The Project Gutenberg eBook ofLaatste verzenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Laatste verzenAuthor: Guido GezelleRelease date: December 12, 2008 [eBook #27512]Language: DutchCredits: E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser, and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LAATSTE VERZEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Laatste verzenAuthor: Guido GezelleRelease date: December 12, 2008 [eBook #27512]Language: DutchCredits: E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser, and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
Title: Laatste verzen
Author: Guido Gezelle
Author: Guido Gezelle
Release date: December 12, 2008 [eBook #27512]
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser, and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LAATSTE VERZEN ***
E-text prepared by Anna Tuinman, Eline Visser,and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team(http://www.pgdp.net)
Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Daarnaast zijn inspringingfouten ook gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne oranje stippellijn, waarbij via een zwevende pop-up de inspringing in de Brontekst wordt weergegeven.
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Daarnaast zijn inspringingfouten ook gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne oranje stippellijn, waarbij via een zwevende pop-up de inspringing in de Brontekst wordt weergegeven.
LAATSTE VERZENIn deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:I.DICHTOEFENINGEN.II.KERKHOFBLOMMEN.III.GEDICHTEN, GEZANGEN, GEBEDEN EN KLEENGEDICHTJES.IV.LIEDEREN, EERDICHTEN ET RELIQUA.V/VI.TIJDKRANS.VII/VIII.RIJMSNOER.IX.HIAWADHA’S LIED.X.LAATSTE VERZEN.Apart verscheen:VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.GEDICHTEN, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.BLOEMLEZING, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.MOTTO-ALBUM, met versieringen vanJ. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.GUIDO GEZELLE’S DICHTWERKENLAATSTE VERZENVIJFDE DRUKL.J.V. LABOR-INTEGER-VINCIT MDCCCXXCVIIL. J. VEEN—AMSTERDAM1913BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN
In deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:I.DICHTOEFENINGEN.II.KERKHOFBLOMMEN.III.GEDICHTEN, GEZANGEN, GEBEDEN EN KLEENGEDICHTJES.IV.LIEDEREN, EERDICHTEN ET RELIQUA.V/VI.TIJDKRANS.VII/VIII.RIJMSNOER.IX.HIAWADHA’S LIED.X.LAATSTE VERZEN.Apart verscheen:VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.GEDICHTEN, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.BLOEMLEZING, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.MOTTO-ALBUM, met versieringen vanJ. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.
In deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:
Apart verscheen:
VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.
GEDICHTEN, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.
BLOEMLEZING, samengesteld door Dr.J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.
MOTTO-ALBUM, met versieringen vanJ. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.
KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.
LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.
VIJFDE DRUK
L.J.V. LABOR-INTEGER-VINCIT MDCCCXXCVII
L. J. VEEN—AMSTERDAM1913
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN
’T ER VIEL ’NE KEER(Herinnering aan Beethoven’s Septuor.)’t Er viel ’ne keer een bladtjen ophet water’t Er lag ’ne keer een bladtjen ophet waterEn vloeien op het bladtje deidat waterEn vloeien dei het bladtjen ophet waterEn wentel-winkelwentelenin ’t waterWant ’t bladtjen was geworden lijkhet waterZoo plooibaar en zoo vloeibaar alshet waterZoo lijzig en zoo lustig alshet waterZoo rap was ’t en gezwindig alshet waterZoo rompelend en zoo rimpelendals waterZoo lag ’t gevallen bladtjen ophet waterEn m’ ha’ gezeid het bladtjen ende’et water’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-der waterMaar water was het bladtje en ’t blad-tje waterEn ’t viel ne keer een bladtjen ophet waterAls ’t water liep het bladtje liep,als ’t waterBleef staan het bladtje stond daar ophet waterEn rees het water ’t bladtje reesen ’t waterEn daalde niet of ’t bladtje daaldeen ’t waterEn dei niet of het bladtje dei ’tin ’t water.Zoo viel der eens een bladtjen ophet waterEn blauw was ’t aan den hemel end’in ’t waterEn blauw en blank en groene blonkhet waterEn ’t blaadtjen loech en lachen deidat waterMaar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neenen ’t waterEn was nie’ meer als ’t bladtjen ookgeen waterMijn ziele was dat bladtjen; endat waterHet klinken van twee harpen wa’dat waterEn blinkend in de blauwte en indat waterZoo lag ik in den Hemel vandat waterDen blauwen blijden Hemel vandat waterEn ’t viel ne keer een bladtjen ophet waterEn ’t lag ne keer een bladtjen ophet water.Roux St. Leo, 1859.
