dat ’t schorren scherp,dat ’t kale keien zijn,die ’k ommewerp?Waar ben ik, meldt het mij:verdoold in schijn?—Wij naderen ’t gebieddaar menschen zijn!16/2 ’97.

Hoe komt het, dat de lucht,zoo hel, geleêntwee stonden amper, nuvol duisterheên,vol donkerte is? Hoe komt ’tdat ’t gers, zoo neteen’ schreê te ruggewaard,is al besmetmet onraad nu? Hoe ligtalomme hiergebroken handalaamen drukpapier?De zonne is blindgedoekten rookgeweld,dat bitter is van bete,omhooggesnelt,of doolt de wegen langs,en stinkt! Wat is ’t,dat ’t overal, omtrentmij, goort en gisten geil is nu? Dat zachten zoete om gaanen zijn de paden meer?Dat ’t steen voortaan,dat ’t tanden ongetemd,dat ’t schorren scherp,dat ’t kale keien zijn,die ’k ommewerp?Waar ben ik, meldt het mij:verdoold in schijn?—Wij naderen ’t gebieddaar menschen zijn!

16/2 ’97.

ZEGEPRAALDe zonne vecht! Het noordervolkkomt woedend opgestoven,de diepten uit, afgrijzelijkverbolgen. Bergen bovenmalkanderen zij werpen gaan,in ’s hemels aangezicht:den al te schoonen dag uitdoen,en dooden ’t zonnelicht!Het spettert, uit de wolken, vieren vlamme; kwade steenen,van rammelenden hagelslag,en bliksem, al met eenen,vergâren mij de reuzen inhun vuisten vol geweld,en ruien ze, onbermhertiglijkdaarheen in ’t zonneveld.’t Is donker nu, ’t is donkerder,nog donkerder! Gevaren,als machtig, overmachtig groote,en mammothsche adelaren,omslaan de wolken alles, envoor ’t nachtelijk bedwang,onthemelt al dat hemel is,in ’s hemels zwart gevang.’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,dat overheerlijk blaken,dat altijd even schoone vande schoone zonnekaken?’t Is nacht! En zijt voor goed nu gijgedompt en doodgedaan?Gij, beeld des Alderhoogsten, zultgij, stervend, ondergaan?Staat op! Het worde dag weerom!Staat op, en slaat die booze,die duistere onbedachten, gij,des hemels schoone rooze;gij, onverkrachte lichtvorstin,staat op, uit uwen schans,en plettert, onbermhertiglijk,die domme reuzen gansch!De zonne vecht! Zij duwt den spiet,den onverwonnen gaffeldes zonnelichts, de reuzen inden zwartgezwollen naffel;ze bersten, en ze bulderenmalkander slaande, intween;en, hersens in de kele valthet reuzenrot ineen.Ze pletteren te grondewaard,ze pletsen en ze plassen,dat ’t bommelt in de lucht alom:lijk honden zijn ’t die bassen.De wereld stroomt, afgrijzelijk,van ’t bloed alsof het waar’,van de eindelijk verwonnen, enverwenschte reuzenschaar.Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.Ze waren!.... In hun stedekomt helderheid, komt hemelsblauw,komt goud, dat schittert, mede.De zonne vocht, de zonne won,en, tierende overluid:„Hier ben ik!” roept ons zonneken„des vijands vonke is uit!”Kortrijk, 12/3 1897.

De zonne vecht! Het noordervolkkomt woedend opgestoven,de diepten uit, afgrijzelijkverbolgen. Bergen bovenmalkanderen zij werpen gaan,in ’s hemels aangezicht:den al te schoonen dag uitdoen,en dooden ’t zonnelicht!

Het spettert, uit de wolken, vieren vlamme; kwade steenen,van rammelenden hagelslag,en bliksem, al met eenen,vergâren mij de reuzen inhun vuisten vol geweld,en ruien ze, onbermhertiglijkdaarheen in ’t zonneveld.

’t Is donker nu, ’t is donkerder,nog donkerder! Gevaren,als machtig, overmachtig groote,en mammothsche adelaren,omslaan de wolken alles, envoor ’t nachtelijk bedwang,onthemelt al dat hemel is,in ’s hemels zwart gevang.

