DUIVEN

DUIVENKlap-klap-klapm’n dertien duivenslaan hun vlerken, de eene op de aâr;klap-klap-klap,en henenschuivendoen ze van mijn dak, mij daar.Klap-klap-klapze spelevarenrinkelrooiende, altemaal;klap-klap-klapvan harentarenommentom, in éénen haal.Klap-klap-klapze zijn daar weder:hoort ge vlug hun vlerken slaan?Klap-klap-klapze vallen neder,beetende op mijn dak voortaan.Klap-klap-klapde veêren stuiven,want hun baaike, groef en fijn,klap-klap-klapm’n dertien duivenboetende in de zonne zijn.Kortrijk, 10/2 ’98.

Klap-klap-klapm’n dertien duivenslaan hun vlerken, de eene op de aâr;klap-klap-klap,en henenschuivendoen ze van mijn dak, mij daar.

Klap-klap-klapze spelevarenrinkelrooiende, altemaal;klap-klap-klapvan harentarenommentom, in éénen haal.

Klap-klap-klapze zijn daar weder:hoort ge vlug hun vlerken slaan?Klap-klap-klapze vallen neder,beetende op mijn dak voortaan.

Klap-klap-klapde veêren stuiven,want hun baaike, groef en fijn,klap-klap-klapm’n dertien duivenboetende in de zonne zijn.

Kortrijk, 10/2 ’98.

MUSSCHENDe musschen weêral, vrij en vrank,vergâren, en verzinnenhoe nog eens, naar den ouden gang,de lente gaat beginnen.’t En vriest niet meer, ’t en sneeuwt niet meer,’t en vliegen meer geen vlagen:’t wordt dageraad in ’t oosten eer,en langer zijn de dagen.De zonne—’n wordt, in ’t zonnelicht,de weide nog niet wakker,—goêmorgent, met heur mooi gezicht,den moedermilden akker.’t Zit ander verwe in ’t hout, voortaan;de botgebolde boomenniet langer meer zoo drooge en staante druilen en te droomen.Daar gaat entwat gebeuren; ’t isgeband en gebaar geworden,dat Leven en Verrijzeniszijn ’t graf weêr uitgetorden.De musschen hebben ’t nieuws ervanvernomen, en ze vliegen’t vermonden; geld noch goed en kandat musschenvolk bedriegen.Zoo,weêralzijn ze, vrij en vrank,de haantjes en de hinnen,aan ’t rinkevinken,luide en lang:de lente gaat beginnen!Kortrijk, 11-12/2 ’98.

De musschen weêral, vrij en vrank,vergâren, en verzinnenhoe nog eens, naar den ouden gang,de lente gaat beginnen.

’t En vriest niet meer, ’t en sneeuwt niet meer,’t en vliegen meer geen vlagen:’t wordt dageraad in ’t oosten eer,en langer zijn de dagen.

De zonne—’n wordt, in ’t zonnelicht,de weide nog niet wakker,—goêmorgent, met heur mooi gezicht,den moedermilden akker.

’t Zit ander verwe in ’t hout, voortaan;de botgebolde boomenniet langer meer zoo drooge en staante druilen en te droomen.

Daar gaat entwat gebeuren; ’t isgeband en gebaar geworden,dat Leven en Verrijzeniszijn ’t graf weêr uitgetorden.

De musschen hebben ’t nieuws ervanvernomen, en ze vliegen’t vermonden; geld noch goed en kandat musschenvolk bedriegen.

Zoo,weêralzijn ze, vrij en vrank,de haantjes en de hinnen,aan ’t rinkevinken,luide en lang:de lente gaat beginnen!

Kortrijk, 11-12/2 ’98.

DE DAGERAAD[1]In ’t blauwe van den hemel doekteen kleene, witte wolkede zonne mij;en ’t witte van die wolke en komtgeen vlekkelooze molke,geen wolle bij;geen witgewasschen wolle, nochgeen snee die, versch gevallen,te gronde ligt;zoo wit is, op de boorden vandie witte wolke, ’t brallenvan ’t zonnelicht.’k En kan ’t niet meer bezien bijkans,mijne oogen willen dolen;’t is vermiljoen,dat, zwart in mijnen boek gedrukt,zoo zwart is als de kolen,en ’t rood is groen.De Leye, die daar stille licht,het water in de beken,is rood voortaan:terwijl, van top tot tee’n mij alsvan ’t morgenrood ontstekende boomen staan.Het schemert hooge en leege nu,en diepe in ’s hemels gronden,vandage staat,beneên dien witten zonnedoek,in ’s middags hooge stonden,de dageraad!Kortrijk, 8-9/3 ’98.[1]Dit hier is een gedichtje op mijn ondervinden van ’t geen men, geloove ik,Couleurs complémentairesheet; dezwarteletters in mijn brevier waren schoonbloedrood; deroode, heldervert-de-gris; enz. gelijk in ’t gedicht’Het moet gelezen worden.lă lá lă lă—lă lá lă lă,lă lá—lă lá—lă lierelă lă lă lă.G. G.

In ’t blauwe van den hemel doekteen kleene, witte wolkede zonne mij;en ’t witte van die wolke en komtgeen vlekkelooze molke,geen wolle bij;

geen witgewasschen wolle, nochgeen snee die, versch gevallen,te gronde ligt;zoo wit is, op de boorden vandie witte wolke, ’t brallenvan ’t zonnelicht.

