IV.Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.Negers van Gorea.Negers van Gorea.Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
IV.Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.Negers van Gorea.Negers van Gorea.Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
IV.Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.Negers van Gorea.Negers van Gorea.Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
IV.Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.Negers van Gorea.Negers van Gorea.Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
IV.
Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.Negers van Gorea.Negers van Gorea.Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals isbuigzaamen sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.
De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.
Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.
De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.
In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid vanvolkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.
Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbareachtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbarevoorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.
Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.
De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunnekoperkleurigehuid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.
Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28entot den 33engraad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.
De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;—dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië enGroot-Bassambewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. DeKroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.
Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;—dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate menzich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.
Een spahi van den Senegal.Een spahi van den Senegal.
Een spahi van den Senegal.
Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.
De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, deKroumanenen de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken.De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.
Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.
Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.
Negers van Gorea.Negers van Gorea.
Negers van Gorea.
Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.