’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,dat overheerlijk blaken,dat altijd even schoone vande schoone zonnekaken?’t Is nacht! En zijt voor goed nu gijgedompt en doodgedaan?Gij, beeld des Alderhoogsten, zultgij, stervend, ondergaan?

Staat op! Het worde dag weerom!Staat op, en slaat die booze,die duistere onbedachten, gij,des hemels schoone rooze;gij, onverkrachte lichtvorstin,staat op, uit uwen schans,en plettert, onbermhertiglijk,die domme reuzen gansch!

De zonne vecht! Zij duwt den spiet,den onverwonnen gaffeldes zonnelichts, de reuzen inden zwartgezwollen naffel;ze bersten, en ze bulderenmalkander slaande, intween;en, hersens in de kele valthet reuzenrot ineen.

Ze pletteren te grondewaard,ze pletsen en ze plassen,dat ’t bommelt in de lucht alom:lijk honden zijn ’t die bassen.De wereld stroomt, afgrijzelijk,van ’t bloed alsof het waar’,van de eindelijk verwonnen, enverwenschte reuzenschaar.

Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.Ze waren!.... In hun stedekomt helderheid, komt hemelsblauw,komt goud, dat schittert, mede.De zonne vocht, de zonne won,en, tierende overluid:„Hier ben ik!” roept ons zonneken„des vijands vonke is uit!”

Kortrijk, 12/3 1897.

DIE MIJN HERT BEMINTDie mijn hert bemint, o konde ikhem gevinden! Heere, vonde ikU, mijn hert, mijn toeverlaat,wiste ik waar hij henengaat.Ver van mij, dat ben ik zeker,is de liefde- en troostinspreker,want mijn herte zwemt, o wee,in een wijde tranenzee.Is hij in de blommen? Neen-hij:in goud, rijkdom of gesteen hij,als hij in mijn hert niet is,neen-hij, neen-hij, neen gewis.—/3/’97.

Die mijn hert bemint, o konde ikhem gevinden! Heere, vonde ikU, mijn hert, mijn toeverlaat,wiste ik waar hij henengaat.

Ver van mij, dat ben ik zeker,is de liefde- en troostinspreker,want mijn herte zwemt, o wee,in een wijde tranenzee.

Is hij in de blommen? Neen-hij:in goud, rijkdom of gesteen hij,als hij in mijn hert niet is,neen-hij, neen-hij, neen gewis.

—/3/’97.

HALF APRILGij blauwgekaakte wolken daarhalfwit omtrent uw boorden,die gruwzaam in den hemel moert,en grimt in ’t gramme noorden:hoe lange speelt gij, koud en kil,den baas nog hier? ’t Is half April!’t Is onbermhertig koud; en ’t kan,de zonne ondanks gebeuren,dat ’s morgens, al dat gers is, witgeruwrijmd, staat te treuren!Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,des winters? Wij zijn wintermoe!’t Moet zomer zijn, geen koude lucht,die bijt en straalt; ’t moet open,dat, wachtende, in de botte zit,of weer in ’t gers gekropen,van schuchterheid, voor ’t nijpen vanden hardgevuisten winterman!Staat op, gij oostersch zonnelicht,en schiet, bij volle grepen,uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdthet graf, daarin, genepen,de zomer zat: verrijzenistdes konings kind! te late al is ’t!Hallelu-jah! dan zingen zal,dat ’t wederklinkt alomme,den gorgel los, de vogel ende luidgekeelde blomme;de klepel zal de klokke slaanen kondigen den Koning aan.12/4/’97.

Gij blauwgekaakte wolken daarhalfwit omtrent uw boorden,die gruwzaam in den hemel moert,en grimt in ’t gramme noorden:hoe lange speelt gij, koud en kil,den baas nog hier? ’t Is half April!

’t Is onbermhertig koud; en ’t kan,de zonne ondanks gebeuren,dat ’s morgens, al dat gers is, witgeruwrijmd, staat te treuren!Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,des winters? Wij zijn wintermoe!

’t Moet zomer zijn, geen koude lucht,die bijt en straalt; ’t moet open,dat, wachtende, in de botte zit,of weer in ’t gers gekropen,van schuchterheid, voor ’t nijpen vanden hardgevuisten winterman!