’t Er viel ’ne keer een bladtjen ophet water’t Er lag ’ne keer een bladtjen ophet waterEn vloeien op het bladtje deidat waterEn vloeien dei het bladtjen ophet waterEn wentel-winkelwentelenin ’t waterWant ’t bladtjen was geworden lijkhet waterZoo plooibaar en zoo vloeibaar alshet waterZoo lijzig en zoo lustig alshet waterZoo rap was ’t en gezwindig alshet waterZoo rompelend en zoo rimpelendals waterZoo lag ’t gevallen bladtjen ophet waterEn m’ ha’ gezeid het bladtjen ende’et water’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-der waterMaar water was het bladtje en ’t blad-tje waterEn ’t viel ne keer een bladtjen ophet waterAls ’t water liep het bladtje liep,als ’t waterBleef staan het bladtje stond daar ophet waterEn rees het water ’t bladtje reesen ’t waterEn daalde niet of ’t bladtje daaldeen ’t waterEn dei niet of het bladtje dei ’tin ’t water.Zoo viel der eens een bladtjen ophet waterEn blauw was ’t aan den hemel end’in ’t waterEn blauw en blank en groene blonkhet waterEn ’t blaadtjen loech en lachen deidat waterMaar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neenen ’t waterEn was nie’ meer als ’t bladtjen ookgeen waterMijn ziele was dat bladtjen; endat waterHet klinken van twee harpen wa’dat waterEn blinkend in de blauwte en indat waterZoo lag ik in den Hemel vandat waterDen blauwen blijden Hemel vandat waterEn ’t viel ne keer een bladtjen ophet waterEn ’t lag ne keer een bladtjen ophet water.
Roux St. Leo, 1859.
ONBEVLEKTE VROUWEo Altijd onbevlekte Vrouwe,ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,zoo lang mij in dit tranendal,verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,den waren weg en is gevonden,o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.Hoe menigmaal was, in dit leven,mijn ziele eilaas den vrede kwijt,omdat ik, ver van u gebleven,me in ’s werelds weelden had verblijd;’t was alles valsch, dat zij beloofden,en, om hun’ schoon gepinte hoofden,vol leugens blonk het, vol bedrog;verfoeide pracht van die u haten,Maria, ’k wil nu alles laten,op U alleen betrouwe ik nog!o Altijd.... enz.De booze vijand kwam mij tergenen, ringsom mij, zoo spookten felgedaanten, vrij zoo hoog als bergenen wangedrochten uit de hel;ik zou vergaan, ik zou verzinken,ik zou den diepsten grond uitdrinkendes bekers die de ziel vergeeft,had ik tot U, o altijd goede,mij niet gewend; die, nimmer moede,nog helpt die U geloochend heeft.o Altijd....Niet vrij eilaas, die ’s werelds lusten,die ’s vijands wulpsch geweld ontvliedt,en is hij; nooit en zal hij rusten,verwint hij erger vijand niet;ik ben mijn ergste vijand zelve,hoe dieper ik mijn hart doordelve,hoe meer ik vinde dat, onvrijvan alle kwaad, ik ga ten grondein eenen poel van rampe en zondeach, onbevlekte, bidt voor mij!o Altijd.... enz.20/12 1880.
o Altijd onbevlekte Vrouwe,ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,zoo lang mij in dit tranendal,verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,den waren weg en is gevonden,o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.
Hoe menigmaal was, in dit leven,mijn ziele eilaas den vrede kwijt,omdat ik, ver van u gebleven,me in ’s werelds weelden had verblijd;’t was alles valsch, dat zij beloofden,en, om hun’ schoon gepinte hoofden,vol leugens blonk het, vol bedrog;verfoeide pracht van die u haten,Maria, ’k wil nu alles laten,op U alleen betrouwe ik nog!o Altijd.... enz.
De booze vijand kwam mij tergenen, ringsom mij, zoo spookten felgedaanten, vrij zoo hoog als bergenen wangedrochten uit de hel;ik zou vergaan, ik zou verzinken,ik zou den diepsten grond uitdrinkendes bekers die de ziel vergeeft,had ik tot U, o altijd goede,mij niet gewend; die, nimmer moede,nog helpt die U geloochend heeft.o Altijd....
Niet vrij eilaas, die ’s werelds lusten,die ’s vijands wulpsch geweld ontvliedt,en is hij; nooit en zal hij rusten,verwint hij erger vijand niet;ik ben mijn ergste vijand zelve,hoe dieper ik mijn hart doordelve,hoe meer ik vinde dat, onvrijvan alle kwaad, ik ga ten grondein eenen poel van rampe en zondeach, onbevlekte, bidt voor mij!o Altijd.... enz.
20/12 1880.
MIJMERINGE... Priez,Priez pour ces hommes qui chantentV. Hugo.Geleefd! roepen ze:’t is zoo vroeg te sterven;gefooid! eer de doodkomt ons al bederven.Gedanst op de blomme:ons behoort heur glansen!—Geweend! zoo zeggen zij,om die lachend dansen!Gebeên, roepen ze,gij, vroeden, uw gebeden;de beker is onsbron van zaligheden!De teuge en ’t gezangverzoeten alle pijn.—Gebeên! zoo zeggen zij,voor al die zingend zijn.Waarom, roepen ze,’t roosken niet gebroken?Het schoonste, is het niettot ’s konings lust ontloken?Geen koning die biddeof bedele om een vrouw—gediend, zoo zeggen zij,die ’t toekomt, immer trouw!Geleefd roepen ze,want de dagen spoeien.—Geweend! zoo zeggen zij:’t is troost daar tranen vloeien.—’t Is valsch, roepen ze,dat ’t minnen ooit kon geven!—Gemind! zoo zeggen zij:daar liefde is, daar is leven!De waarheid, is zij nu bij hem die ’s herten kwalenverdrinkt en, bij ’t genot des vollen bekers,de liefde gekheid scheldt;ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,in leesbaar schrift gesteld!Oostermaand 1846.D. Joaquim Rubió y Ors.Guldemaand 1889.Guido Gezelle.
