XL.

—Laat los! krijschte de prins.

—Laat dat mes los! krijschte Duco.

De prins, onwillig, hield vol.

—Laat los! krijschte hij nog eens.

—Laat dat mes los....

Het mes viel uit zijn vingers. Duco greep het en stond op.

—Sta op! zeide hij. Wij kunnen, wanneer u wil, dit gevecht op minder primitieve manier morgen vervolgen. Niet meer met een mes, maar met degen of pistool.

De prins was opgestaan. Hij hijgde, blauw.... Hij kwam tot zichzelven.

—Neen, zei hij, langzaam. Ik wil niet duelleeren. Tenzij jij het wilt. Maar ik wil niet. Ik ben overwonnen.... Er is in haar een demonische kracht, die je altijd zoû laten winnen, welk spel wij ook speelden. Wij hebben al geduelleerd. Deze strijd zegt mij meer dan een geregeld duel. Alleen als jij het wenscht, heb ik er niets op tegen. Maar ik weet nu zeker, dat je me zoû dooden.Zijbeschermt je....

—Ik wensch geen duel, zei Duco.

—Laat ons dan dezen strijd als een duel beschouwen, en geef mij nu een hand....

Duco strekte de hand. Gilio drukte die.

—Vergeef mij, zeide hij, neêrbuigend tot Cornélie; ik heb u beleedigd....

—Neen, zeide zij. Ik vergeef u niet.

—Wij hebben elkaâr te vergeven. Ik vergeef u uw slag.

—Ik vergeef u niets. Ik vergeef u dezen avond nooit, niet uw spionneeren, niet uw gebrek aan zelfbeheersching, niet uw recht, dat u op mij, ongetrouwde vrouw, meent te kunnen laten gelden, terwijl ik u geen recht geef, niet uw aanval, en niet uw mes.

—Wij zijn dus vijanden, voor altijd?

—Ja, voor altijd. Ik verlaat morgen uw huis....

—Ik heb verkeerd gehandeld, bekende hij nederig. Vergeef mij. Mijn bloed is hevig.

—Ik heb u totnogtoe gekend als een heer....

—Ik ben ook nog een Italiaan.

—Ik vergeef u niet.

—Ik heb u wel eens bewezen, dat ik een goed vriend kon zijn.

—Het is geen oogenblik het mij te herinneren.

—Ik herinner u alles, wat u zachter voor mij zoû kunnen stemmen.

—Dat is alles te vergeefs.

—Dus vijanden?

—Ja. Laat ons naar binnen gaan. Ik verlaat morgen uw huis....

—Ik wil alle boete doen, die u mij oplegt.

—Ik leg niets op. Ik wil dit gesprek eindigen en ik wil naar huis.

—Ik zal u voorgaan....

Hij deed zoo. Zij liepen de pergola af. Hij opende zelve de terraspoort en liet hen het eerst binnen.

Zij begaven zich zwijgend naar hunne kamers.

Het kasteel sliep in duister. De prins lichtte bij met een lucifer. Duco was het eerst bij zijn vertrek.

—Ik zal u verder bijlichten, sprak de prins nederig.

Hij vergezelde nog, met een tweede lucifer, Cornélie tot haar deur. Daar viel hij op zijn knieën.

—Vergeef mij, fluisterde hij met een snik in zijn keel.

—Neen, zeide zij.

En zonder meer sloot zij de deur achter zich. Hij bleef nog een oogenblik zoo geknield. Toen stond hij langzaam op. Zijn hals deed hem pijn. Zijn schouder voelde als ontwricht.

—Het is uit, mompelde hij. Ik ben overwonnen. Zij is nu sterker dan ik, maar niet omdat zij een duivel is. Ik heb ze samen gezien.... Ik heb hun omhelzing gezien. Ze is sterker, hij is sterker dan ik ... om hun geluk ... Ik voel, dat zij, om hun geluk, altijd sterker zullen zijn, dan ik....

Hij ging naar zijn kamer, die grensde aan Urania's slaapkamer. Een snikken golfde op in zijn borst. Hij wierp zich, gekleed, snikkend op zijn bed, zijn snikken inslikkend in den sluimerenden nacht, die door het kasteel heen donsde. Toen stond hij op, en zag uit het raam. Hij zag het meer. Hij zag de pergola, waar zij zoo even hadden gevochten. De nacht sliep er, de karyatiden blankten er, slapende, uit de schaduw op. En met den blik zocht hij de juiste plek van hun strijd en zijn nederlaag. En bijgeloovig, aan hun geluk, meende hij, dat er niet tegen te strijden zoû zijn, nooit.

Toen haalde hij de schouders op, als wierp hij zich een pak van den rug.

—Fa niente! troostte hij zich. Domani megliore....

Hij meende er meê, dat hij morgen, zoo niet déze, overwinning, wel een andere behalen zoû. En zijn oogen nog nat, sliep hij in als een kind.

Urania snikte zenuwachtig in Cornélie's armen, toen zij de jonge prinses zeide, dat zij dien morgen vertrok. Zij waren met Duco alleen in Urania's eigen salon.

—Wat is er gebeurd? vroeg zij snikkende.

Cornélie vertelde haar den vorigen avond.

—Urania, zeide zij ernstig; ik weet het, ik ben coquet. Ik vond het prettig met Gilio te praten; noem het flirten, als je wilt. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, noch voor Duco, noch voor jou. Ik beschouwde het als amuzement en niet meer. Misschien heb ik verkeerd gedaan; ik heb je er vroeger al meê geërgerd. Ik heb je beloofd het niet meer te doen, maar het schijnt sterker dan ik. Het ligt in mijn natuur, en ik zal me er niet om verdedigen. Ik beschouwde het als zoo weinig, als aardigheid en amuzement. Maar misschien is het slecht. Vergeef je het mij? Ik ben zooveel van je gaan houden: het zoû me leed doen, als je me niet vergaf....

—Verzoen je met Gilio en blijf nog....

—Onmogelijk, mijn lieve meid. Gilio heeft mij beleedigd, Gilio heeft tegen Duco zijn mes getrokken, en ik vergeef hem die dubbele beleediging nooit. Het is dus onmogelijk langer te blijven.

—Ik blijf zoo alleen! snikte zij. Ik ook, ik hoû veel van je, ik hoû van jullie beiden. Is er geen middel.... Bob verlaat mij ook morgen. Ik blijf heelemaal alleen. Wat heb ik hier. Niemand, die van mij houdt....

—Je houdt heel veel over, Urania. Je hebt een doel om voor te leven; je kunt veel goed doen in je omgeving.... Je stelt belang in dit kasteel, dat je eigen nu is.

—Het is alles zoo hol! snikte zij. Het geeft me niets. Ik heb behoefte aan sympathie. Wie is er die van mij houdt? Ik heb geprobeerd van Gilio te houden, en ik hoû ook wel van hem, maar hij, hij geeft niets om mij. Niemand geeft hier om mij....

—Ik geloof, dat je armen van je houden. Je hebt een edel doel.

—Ik ben daar ook blij om, maar ik ben te jong, om alleen voor een doel te leven. Ik heb verder niets. Niemand geeft iets om mij hier.

—Prins Ercole toch....