Staat op, gij oostersch zonnelicht,en schiet, bij volle grepen,uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdthet graf, daarin, genepen,de zomer zat: verrijzenistdes konings kind! te late al is ’t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,dat ’t wederklinkt alomme,den gorgel los, de vogel ende luidgekeelde blomme;de klepel zal de klokke slaanen kondigen den Koning aan.

12/4/’97.

GROENINGE’NS GROOTHEIDOFDE SLAG VAN DE GULDENE SPOORENIDaar zat, in ’t gers, een blommekenzoo liefelijk gedoken;het hadde geren, luide en lang,zijn eigen woord gesproken.De zonne zei: „Staat op, mijn kind,ontluikt uwe oogskens, welgezind,en lacht uw’ moeder tegen:noch wind en zal er schade u doen,noch hagelslag, noch regen!”’t Had wortels in den taaien grond,dat blommeken, verkoren;en ’t bloeide geren, vrij en blij,daar ’t weunde en was geboren;’t zou menig lente kommen zien,’t zou menig meidag omme zien,en menig najaar sterven,maar nooit en zou dat blommeken,ten gronde toe, bederven.De Leye liep erlangs, zoo zoet,zoo lavend, in heur loopen;De vogel kwam er drinken bij,en liederen verkoopen;de meiskes en de mannekens,de Grietjes en de Jannekens,ze kwamen en ze zagen—’t hietVlanderland!—dat blommekenzoo geren,... in die dagen!II’t Is oorloge in de locht en inde boomen;de wind berent de Leye, en doetze stroomente bergewaard. Den oest zal, ophet veld,de hagel slaan, en ’s hemels wildgeweld!’t Is hooimaand. In den meersch is manen vrouwe,den arrebeid, om God en land,getrouwe:eenieder, haastig, henenvimten vorkt....Naar huis! De donder dreunde daaral! Horkt!’t Is heet! De zonne duikt heur inde wolken.„Te wapen!” roept er een: „Waar zijnde dolken?De vijand is in ’t land! ’t Zij waarhij zit,bereidt den goedendag, en—elkin ’t lid!”IIIHet Vlaamsche heer staat immer pal,daar ’t winnen of daar ’t sterven zal:alhier, aldaar, aan lange lansen,de leeuwen dansen.De winden schudden, met geweld,de zwarte blomme in ’t geluw veld:de kwaden zien, beneên de transen,de leeuwen dansen.Met bezemen, zoo komen ze af,om ’t Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,dat ’t zweerd onweerd is, af te ransen.De leeuwen dansen!Hardop! Hardop! De trompe steekt:de boeien los, de banden breekt!Ten vijande in! Dat op z’n schansen,de leeuwen dansen!Sta vuist en voet de vane omtrent!En, gij, die God noch eere en kent,ruimt bane, eer, op uw veege bansen,de leeuwen dansen!IVDe peerdehoeven staan in ’t zand,bij duizenden, gedreven;geen hooi en is er meer in ’t land,geen haver schier gebleven:’t is al gestolen, al geweerd,voor vee en volk, voor man en peerd!Waar gaat gij, edel died, naartoe:gaan strijden op de heiden?gaan straffen, met de geeselroe,die u den vrede ontzeiden?„Geen heidenen,” zoo roepen ze al:„de Vlaming is ’t, die ’t boeten zal!”„Daar groeit en bloeit, te landewaardder Vlamingen, een blomme,die honing druipt, die boter baarten goud: daar gaan wij omme!’t Is munte slaan, dat wij gaan doen,terwijl de Vlaamsche bargen bloên!”o Sigis, van Majorken, gij,die koning zijt geboren,wat hebt gij, man van ’t zuiden, bijden noordeling verloren?Verliezen zult ge er... Winnen, neen,’t en zij, voor graf, nen tichelsteen!En Robbert, op uw ros, Morel,—pekzwart is het—gezeten,gij zult uw’ hoogen hals, in ’t spel,uw ros Morel vergeten:Jan Breydel zal, in ’t rietgevaân,ten tweeden male, u ridder slaan!Die heeren hunne rossen ’t staalnu stooten in de lenden:verjagen zullen ze, altemaal,en slaan die boersche benden!Harop! De storme is los, en ’t gaatom dood!—De goedendag slaat! slaat!VHarop! De goedendagslaat! slaat!Harop!Dengoeden slagslaat! slaat!Ruimt bane, eer, opuw’ vuile schansen,den doodendansde leeuwen dansen!Harop! Den goeden slagslaat! slaat!Harop! De goedendagslaat! slaat!Door hooge en leegeen liên en lansen,den zegedans, den zegedansde leeuwen dansen!Harop!Den—goeden—dag!De peerdehoeven staan in ’t zand,te Leyewaard gedreven;maar keerwijs om, naar ’t zuiderland,geen twee, geen een op zeven;ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:ze gingen al, ’t en keerde geen!VIOnze Vrouwe, onze Vrouwe,wij dragen ze u op,de spooren der schoone gevelden:de blinkende spooren,gevonden—harop!—op Groeninge’ns guldene velden.’t Zijn de guldene spoorenvan menigen man,die, gister nog, gekte, in zijn tale:„Wie is er zoo dappervan u, die mij kandoen ruimen de rompvaste zâle?”Hij verzuimde te keerenterug: in den meerschdaar blonken zijn’ dappere hielen;gebluscht was de woede, endaar lag, overdweers,het ros, op den ridder, te ontzielen.Onze Vrouwe, onze Vrouwe,de zege is aan ons:een riet heeft den reuze gedwongen:tot ’t einde der eeuwenvertelle nu ’t bronsvan „’t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!Keizer Boudewijn’s kerke is,van beuken, te nauw,om Groeninge’ns grootheid te hooren:te Kortrijk vereeuwigeeen beeldengebouwden slag van de Guldene spooren!”Kortrijk, 15/4 ’97.