... Priez,Priez pour ces hommes qui chantentV. Hugo.
Geleefd! roepen ze:’t is zoo vroeg te sterven;gefooid! eer de doodkomt ons al bederven.Gedanst op de blomme:ons behoort heur glansen!—Geweend! zoo zeggen zij,om die lachend dansen!
Gebeên, roepen ze,gij, vroeden, uw gebeden;de beker is onsbron van zaligheden!De teuge en ’t gezangverzoeten alle pijn.—Gebeên! zoo zeggen zij,voor al die zingend zijn.
Waarom, roepen ze,’t roosken niet gebroken?Het schoonste, is het niettot ’s konings lust ontloken?Geen koning die biddeof bedele om een vrouw—gediend, zoo zeggen zij,die ’t toekomt, immer trouw!
Geleefd roepen ze,want de dagen spoeien.—Geweend! zoo zeggen zij:’t is troost daar tranen vloeien.—’t Is valsch, roepen ze,dat ’t minnen ooit kon geven!—Gemind! zoo zeggen zij:daar liefde is, daar is leven!
De waarheid, is zij nu bij hem die ’s herten kwalenverdrinkt en, bij ’t genot des vollen bekers,de liefde gekheid scheldt;ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,in leesbaar schrift gesteld!
Oostermaand 1846.D. Joaquim Rubió y Ors.Guldemaand 1889.Guido Gezelle.
MOEDERKEN’t En is van uhiernederwaard,geschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,’t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.o Moge ik, uonweerdig, nooitdie beeltenisbederven,maar eerzaam laatze leven inmij, eerzaam inmij sterven.Kortrijk, 4/5 1891.
’t En is van uhiernederwaard,geschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.
Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,’t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.
o Moge ik, uonweerdig, nooitdie beeltenisbederven,maar eerzaam laatze leven inmij, eerzaam inmij sterven.
Kortrijk, 4/5 1891.
SINT JANS VIERMen maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.Nu zit de zonnehooge in den hemelstoelnu zit de zonnehooge overal.Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!Vliegende vlamme,vlerke van ’t zonnewiel,vliegende vlamme,vlucht in den hoop!Ziet, hoe de vlamme bijt;ziet, hoe heur tonge laait;ziet, hoe de vlamme bijt,binnen in ’t hout!Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!Danst nu den zomerdans,danst deur de vlammen heen:danst nu den zomerdans,gij, gasten, te gaâr!Haalt hout en helpt onshoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!Laat ons een liêken,dansend den zomerdans,laat ons een liêkenzingen daartoe!Zoo zal, eer ’t avond wordt,leutig ons zomerviersperken en sparken, om-hooge ten hemel slaan,en leve Sint Janhoe langerhoe liever,hoe langerhoe liever,ja, leve Sint Jan!Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!Ziet hoe de sterren,diepe in den hemel daar,lonken en linkennaar ons gedans!Stokken en sterren,heerdvier en hemelvier,herten die jong zijt,al ondereen;eer wij gaan slapen,nog eens geroepen nu:Leve Sint Jan!Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!Kortrijk, Febr. 1894.
Men maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.
Men maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.
Nu zit de zonnehooge in den hemelstoelnu zit de zonnehooge overal.
Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!
Vliegende vlamme,vlerke van ’t zonnewiel,vliegende vlamme,vlucht in den hoop!
Ziet, hoe de vlamme bijt;ziet, hoe heur tonge laait;ziet, hoe de vlamme bijt,binnen in ’t hout!
Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!
Danst nu den zomerdans,danst deur de vlammen heen:danst nu den zomerdans,gij, gasten, te gaâr!
Haalt hout en helpt onshoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!
Laat ons een liêken,dansend den zomerdans,laat ons een liêkenzingen daartoe!
Zoo zal, eer ’t avond wordt,leutig ons zomerviersperken en sparken, om-hooge ten hemel slaan,en leve Sint Janhoe langerhoe liever,hoe langerhoe liever,ja, leve Sint Jan!
Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!
Ziet hoe de sterren,diepe in den hemel daar,lonken en linkennaar ons gedans!Stokken en sterren,heerdvier en hemelvier,herten die jong zijt,al ondereen;eer wij gaan slapen,nog eens geroepen nu:Leve Sint Jan!
Haalt hout en helpt ons,hoopt het te gare alhier;haalt hout en helpt onsmede, altemaal!
Kortrijk, Febr. 1894.
BAST VAN MURWE WIJNGAARDBEZENBast van murwe wijngaardbezenkan alleen de weêrga wezenvan de zachte en zuivere handdie mijn hert, heeft overmand.Straffe mocht en boete hij vergen,neen hij wou mijn boosheid bergen,mijn verwaandheid, ongeboet,in zijn dierbaar blusschend bloed.Hebbe dan mijn herte en houdt’ Hij ’t,duizendmaal vermenigvoud Hij ’tin Zijn liefde en laat’ Hij ’t mijn....neen, voor eeuwig ’t Zijne zijn!Kortrijk, 5/2 1894.