’k En kan ’t niet meer bezien bijkans,mijne oogen willen dolen;’t is vermiljoen,dat, zwart in mijnen boek gedrukt,zoo zwart is als de kolen,en ’t rood is groen.

De Leye, die daar stille licht,het water in de beken,is rood voortaan:terwijl, van top tot tee’n mij alsvan ’t morgenrood ontstekende boomen staan.

Het schemert hooge en leege nu,en diepe in ’s hemels gronden,vandage staat,beneên dien witten zonnedoek,in ’s middags hooge stonden,de dageraad!

Kortrijk, 8-9/3 ’98.

[1]Dit hier is een gedichtje op mijn ondervinden van ’t geen men, geloove ik,Couleurs complémentairesheet; dezwarteletters in mijn brevier waren schoonbloedrood; deroode, heldervert-de-gris; enz. gelijk in ’t gedicht’Het moet gelezen worden.lă lá lă lă—lă lá lă lă,lă lá—lă lá—lă lierelă lă lă lă.G. G.

[1]Dit hier is een gedichtje op mijn ondervinden van ’t geen men, geloove ik,Couleurs complémentairesheet; dezwarteletters in mijn brevier waren schoonbloedrood; deroode, heldervert-de-gris; enz. gelijk in ’t gedicht’

Het moet gelezen worden.

lă lá lă lă—lă lá lă lă,lă lá—lă lá—lă lierelă lă lă lă.

G. G.

NEVELDUISTERNISGegrauwdoekt is de grondder kimme en allenthenenvol damp en duisternis;de boomen, half verdwenen,half zichtbaar, hebben, daarze stille staan en stom,van wolkenweefsel elkeen grauwen tabbaard om.’t Hoogmorgent en, zoo ’t schijnt,’t en wilt geen dag meer dagen:daar moet iets ongesteldof los zijn aan den wagender zonnehingsten, datze in toom gehouden staanen, immer nippend, nooiteen schreê vooruit en gaan.De wereld mist den troostdier zoete zonnestralen,die alles leven doen,daar ooit zij nederdalen;die ’t schoone schoon doen endie ’t goede goed doen zijn:die God verbeelden inGods beeld, den zonneschijn.De wereld mist dat nu:ze treurt en, langs de lanen,daar ’t eenmaal blommen droopen druipen nu maar tranen;daar ’k eenmaal stemmen hoordeen vogelzang en zietmijne ooge onschoonheid maaren sprakeloos verdriet.Dat ’t schaduw nu nog wareen wolken daar de winden,zoo in een schapentropde honden, weg in vinden,en bleve een plekske vrij,dat blauw is, hier of daar!Och, neen, ’t is nevel, alomtrent me, en nevel, maar.O nevelduisternis,bij nachte zien mijne oogende duizend teekens nog,die ’t ommegaan vertoogendes sterrenhemels! Gij,o nevelduisternis,en toogt mij niets van aldaar hope of troost in is.’t Is meer als leed genoeg,en droefheid in mij, zonderuw droef afwezig zijn,o ’t weergalooste wondervan al dat wonder isin ’s werelds heerlijkheid!o Zonne, en zij mij nooitte lange uw licht ontzeid.Kortrijk, 17/3 ’98.

Gegrauwdoekt is de grondder kimme en allenthenenvol damp en duisternis;de boomen, half verdwenen,half zichtbaar, hebben, daarze stille staan en stom,van wolkenweefsel elkeen grauwen tabbaard om.

’t Hoogmorgent en, zoo ’t schijnt,’t en wilt geen dag meer dagen:daar moet iets ongesteldof los zijn aan den wagender zonnehingsten, datze in toom gehouden staanen, immer nippend, nooiteen schreê vooruit en gaan.

De wereld mist den troostdier zoete zonnestralen,die alles leven doen,daar ooit zij nederdalen;die ’t schoone schoon doen endie ’t goede goed doen zijn:die God verbeelden inGods beeld, den zonneschijn.

De wereld mist dat nu:ze treurt en, langs de lanen,daar ’t eenmaal blommen droopen druipen nu maar tranen;daar ’k eenmaal stemmen hoordeen vogelzang en zietmijne ooge onschoonheid maaren sprakeloos verdriet.

Dat ’t schaduw nu nog wareen wolken daar de winden,zoo in een schapentropde honden, weg in vinden,en bleve een plekske vrij,dat blauw is, hier of daar!Och, neen, ’t is nevel, alomtrent me, en nevel, maar.

O nevelduisternis,bij nachte zien mijne oogende duizend teekens nog,die ’t ommegaan vertoogendes sterrenhemels! Gij,o nevelduisternis,en toogt mij niets van aldaar hope of troost in is.

’t Is meer als leed genoeg,en droefheid in mij, zonderuw droef afwezig zijn,o ’t weergalooste wondervan al dat wonder isin ’s werelds heerlijkheid!o Zonne, en zij mij nooitte lange uw licht ontzeid.

Kortrijk, 17/3 ’98.