Daar zat, in ’t gers, een blommekenzoo liefelijk gedoken;het hadde geren, luide en lang,zijn eigen woord gesproken.De zonne zei: „Staat op, mijn kind,ontluikt uwe oogskens, welgezind,en lacht uw’ moeder tegen:noch wind en zal er schade u doen,noch hagelslag, noch regen!”

’t Had wortels in den taaien grond,dat blommeken, verkoren;en ’t bloeide geren, vrij en blij,daar ’t weunde en was geboren;’t zou menig lente kommen zien,’t zou menig meidag omme zien,en menig najaar sterven,maar nooit en zou dat blommeken,ten gronde toe, bederven.

De Leye liep erlangs, zoo zoet,zoo lavend, in heur loopen;De vogel kwam er drinken bij,en liederen verkoopen;de meiskes en de mannekens,de Grietjes en de Jannekens,ze kwamen en ze zagen—’t hietVlanderland!—dat blommekenzoo geren,... in die dagen!

’t Is oorloge in de locht en inde boomen;de wind berent de Leye, en doetze stroomente bergewaard. Den oest zal, ophet veld,de hagel slaan, en ’s hemels wildgeweld!

’t Is hooimaand. In den meersch is manen vrouwe,den arrebeid, om God en land,getrouwe:eenieder, haastig, henenvimten vorkt....Naar huis! De donder dreunde daaral! Horkt!

’t Is heet! De zonne duikt heur inde wolken.„Te wapen!” roept er een: „Waar zijnde dolken?De vijand is in ’t land! ’t Zij waarhij zit,bereidt den goedendag, en—elkin ’t lid!”

Het Vlaamsche heer staat immer pal,daar ’t winnen of daar ’t sterven zal:alhier, aldaar, aan lange lansen,de leeuwen dansen.

De winden schudden, met geweld,de zwarte blomme in ’t geluw veld:de kwaden zien, beneên de transen,de leeuwen dansen.

Met bezemen, zoo komen ze af,om ’t Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,dat ’t zweerd onweerd is, af te ransen.De leeuwen dansen!

Hardop! Hardop! De trompe steekt:de boeien los, de banden breekt!Ten vijande in! Dat op z’n schansen,de leeuwen dansen!

Sta vuist en voet de vane omtrent!En, gij, die God noch eere en kent,ruimt bane, eer, op uw veege bansen,de leeuwen dansen!