—Neen, hij minacht me. Wil ik je wat vertellen? Ik heb je vroeger eens verteld, dat Gilio mij gezegd had ... dat er geen familie-juweelen waren, dat alles was verkocht? Herinner je je wel? Nu, er zijn familie-juweelen. Ik heb dat begrepen uit een gezegde van de gravin di Rosavilla. Er zijn familie-juweelen. Maar prins Ercole bewaart ze in de Banca di Roma. Zij minachten mij en ik ben eenvoudig onwaardig ze te dragen. En voor mij doen ze alsof er niets meer is. En het ergste is!... dat al hun kennissen, geheel hun côterie weet, dat ze er zijn en bewaard worden in de Bank, en dat ze allen prins Ercole gelijk geven. Mijn geld is hunner wel waardig, maar ik niet hun oude juweelen, de juweelen van hun grootmoeders!

—Het is een schande! zei Cornélie.

—Het is de waarheid! snikte zij. O, leg het bij; blijf hier nog, om mij....

—Oordeel zelf, Urania: het is ons heusch niet mogelijk.

—Het is waar, gaf zij zuchtende toe.

—Het is alles mijn schuld.

—Neen, neen; Gilio is soms zoo hevig ...

—Maar zijn hevigheid, zijn drift en zijn jaloezie zijn mijn schuld. Ik heb er spijt van, Urania, om jou. Vergeef mij. Kom mij in Rome opzoeken, als je er komt. Vergeet mij niet, en schrijf, niet waar. Nu moet ik mijn koffer pakken. Hoe laat gaat de trein?

—Tien uur vijf-en-twintig, zei Duco. Wij gaan samen.

—Kan ik afscheid nemen van prins Ercole? Laat belet voor mij vragen.

—Wat zal je hem zeggen?

—Het allereerste, dat mij in den geest komt: dat een vriendin in Rome erg ziek is, dat ik er heen ga en dat Van der Staal mij begeleidt, omdat ik zenuwachtig ben. Het kan me niets schelen wat prins Ercole denkt.

—Cornélie....

—Lieveling, ik heb heusch geen tijd meer. Omhels me, vergeef me. En vergeet mij niet. Adieu, we hebben een lieven tijd samen gehad: ik ben veel van je gaan houden....

Zij wrong zich van Urania los, ook Duco nam afscheid. Zij lieten de prinses snikkende alleen. Op den corridor ontmoetten zij Gilio.

—Waar gaat u heen? vroeg hij met zijn nederige stem.

—Wij gaan met den trein van tien uur vijf-en-twintig.

—Het doet mij veel leed....

Maar zij gingen door en lieten hem staan, terwijl in het salon Urania snikte.

In den trein, in den brandenden morgen, waren zij stil, en zij vonden Rome als barstende uit zijne huizen, van zonnebrand. In het atelier was het echter koel, eenzaam en rustig.

—Cornélie, zeide Duco. Vertel mij wat er gebeurd is tusschen jou en den prins. Waarom heb je hem geslagen?

Zij trok hem op den divan, wierp zich aan zijn hals en vertelde de scène van de camera dei sposi. Zij vertelde hem van de duizend lire en van den armband. Zij verklaarde hem, dat zij hierover gezwegen had, om hem niet over geldzorgen te spreken, terwijl hij zijn aquarel voor de tentoonstelling in Londen voltooide.

—Duco, ging zij voort. Ik ben gisteren zoo geschrikt, toen ik Gilio dat mes zag trekken. Ik voelde mij flauw vallen, maar ik heb het niet gedaan. Ik had hem nog nooit zoo gezien, zoo hevig, zoo tot alles in staat.... Ik voelde toen pas, hoeveel ik van je hield.... Ik had hem vermoord, als hij je verwond had....

—Je hadt niet met hem moeten spelen, zeide hij streng. Hij heeft je lief ...

Maar ondanks zijn strengen toon, trok hij haar vaster naar zich toe.

Zij legde met iets als schuldbewustzijn haar hoofd vleiend tegen hem aan.

—Hij is alleen wat verliefd ... verdedigde zij zich, zwakjes.

—Hij is heel gepassionneerd verliefd ... Je hadt niet met hem mogen spelen....

Zij antwoordde niet meer, hem met de hand vleiende zijn gezicht. Zij vond hem heel lief, dat hij haar zoo berispte: zij hield van dien strengen, ernstigen toon, dien hij bijna nooit tegen haar aannam. Zij wist, dat zij die behoefte tot flirt in zich had, gehad had van heel jong meisje: zij telde het niet, het was onschuldig amuzement. Zij was het niet met Duco eens, maar zij vond het onnoodig er over door te gaan: het was als het was, zij dacht er niet over, zij streed er niet tegen: het was als een verschil van opinie, bijna van smaak, dat niet telde. Zij lag te gemakkelijk tegen hem aan, na de agitatie van gisteren avond, na een slapeloozen nacht, na een overhaast vertrek, na drie uur sporens in de brandende warmte, om er veel tegen in te praten. Zij vond de stille koelte van het atelier lief, de eenzaamheid met hen beiden, na de drie weken op San Stefano. Er was hier een rust, een komen tot zichzelve, die zalig was. Het hooge raam was opgetrokken en de warme lucht vloot weldadig in en temperde zich in de natuurlijke kilte van het noordelijke vertrek. Duco's ezel, leêg, stond in afwachting. Het was er hun thuis, tusschen al die kleur en vorm van kunst rondom haar heen. Zij begreep nu die kleur en vorm: zij leerde Rome. Zij leerde dat alles in den droom van haar geluk. Zij dacht weinig over de Vrouwenkwestie en de kritieken over haar brochure keek zij nauwlijks in en interesseerden haar weinig. Zij vond den engel van Lippo mooi, en zij vond mooi het tryptiekblad van Gentile da Fabriano en de flonkerkleuren der oude kazuifels. Het was wel heel weinig na de schatten van San Stefano, maar het was het hunne en hun home. Zij sprak niet meer, zij voelde zich tevreden, zij rustte uit aan Duco's borst, en hare vingers streelden zijn gezicht.

—De Banieren zijn zoo goed als verkocht, zeide hij: voor negentig pond. Ik zal van middag telegrafeeren naar Londen ... En dan kunnen we gauw den prins die duizend lire teruggeven.

—Het is het geld van Urania, zeide zij zwakjes.

—Maar ik wil die schuld niet langer hebben ...

Zij voelde, dat hij een beetje boos was, maar zij was in geen stemming om over geldzaken te praten, en een zalige loomte doorvloeide haar aan zijn borst....

Ben je boos, Duco?

—Neen ... maar je hadt het niet moeten doen....

Hij nam haar vaster tegen zich aan, om haar te laten voelen, dat hij niet op haar brommen wilde, al vond hij, dat zij verkeerd had gehandeld. Zij vond, dat zij goed had gehandeld om hem niet te spreken over de duizend lire, maar zij verdedigde zich niet. Het zouden nuttelooze woorden zijn en zij voelde zich te tevreden, om over geld te praten.

—Cornélie, zeide hij; laten wij trouwen....

Zij zag hem aan, verschrikt, opgeschrikt uit hare zaligheid.

—Waarom?

—Niet om onszelven. Wij zijn even gelukkig, niet getrouwd. Maar om de wereld, de menschen.

—Om de wereld, de menschen?

—Ja; wij zullen ons hoe langer hoe meer geizoleerd gaan voelen. Ik heb er wel eens met Urania over gesproken. Zij had er veel verdriet over, maar zij tolereerde ons.... Zij vond het een onmogelijke verhouding. Zij heeft misschien gelijk. Wij kunnen nergens komen. Op San Stefano deed men nog of men niet wist, dat wij samen woonden. Dat is nu uit....

—Wat kan je schelen de opinie van "kleine onverschillige menschen, die bij toeval je pad kruisen", zooals je zegt....

—Dat is nu niet meer zoo: aan den prins zijn wij geld schuldig en Urania is de eenige vriendin, die je hebt....