WINDTOCHT’t Is helderblauw, vandage,en warmer als twee dagenof drie geleên, de tochtdie ’k aseme is voortaanzoo licht en onbelaân,dat door mijn longen ikhem lustig late jagen.Hij loopt omtrent me heen,hij speelt me vóór de voeten;mijn haar omwentelt, enmijn kaken kust hij koel;in lijf en leên gevoelik weer den jongen dagden ouden dag verzoeten.Hoe raast die wilde windmijne ooren vol! Ze tuiten,ze tieren allerhandgeruchten in mij, rechteen stamerend gevechtvan stemmen is ’t, die ’k slaanen bermen hoore, buiten.Dan buige ik mij vooruiten wil de borst hem bieden;’k ga stevig, stap voor stap,en ’k leune, lijf sta bij;wie zalder, ik of gijnu zege halen, wind,of ’t zegeveld ontvlieden?Zoo wierd er vroeger, ’t ismij eeuwen lang geleden,door hem die „Israël”nadien voor name droeg,bij nachte en ’s morgens vroeg,op een die, na den strijd,hem zegen gaf, gestreden.Dan, laat mij zegen ook,uit uwen mond, verwachten,o sterke vechter, Wind,die, loopende achter ’t veld,mij schier omverrevelten worstelt tegen mij,en wijgt uit al uw krachten.Ik bidde u, zegent mij:niet eer en wilde ik wapenomleege leggen, uontwijkende, eer gij doetontwaken mij dat bloed,dat al te langen tijd,gerust heeft en geslapen.Kortrijk, 22/3 ’98.

’t Is helderblauw, vandage,en warmer als twee dagenof drie geleên, de tochtdie ’k aseme is voortaanzoo licht en onbelaân,dat door mijn longen ikhem lustig late jagen.

Hij loopt omtrent me heen,hij speelt me vóór de voeten;mijn haar omwentelt, enmijn kaken kust hij koel;in lijf en leên gevoelik weer den jongen dagden ouden dag verzoeten.

Hoe raast die wilde windmijne ooren vol! Ze tuiten,ze tieren allerhandgeruchten in mij, rechteen stamerend gevechtvan stemmen is ’t, die ’k slaanen bermen hoore, buiten.

Dan buige ik mij vooruiten wil de borst hem bieden;’k ga stevig, stap voor stap,en ’k leune, lijf sta bij;wie zalder, ik of gijnu zege halen, wind,of ’t zegeveld ontvlieden?

Zoo wierd er vroeger, ’t ismij eeuwen lang geleden,door hem die „Israël”nadien voor name droeg,bij nachte en ’s morgens vroeg,op een die, na den strijd,hem zegen gaf, gestreden.

Dan, laat mij zegen ook,uit uwen mond, verwachten,o sterke vechter, Wind,die, loopende achter ’t veld,mij schier omverrevelten worstelt tegen mij,en wijgt uit al uw krachten.

Ik bidde u, zegent mij:niet eer en wilde ik wapenomleege leggen, uontwijkende, eer gij doetontwaken mij dat bloed,dat al te langen tijd,gerust heeft en geslapen.

Kortrijk, 22/3 ’98.

AKSTERNESTENNog ijdel staan de boomen, inde blauwe lucht, en blarenen zie ’k ze hebben, meer als ofze dood en duister warenvoor goed nu. Lang is alles zwarten zonder zap gebleven,dat wijleneer zoo groene stondin ’t zoete zomerleven.’t Is zwart nu al, tot boven inde hooge abeelensprangen,daar zwarte en zware bonken invan aksternesten hangen.’t Zijn teekens in de lucht, en welbekende hemelbaken,dat wederom de zonne zitaan ’t lieve zomermaken.Toch bladerloos is al ’t geboomteen, verre heen in ’t westen,in ’t noorden, ’t zuiden, ’t oosten zie ’kalom vol aksternestende abeelen staan.—Verdappert uwbezoek en wilt de bronnedes aksterlevens duiken alin ’t groen, o lieve zonne!Moscroen, 27/4 ’98.

Nog ijdel staan de boomen, inde blauwe lucht, en blarenen zie ’k ze hebben, meer als ofze dood en duister warenvoor goed nu. Lang is alles zwarten zonder zap gebleven,dat wijleneer zoo groene stondin ’t zoete zomerleven.’t Is zwart nu al, tot boven inde hooge abeelensprangen,daar zwarte en zware bonken invan aksternesten hangen.’t Zijn teekens in de lucht, en welbekende hemelbaken,dat wederom de zonne zitaan ’t lieve zomermaken.Toch bladerloos is al ’t geboomteen, verre heen in ’t westen,in ’t noorden, ’t zuiden, ’t oosten zie ’kalom vol aksternestende abeelen staan.—Verdappert uwbezoek en wilt de bronnedes aksterlevens duiken alin ’t groen, o lieve zonne!

Moscroen, 27/4 ’98.

LENTEGROENHoe lief is, op het donkerblauwder zwangergaande wolken,die donderpijlen dreigen dra,het lieve lentegroen,daar schielijk, uit de zuiderluchtde middendaagsche dolkender zonne, ’et lustig meieviereen deuntje op dansen doen.’t Is groen, dat diepe in ’t blauwe bijt,zoo hel en zoo doorschijnend,of eerst het uit den regenbooggeboren ware; en blauw,dat dieper nog als hemelsch blauwdes avonds is, verdwijnendin ’t zwangergaande duister vande wolken, gram en grauw.De zonne loopt daar smijtende inheur middendaagsche dolken,die speiten zoo geweldig ophet lieve lentegroen,dat ’t pinkelt en dat ’t pierelt opde blauwheid van de wolken,die, zwangergaande, dreigen dranen donderdeun te doen.AanEug. De Lepeleer,4/5 ’98.