De peerdehoeven staan in ’t zand,bij duizenden, gedreven;geen hooi en is er meer in ’t land,geen haver schier gebleven:’t is al gestolen, al geweerd,voor vee en volk, voor man en peerd!

Waar gaat gij, edel died, naartoe:gaan strijden op de heiden?gaan straffen, met de geeselroe,die u den vrede ontzeiden?„Geen heidenen,” zoo roepen ze al:„de Vlaming is ’t, die ’t boeten zal!”

„Daar groeit en bloeit, te landewaardder Vlamingen, een blomme,die honing druipt, die boter baarten goud: daar gaan wij omme!’t Is munte slaan, dat wij gaan doen,terwijl de Vlaamsche bargen bloên!”

o Sigis, van Majorken, gij,die koning zijt geboren,wat hebt gij, man van ’t zuiden, bijden noordeling verloren?Verliezen zult ge er... Winnen, neen,’t en zij, voor graf, nen tichelsteen!

En Robbert, op uw ros, Morel,—pekzwart is het—gezeten,gij zult uw’ hoogen hals, in ’t spel,uw ros Morel vergeten:Jan Breydel zal, in ’t rietgevaân,ten tweeden male, u ridder slaan!

Die heeren hunne rossen ’t staalnu stooten in de lenden:verjagen zullen ze, altemaal,en slaan die boersche benden!Harop! De storme is los, en ’t gaatom dood!—De goedendag slaat! slaat!

Harop! De goedendagslaat! slaat!Harop!Dengoeden slagslaat! slaat!

Ruimt bane, eer, opuw’ vuile schansen,den doodendansde leeuwen dansen!

Harop! Den goeden slagslaat! slaat!Harop! De goedendagslaat! slaat!

Door hooge en leegeen liên en lansen,den zegedans, den zegedansde leeuwen dansen!

Harop!Den—goeden—dag!

De peerdehoeven staan in ’t zand,te Leyewaard gedreven;maar keerwijs om, naar ’t zuiderland,geen twee, geen een op zeven;ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:ze gingen al, ’t en keerde geen!

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,wij dragen ze u op,de spooren der schoone gevelden:de blinkende spooren,gevonden—harop!—op Groeninge’ns guldene velden.

’t Zijn de guldene spoorenvan menigen man,die, gister nog, gekte, in zijn tale:„Wie is er zoo dappervan u, die mij kandoen ruimen de rompvaste zâle?”

Hij verzuimde te keerenterug: in den meerschdaar blonken zijn’ dappere hielen;gebluscht was de woede, endaar lag, overdweers,het ros, op den ridder, te ontzielen.

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,de zege is aan ons:een riet heeft den reuze gedwongen:tot ’t einde der eeuwenvertelle nu ’t bronsvan „’t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!

Keizer Boudewijn’s kerke is,van beuken, te nauw,om Groeninge’ns grootheid te hooren:te Kortrijk vereeuwigeeen beeldengebouwden slag van de Guldene spooren!”

Kortrijk, 15/4 ’97.

IN SPECULOHoe kan dit zijn,o Schepper van hierboven,dat ik U maaren zie als in een’ glans,als in een glaste zelden onbestovenvan doom en stof,en nooit geheel en gansch?Zoo Gij bestaat,en God zijt, moet het wezen,dat ik U zie:dat, zonder doek, entwaar,ik schouwen kanen, schouwende, in ’t nadezen,vanbij U zieen eeuwig op U staar!Hoe kan dat zijn:om niet en is gegeven,uit Uwe hand,het leefvermogen, datmij zuchten doeten zoeken, naar een levendat alle goed,in ’t zien van U, bevat!Daar komt toch eens,ten oosten uit, een dagen,een dageraad,eene eeuwigheid, die nietmeer weg en kannoch weder, noch vertragenhet zielgezuchtdat zoekt en niet en ziet.Mijne ooge zaleens vol U zien, en varenzoo ’t druppelkenin zee, dat is versmoord:zij zal U zien,verafgrond in de barender ziende zee,die bedde en heeft noch boord!Kortrijk, 16/4 ’97.

Hoe kan dit zijn,o Schepper van hierboven,dat ik U maaren zie als in een’ glans,als in een glaste zelden onbestovenvan doom en stof,en nooit geheel en gansch?

