III.

III.De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.Herment.Herment.Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.

III.De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.Herment.Herment.Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.

III.De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.Herment.Herment.Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.

III.De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.Herment.Herment.Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.

III.De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.

De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.

De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.

Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.Herment.Herment.Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.

Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.

Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht; en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand, om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde hem van achteren optilt en voortduwt: maar[58]het ga hoe het gaat, voor zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.

Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder, en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama, dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn, de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.

Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld- of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx. Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke zouden ze te verhalen hebben!.…

Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden zult. Vooreerst zijn dehôtelsen herbergen uiterst schaarsch, of liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan, weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen, komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën, zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch; engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer; geweren en pistolen, papier[59]en potlood en pennen; photographische toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro werd volgeladen.

Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij: Ramleh, met zijne dichte rijen vandaäbiesof reisbarken; Boelak, met zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische woestijn.

Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind, heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt, het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.… Zang van den sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.

De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken, waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme, statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen. Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept, dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid, worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen: in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen. Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen, om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever, terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik, die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is: tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed; anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept, vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat, alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels; somwijlen[60]zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.

Tempel te Denderah.Tempel te Denderah.

Tempel te Denderah.

De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt, welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.

Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom: een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif schietende,[61]en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.

Herment.Herment.

Herment.

Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs, die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe, steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet, Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land, met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de omringende vlakte te besproeien.

De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds, onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare talrijke minarets,[62]hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten; daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in kleur en geur.

Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af: schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien, bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid; zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den blauwen ether.

Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah, het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën; en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.


Back to IndexNext