IV.

IV.Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.Ezeldrijver.Ezeldrijver.Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.Eene almeh.Eene almeh.Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.

IV.Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.Ezeldrijver.Ezeldrijver.Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.Eene almeh.Eene almeh.Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.

IV.Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.Ezeldrijver.Ezeldrijver.Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.Eene almeh.Eene almeh.Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.

IV.Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.Ezeldrijver.Ezeldrijver.Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.Eene almeh.Eene almeh.Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.

IV.Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.

Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.

Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.

Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.Ezeldrijver.Ezeldrijver.Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.Eene almeh.Eene almeh.Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.

Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.

Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is, doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles van Thebe getuigen:

daar zijn de huizen aan schatten rijk;Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekkenUit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.

daar zijn de huizen aan schatten rijk;

Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekken

Uit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.

Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen: slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken,haarreeksen van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen, hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen[63]staan de leemen hutten der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid, wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier, in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.

Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel, tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort, voor welker hooge pylonen2een prachtige, vijf-en-zeventig voet hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat, inhiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon, de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”

Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok! Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun) gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320 voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen; de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien, waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt. Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad, ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof, waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort, die eerst den eigenlijken ingang vormt tot[64]de binnenhoven en zalen van het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven? Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl, liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.

Ezeldrijver.Ezeldrijver.

Ezeldrijver.

Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.

Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s, waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften, in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd, verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek, een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood. Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de gevallene zwartehaviken, die iederen herfst naar Memnons graf terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling geschreid.—Onze geleerden[65]met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet, dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan? Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.

Eene almeh.Eene almeh.

Eene almeh.

Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders, eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden, sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de egyptische architektuur.

Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300 voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht. Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van bijna alle koningen uit de 19een 20edynastiën: dit dal draagt nog den naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde: een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde. Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden[66]voor den doode bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.

Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers, niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten, maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een levende hond is beter dan een doode leeuw.


Back to IndexNext