Zoo Gij bestaat,en God zijt, moet het wezen,dat ik U zie:dat, zonder doek, entwaar,ik schouwen kanen, schouwende, in ’t nadezen,vanbij U zieen eeuwig op U staar!

Hoe kan dat zijn:om niet en is gegeven,uit Uwe hand,het leefvermogen, datmij zuchten doeten zoeken, naar een levendat alle goed,in ’t zien van U, bevat!

Daar komt toch eens,ten oosten uit, een dagen,een dageraad,eene eeuwigheid, die nietmeer weg en kannoch weder, noch vertragenhet zielgezuchtdat zoekt en niet en ziet.

Mijne ooge zaleens vol U zien, en varenzoo ’t druppelkenin zee, dat is versmoord:zij zal U zien,verafgrond in de barender ziende zee,die bedde en heeft noch boord!

Kortrijk, 16/4 ’97.

TWIJFELZONNIGMaar twijfelzonnig lente en is ’t,de wind en wilt niet zoeten:’t geboren loof zijn moeder misten wachten zal ’t mij moeten,zoo lange er buien bovenslaan,om schielijk weer zijn gang te gaan.Zijn gang te gaan, in weide en bosch,in heesters en in hoven,begeert het, alle boeien losen alle buien boven;dan wilt het al vol zonne zijn,vol wellust en vol wonne zijn.Vol wonne zijn mijn herte zal,herlachen en herleven;voor winden noch voor ongevalvan bange buien beven.Och, lente, weest mij willekomen werkt uw edel werk weêrom!Uw edel werk zoo wille ik daneen liedeken vereeren,daar ’t vogelvolk niet aan en kan,en zingen ’t duizend keeren;maar al zoo lang ’t uw wonne mist,mijn herte, twijfelzonnig is ’t.Kortrijk, 18/4 1897.

Maar twijfelzonnig lente en is ’t,de wind en wilt niet zoeten:’t geboren loof zijn moeder misten wachten zal ’t mij moeten,zoo lange er buien bovenslaan,om schielijk weer zijn gang te gaan.

Zijn gang te gaan, in weide en bosch,in heesters en in hoven,begeert het, alle boeien losen alle buien boven;dan wilt het al vol zonne zijn,vol wellust en vol wonne zijn.

Vol wonne zijn mijn herte zal,herlachen en herleven;voor winden noch voor ongevalvan bange buien beven.Och, lente, weest mij willekomen werkt uw edel werk weêrom!

Uw edel werk zoo wille ik daneen liedeken vereeren,daar ’t vogelvolk niet aan en kan,en zingen ’t duizend keeren;maar al zoo lang ’t uw wonne mist,mijn herte, twijfelzonnig is ’t.

Kortrijk, 18/4 1897.

ENDAARMEÊAL’k En heb vandage, o levensbronne,geen eenen keer gezien u, zonne,’t en zij te noene, en bij geval,een witte plekke, en daarmeê al.Een witte plekke, in ’t grauw gesteken,der blind gedoekte hemelstreken:hoe is ’t dat ik u heeten zal?Een witte plekke, en daarmeê al!’t Is duister ommentomme en ’t levenvan ’s werelds ooge is uitgewreven,op, over mij en ’t aardsche dal,een witte plekke, en daarmeê al!En, krijge ik, nu dat Paaschen hier is,dat levenslustig mensche en miere is,voor oosterlied en lofgeschal,een witte plekke, en daarmeê al?Het deert mij zoo de zonne moetenzien uitgaan en goênavond groeten,mij dezen dag! O, al te smal:een witte plekke, en daarmeê al!Maar moet het zoo, heropgerezenlaat, morgen vroeg, uw aanschijn wezenmij zoete, o zonne, en liefgetal:geen witte plekke, en daarmeê al!19/4 1897

’k En heb vandage, o levensbronne,geen eenen keer gezien u, zonne,’t en zij te noene, en bij geval,een witte plekke, en daarmeê al.

Een witte plekke, in ’t grauw gesteken,der blind gedoekte hemelstreken:hoe is ’t dat ik u heeten zal?Een witte plekke, en daarmeê al!

’t Is duister ommentomme en ’t levenvan ’s werelds ooge is uitgewreven,op, over mij en ’t aardsche dal,een witte plekke, en daarmeê al!