Hoe lief is, op het donkerblauwder zwangergaande wolken,die donderpijlen dreigen dra,het lieve lentegroen,daar schielijk, uit de zuiderluchtde middendaagsche dolkender zonne, ’et lustig meieviereen deuntje op dansen doen.

’t Is groen, dat diepe in ’t blauwe bijt,zoo hel en zoo doorschijnend,of eerst het uit den regenbooggeboren ware; en blauw,dat dieper nog als hemelsch blauwdes avonds is, verdwijnendin ’t zwangergaande duister vande wolken, gram en grauw.

De zonne loopt daar smijtende inheur middendaagsche dolken,die speiten zoo geweldig ophet lieve lentegroen,dat ’t pinkelt en dat ’t pierelt opde blauwheid van de wolken,die, zwangergaande, dreigen dranen donderdeun te doen.

AanEug. De Lepeleer,4/5 ’98.

VOORBIJVoorbij is, eer het woord voluitmijn tonge ontsnapt, het veêrgefluitdes vogels, die is verre en wijdvan hier, bijkans in géénen tijd.Voorbij, zoo vaart het stoomgetuigzijn vechtend vier- en vonkgespuig,de schenen langs, één stonde, en isverdwenen in de duisternis.Voorbij zoo loopt een schaduw langsde stappen meê mijns wandelgangs,dóór ’t onafmeetbaar veld, dat ikontgroenen zie van stik tot stik.Voorbij, zoo valt een striepken licht,een valsterre, over ’t aangezichtdes hemels, en ’k en zie daarvangeen speur, eer zesse ik tellen kan.Voorbij o God, u uitgespaard,gaat ’t al voorbij en tendenwaard,gaat al dat is of was voorbij:Gij zijt alleene en blijft God, Gij!Kortrijk—Brugge, 10/5/’98.

Voorbij is, eer het woord voluitmijn tonge ontsnapt, het veêrgefluitdes vogels, die is verre en wijdvan hier, bijkans in géénen tijd.

Voorbij, zoo vaart het stoomgetuigzijn vechtend vier- en vonkgespuig,de schenen langs, één stonde, en isverdwenen in de duisternis.

Voorbij zoo loopt een schaduw langsde stappen meê mijns wandelgangs,dóór ’t onafmeetbaar veld, dat ikontgroenen zie van stik tot stik.

Voorbij, zoo valt een striepken licht,een valsterre, over ’t aangezichtdes hemels, en ’k en zie daarvangeen speur, eer zesse ik tellen kan.

Voorbij o God, u uitgespaard,gaat ’t al voorbij en tendenwaard,gaat al dat is of was voorbij:Gij zijt alleene en blijft God, Gij!

Kortrijk—Brugge, 10/5/’98.

WIE IS ALS GOD[1]„Wie is als God!” zoo wierd het woord,in lang verleden tijden,omtrent den throon van God, gehoord,als Michaël ging strijden.„Wie is als God!” Hij won den slagen satans volk vernederd lag.Tusschenzang:De vane omhooge! en immer voort,die weerbaar is, gestreden!„Wie is als God!” weergalme ’t woorddes zegepraals, nog heden!De vijand wierd verwonnen, maarzijn hoogmoed niet gebroken;met lichaamsrampe en zielgevaarblijft satan ons bestoken;doch, stuive en storme ’t nog zoo fel,„Wie is als God!” roep Michaël.Tusschenzang:De vane....De wereld is een worstelperkvol vijandschap en veeten;geen winnen, of een wapenwerkvan dapperen mag ’t heeten:die weerbaar is den vrede haalt,Tusschenzang:De vane....Bewaart ons in den wijg, en doetons allen, die u eeren,tot tenden uit, met kloeken moedde slagen slaan des Heeren;bevrijdt ons van der kwaden dood,o Michaël, Gods engel groot!Tusschenzang:De vane....„Wie is als God!” zij ons geschreeuw,zoo ’t uwe was, voordezen;verwinnaar zal de vlaamsche leeuwdoor Michaël, nog wezen;staat, Engel Gods, zoo bidden wij,ons, lijdend, wijgend, stervend, bij!Tusschenzang:De vane....10/5 ’98.[1]Mi-cha-el:Quis ut Deus!

„Wie is als God!” zoo wierd het woord,in lang verleden tijden,omtrent den throon van God, gehoord,als Michaël ging strijden.„Wie is als God!” Hij won den slagen satans volk vernederd lag.

Tusschenzang:

De vane omhooge! en immer voort,die weerbaar is, gestreden!„Wie is als God!” weergalme ’t woorddes zegepraals, nog heden!

De vijand wierd verwonnen, maarzijn hoogmoed niet gebroken;met lichaamsrampe en zielgevaarblijft satan ons bestoken;doch, stuive en storme ’t nog zoo fel,„Wie is als God!” roep Michaël.

Tusschenzang:

De vane....

De wereld is een worstelperkvol vijandschap en veeten;geen winnen, of een wapenwerkvan dapperen mag ’t heeten:die weerbaar is den vrede haalt,

Tusschenzang:

De vane....