—Ik heb jou: ik heb niemand noodig.

Hij kuste haar.

—Heusch, Cornélie, het is beter, dat wij trouwen. Dan zal niemand je meer beleedigen kunnen als de prins je heeft durven doen.

—Hij heeft bekrompen ideeën: hoe kan je willen trouwen om wereld en menschen als San Stefano en den prins.

—De geheele wereld is zoo en wij zijn in de wereld. Wij leven te midden van andere menschen. Het is onmogelijk zich geheel te izoleeren en izolement straft zichzelve later. Wij moeten ons aansluiten bij andere menschen: het is onmogelijk altijd op je eigen te bestaan, zonder eenig gemeenschapsgevoel.

—Duco, ik herken je niet meer: het zijn zulke maatschappelijke ideeën.

—Ik heb meer nagedacht in den laatsten tijd.

—Ik verleer juist na te denken.... Mijn lieveling, wat ben je ernstig van morgen. En dat terwijl ik zoo heerlijk tegen je aanlig, om uit te rusten van al die emotie, en die warme reis.

—Heusch Cornélie, laten wij trouwen....

Zij schuurde een weinig nerveus tegen hem aan, ontevreden, dat hij doorging en met geweld haar zalige stemming vernielde....

—Je bent een akelige jongen. Waarom moeten wij trouwen. Het zoû niets aan onzen toestand veranderen. Wij zouden ons toch niet met andere menschen bemoeien. Wij leven zoo heerlijk hier, in je kunst. Wij hebben niets anders noodig dan elkaâr, en je kunst en Rome. Ik hoû nu zoo veel van Rome: ik ben heelemaal veranderd. Er is hier iets wat mij telkens weêr aantrekt. Op San Stefano had ik heimwee naar Rome en ons atelier. Je moet weêr een ander motief zoeken—om aan het werk te gaan. Als je niets doet, dan denk je na ... in een maatschappelijke richting ... en dat is niets voor jou. Ik herken je zoo niet. En zoo klein maatschappelijk nog. Om te trouwen! In Godsnaam waarom, Duco? Je kent mijn ideeën over het huwelijk. Ik heb mijn ondervinding: het is beter van niet....

Zij was opgestaan en werktuigelijk zocht zij in een portefeuille tusschen half-affe schetsen.

—Je, ondervinding ... herhaalde hij. Wij kennen elkaâr te goed om voor iets bang te zijn.

Zij trok de schetsen uit de portefeuile: het waren de ideeën, die bij hem opgeschoten waren en die hij had aangeteekend, terwijl hij werkte aan de Banieren. Zij zag ze na en strooide ze uit.

—Bang te zijn? herhaalde zij vaag. Neen, hernam zij plotseling vaster. Een mensch kent zich en een ander nooit. Ik ken je niet, ik ken mijzelf niet.

Iets waarschuwde haar in het diepst van zich: trouw niet, geef hem niet toe. Het is beter van niet, het is beter van niet.... Het was nauwlijks een fluisterende zweeming van waarschuwend voorgevoel, het was onuitgedacht, onbewust en zielediep geheimzinnig. Want zij was het zich niet bewust, zij dacht het niet, zij hoorde het nauwlijks in zich. Het ging door haar heen en het was geen gevoel en het liet alleen achter een tegenwerkende onwil in haar, zeer duidelijk.... Pas jaren later zoû zij dien onwil begrijpen....

—Neen Duco, het is beter van niet....

—Denk er nu eens over na, Cornélie.

—Het is beter van niet, herhaalde zij star. Toe, laat ons er niet meer over spreken. Het is beter van niet, maar ik vind het zoo akelig het je te weigeren, omdat jij het verlangt. Ik weiger je anders nooit iets. Ik zoû anders alles voor je willen doen. Maar dit voel ik zoo: het ... is beter ... van niet!

Zij kwam als eéne liefkoozing naar hem toe en omhelsde hem.

—Vraag het mij niet meer. Wat een wolk op je gezicht! Ik zie, dat je er nog altijd over denken zult.

Zij streelde over zijn voorhoofd als om zijn rimpels weg te vegen.

—Denk er niet meer over na. Ik hoû van je, ik hoû van je! Ik wil niets anders dan jou.... Ik ben gelukkig, zooals wij zijn. Waarom jij ook niet? Omdat Gilio grof is geweest en Urania "prim?" Kom je schetsen eens bezien. Ga je gauw aan het werk? Ik vind het heerlijk als je werkt. Dan ga ik weêr wat schrijven: een causerie over een oud Italiaansch kasteel. Mijn souvenirs van San Stefano. Misschien wel een novelle en de pergola als achtergrond. O, die mooie pergola.... Maar gisteren, dat mes! Zeg Duco, ga je weêr werken? Laten wij samen eens zien. Wat had je toen veel ideeën! Maar word niet te symbolistisch: ik meen, krijg niet die trucs, die repetities van je eigen.... Die vrouw hier, die is wel mooi.... Ze loopt zoo in onbewust-zijn die hellende lijn af en die duwende handen om haar heen, en die roode bloemen in den afgrond.... Zeg Duco, wat meende je er meê?

—Ik weet niet: het was mezelf niet heel duidelijk....

—Ik vind het wel mooi, maar ik hoû niet van die schets. Ik weet niet waarom. Ik vind er iets akeligs in. Ik vind die vrouw dom. Ik hoû niet van die hellende lijnen: ik hoû van opgaande lijnen, als in de Banieren. Dat vloeide alles uit den nacht naar boven, naar de zon! Wat was dat mooi! Hoe jammer, dat wij het nu niet meer hebben, dat het verkocht wordt. Als ik schilder was, zoû ik nooit wat kunnen verkoopen. Ik zal de schetsen ervan bewaren, als souvenir. Vindt je het niet vreeslijk, dat wij het niet meer hebben...?

Hij beaamde het: hij miste ook zijn Banieren: hij had ze lief. En hij zocht met haar tusschen de andere studiën en schetsen. Maar behalve de onbewuste vrouw was er niets onder, dat hem duidelijk genoeg was, om uit te werken. En Cornélie wilde niet, dat hij de onbewuste vrouw afmaakte: neen, ze hield niet van die hellende lijnen.... Maar toen vond hij nog schetsen van landschapsstudiën, van wolken en luchten, over de Campagna, Venetië en Napels.

En hij zette zich aan het werk.

Zij waren heel zuinig, zij hadden eenig geld en de maanden droomden voorbij, in den blakenden zomer van Rome. Zij leefden hun vereenzaamd geluksleven voort, zonder iemand anders te zien dan Urania, die een enkelen keer in Rome kwam, hen opzocht, bij hen déjeuneerde in het atelier en 's avonds weêr vertrok. Toen schreef Urania hen, dat Gilio het niet meer uithield te San Stefano, en dat zij op reis gingen, eerst naar Zwitserland, later naar Ostende. Zij kwam nog eenmaal om afscheid te nemen, en toen zagen zij niemand meer.

Vroeger had Duco nog wel eens gekend een enkelen artist, een schilder-landgenoot in Rome: nu kende hij niemand meer, nu zag hij niemand. En hun leven in het koele atelier was als een eenzaam oaze-bestaan te midden van de zonwoestijn van Rome, in Augustus. Zij gingen niet de bergen in, naar een koelere plaats, voor de zuinigheid. Zij gaven niet meer uit dan het allerhoogst noodzakelijke en hunne bohême-armoede was toch geluk in hun decor van tryptiek- en kazuifelkleuren.