Bast van murwe wijngaardbezenkan alleen de weêrga wezenvan de zachte en zuivere handdie mijn hert, heeft overmand.
Straffe mocht en boete hij vergen,neen hij wou mijn boosheid bergen,mijn verwaandheid, ongeboet,in zijn dierbaar blusschend bloed.
Hebbe dan mijn herte en houdt’ Hij ’t,duizendmaal vermenigvoud Hij ’tin Zijn liefde en laat’ Hij ’t mijn....neen, voor eeuwig ’t Zijne zijn!
Kortrijk, 5/2 1894.
PERELSNog eer de blâren schieten,in ’t hofbeluik,hoe geren zie ’k uw’ sprieten,o perenstruik;hoe geren zie ’k uw takken,vol blommen staan,vol perels, al in pakkeneer ze opengaan!En mochte ik maar, zoo even,door Gods beschik,u, peretakken gevennen toovertik;’t en zou geen pere krommenuw hout, voortaan:veel liever zie ’k de blommen,eer ze opengaan.’k Zie geren, in de hoven,uw’ peren groot,de zonne zitten stoven,al rijp en rood;maar ’k zie wel nog zoo gerenuw blommen staan,de perels van de peren,eer ze opengaan.17/4 1894.
Nog eer de blâren schieten,in ’t hofbeluik,hoe geren zie ’k uw’ sprieten,o perenstruik;hoe geren zie ’k uw takken,vol blommen staan,vol perels, al in pakkeneer ze opengaan!
En mochte ik maar, zoo even,door Gods beschik,u, peretakken gevennen toovertik;’t en zou geen pere krommenuw hout, voortaan:veel liever zie ’k de blommen,eer ze opengaan.
’k Zie geren, in de hoven,uw’ peren groot,de zonne zitten stoven,al rijp en rood;maar ’k zie wel nog zoo gerenuw blommen staan,de perels van de peren,eer ze opengaan.
17/4 1894.
SERENUM ERIT(Matth. xvi:2)Al rood is ’t, dat ik zie:één ovenvier heel ’t westendaarin de zonne zonken ’s werelds oude vestenin gloeien zette. Laainoch glans en is er: nietals enkel rood en, deurde losse wolken, ietdat eer aan bloed gelijkt,of aan onmeetbaarhedenvan ongehouwen stier-en huidlooze ossenleden,die, drijvende overal,met vil- en slachthuisvee,de diepten vullen vande westerwereldzee.De zwarte hagen staanvol oogen, als van dierenen ongedaanten, diehun roode blikken stierente mijwaard, daar ik sta,van hoofde tot den voetbespeit, ik zelve, en diepein schijnbaar zonnebloed.Hoe zal ’t te morgen gaan?Zal ’t regenen, zal ’t ruischen:gebouwen af, en aldat boom is ommebuischen?Zal ’t hagelslaan? In aldat hemelsch bloedgeweld,is ons de jongste dagdes werelds voorgespeld?Toch neen-hij! Morgen zal,den oosten uitgeklommen,een nieuwe dageraad,een nieuwe zonne kommende menschen, blank en blij,begroeten, die nu staanen, rood van aangezicht,den avond gadeslaan.Kortrijk, 28/10 1894.
Al rood is ’t, dat ik zie:één ovenvier heel ’t westendaarin de zonne zonken ’s werelds oude vestenin gloeien zette. Laainoch glans en is er: nietals enkel rood en, deurde losse wolken, ietdat eer aan bloed gelijkt,of aan onmeetbaarhedenvan ongehouwen stier-en huidlooze ossenleden,die, drijvende overal,met vil- en slachthuisvee,de diepten vullen vande westerwereldzee.De zwarte hagen staanvol oogen, als van dierenen ongedaanten, diehun roode blikken stierente mijwaard, daar ik sta,van hoofde tot den voetbespeit, ik zelve, en diepein schijnbaar zonnebloed.Hoe zal ’t te morgen gaan?Zal ’t regenen, zal ’t ruischen:gebouwen af, en aldat boom is ommebuischen?Zal ’t hagelslaan? In aldat hemelsch bloedgeweld,is ons de jongste dagdes werelds voorgespeld?Toch neen-hij! Morgen zal,den oosten uitgeklommen,een nieuwe dageraad,een nieuwe zonne kommende menschen, blank en blij,begroeten, die nu staanen, rood van aangezicht,den avond gadeslaan.
Kortrijk, 28/10 1894.
IMBER ABIITDe paden zijn, door ’t lang gewelddes regentijds, getigerveld,vol vage plekken, geelwe en bruin,vol ommetom den wandeltuin.De koelte briescht van wijd en zijdme in ’t aangezicht; ’t is lentetijd;voortaan meer in de schiere luchten bullebakt der buien bucht.De boomen zien als effenaanter bedden uit weer opgestaan;ze schudden in den wind, die gierten tuitend door de takken tiert.’t Heeft fel geregend: dagen langwas ’t, op en neêr, een watergang,die losgegaan bij geuten giet;nu waait het, maar ’t en regent niet.’t Is koud nochtans. Het windenradverwentelt en verspringt. Noch bladnoch blomme en durft den bunsel uit,daar Gij, o Heer, ze binnensluit.De regenboge, gister nog,hoe vreedzaam loech hij! ’t Moederzogde boezems van de boomen kwelt,en al dat mussche is rinkelrelt.Zou ’t waarzeg, en in ’t neerste nu,ook wezen? Wist het winterschuwdat ’t vuisten heeft, het jonge jaar?God geve ’t, en gij, zonne, daar.Kortrijk, 30/3 1895.