Bewaart ons in den wijg, en doetons allen, die u eeren,tot tenden uit, met kloeken moedde slagen slaan des Heeren;bevrijdt ons van der kwaden dood,o Michaël, Gods engel groot!

Tusschenzang:

De vane....

„Wie is als God!” zij ons geschreeuw,zoo ’t uwe was, voordezen;verwinnaar zal de vlaamsche leeuwdoor Michaël, nog wezen;staat, Engel Gods, zoo bidden wij,ons, lijdend, wijgend, stervend, bij!

Tusschenzang:

De vane....

10/5 ’98.

[1]Mi-cha-el:Quis ut Deus!

[1]Mi-cha-el:Quis ut Deus!

OCH WARE IK....Och, ware ik ongevoelig enmijn herte een steen bedegen,wanneer de boosheid bijten komtvan die mij toegenegenen dankbaar wezen moesten! ach!’t en is geen een verschenen,of was er een, hij verre wegvan hier is en verdwenen.’n Ware ik maar gevoelig alsik tranen zie en lijden,bereid om al dat doenlijk iste doen en hen te blijdendie, troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:u wille ik al mijn leven,bedanken!” Neen: beloven iseen ander ding als geven!Ach, weze dan mijn herte zoo’tvoor u, moet zijn, o Vader,die meer mij als ik immer mochtverdienen, altegaderontvangen liet; die vroolijk zijnmij doet, mijn herte pramend;en al te menig keeren mijneondankbaarheid beschamend!Kortrijk, 25/5 ’98.

Och, ware ik ongevoelig enmijn herte een steen bedegen,wanneer de boosheid bijten komtvan die mij toegenegenen dankbaar wezen moesten! ach!’t en is geen een verschenen,of was er een, hij verre wegvan hier is en verdwenen.

’n Ware ik maar gevoelig alsik tranen zie en lijden,bereid om al dat doenlijk iste doen en hen te blijdendie, troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:u wille ik al mijn leven,bedanken!” Neen: beloven iseen ander ding als geven!

Ach, weze dan mijn herte zoo’tvoor u, moet zijn, o Vader,die meer mij als ik immer mochtverdienen, altegaderontvangen liet; die vroolijk zijnmij doet, mijn herte pramend;en al te menig keeren mijneondankbaarheid beschamend!

Kortrijk, 25/5 ’98.

GETIJDEN.[1]VERNA.Lente zal ’t, eer lang na dezen,eeuwig, eeuwig lente wezen,blijve ik, Priester Gods gewijd.U getrouw, die eeuwig zijt.AESTIVA.Maakt alom, te zomertijde,’t zonneken de menschen blijde,hoe zal ’t, zonne Gods, mij gaan,als ik eens vóór u zal staan?AUTUMNALIS.Boomen, die geen ooft en schenkenzal ’t gegloei der helle krenken:God, verleent mij daaglijks, danwerk en eens den loon ervan!HIEMALIS.Koude, sneeuw- en hagelvlagen,looft den Heer, die, alle dagen,hoe ’t geweld der winden drijft,waakt in mij en wakker blijft.Cinxen, 1898.[1]Voor ’t Getijdenboek van den priester.

VERNA.

Lente zal ’t, eer lang na dezen,eeuwig, eeuwig lente wezen,blijve ik, Priester Gods gewijd.U getrouw, die eeuwig zijt.

AESTIVA.

Maakt alom, te zomertijde,’t zonneken de menschen blijde,hoe zal ’t, zonne Gods, mij gaan,als ik eens vóór u zal staan?

AUTUMNALIS.

Boomen, die geen ooft en schenkenzal ’t gegloei der helle krenken:God, verleent mij daaglijks, danwerk en eens den loon ervan!

HIEMALIS.

Koude, sneeuw- en hagelvlagen,looft den Heer, die, alle dagen,hoe ’t geweld der winden drijft,waakt in mij en wakker blijft.

Cinxen, 1898.

[1]Voor ’t Getijdenboek van den priester.

[1]Voor ’t Getijdenboek van den priester.

CINXEN’t Is stille, Cinxendag en, over ’t plekske vloers,van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,’t en zij, voorbij geschoven,een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nogzegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”’t Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,vervoere ik heel en al mijn innerwaardste wezen,tot vóór uw voeten, God, die uit het duister grafzijt heerlijk opgerezen;die in uw kerke rust en dáár, in ’t hoogste blauw,terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.O groote kerke Gods, o hemelwelven, daarhet minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,U in de sterren kan aanschouwen,groote God,zoo ver zijne oogen dragen,en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?Kortrijk, 29/5 ’98

’t Is stille, Cinxendag en, over ’t plekske vloers,van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,’t en zij, voorbij geschoven,een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nogzegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”

’t Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,vervoere ik heel en al mijn innerwaardste wezen,tot vóór uw voeten, God, die uit het duister grafzijt heerlijk opgerezen;die in uw kerke rust en dáár, in ’t hoogste blauw,terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

O groote kerke Gods, o hemelwelven, daarhet minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,U in de sterren kan aanschouwen,groote God,zoo ver zijne oogen dragen,en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