Het geld echter bleef schaarsch. Duce verkocht eens een enkele aquarel, maar soms moesten zij wel eens hun toevlucht nemen tot het verkoopen van een bibelot. En het ging Duco altijd zeer aan het hart te scheiden van iets, dat hij verzameld had. Zij hadden weinig behoeften, maar soms moest de huur van het atelier worden betaald. Cornélie schreef soms een brief, een schets, en kocht ervan wat zij noodig had voor haar toilet. Zij had een zekeren chic van dragen, een talent er elegant uit te zien in een oude versleten blouse. Zij was coquet op haar haar, op haar huid, op haar tanden, op haar nagels. Met een nieuwe voile droeg zij een ouden hoed; met een oude wandeljapon, een paar frissche handschoenen, en zij droeg alles met coquetterie. Thuis, in haar rozen peignoir, die geen kleur meer had, had zij een lijn van zoo groote bevalligheid, dat Duco haar telkens schetste. Zij gingen bijna nooit meer naar een restauratie. Cornélie kookte thuis wat, verzon gemakkelijke recepten, haalde een fiasco wijn in de eerste de beste "Olio e vino" waar de koetsiers aan tafeltjes zaten te drinken, en zij aten thuis lekkerder en goedkooper dan in de osteria. En Duco, nu hij niet meer kocht bij de antiquaires aan den Tiber, gaf niets uit. Maar het geld bleef schaarsch. Toen zij eens een zilveren crucifix hadden verkocht, voor veel te weinig geld, was Cornélie zoo ontmoedigd, dat zij snikte aan Duco's borst. Hij troostte haar, streelde heur haar en verklaarde, dat hij niet veel om het crucifix gaf. Maar zij wist, dat het crucifix een heel mooi werk was van een onbekende uit de zestiende eeuw, en dat hij er veel leed van had het niet meer te bezitten. En ernstig zeide zij hem, dat het zoo niet langer kon gaan, dat zij hem, niet tot lastpost kon wezen, en dat zij maar scheiden moesten: dat zij iets zoeken zoû, naar Holland terug zoû gaan.... Hij schrikte van haar wanhoop, en zei, dat het niet hoefde, dat hij wel voor haar zorgen kon, als voor zijn vrouw, maar dat hij nu eenmaal zoo een onpractische jongen was, die niets anders kon dan een beetje kladderen, en niet eens genoeg om er van te leven. Maar zij zeide, dat hij zoo niet spreken mocht, dat hij een groot artist was, die niet had een geldmakende, gemakkelijke vruchtbaarheid, maar daarom des te hooger stond. Zij zeide, dat zij niet van zijn geld wilde leven, dat zij voor zichzelve wilde zorgen. En zij verzamelde de verwaaide resten van hare feministische ideeën. Nog eens vroeg hij haar toe te staan in een huwelijk: zij zouden zich verzoenen met zijn moeder en mevrouw Van der Staal zoû hem weêr geven wat zij hem vroeger gaf, toen hij nog met zijn moeder bij Belloni woonde. Maar zij wilde ten eerste van geen huwelijk weten en ten tweede van geen onderstand van zijn moeder, evenmin als hij geld van Urania wilde. Hoe dikwijls had Urania hun niet haar hulp geboden! Hij had nooit gewild: hij was zelfs boos geweest, toen Urania een blouse aan Cornélie had gegeven, en zij die met een zoen had aangenomen. Neen, het ging niet langer: zij moesten maar scheiden: zij zoû naar Holland terug, iets zoeken. Het was gemakkelijker in Holland dan in den vreemde.... Maar hij was zoo wanhopig, om hun geluk, dat wankelde voor zijn oogen, dat hij haar vasthield aan zijn borst, en ook zij snikte, de armen om zijn hals. Waarom scheiden? vroeg hij. Zij zouden sterker te zamen zijn. Hij kon niet meer buiten haar, zijn leven zoû zonder haar geen leven zijn. Hij leefde vroeger in zijn droom, hij leefde nu in de werkelijkheid van hun geluk.

En het bleef er bij: zijkondenniets veranderen, zij leefden zoo gierig mogelijk, om bij elkaâr te blijven. Hij werkte zijn landschappen af, die hij altijd verkocht, maar hij verkocht ze dadelijk, voor veel te weinig geld, om maar niet behoeven te wachten. Maar toen dreigde weêr het gebrek en zij dacht er over naar Holland te schrijven. Juist echter ontving zij een brief van hare moeder, daarna een brief van eene harer zusters. En zij vroegen haar in die brieven of het waar was, wat men vertelde in Den Haag, dat zij leefde met Van der Staal. Zij had zich altijd zoover beschouwd van Den Haag en de Haagsche menschen, dat zij er nooit over had gedacht, dat haar leven bekend kon worden. Zij sprak zoo niemand, zij kende zoo niemand met Hollandsche relaties.... Hoe dan ook, hare onafhankelijkheid was nu bekend. En zij beantwoordde die brieven in een feministischen toon: zeide hare antipathie tegen het huwelijk, bekende, dat zij leefde met Van der Staal. Zij schreef koel en zakelijk, om in Den Haag indruk te maken als vrije vrouw. Men kende er natuurlijk hare brochure. Maar zij begreep, dat zij nu aan Holland niet meer kon denken. Ze schreef hare familie af. Het scheurde toch nog iets in haar, het onbewuste van familieband. Maar de band was reeds zoo los, door te weinig sympathie, vooral in de dagen van haar scheiding. En zij voelde zich geheel alleen: zij had alleen haar geluk, hare liefde, Duco. O, het was genoeg, het was genoeg voor heel haar leven. Als zij alleen maar geld verdienen kon! Maar hoe? Zij ging naar den Hollandschen consul: zij vroeg hem raad: het gaf niets. Voor liefdezuster was zij ongeschikt: zij wilde dadelijk verdienen en studeeren kon zij niet. In een winkel staan, dat kon zij. En zij bood zich aan, zonder Duco er iets van te zeggen, maar niettegenstaande haar versleten manteltje, vond men haar overal te veel dame, en vond zij het salaris te weinig voor een heelen dag arbeid. En toen zij voelde, dat zij het niet in haar bloed had te werken voor haar brood, trots al hare ideeën, al hare logiek, trots hare brochure en haar vrije-vrouwschap, voelde zij zich radeloos tot wanhoop toe, en terwijl zij naar huis ging, moê, afgebeuld door trappenklimmen en nuttelooze gesprekken van sollicitatie, kwam de oude klacht op hare lippen:

—O God, zèg mij, wat ik doen moet...!!

Urania schreef zij geregeld, naar Zwitserland, naar Ostende, en Urania schreef altijd zoo lief terug en bood hare hulp aan. Maar Cornélie weerde steeds af, bang nu Duco er meê te kwetsen. Zij, voor zich, voelde grootere gemakkelijkheid, vooral nu het tot haar kwam, dat zij toch niet werken kon. Maar zij begreep het in Duco en eerbiedigde het. Voor zich had zij echter aangenomen, nu hare fierheid toch wankelde, nu hare ideeën in-een stortten, te zwak voor den stadigen druk van het steenharde leven. Het was als een groote vinger, die even langs huisjes van kaarten ging: met zorg en trots opgebouwd, viel alles plat neêr bij de minste beroering. Alleen vast bleef staan hare liefde en haar geluk, onwankelbaar te midden der ruïne. O, wat had zij hem lief, hoe eenvoudig waar was hun geluk! Wat was hij haar dierbaar, om zijn zachtheid, om zijne kalmte, zijn gemis aan drift, of zijne zenuwen zich alleen maar gespannen hadden tot het fijner voelen van kunst. Zij voelde zoo heerlijk, dat het onverstoorbaar was, gevonden voor altijd. Zonder dat geluk hadden zij ook nooit van dag tot dag hun moeilijke leven kunnen sleepen. Nu voelden zij die zwaarte niet dagelijks, als trokken zij samen den last, van den eenen dag op den anderen, voort. Nu voelden zij die zwaarte maar soms, als de volgende dag geheel duister was en zij niet wisten waar zij hun levenslast sleepten, in het donkere van die toekomst. Maar zij overwonnen altijd weêr: zij hadden elkaâr te lief om bij den last in-een te zinken. Zij vonden altijd weêr wat moed: glimlachend steunden zij elkanders kracht.