De paden zijn, door ’t lang gewelddes regentijds, getigerveld,vol vage plekken, geelwe en bruin,vol ommetom den wandeltuin.
De koelte briescht van wijd en zijdme in ’t aangezicht; ’t is lentetijd;voortaan meer in de schiere luchten bullebakt der buien bucht.
De boomen zien als effenaanter bedden uit weer opgestaan;ze schudden in den wind, die gierten tuitend door de takken tiert.
’t Heeft fel geregend: dagen langwas ’t, op en neêr, een watergang,die losgegaan bij geuten giet;nu waait het, maar ’t en regent niet.
’t Is koud nochtans. Het windenradverwentelt en verspringt. Noch bladnoch blomme en durft den bunsel uit,daar Gij, o Heer, ze binnensluit.
De regenboge, gister nog,hoe vreedzaam loech hij! ’t Moederzogde boezems van de boomen kwelt,en al dat mussche is rinkelrelt.
Zou ’t waarzeg, en in ’t neerste nu,ook wezen? Wist het winterschuwdat ’t vuisten heeft, het jonge jaar?God geve ’t, en gij, zonne, daar.
Kortrijk, 30/3 1895.
OCTOBERBOOMENHoe schoone, och, hoe veel schoonder is,al moete ’t nu gaan sterven,eer langen tijd van hier, hoe schoon,en schoonder duizendwerven,als vroeger, ’t najaarsch loofgewas,wanneer het lente en zomer was.’t Is lief en lustig, diepe nuen dóór den bosch te dwalen;te zien hoe de oude boomen alhunne oude schoonheid halente schranken uit! wat tijd beleeftgij, vrienden, die zoo’n vreugde u geeft?Verlangt gij, zoo de ziel verlangt,die, vrij van alle schulden,van monde vaart ten hemel, en,verlost van ’t eeuwig dulden,het leven, in dit tranendal,nu, ketenloos, verlaten zal?Is dáárom al uw loof zoo liefgepint? zijn al uw’ blârenveranderd in een bruiloftkleed,om eindlijk heen te varente ruste? stervend najaarblad,Octoberboomen, leert mij dat!15/10 1895.
Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,al moete ’t nu gaan sterven,eer langen tijd van hier, hoe schoon,en schoonder duizendwerven,als vroeger, ’t najaarsch loofgewas,wanneer het lente en zomer was.
’t Is lief en lustig, diepe nuen dóór den bosch te dwalen;te zien hoe de oude boomen alhunne oude schoonheid halente schranken uit! wat tijd beleeftgij, vrienden, die zoo’n vreugde u geeft?
Verlangt gij, zoo de ziel verlangt,die, vrij van alle schulden,van monde vaart ten hemel, en,verlost van ’t eeuwig dulden,het leven, in dit tranendal,nu, ketenloos, verlaten zal?
Is dáárom al uw loof zoo liefgepint? zijn al uw’ blârenveranderd in een bruiloftkleed,om eindlijk heen te varente ruste? stervend najaarblad,Octoberboomen, leert mij dat!
15/10 1895.
AAN......?Gelijk een been ten honde,zoo smijt gij mij, voor dank,wat geld! te geenen stonde,of ware ik nog zoo krank,en wille ik het! Gaat henen,ten duivel snelt;hij breke u hals en schenen;’t is Judasgeld!15-16/10/’95.
Gelijk een been ten honde,zoo smijt gij mij, voor dank,wat geld! te geenen stonde,of ware ik nog zoo krank,en wille ik het! Gaat henen,ten duivel snelt;hij breke u hals en schenen;’t is Judasgeld!
15-16/10/’95.
CRUCIFIXUS ETIAM PRO NOBIS; SUB PONTIO PILATO PASSUS, ET SEPULTUS EST. ET RESURREXIT.Credo.
DE EERSTE STONDE:GEVONNIST.Magdalena, en de heilige Vrouwen:Waar gaat hij heen, dien ’t herte mijnbemint? In welke handen,gevallen, moet hij leed en pijngedoogend en verdragend zijn,o schand der schanden?Gebonden zie ’k hem henengaan,gevonnist en verwezen aanden galgeboom te sterven!o Gij, die God zijt, laat gij nuuw’ kinderen ontervenvan ’t hemelsch licht?—Wij volgen u,want, daar gij gaat en zal, gewis,bedriegen ons de duisternis.
Magdalena, en de heilige Vrouwen:
Waar gaat hij heen, dien ’t herte mijnbemint? In welke handen,gevallen, moet hij leed en pijngedoogend en verdragend zijn,o schand der schanden?Gebonden zie ’k hem henengaan,gevonnist en verwezen aanden galgeboom te sterven!o Gij, die God zijt, laat gij nuuw’ kinderen ontervenvan ’t hemelsch licht?—Wij volgen u,want, daar gij gaat en zal, gewis,bedriegen ons de duisternis.