Kortrijk, 29/5 ’98

DUC NOS QUO TENDIMUS![1]Wilt ge een hof vol beukenboomen,zwarte en groene, als daken dicht,ondoorstroomd, de volle stroomenvangen zien van ’t zonnelicht;wilt ge een kermesse aan uwe oogengeven, ’k ga den weg u toogen.Wilt ge geurig gers gerieken,versch gezeisend; dóór de wee’nop en af de houten rieken,’t hooi zien dansen, al deureen,komt en laat, in ’t park getreden,vóór u gaan, of na, mij heden.Uit en in de schaduwsluipen,te over ’t hoofd in ’t donker groen,wilt ge heen- en wederkruipen,duikske-weg, u zoeken doen;wilt ge vrij van zorgen leven,komt, ik ga de keure u geven.Wilt ge, tien en twintig malendaags, het dampend reuzenroshooren zijnen asem halen,door end door den iepenbosch,slaande weg naar vreemde kustenkomt nabij dien berk wat rusten.Henen is ’t, en weêr een anderdrakendier de bane bijt,bachten ons: een binnenlanderis het nu, die henenrijdt!...Horkt hoe weêr de wielen ronken:’t davert tot in de elzentronken.Zich! Daar springt een haze! Och arme,laten moet hij noo’ den schat,dien hij, diepe in ’t hooi, in ’t warmewoekernest geborgen had:’t staat hem op den hals en stervenmoet hij of zijn jongskes derven.Groot van oogen, grauw van velle,lang van ooren, krom van been,zitten nu de lieve, snellejongskes op mijn hand getween,weteloos of, weggedreven,vader nog en moeder leven!Meermaals hoore ik menschen kouten,hoe verkeersels, wis en waar,hoe ze goede en kwa’ kaboutentegenkwamen, hier of daar:zijnder geesten hier, die dwalen,’s nachts, het zijn de nachtegalen.’t Doet: er komen goede geestenhier verkeeren, af en aan:lichaamlooze zielenleesten,uit het graf heropgestaan,daar ze, veel of luttel jarenvoortijds, in begraven waren.Hautscilt en de oude Eeckhoute-abtenkomen hier en doen alsofze elkeen met elkander klapten,stemmeloos, in ’t wandelhof,van ’t oud huiswerk, dat, voorheden,hier end daar, zij bouwen deden.’t Is al weg nu, zoo zij zelvenweg zijn: wijde en waterland,boomen zijn ’t nu, boschgewelven,gulzig gers en zuiver zand.Henen zij ze, en andere ontzieldenkomen, daar zij dagvaart hielden.Welby Pugin en, daarnevens,Jan Bethune, zijn gebroêr,die, den langen dag huns levens,trokken een en ’t zelve snoer,hoore ik nu, al zoetjes spreken,’t beeld van een gebouw uitsteken.„Dààr het ziedhuis, dààr het water,zus en zoo den trap gezet.’s Zomers, noord de slaapsteê; later,wordt het koud, alhier het bed.Tenden zij, om God te loven,nog een bidsteê bijgeschoven.”„Michaël zal ’t huis bewaken,met zijn zweerd. Wie is als God?”hoore ik in de samensprakenslaan van de edele twee; „en ’t slotzal Maria, zonder vlekkenmaagd, met heuren mantel dekken.”„Jan-Baptiste moet hier hebben,nacht en dag; zijne eere, wantzuiver water doet hij ebben,uit der aarde en over ’t land.Naast Maria moet, nadezen,Joseph hier gediend ook wezen.”„Donatiaan, met zeven lichten,ringsom, op een wiel gepint,zal de vijandschap doen zwichten,van die alles uitverzint,’s nachts, om in de terruwstruikenharik en vergif te duiken.”Weêrom zijn ze weg, verdwenen!Al met eenen keer, zoo staanhuis en hof mij daar verschenen:dag is ’t; en de hooiers gaanoveral, bij zware slagen,’t geurig gers omverrevagen.Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen?Dorst ik, in zijn eigen huis,dichten, bij den Bisschop, binnen?Neen! „Duc nos quò tendimus!”hadde ik liever zeggen moeten,neêrgeknield, aan ’s Leeraars voeten.Sint-Michiels, bij Brugge,29/6/’98.[1]Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge.

Wilt ge een hof vol beukenboomen,zwarte en groene, als daken dicht,ondoorstroomd, de volle stroomenvangen zien van ’t zonnelicht;wilt ge een kermesse aan uwe oogengeven, ’k ga den weg u toogen.

Wilt ge geurig gers gerieken,versch gezeisend; dóór de wee’nop en af de houten rieken,’t hooi zien dansen, al deureen,komt en laat, in ’t park getreden,vóór u gaan, of na, mij heden.

Uit en in de schaduwsluipen,te over ’t hoofd in ’t donker groen,wilt ge heen- en wederkruipen,duikske-weg, u zoeken doen;wilt ge vrij van zorgen leven,komt, ik ga de keure u geven.

Wilt ge, tien en twintig malendaags, het dampend reuzenroshooren zijnen asem halen,door end door den iepenbosch,slaande weg naar vreemde kustenkomt nabij dien berk wat rusten.

Henen is ’t, en weêr een anderdrakendier de bane bijt,bachten ons: een binnenlanderis het nu, die henenrijdt!...Horkt hoe weêr de wielen ronken:’t davert tot in de elzentronken.

Zich! Daar springt een haze! Och arme,laten moet hij noo’ den schat,dien hij, diepe in ’t hooi, in ’t warmewoekernest geborgen had:’t staat hem op den hals en stervenmoet hij of zijn jongskes derven.