Het werd September, Oktober, en Urania schreef, dat zij terugkwamen te San Stefano en er een paar maanden blijven zouden, voor zij dien winter naar Nice gingen. En op een morgen, onverwachts, kwam Urania in het atelier. Zij vond Cornélie alleen: Duco was naar een kunstkooper. Zij begroetten elkander heel innig.

—Ik ben zoo blij je terug te zien! babbelde Urania vroolijk. Ik ben blij weêr in Italië te zijn en nog een tijd te San Stefano te blijven. En hier is alles als het was, in jullie gezellig atelier? Je bent gelukkig? O, ik behoef het niet te vragen...!

En uitbundig, als een kind, omhelsde zij Cornélie, nooit kracht vindende af te keuren het al te vrije leven van hare vriendin, en vooral niet nu, na haar eigen zomer te Ostende... Zij zaten naast elkaâr op den divan, Cornélie in haar ouden peignoir, dien zij droeg met hare geheel eigen gratie, en de jonge prinses in haar lichtgrijs tailorpak, dat zeer nieuwerwetsch plakte om hare vormen, ruischend van zwaar zijden voering, met haar hoed van zilverpailletten en zwarte veêren, hare bejuweelde vingers, spelende met een zeer langen horlogeketting, die zij droeg om den hals: de laatste mode-nieuwigheid. Cornélie kon bewonderen zonder ijverzucht en zij liet Urania opstaan, draaien voor haar heen, vond den snit van haar rok mooi; zei, dat haar hoed haar allerliefst stond en bekeek met aandacht de ketting. En zij verdiepte zich in die chiffons: Urania beschreef toiletten van Ostende ... en Urania bewonderde Cornélie's ouden peignoir. Cornélie lachte. Na Ostende vooral, niet waar? lachte zij vroolijk. Maar Urania, ernstig, meende het: Cornélie droeg dat met een chic! En van topic veranderend, zeide zij, dat zij heel ernstig spreken wilde. Dat zij misschien iets voor Cornélie wist, nu deze nooit haar—Urania's —hulp wilde aannemen. In Ostende had zij kennis gemaakt met een oude Amerikaansche dame, Mrs. Uxeley, een type. Zij was negentig jaar en woonde 's winters in Nice. Zij was schat- en schatrijk: een petroleum-koninginne-vermogen. Zij was negentig, maar deed nog steeds of zij vijf-en-veertig was. Zij ging uit, kwam in de wereld, coquetteerde. Men lachte haar uit, maar men accepteerde haar, om haar geld en haar prachtige feesten. In Nice kwam de geheele cosmopolitische kolonie ten harent. Urania haalde een casino-blaadje van Ostende te voorschijn en las voor een journalistisch mededeelinkje over een bal in Ostende, waarin Mrs. Uxeley genoemd werd: la femme la plus élégante d'Ostende. De journalist had daar item zooveel voor gekregen, de geheele wereld lachte er om en amuzeerde zich. Mrs. Uxeley was een karikatuur, maar met genoeg tact om als ernst aangenomen te worden. Nu, en Mrs. Uxeley zocht iemand. Zij had altijd bij zich een dame, een jong meisje, een jonge vrouw, als gezelschap, en tallooze dames hadden elkaâr al bij haar afgewisseld. Zij had nichten bij zich gehad, verre nichten, heel verre nichten en geheel vreemden. Zij was lastig, capricieus, onmogelijk: het was algemeen bekend. Wilde Cornélie het eens probeeren? Urania had er al met Mrs. Uxeley over gesproken en hare vriendin gerecommandeerd. Cornélie vond het niet erg aanlokkelijk. Maar er was over te denken. Mrs. Uxeley's gezelschapsdame bleef tot November, tot "the old thing" over Parijs naar Nice terugging. En in Nice zouden zij elkaâr veel zien, Cornélie en Urania. Maar Cornélie vond het vreeslijk Duco te verlaten. Zij dacht, dat het nooit gaan zoû Zij hielden zoo van elkaâr, zij waren zoo aan elkaâr gewend. Finantieel zoû het alles heel goed zijn—een gemakkelijk leven, dat haar toelachte na dien knak harer moreele fierheid—maar zij kon er niet aan denken Duco te verlaten. En wat zoû Duco in Nice doen! Neen, zij kon, zij kon niet: zij bleef bij hem.... Zij voelde een onwil te gaan, als een hand, die haar tegenhield. Zij zei Urania de oude dame maar af te schrijven, iemand anders te zoeken. Zij kon niet. Wat had zij aan zulk een leven—afhankelijk, maar finantieel onafhankelijk—zonder Duco! En toen Urania weg was—zij ging door naar San Stefano—was Cornélie blij, dadelijk geweigerd te hebben dit domme gemakkelijke afhankelijke leven van dame-de-compagnie bij een oude rijke toot. Zij zag rond in het atelier. Zij had het lief met zijne mooie kleuren, zijn edele oude dingen, en achter dat gordijn haar bed, achter dat schutsel haar petroleumstel, als een keukentje. Het was, in zijn bohême van kostbare bibelots en zeer primitief comfort, haar onmisbaar geworden, haar home. En toen Duco thuis kwam, en zij hem omhelsde, vertelde zij hem van Urania en Mrs. Uxeley, blij te kunnen nestelen tegen hem aan. Hij had een paar aquarellen verkocht. Er was totaal geen reden hem te verlaten. Hij wilde het ook niet, hij zoû het nooit willen. En zij hielden elkaâr vast omhelsd, als voelden zij iets, dat hen zoû kunnen scheiden, een onafwendbare noodzakelijkheid, of handen zweefden rondom hen heen, hen duwende, hen leidende, hen tegenhoudende en verdedigende, een strijd van handen, als een wolk om hen beiden; handen, die met geweld zochten te splitsen hun glinstere levenslijn, hun samengesmolten levenslijn, als was die te smal voor hunne beider voeten, en de handen ze wringen zouden uiteen, om in twee spiralen de groote lijn uiteen te laten slingeren. Zij zeiden niets: in elkanders armen zagen zij het leven aan, huiverden zij voor de handen, voelden zij het naderen van den dwang, die al dichter wolkte om hen heen. Maar zij voelden zich warm tegen elkaâr: nauw in hunne omhelzing sloten zij hun klein geluk, verborgen zij het tusschen henbeiden in, opdat de handen het niet zouden aanwijzen, beroeren, duwen....

En onder hun vasten staarblik deinsde het leven zachtjes terug, loste de wolk op, verijlden, verdwenen de handen, en eene verlichting zuchtte op uit hunne borsten, terwijl zij stil liggen bleef tegen hem aan, en de oogen sloot, als om te slapen....