En, krijge ik, nu dat Paaschen hier is,dat levenslustig mensche en miere is,voor oosterlied en lofgeschal,een witte plekke, en daarmeê al?

Het deert mij zoo de zonne moetenzien uitgaan en goênavond groeten,mij dezen dag! O, al te smal:een witte plekke, en daarmeê al!

Maar moet het zoo, heropgerezenlaat, morgen vroeg, uw aanschijn wezenmij zoete, o zonne, en liefgetal:geen witte plekke, en daarmeê al!

19/4 1897

JANTJEOp en neêr, in de elzentronken,neêr en op, gewiegewaagd,toutert Jantje, en, omgezonken,raakt de stam, die Jantje draagt,de aarde bijkans: op en nederrijst het weg en zinkt het weder.Op en neêr, in ’s levens wegen,Jantje, zal ’t bij beurten gaan;lief en leed zal, voor en tegen’t herte u en de schenen slaan:wiegewagen zult ge, en dansen,tusschen goê en kwade kansen.Breekt de tak, dan zie ’k u vallendiepe in ’t goor, beneên u daar;zwicht u, en bezien ze u allen,helpende u met handgebaar,om nog hooger op te schrijden,zwicht u, Jantje, en rust in tijden.21-22/4 1897.

Op en neêr, in de elzentronken,neêr en op, gewiegewaagd,toutert Jantje, en, omgezonken,raakt de stam, die Jantje draagt,de aarde bijkans: op en nederrijst het weg en zinkt het weder.

Op en neêr, in ’s levens wegen,Jantje, zal ’t bij beurten gaan;lief en leed zal, voor en tegen’t herte u en de schenen slaan:wiegewagen zult ge, en dansen,tusschen goê en kwade kansen.

Breekt de tak, dan zie ’k u vallendiepe in ’t goor, beneên u daar;zwicht u, en bezien ze u allen,helpende u met handgebaar,om nog hooger op te schrijden,zwicht u, Jantje, en rust in tijden.

21-22/4 1897.

ZWARTHoe zwart, hoe zwart is, ommentomme,dat zwellend hout in ’t boomenland;noch blad en leeft er nu, noch blomme,maar geilheid al en spon, dat spant:geliggen zal ’t en groene vlagen,van schoonheid en van schaduw, dragen.Hoe zwart, hoe zwart nu, allenthenen,hoe donkerbruin is ’t lindenhout,dat kenen wilt, dat is aan ’t kenen,tienduizendmaal tienduizendvoud!’t Zal, schier of morgen, groen bedijgendat zwart is nu, en blâren krijgen.Hoe zwart, hoe zwart! Onzwarter rijzende wolken zwart, in ’t luchtgebied;maar hemelsteen en hagelbijzenen werpen ons de boomen niet;één vlage zal ’t, eer lang nadezen,een’ storm van al dat groen is, wezen.Hoe zwart, hoe zwart is ’t, heind en verre,’t wijduitgestrekte boomenland;maar nauwlijks heeft de „middagsterre”des winters vaartuig afgebrandof seffens gaan, uit al hun’ knopen,de boomen en de blijdschap open.’t Zal regenen dan reuke, alomme,’t zal wierookwerk en honingdauw,van ieder blad, van ieder blomme,zoo, ’s heiligdags, in Gods gebouw,het volk ontvangt den hoogtijdszegen,in spaarsvat- en in wierookregen.29/4 1897.

Hoe zwart, hoe zwart is, ommentomme,dat zwellend hout in ’t boomenland;noch blad en leeft er nu, noch blomme,maar geilheid al en spon, dat spant:geliggen zal ’t en groene vlagen,van schoonheid en van schaduw, dragen.

Hoe zwart, hoe zwart nu, allenthenen,hoe donkerbruin is ’t lindenhout,dat kenen wilt, dat is aan ’t kenen,tienduizendmaal tienduizendvoud!’t Zal, schier of morgen, groen bedijgendat zwart is nu, en blâren krijgen.

Hoe zwart, hoe zwart! Onzwarter rijzende wolken zwart, in ’t luchtgebied;maar hemelsteen en hagelbijzenen werpen ons de boomen niet;één vlage zal ’t, eer lang nadezen,een’ storm van al dat groen is, wezen.