Groot van oogen, grauw van velle,lang van ooren, krom van been,zitten nu de lieve, snellejongskes op mijn hand getween,weteloos of, weggedreven,vader nog en moeder leven!

Meermaals hoore ik menschen kouten,hoe verkeersels, wis en waar,hoe ze goede en kwa’ kaboutentegenkwamen, hier of daar:zijnder geesten hier, die dwalen,’s nachts, het zijn de nachtegalen.

’t Doet: er komen goede geestenhier verkeeren, af en aan:lichaamlooze zielenleesten,uit het graf heropgestaan,daar ze, veel of luttel jarenvoortijds, in begraven waren.

Hautscilt en de oude Eeckhoute-abtenkomen hier en doen alsofze elkeen met elkander klapten,stemmeloos, in ’t wandelhof,van ’t oud huiswerk, dat, voorheden,hier end daar, zij bouwen deden.

’t Is al weg nu, zoo zij zelvenweg zijn: wijde en waterland,boomen zijn ’t nu, boschgewelven,gulzig gers en zuiver zand.Henen zij ze, en andere ontzieldenkomen, daar zij dagvaart hielden.

Welby Pugin en, daarnevens,Jan Bethune, zijn gebroêr,die, den langen dag huns levens,trokken een en ’t zelve snoer,hoore ik nu, al zoetjes spreken,’t beeld van een gebouw uitsteken.

„Dààr het ziedhuis, dààr het water,zus en zoo den trap gezet.’s Zomers, noord de slaapsteê; later,wordt het koud, alhier het bed.Tenden zij, om God te loven,nog een bidsteê bijgeschoven.”

„Michaël zal ’t huis bewaken,met zijn zweerd. Wie is als God?”hoore ik in de samensprakenslaan van de edele twee; „en ’t slotzal Maria, zonder vlekkenmaagd, met heuren mantel dekken.”

„Jan-Baptiste moet hier hebben,nacht en dag; zijne eere, wantzuiver water doet hij ebben,uit der aarde en over ’t land.Naast Maria moet, nadezen,Joseph hier gediend ook wezen.”

„Donatiaan, met zeven lichten,ringsom, op een wiel gepint,zal de vijandschap doen zwichten,van die alles uitverzint,’s nachts, om in de terruwstruikenharik en vergif te duiken.”

Weêrom zijn ze weg, verdwenen!Al met eenen keer, zoo staanhuis en hof mij daar verschenen:dag is ’t; en de hooiers gaanoveral, bij zware slagen,’t geurig gers omverrevagen.

Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen?Dorst ik, in zijn eigen huis,dichten, bij den Bisschop, binnen?Neen! „Duc nos quò tendimus!”hadde ik liever zeggen moeten,neêrgeknield, aan ’s Leeraars voeten.

Sint-Michiels, bij Brugge,29/6/’98.

[1]Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge.

[1]Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge.

IN ’T RIETGedoken half, in ’t riet,half zichtbaar, in de rieten,aanschouwt de koeien mij,die, versch uit hunne slietenen vaste veters, nuop vrije voeten gaanen, gaande, ’s morgens vroeghun lange steerten slaan.Omhooge heffen zijhun hoofd en doen de stalenvan ’t omgebogen riethun tongen nederhalente mondewaards; de zwakke,ontgroende staven rietmen rijzen toppeloos,en weerom rechte ziet.Ze stampen dat het kraakt,en ’t water van benedenhun voeten, spettert open speit hen om de leden;de koeier djakt zijn djakkeen, djakkend, rechtevoorthij koeiers overalhem tegendjakken hoort.De dazen zijn daar aanen bij, bij bijzen wevenzij, rings om elke koe,hun’ zidderende schreven;ze zuipen zuiver bloed,bij volle zeupen, uitde malsche bronnen vande diepe koeienhuid.Vaart henen, zonne, weêrten avondwaard: de koeienen kunnen ’t herden nochgedragen meer; ze loeienom vrij te zijn van ’t zog,dat hun den uier spant;om vrij te zijn van ’t vierdat hun de balgen brandt.„Naar huis, allei—alla!”Zoo luidt het en, geladenmet de ongevalschte gifthuns overvloeds, zoo wadende koeien uit het rieten uit den meersch, verbeid,weêrom te stallewaardsen in de stilligheid.Zillebeke, 27/9 ’98.

Gedoken half, in ’t riet,half zichtbaar, in de rieten,aanschouwt de koeien mij,die, versch uit hunne slietenen vaste veters, nuop vrije voeten gaanen, gaande, ’s morgens vroeghun lange steerten slaan.

Omhooge heffen zijhun hoofd en doen de stalenvan ’t omgebogen riethun tongen nederhalente mondewaards; de zwakke,ontgroende staven rietmen rijzen toppeloos,en weerom rechte ziet.

Ze stampen dat het kraakt,en ’t water van benedenhun voeten, spettert open speit hen om de leden;de koeier djakt zijn djakkeen, djakkend, rechtevoorthij koeiers overalhem tegendjakken hoort.

De dazen zijn daar aanen bij, bij bijzen wevenzij, rings om elke koe,hun’ zidderende schreven;ze zuipen zuiver bloed,bij volle zeupen, uitde malsche bronnen vande diepe koeienhuid.