Maar het dwingende leven kwam terug, de zwevende handen verschenen weêr, als een zacht geheimzinnig geweld. Cornélie weende bitter en bekende het zich, en bekende het Duco: het ging niet langer. Zij hadden éen oogenblik niet genoeg om de huur van het atelier te betalen en moesten zich wenden tot Urania. In het atelier waren leêgten gekomen, kleuren verijld, door het verkoopen van dingen, die Duco met teederheid en opoffering had verzameld. Maar de engel van Lippo Memmi, dien hij niet verkoopen wilde, bleef met zijn gebaar van lelie-reiken, in zijn brokaten goudmantel nog stralen als altijd. Om hem heen gaapten treurige vakken wand, waren spijkers blootgekomen. Eerst poogden zij nog anders te schikken, maar de lust hiertoe verging. En als zij zaten bij elkaâr, in elkanders armen, voelende hun klein geluk, maar ook den dwang van het met handen duwende leven, sloten zij de oogen, om het atelier niet te zien, dat scheen te brokkelen rondom hen heen, waar met de eerste koelere dagen een zonnelooze kilte huiverend neêrviel van het plafond, dat hooger en verder scheen, en waar de schildersezel, leêg, wachtte. Zij sloten beiden de oogen, en bleven zoo, zich, trots de kracht van hun geluk, hunne liefde, voelende langzaam-aan overwinnen door het leven, dat zoo gestadig dwong en hun iederen dag iets ontnam. Eens, toen zij zoo zaten, vielen hun armen slap, viel hun omhelzing uit elkaâr, als trokken handen hen van elkaâr af. Zij bleven lang zitten staren, naast elkaâr, zonder elkaâr aan te roeren. Toen snikte zij luid op en wierp zich met haar gezicht op zijn knieën. Er was niets meer aan te doen: het leven was sterker, het sprakelooze leven, het zacht-gestadig dwingende leven, dat met zoovele handen rondom hen was. En het was of hun klein geluk hun ontviel, als een engelachtig kind, dat gestorven was, en aan hunne omhelzing was ontzonken.

Zij zeide, dat zij Urania zoû schrijven: de Forte-Braccio's waren te Nice. Hij, mat, stemde toe. En zoodra zij antwoord had, pakte zij werktuigelijk haar koffer, pakte zij haar oude kleêren in. Want Urania schreef haar te komen, en dat Mrs. Uxeley haar wilde zien. Mrs. Uxeley zond haar het reisgeld. Zij was in een radeloozen toestand van telkens opsnikkende zenuwachtigheid, en zij voelde zich als scheuren van hem weg, scheuren uit dat home, dat haar lief was, en dat brokkelde om hen heen, alleen door hàre schuld. Toen zij den aan geteekenden brief met het reisgeld ontving kreeg zij een zenuwtoeval, klaagde als een kind tegen hem aan, dat zij niet kon, dat zij niet woû, dat zij niet zonder hem kon leven, dat zij hem lief had voor eeuwig, voor eeuwig, dat zij sterven zoû, zoo ver van hem. Zij lag op den divan, haar beenen stijf, haar armen stijf, en zij schreeuwde met een verwrongen mond als van lichamelijke pijn. Hij suste haar in zijn armen, bette haar hoofd, liet haar ether drinken, troostte haar, zei, dat het later alles goed weêr zoû worden.... Later.... Zij zag hem wezenloos aan. Zij was als krankzinnig van smart. Zij gooide alles weêr uit haar koffer, door het vertrek, linnengoed, blouses, en lachte, en lachte.... Hij bezwoer haar zich te beheerschen. Toen zij zijn ontdaan gezicht zag, toen ook hij snikte tegen haar aan, pakte zij hem vast tegen zich, zoende hem, troostte hem op hare beurt En alles viel mat, slap, in haar neêr.... Zij pakten beiden den koffer weêr in. Toen zag zij rond en schikte in een vlaag van energie het atelier voor hèm, liet haar bed wegnemen, bevestigde zijn eigen schetsen aan den wand, poogde iets op te bouwen, van wat rondom hen heen was in-een gebrokkeld, schikte alles anders, deed haar best. Zij kookte hun laatste maal, zij stookte het vuur op.... Maar een radelooze dreiging van eenzaamheid en verlatenheid heerschte al rond. Het ging niet, het ging niet.... Snikkende sliepen zij in, in elkanders armen, nauw tegen elkaâr aan. Dien volgenden morgen bracht hij haar naar het station. En toen zij ingestegen was, in haar coupé, konden zij beiden zich niet beheerschen. Zij omhelsden elkaâr snikkende, terwijl de conducteur al het portier wilde sluiten. Zij zag hem wegloopen als een gek, dwars door de drukke menigte duwende, en zij wierp zich van smart brekende, achterover. Zij was zoo benauwd, op het punt flauw te vallen, dat eene dame naast haar hielp, haar gezicht waschte met Eau de Cologne....

Zij dankte, verontschuldigde zich, en ziende de andere reizigers haar aanstaren met deelneming, beheerschte zij zich, en viel mat ineen, en tuurde wezenloos door het raam. Zij spoorde door, zij hield nergens op, alleen stapte zij uit om van trein te verwisselen. Hoewel hongerig, had zij geen energie aan de stations iets te bestellen. Zij at niets, zij dronk niets. Zij spoorde een dag, een nacht, en kwam den volgenden avond laat te Nice. Urania was aan het station en schrikte omdat Cornélie er grauwbleek uitzag, doodmoê, hol van oogen. En zij was allerliefst; zij nam Cornélie meê naar huis, verzorgde haar een paar dagen, deed haar blijven te bed, en ging zelve Mrs. Uxeley zeggen, dat haar vriendin te ongesteld was om zich aan te melden. Gilio kwam Cornélie even zijne opwachting maken, en zij kon niet anders dan hem danken voor die dagen van gastvrijheid en zorg onder zijn dak. En de jonge prinses was als een zuster, was als een moeder, en kweekte Cornélie op met melk, met eieren, met versterkende middelen. Zij liet alles gewillig met zich doen, mat, onverschillig, en zij at, om Urania lief te zijn. Na enkele dagen, zeide Urania, dat Mrs. Uxeley dien middag een visite kwam maken, benieuwd hare nieuwe gezelschapsdame te zien. Mrs. Uxeley was nu alleen, maar zij kon wachten tot Cornélie hersteld was. Cornélie kleedde zich zoo goed mogelijk aan en wachtte met Urania de oude dame af. Zij kwam met uitbundigheid binnen, in een vloed van woorden, en Cornélie kon, in het schemerlicht van Urania's salon zich niet verwezenlijken, dat zij negentig jaar was. Urania knipoogde tegen Cornélie, maar deze glimlachte flauw: zij zag op tegen dit eerste onderhoud. Maar Mrs. Uxeley, zeker omdat Cornélie de vriendin was van de prinses di Forte-Braccio, was heel gemakkelijk, heel aardig, zonder neêrbuigendheid tegen haar aanstaande dame-de-compagnie; vroeg naar Cornélie's gezondheid in een vermoeiende uitbundigheid van uitroepjes en zinnetjes en raadgevingen. Cornélie, in het schemerlicht der staande kant-omkapte lampen, nam haar met den blik op, en zag een vrouw, vijftig, de rimpeltjes zorgvuldig bijgepoeierd, in een mauve fluweelen toilet met dof goud en pailletten en kralen gewerkt, op den bruinen geönduleerden chignon een hoed met witte aigrette. Telkens twinkelden hare juweelen omdat zij heel bewegelijk was, heel druk. Nu nam zij Cornélie's hand en begon intiem te praten.... Dus overmorgen zoû Cornélie komen? Goed. Zij was gewoon honderd dollars in de maand te geven, of vijfhonderd francs, nooit minder, maar ook nooit meer. Maar zij begreep, dat Cornélie nu iets noodig had, voor nieuwe toiletten: of zij dan maar aan dit adres bestellen wilde, wat zij noodig had, voor rekening van Mrs. Uxeley. Een paar baltoiletten, een paar minder gekleedde avondtoiletten, enfin, alles. De prinses Urania zoû haar dat wel zeggen, en wel met haar willen meêgaan. En zij stond op, pogende jong te doen, minaudeerend met haar face-à-main, maar onderwijl zich steunende met haar parasol, zich gymnastisch opwerkende aan den stok van haar parasol, met een plotselingen trek van rheumatische pijn, die allerlei rimpels ontdekte. Urania geleidde haar tot den corridor, en kwam gierende terug, en ook Cornélie lachte, heel matjes. Het kon haar alles niets schelen: zij was meer verbaasd over Mrs. Uxeley, dan dat zij haar komisch vond. Negentig jaar! Negentig jaar!! Wat een energie, een beter doel waardig, om elegant te willen blijven: la femme la plus élégante d'Ostende!!