DE TWEEDE STONDE:NAAR GOLGOTHA.De vijanden ons Heeren:Sla-dood!—Hij ga ter galgenstraf!Biedt Barabbas het leven!Sla-dood!—Hij wilt den tempel af,en ’s keizers geld ontgeven.Sla-dood!—Wij hebben Barabbas!Geen hoofd en kent dit jodenras,—hem...gaan wij galgenboomen!—als ’t opperhoofd van Roomen.Op ons zijn bloed, op onzen stam:die ’t volk ontstak, die leeren kwamdat hij—op ons, op ons zijn bloed!—dat hij Gods zone is, sterven moethij, sterven!...De vier heilige Evangelisten:Zoo roept men, en men haalt, verwenschende overluid,zachtmoedig als een lam, de vonnisdeuren uit,Gods zoon, die sterven gaat, en blusschen, in zijn bloed,de wilde ontuchtigheid van ’s wereld overmoed!
De vijanden ons Heeren:
Sla-dood!—Hij ga ter galgenstraf!Biedt Barabbas het leven!Sla-dood!—Hij wilt den tempel af,en ’s keizers geld ontgeven.Sla-dood!—Wij hebben Barabbas!Geen hoofd en kent dit jodenras,—hem...gaan wij galgenboomen!—als ’t opperhoofd van Roomen.Op ons zijn bloed, op onzen stam:die ’t volk ontstak, die leeren kwamdat hij—op ons, op ons zijn bloed!—dat hij Gods zone is, sterven moethij, sterven!...
De vier heilige Evangelisten:
Zoo roept men, en men haalt, verwenschende overluid,zachtmoedig als een lam, de vonnisdeuren uit,Gods zoon, die sterven gaat, en blusschen, in zijn bloed,de wilde ontuchtigheid van ’s wereld overmoed!
DE DERDE STONDE:EERSTE VAL.De vier heilige Evangelisten:Gebannen, gaat en draagt hij, lijdendelangs de baan,den boom, die, nagelvast hem dragende,rood zal staan,eer ’t heden noene is! Helpt!—Te late is het!—Ach!...nu ligtter aarden neêrgeveld, ’t aanbiddelijkaangezichtdes Heeren! ’t Vallend hout der ongenade...och!—En ’t dwingthem, als een’ druive, daar de wijnman denwijn uit wringt!
De vier heilige Evangelisten:
Gebannen, gaat en draagt hij, lijdendelangs de baan,den boom, die, nagelvast hem dragende,rood zal staan,eer ’t heden noene is! Helpt!—Te late is het!—Ach!...nu ligtter aarden neêrgeveld, ’t aanbiddelijkaangezichtdes Heeren! ’t Vallend hout der ongenade...och!—En ’t dwingthem, als een’ druive, daar de wijnman denwijn uit wringt!
DE VIERDE STONDE:MARIA.Maria, de Moeder Gods:Wach-arme, ik, in Jeruzalem u zoekende, eer veel jaren,en vond u na drie dagen maar, bij de oude kerkleeraren;ik vinde u heden al te ras,en ’t eerste lang verlies mij nooit zoo leed en wasals dit, wanneer gij mij, hervonden, vaart verloren!Mijn kind, mijn uitverkoren,mijn herte kent, mijn ooge u niet,die, moe van weenen, schemerziet,en doolt, op uwe schreden!Waar gaat gij heengetreden?Komt hier! mijn alderliefste kind,en zelve uws zelfs vrouw-moeder vindt!—Doch neen: aan ’s Vaders wil, die u mij heeft geschonken,blijft gij, blijve ik geklonken!
Maria, de Moeder Gods:
Wach-arme, ik, in Jeruzalem u zoekende, eer veel jaren,en vond u na drie dagen maar, bij de oude kerkleeraren;ik vinde u heden al te ras,en ’t eerste lang verlies mij nooit zoo leed en wasals dit, wanneer gij mij, hervonden, vaart verloren!Mijn kind, mijn uitverkoren,mijn herte kent, mijn ooge u niet,die, moe van weenen, schemerziet,en doolt, op uwe schreden!Waar gaat gij heengetreden?Komt hier! mijn alderliefste kind,en zelve uws zelfs vrouw-moeder vindt!—Doch neen: aan ’s Vaders wil, die u mij heeft geschonken,blijft gij, blijve ik geklonken!
DE VIJFDE STONDE:SIMOEN VAN CYRENEN.De vrienden ons Heeren:Simoen, van Cyrenennooit en zal ’t verdwenen,nooit en zal ’t verloren gaan,’t geen gij hebt om God gedaan.Simoen, van Cyrenen,Jesus is verschenen:’t eigen volk en kent hem niet:vreemdeling, gij, hulp’ hem biedt!Simoen, van Cyrenen,op de scherpe schenenstoot hij, van de rotsen, aan:Simoen, wilt hem bij gaan staan!Simoen, van Cyrenen,dragende gaan wij henen,’t galgenhout met u; en hemvolgen wij, dóór Jerusalem.
De vrienden ons Heeren:
Simoen, van Cyrenennooit en zal ’t verdwenen,nooit en zal ’t verloren gaan,’t geen gij hebt om God gedaan.
Simoen, van Cyrenen,Jesus is verschenen:’t eigen volk en kent hem niet:vreemdeling, gij, hulp’ hem biedt!