Hoe zwart, hoe zwart is ’t, heind en verre,’t wijduitgestrekte boomenland;maar nauwlijks heeft de „middagsterre”des winters vaartuig afgebrandof seffens gaan, uit al hun’ knopen,de boomen en de blijdschap open.

’t Zal regenen dan reuke, alomme,’t zal wierookwerk en honingdauw,van ieder blad, van ieder blomme,zoo, ’s heiligdags, in Gods gebouw,het volk ontvangt den hoogtijdszegen,in spaarsvat- en in wierookregen.

29/4 1897.

LOOFGEBOUWNoch groen en is noch geluw, datnog onvolworden lenteblad,terwijl April te Meie gaat,dat schielijk op de boomen staat.Men ziet erdeure als deur een glas,dat verwig is, en ’t loofgewas,zoo enkel en zoo ijdel inde lucht, is als een goudgespin.Een aksternest zit, boven opden achtkante, in den hoogen topdes hoogen booms gebouwd. Hij zaleer morgen hier is, groen zijn al.Nu zie ’k hem nog, die zwart en zwaarbewolkt de hooge toppen, daar;eer morgen hier is, heel, voortaan,zal nest en al in groen vergaan.Hoe heerlijk is mij altemaaldat onvolworden boomgepraal:elk houtgewas één wondernisvan boven tot beneden is!30/4 1897.

Noch groen en is noch geluw, datnog onvolworden lenteblad,terwijl April te Meie gaat,dat schielijk op de boomen staat.

Men ziet erdeure als deur een glas,dat verwig is, en ’t loofgewas,zoo enkel en zoo ijdel inde lucht, is als een goudgespin.

Een aksternest zit, boven opden achtkante, in den hoogen topdes hoogen booms gebouwd. Hij zaleer morgen hier is, groen zijn al.

Nu zie ’k hem nog, die zwart en zwaarbewolkt de hooge toppen, daar;eer morgen hier is, heel, voortaan,zal nest en al in groen vergaan.

Hoe heerlijk is mij altemaaldat onvolworden boomgepraal:elk houtgewas één wondernisvan boven tot beneden is!

30/4 1897.

SPREEUWEN„’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,recht den torre in van de kerke,daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”piept de spreeuwe, en anders niet.Maar wat is mij, scherpgebekte,zwart-halfgroen gevliggervlerkte,vage vogel, dan ’t bediedvan uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,in uw pierende oogskes, ietdat elk mensche niet en ziet?Zegt, of is ’t de zonne rijzen,dat gij ziet, is ’t buien bijzen;kwade wichten of kwa diedzitten ievers, diepe in ’t riet?„’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnendeze borst, mij iet beminnen,haten, willen, wenschen iet,blijdschap hebben en verdriet?„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delvendiepe in ’t diepste diep mijns zelvenen ontdekken daar ’t bediedvan uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”Een daar is, die aan de leeuwen’t leven gaf, en aan de spreeuwen,Een die, vrij van al ’t verdriet,hooge zit en verre ziet.Een... Hij zit in zijnen torre;zonder schaalje en zonder schorre;en, van ’t gene in mij geschiedt,Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”30/4 1897.

„’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,recht den torre in van de kerke,daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,zwart-halfgroen gevliggervlerkte,vage vogel, dan ’t bediedvan uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”

Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,in uw pierende oogskes, ietdat elk mensche niet en ziet?

Zegt, of is ’t de zonne rijzen,dat gij ziet, is ’t buien bijzen;kwade wichten of kwa diedzitten ievers, diepe in ’t riet?

„’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnendeze borst, mij iet beminnen,haten, willen, wenschen iet,blijdschap hebben en verdriet?

„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delvendiepe in ’t diepste diep mijns zelvenen ontdekken daar ’t bediedvan uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”

Een daar is, die aan de leeuwen’t leven gaf, en aan de spreeuwen,Een die, vrij van al ’t verdriet,hooge zit en verre ziet.

Een... Hij zit in zijnen torre;zonder schaalje en zonder schorre;en, van ’t gene in mij geschiedt,Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

30/4 1897.


Back to IndexNext