Negentig jaar! Wat moest die vrouw lijden, de uren van haar langdurig toilet, dat zij zich karikaturizeerde tot dit type. Urania zeide, dat alles valsch was, haar haren, haar décolletage! En Cornélie voelde een walging voortaan te moeten leven naast die vrouw, als naast eene onwaardigheid. In haar geluk van liefde was veel van haar energie verzwakt, alsof hun twee-geluk—van Duco en van haar—haar ongeschikter had gemaakt voor verderen levensstrijd en haar verweekt, had in zijn heerlijkheid, maar het had in haar ziel iets verfijnd en verpuurd en zij walgde van zooveel schijn voor zoo klein en ijdel een doel. En het was alleen de noodzakelijkheid zelve—de geleidelijkheid van de dingen des levens, die dreef en zacht haar met leidenden vinger duwde langs eene nu eenzaam uitslingerende levenslijn—de noodzakelijkheid, die haar kracht gaf haar verdriet, haar verlangen, haar heimwee naar alles wat zij verlaten had, diep te bergen in zichzelve. Zij sprak er maar niet meer over met Urania. Urania was zoo blij haar te zien, beschouwde haar als een goede vriendin, in de eenzaamheid van haar groot leven, in het izolement te midden der aristocratische kennissen. Urania was vol ijver met haar naar naaisters en winkels te gaan en hielp haar kiezen haar nieuwen trousseau. Het kon haar niet schelen. Zij, elegante vrouw, ingeboren elegant, die in haar uiterlijk zich steeds verdedigd had tegen de armoede, die met een frisch lint een oude blouse gracieus wist te dragen, in de dagen van haar geluk, zij was totaal onverschillig over alles wat zij nu kocht voor rekening van Mrs. Uxeley. Het was haar als was het niet voor haar. Zij liet Urania vragen, kiezen, zij vond alles goed. Zij paste als een pop. Het hinderde haar zooveel te moeten uitgeven op rekening van een vreemde. Zij voelde zich gezonken, vernederd: al haar fiere levenstrots was weg. Zij was bang voor wat men van haar denken zoû in den kring van Mrs. Uxeley's kennissen, of men zoû weten van haar vrije ideeën, van haar samenleven met Duco, zij was bang voor Mrs. Uxeley's opinie. Want Urania had eerlijk moeten zijn en alles verteld. Alleen door Urania's warme recommandatie was zij door Mrs. Uxeley nog aangenomen. Zij voelde zich misplaatst, nu zij weêr meê zoû moeten doen met al die menschen, en zij was bang zich bloot te zullen geven. Zij zoû comedie moeten spelen, hare ideeën maskeeren, hare woorden bedenken, en zij was het niet meer gewoon. En alles om dat geld. Alles omdat zij geen kracht had gehad naast Duco haar eigen brood te verdienen, en, hem, blij, onafhankelijk, op te wekken in zijn arbeid, in zijn kunst. O, als zij maar gekund had, gevonden had, wat zoû zij gelukkig geweest zijn. Als zij maar niet in zich had laten kankeren de ellendige loomte van haar bloed, van haar opvoeding, haar brillante salon-educatie-loomte, die haar ongeschikt maakte tot wat ook! In haar bloed was zij zoowel een vrouw van liefde als een vrouw van luxe, maar zij was meer liefde dan luxe: zij kon gelukkig zijn met het hoogst eenvoudige als zij maar kon liefhebben. En nu had het leven haar weggescheurd van hem, langzaam aan, maar onverbiddelijk. En nu had zij luxe, afhankelijke luxe, en het voldeed aan haar bloed niet meer, omdat zij haar ziel niet voldoen kon. Eene rampzalige ontevredenheid woekerde op in die eenzame ziel. Het eenige geluk, dat zij had, waren zijn brieven, zijn lange brieven, brieven van verlangen, maar ook brieven van troost. Hij schreef haar zijn verlangen, maar hij schreef haar ook moed en hoop in. Hij schreef haar iederen dag. Hij was nu in Florence, en zocht zijn troost in Uffizie en Pitti. In Rome had hij niet kunnen blijven, het atelier was nu gesloten. In Florence was hij iets dichter bij haar. En zijn brieven waren haar als een liefdeboek, de eenige roman, dien zij las, en het was of zij in zijn stijl zijn landschappen zag, de zelfde wazigheid van kleur-emotie, het parelen blanke en de droomwazige lichte verte: de horizon van zijn verlangen, of zijn oogen steeds uitgingen naar den einder, waar zij in den nacht van hun scheiden verdwenen was als in paarsgrauwen zonsondergang; een lucht van de droeve Campagna. In die brieven nog leefden zij samen. Maar zij kon hem zoo niet schrijven. Hoewel zij hem iederen dag schreef, schreef zij kort, in andere woorden altijd het zelfde: haar verlangen, haar matte onverschilligheid. Maar zij schreef haar geluk om zijn brieven, die waren als haar dagelijksch brood.

Zij was nu bij Mrs. Uxeley en bewoonde in de reusachtige villa twee lieve kamers, die uitzagen op de zee en op de Promenade des Anglais. Urania had haar geholpen ze te arrangeeren. En zij leefde als in een oneigenlijken droom van vreemdheid, van niet bestaan met haar ziel, van ongeleefd handelen en gebaren; volgens den wil van andere menschen. Des morgens zocht zij Mrs. Uxeley op in haar boudoir, en las haar voor Amerikaansche en Fransche couranten, en soms iets uit een Fransch romannetje. Zij deed nederig haar best. Mrs. Uxeley vond, dat zij prettig las, maar zei alleen, dat ze wat vroolijk moest worden, dat haar treurige dagen nu waren voorbij. Van Duco werd niet gesproken en Mrs. Uxeley deed of zij niets wist. Het groote boudoir, de balkondeuren open, zag uit op de zee, waarop de Promenade, de morgenwandeling al begon, kleurig en vlakkerig van parasols, fijn scheltjes tegen de diepblauwe zee, een zee, van luxe, water van weelde, golfjes, die als veel geld schenen te kosten, vóór zij bevalligjes verkozen aan te schuiven. De oude dame, al geverfd, haar pruik op, een witte kant over die pruik voor den tocht, lag in de zwarte en witte kanten van haar witten zijden peignoir op de hoop kussens harer chaise-longue. In hare gerimpelde hand de face-à-main, waarop haar initialen in diamanten, amuzeerde het haar te turen naar de schelle vlakjes der parasols buiten. Nu en dan vertrok zij, bij een rheumatischen scheut, in eens het gezicht tot ééne verkreukeling van rimpel, waaronder de strakke maquillage bijna brak, als gekrakeld porcelein. In het daglicht was zij bijna niet meer levend, scheen zij een automatische, in elkaâr geleede pop van verdorde ledematen, die mechanisch nog sprak en gebaarde. Zij was 's morgens altijd wat moê, zij sliep 's nachts nooit; na elven maakte zij een dutje. Zij leefde volgens een streng régime, en haar dokter, die haar iederen dag bezocht, scheen haar iederen dag weêr wat te doen opleven, zoodat zij den avond haalde. 's Middags toerde zij, steeg uit bij de Jetée, maakte hare visites. Maar 's avonds leefde zij op, met iets van werkelijk leven, kleedde zich, deed haar juweelen aan, en kreeg hare uitbundigheid terug, haar uitroepjes, en minauderietjes.... Dan waren het bals, feesten, de comedie. Dan was zij niet ouder dan vijftig jaar.