Simoen, van Cyrenen,op de scherpe schenenstoot hij, van de rotsen, aan:Simoen, wilt hem bij gaan staan!
Simoen, van Cyrenen,dragende gaan wij henen,’t galgenhout met u; en hemvolgen wij, dóór Jerusalem.
DE ZESDE STONDE:VERONICA.Magdalena, en de heilige Vrouwen:Veronica, gedoekte en deernisvolle, die’k het minnend aangezicht, het jammerbeeld des Heeren,met medelijdend herte en monde, omhelzen zie,Berenice,Veronica, een’ lesse zult ons leeren.Wij dragen ook een beeld op ons, een penningwerk,gemunt met ’s keizers hoofd, met ’s keizers zegelmerk,maar moeten dieper als in dunne doeken halen,en in ons herte diepzien af te malen,het wezen Gods, die ons uit stof en aarde schiep,en riepom eeuwig eens, met u en hem, te zegepralen,in ’s hemels zalen,Veronica,—die ’t beeld zijns lijdens heeft gedoogdte worden, langs den weg, door u hier afgedroogd.
Magdalena, en de heilige Vrouwen:
Veronica, gedoekte en deernisvolle, die’k het minnend aangezicht, het jammerbeeld des Heeren,met medelijdend herte en monde, omhelzen zie,Berenice,Veronica, een’ lesse zult ons leeren.Wij dragen ook een beeld op ons, een penningwerk,gemunt met ’s keizers hoofd, met ’s keizers zegelmerk,maar moeten dieper als in dunne doeken halen,en in ons herte diepzien af te malen,het wezen Gods, die ons uit stof en aarde schiep,en riepom eeuwig eens, met u en hem, te zegepralen,in ’s hemels zalen,Veronica,—die ’t beeld zijns lijdens heeft gedoogdte worden, langs den weg, door u hier afgedroogd.
DE ZEVENSTE STONDE:TWEEDE VAL.De vier heilige Evangelisten:Hij ligt, door uwe schuld, o Lucifer, gevallen,die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallender uwen, nedervielt voor Michaëls „Wie isGods weêrga?” in den poel der diepe duisternis!—Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw’ voeten,eens, in de wildernis, met ’s werelds eere groeten:hij brak uw’ boosheid dan. Gij vluchtet.—Neêr nu ligtin ’t stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht.Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen,verkondt het, en verheugt, is ’t mooglijk, uw getrouwen:eer ’t morgen dag is, heeft hij u, in ’t voorgeborcht,geroofd de zielen, die gij in uw’ strikken worgt.—Van hier!—Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse,en weet wie—hij of gij—zal zegepralen,—trotse!
De vier heilige Evangelisten:
Hij ligt, door uwe schuld, o Lucifer, gevallen,die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallender uwen, nedervielt voor Michaëls „Wie isGods weêrga?” in den poel der diepe duisternis!—Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw’ voeten,eens, in de wildernis, met ’s werelds eere groeten:hij brak uw’ boosheid dan. Gij vluchtet.—Neêr nu ligtin ’t stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht.Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen,verkondt het, en verheugt, is ’t mooglijk, uw getrouwen:eer ’t morgen dag is, heeft hij u, in ’t voorgeborcht,geroofd de zielen, die gij in uw’ strikken worgt.—Van hier!—Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse,en weet wie—hij of gij—zal zegepralen,—trotse!
DE ACHTSTE STONDE:DE WEENENDE VROUWEN.Ons Heere Jesus-Christus:Ach, moeders, moeders, moeders, en Jerusalemsche vrouwen,wel mag het u berouwen,die moeder zijt, of worden zult,hetgene, eilaas, uw herten vultmet hope en met betrouwen!Aanziet mij, schamel moeders eerste en laatste kind, van jaren,zoo jong nog als de blâren,die blinkende op de boomen staan,verdorren en verbranden:—hoe zal ’t dan met het droog hout gaan,in ’s vijands wreede handen?Gij weent op mij, maar, moeders, meermoet op u zelven treuren,en op uwe arme schapen teêr,die ’t roomsche heerzal kwetsen en verscheuren!
Ons Heere Jesus-Christus:
Ach, moeders, moeders, moeders, en Jerusalemsche vrouwen,wel mag het u berouwen,die moeder zijt, of worden zult,hetgene, eilaas, uw herten vultmet hope en met betrouwen!Aanziet mij, schamel moeders eerste en laatste kind, van jaren,zoo jong nog als de blâren,die blinkende op de boomen staan,verdorren en verbranden:—hoe zal ’t dan met het droog hout gaan,in ’s vijands wreede handen?Gij weent op mij, maar, moeders, meermoet op u zelven treuren,en op uwe arme schapen teêr,die ’t roomsche heerzal kwetsen en verscheuren!
DE NEGENSTE STONDE:DERDE VAL.De vrienden ons Heeren:Tot zevenmaal rechtveerdig man,hoe vast hij sta, bezwijken kan,op éénen dag; en evenzoo menigmaal herleven.Gebroeder, gij vergeven zult,geen zevenmaal, uw’ broeders schuld,maar tzeventigmaal zevengebreken—hem vergeven.De goede Herder driemaal isgevallen, om vergiffeniste biên u, en te geven,om uwentwil, zijn leven.o Herder, in uw eigen bloed,hier kruipende, over hand en voet,ach, wilt ’t gene ik bedrevenheb duizendmaal—vergeven!
