V.Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.
V.Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.
V.Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.
V.Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.
V.Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.
Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.
Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.
Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.
Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen, ging trouwen en vierde zijn bruiloft.
Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden, zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal. Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.
Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie: toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen. Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten; hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand, door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde de jong getrouwden naar de echtelijke woning.
Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten, gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de[67]andere doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt. In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands, en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij, aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden, die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.
Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad deralmehs. Zij bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen. De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien, verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris (kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen; zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met het drinken vanaquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh, dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men, midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en Medinet-Aboe te worden gesteld.
Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden, wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom. Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven, waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen, die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt; nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg: Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo onnatuurlijk?
Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog, hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom[68]vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende, bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.
Den 4denJuni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest jonge lieden, onder het bevel van een oudenreis, met een langen witten baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren, geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten: Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden, keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen, dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.
Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.
Medinet-Aboe.—Paleis van Ramses III.
Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid, hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,[70]bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een bijzonderereis(hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.
De kleine Isistempel op Philae.De kleine Isistempel op Philae.
De kleine Isistempel op Philae.
Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige ruïnen en de herinnering van het verleden.
Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen, door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen: Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars. Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het westelijk strand volgend.
Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen, voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen, bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!
Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief, verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen, waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus, Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische kunst zich nooit verwijderde.
In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.) gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij dehairenvat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht. Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.
De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel bedekt met beelden en hiëroglyphen.
Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland, verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller oogen[71]tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt. Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds, als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.
Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en 240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der anderen kunnen stuiten. En menachttedeze overblijfselen niet gering, van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting, waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan de ernstige majesteit van het oude Egypte.
Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden, de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht; Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en richtte er den triomfboogende kazerne op, waarvan nog, zoo als ik zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.
Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten, en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven, nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde. Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden, maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en vernietiging.