Vaart henen, zonne, weêrten avondwaard: de koeienen kunnen ’t herden nochgedragen meer; ze loeienom vrij te zijn van ’t zog,dat hun den uier spant;om vrij te zijn van ’t vierdat hun de balgen brandt.

„Naar huis, allei—alla!”Zoo luidt het en, geladenmet de ongevalschte gifthuns overvloeds, zoo wadende koeien uit het rieten uit den meersch, verbeid,weêrom te stallewaardsen in de stilligheid.

Zillebeke, 27/9 ’98.

SORBUS AUCUPARIA. L.Nen zwicht van bloeroo bezekens,de weêrga van coraal,zie ’k hooge, op de averesschen staan,en blinken altemaal;de najaarszonne vonkelt opdien ongetelden pereldrop.De blaren zijn al afgewaaiden ’t hout is, heel ontkleed,met honderdduizend beierkensbehangen, wijd en breed.„En hoe, o lustig lijsterdiet,en plukt ge mij die perels niet?”—„Gij draagt misschien een roer, dat onshet leven rooven moet;of peerdshaar hebt gij meêgebracht,bestemd voor onzen voet?Verlaat ons, want we leven, wij,van al dat man of maag is, vrij!”—„Sa, merel, lijster, kwalster, aldat averesschenooftveroorbaart, hier! en dapper unen vollen buik geroofd:geen mensche en ziet u, rep noch zegen hoore ik meer, ’t gevaar is weg!”’t Is menig, menig vogel zatgaan slapen en voortaan,de zonne is, in den oosten, ende dag weer opgestaan:geene averessche, of, ongeminkt,hij nog vol bloeroo bezen blinkt.En avereschhout staat er, metde macht, dat, ongekrankt,vol bezen, tusschen ’t ander hout,en boven ’t ander, hangt;maar wie die al de perels vandie trotsche toppen tellen kan?Tot Iper, op de „werken”, staatdit wonder, ongekend;en menig weet zooveel daarvanof waar hij stekeblend:dat schoone is, en geen bate en bringt,is goed voor—een die liedtjes zingt.Zillebeke, 2/10 ’98.

Nen zwicht van bloeroo bezekens,de weêrga van coraal,zie ’k hooge, op de averesschen staan,en blinken altemaal;de najaarszonne vonkelt opdien ongetelden pereldrop.

De blaren zijn al afgewaaiden ’t hout is, heel ontkleed,met honderdduizend beierkensbehangen, wijd en breed.„En hoe, o lustig lijsterdiet,en plukt ge mij die perels niet?”

—„Gij draagt misschien een roer, dat onshet leven rooven moet;of peerdshaar hebt gij meêgebracht,bestemd voor onzen voet?Verlaat ons, want we leven, wij,van al dat man of maag is, vrij!”—

„Sa, merel, lijster, kwalster, aldat averesschenooftveroorbaart, hier! en dapper unen vollen buik geroofd:geen mensche en ziet u, rep noch zegen hoore ik meer, ’t gevaar is weg!”

’t Is menig, menig vogel zatgaan slapen en voortaan,de zonne is, in den oosten, ende dag weer opgestaan:geene averessche, of, ongeminkt,hij nog vol bloeroo bezen blinkt.

En avereschhout staat er, metde macht, dat, ongekrankt,vol bezen, tusschen ’t ander hout,en boven ’t ander, hangt;maar wie die al de perels vandie trotsche toppen tellen kan?

Tot Iper, op de „werken”, staatdit wonder, ongekend;en menig weet zooveel daarvanof waar hij stekeblend:dat schoone is, en geen bate en bringt,is goed voor—een die liedtjes zingt.

Zillebeke, 2/10 ’98.

...AAN DEN LINDEBOOMO! wat schoon, wat bolgekruindenlindeboom,van verre ik staan zie, blinkende in denmorgendoom!Heel is hij gewelkerd al enduizendvoudvan verwen, langzaam afgesletenguldengoud.Dag en schijnt er op nog noenschezonneglans:’t is vochtig en de hemelkomme isduister gansch.Doch, ik zie mij, zonnewijs in’t nedergaan,die najaarsche, ei, die bolgekruindelinde staan.Ringsom rijzen hooge en groote,zwart en zwaargetakte boomen, naast die lievelinde daar.Diepe schaduw schieten ze en eendonker groengewelf zij om het wezen van dielinde doen.Weest gegroet mij, nauwlijks uit denmorgendoomerkenbaar Lieve-Vrouwken, aan denlindeboom!Sente, 29/10 ’98.

O! wat schoon, wat bolgekruindenlindeboom,van verre ik staan zie, blinkende in denmorgendoom!

Heel is hij gewelkerd al enduizendvoudvan verwen, langzaam afgesletenguldengoud.

Dag en schijnt er op nog noenschezonneglans:’t is vochtig en de hemelkomme isduister gansch.

Doch, ik zie mij, zonnewijs in’t nedergaan,die najaarsche, ei, die bolgekruindelinde staan.

Ringsom rijzen hooge en groote,zwart en zwaargetakte boomen, naast die lievelinde daar.

Diepe schaduw schieten ze en eendonker groengewelf zij om het wezen van dielinde doen.

Weest gegroet mij, nauwlijks uit denmorgendoomerkenbaar Lieve-Vrouwken, aan denlindeboom!

Sente, 29/10 ’98.


Back to IndexNext