De vrienden ons Heeren:
Tot zevenmaal rechtveerdig man,hoe vast hij sta, bezwijken kan,op éénen dag; en evenzoo menigmaal herleven.
Gebroeder, gij vergeven zult,geen zevenmaal, uw’ broeders schuld,maar tzeventigmaal zevengebreken—hem vergeven.
De goede Herder driemaal isgevallen, om vergiffeniste biên u, en te geven,om uwentwil, zijn leven.
o Herder, in uw eigen bloed,hier kruipende, over hand en voet,ach, wilt ’t gene ik bedrevenheb duizendmaal—vergeven!
DE TIENSTE STONDE:ONTKLEED.De vier heilige Evangelisten:Aanschouwt, den wormen nu niet ongelijk, tot tegenhet kale bekkeneel van Golgotha gekregen,den zone Gods; ontbloot van alles, moedernaaktis hij, en ha’ de roe hem eenen rok gemaakt,van roode wonden! Wie, wie kent hem? Van benedentot boven toe, geheel en is, in al zijn’ leden,nu niets! Wie kent hem, wie, in ’t wisselverwig kleedvan Jacobs lieveling, die m’n in den steenput smeet?Gods zone is ’t!—Schande op u, wier dertel vleesch geborenuit Adams vleesch, u ook, als Adam, liet bekorentot zonde en schande! Aanschouwt,—want gij het hebt gedaan,—’t Lam Gods, onschuldig, om uw’ schuld hier schande uitstaan!
De vier heilige Evangelisten:
Aanschouwt, den wormen nu niet ongelijk, tot tegenhet kale bekkeneel van Golgotha gekregen,den zone Gods; ontbloot van alles, moedernaaktis hij, en ha’ de roe hem eenen rok gemaakt,van roode wonden! Wie, wie kent hem? Van benedentot boven toe, geheel en is, in al zijn’ leden,nu niets! Wie kent hem, wie, in ’t wisselverwig kleedvan Jacobs lieveling, die m’n in den steenput smeet?Gods zone is ’t!—Schande op u, wier dertel vleesch geborenuit Adams vleesch, u ook, als Adam, liet bekorentot zonde en schande! Aanschouwt,—want gij het hebt gedaan,—’t Lam Gods, onschuldig, om uw’ schuld hier schande uitstaan!
DE ELFSTE STONDE:GEKRUIST.Spotlied. De oversten des Volks:Verloochend en verlaten,daar hangt hij,—onze Koning! hij!—ten spotliede, achter straten,—Eli! Eli! Sabacthani,—van elkendeen!—Eli! Eli!De Schriftgeleerden:Die alleman, voordezen,genaast, nu wilt genezenu zelven, zoo Gods zoon gij zijt;en leert ons, eer de dood u bijt,wach!—ons—geloovig wezen!De joodsche Priesters:Eli! Eli!—Wat wilt de man,die ’s Heeren bidsteê breken kanen maken, na drie dagen,—Gods zone is hij!—wat wilt hij dander dieven dood verdragen?’t Roomsch krijgsvolk:„Mij dorst!”—Laat ons Elias zien—haalt edik!—hem nu hulpe bien;en, kan ’t, zoo moge ’t nu geschiên,hetgeen hij zei, voordezen,volbracht, dat ’t al ging wezen!Jesus:o Vader, gij die alles ziethetgeen zij doen, ze’n weten ’t niet:vergeeft het hun!De vrienden des Heeren, 3 maal slaande op hunne borst:’t Is onze schuld:Lam Gods, aleer gij sterven zult,vergeeft het ons!—’t Wordt middernacht...—Lam Gods!...—Lam Gods!...Jesus:’t Is al volbracht!
Spotlied. De oversten des Volks:
Verloochend en verlaten,daar hangt hij,—onze Koning! hij!—ten spotliede, achter straten,—Eli! Eli! Sabacthani,—van elkendeen!—Eli! Eli!
De Schriftgeleerden:
Die alleman, voordezen,genaast, nu wilt genezenu zelven, zoo Gods zoon gij zijt;en leert ons, eer de dood u bijt,wach!—ons—geloovig wezen!
De joodsche Priesters:
Eli! Eli!—Wat wilt de man,die ’s Heeren bidsteê breken kanen maken, na drie dagen,—Gods zone is hij!—wat wilt hij dander dieven dood verdragen?
’t Roomsch krijgsvolk:
„Mij dorst!”—Laat ons Elias zien—haalt edik!—hem nu hulpe bien;en, kan ’t, zoo moge ’t nu geschiên,hetgeen hij zei, voordezen,volbracht, dat ’t al ging wezen!
Jesus:
o Vader, gij die alles ziethetgeen zij doen, ze’n weten ’t niet:vergeeft het hun!
De vrienden des Heeren, 3 maal slaande op hunne borst:
’t Is onze schuld:Lam Gods, aleer gij sterven zult,vergeeft het ons!—’t Wordt middernacht...—Lam Gods!...—Lam Gods!...
Jesus:
’t Is al volbracht!