Maar dat waren de goede dagen. Soms na een nacht van onduldbare pijnen, bleef zij in haar slaapkamer, de maquillage van den vorigen dag niet bijgewerkt, over haar kale hoofd een zwarte kant, in een zwart satijnen morgenjas, die als een gemakkelijke zak om haar hing, en zij kreunde, gilde, schreeuwde, en scheen genade te smeeken voor haar marteling. Dit duurde een paar dagen, en was geregeld iedere drie weken: dan leefde zij weêr langzaam op.

Haar drukke conversatie bepaalde zich bij een geregeld terugkomende bespreking en kritiek van allerlei familie-aangelegenheden. Zij legde Cornélie uit al de familie-betrekkingen van haar kennissen, Amerikaansche en Europeesche, maar vooral weidde zij uit over de groote Europeesche families, die zij onder hare kennissen telde. Cornélie kon er nooit naar hooren, en vergat de relaties weêr dadelijk. Het was soms ondragelijk vervelend zoo lang aan te moeten hooren, en alleen daarom, als gedwongen, vond Cornélie kracht zelve wat te praten, een anecdote te vertellen, een verhaal te doen. Toen zij zag, dat de oude vrouw erg gevoelig was voor anecdotes, raadsels, woordspelingen, vooral met ondeugende tint, verzamelde zij er zooveel zij kon uit de Vie Parisienne, het Journal pour Rire, en had ze altijd bij de hand. En Mrs. Uxeley vond haar amuzant. Eens, daar zij wel merkte Duco's dagelijkschen brief, maakte zij eene toespeling, en Cornélie vond eensklaps uit, dat zij verging van nieuwsgierigheid. Toen vertelde zij rustig de waarheid: haar huwelijk, hare scheiding, hare vrije ideeën, hare ontmoeting en haar leven met Duco. De oude vrouw was een beetje teleurgesteld, omdat Cornélie er zoo eenvoudig over sprak. Zij gaf alleen den raad zich nu correct te houden. Wat de kennissen praatten over vroeger, kwam er minder op aan. Maar nu mocht er geen aanstoot zijn. Cornélie, nederig, beloofde. En Mrs. Uxeley toonde haar albums, haar eigen portretten van jonge vrouw af, en de portretten van allerlei mannen. En zij vertelde van dien vriend en dien vriend, en zij liet, ijdel, iets schemeren van een zeer woelig verleden. Maar zij had zich altijd correct gehouden.... Dat was haar trots. Zooals Cornélie gedaan had, was niet goed....

Een verlossing was het uur van elven tot half een. Dan sliep de oude vrouw geregeld—haar eenige slaap—en dan kwam Urania Cornélie halen. Zij toerden wat of wandelden op de Promenade of zaten in den Jardin Public. En het was het eenige oogenblik, dat Cornélie iets van hare nieuwe luxe waardeerde en dat ze eenigszins hare ijdelheid streelde. De wandelaars zagen om naar de twee mooie jonge vrouwen in hare keurige laken toiletten, wier modieus gehoede kopjes zich terugtrokken in de schemering der parasols en zij bewonderden de glinsterende victoria, de onberispelijke liverei en de schimmels van de prinses di Forte-Braccio.

Gilio was tegenover Cornélie ingehouden en bescheiden. Hij was beleefd maar op een hoffelijken afstand, als hij zich een oogenblik voegde bij de twee dames in den tuin of op Jetée. Zij was na den nacht in de pergola, na het plotselinge schitteren van zijn driftig mes, bang voor hem, ook omdat zij veel van haar moed en hare fierheid had verloren. Maar zij kon hem niet koeler antwoorden dan zij deed, omdat zij hem dankbaar was, hem, evenals Urania, voor de zorg der eerste dagen, voor den tact, waarmeê zij haar niet dadelijk aan Mrs. Uxeley hadden overgelaten, maar haar ten hunnent hadden gehouden tot zij wat kracht had terug gewonnen.

In die vrije morgens, dat zij zich verlost voelde van die karikatuur van haar leven, van de oude vrouw—ijdel, egoïst, onbeduidend, belachelijk—voelde zij zich in de vriendschap van Urania komen tot zichzelve, werd zij het zich bewust in Nice te zijn, zag zij de kleurige drukte rondom zich heen met helderder oogen aan en verloor zij de oneigenlijkheid der eerste dagen. Het was dan of zij voor het eerst zichzelve weêr zag, in haar licht laken wandelpak, zittende in den Tuin, hare geschoeide vingers spelende met de kwasten van haar parasol. Zij kon nog nauwlijks aan zich gelooven, maar zij zag zich. Diep in zich, ook voor Urania verborgen, borg zij haar verlangen, haar heimwee: hare benauwende ontevredenheid. Het was soms of zij stikken zoû. Maar zij hoorde naar Urania, en praatte en lachte meê en zij zag lachend naar Gilio op, die voor haar stond, te dandineeren op de punten van zijn schoenen, tusschen de handen, op zijn rug, bengelende zijn wandelstok. Soms plotseling—vizioen, dwarrelend door de menigte heen—zag zij Duco, het atelier, haar geluk der verledene dagen wegwazen, éen kort oogenblik. Dan voelde zij met de tippen der vingers tusschen de kanten strookjes, die voor in haar bolero fronselden, zijn brief van dien morgen en kreukelde even de stugge enveloppe aan tegen haar borst, als iets van hem, dat haar liefkoosde.

En het was niet te ontkennen: zij zag zich, en Nice om zich, zij voelde-aan haar nieuwe leven: het was geen oneigenlijkheid, al was het voor haar ziel geen werkelijkheid: het was verdrietige komedie, waarin zij mat, moê, zwak, lusteloos,—meêspeelde.

Het was alles streng, als volgens régime geregeld, en de minste wijziging was niet mogelijk: alles was vastgesteld als volgens een wet. Het lezen van de courant, haar anderhalf vrij uur; dan de lunch, na het lunch de toer, de Jetée, de visites; iederen dag die visites, afternoon-tea's; een enkelen keer een diner, 's avonds meestal een bal, een soirée, een comedie. Zij maakte bij tientallen nieuwe kennissen en vergat ze weêr dadelijk, en wist niet meer, als zij ze weêrzag, of zij ze kende, ja of niet. Over het algemeen kwam men haar vrij wel te gemoet in dien kring van cosmopolitisme, omdat men wist, dat zij een intime vriendin van de prinses Urania was. Maar evenals Urania zelve ondervond zij van den vrouwelijken kant der oude Italiaansche namen en titels, die soms opschitterden in dien kring, een verpletterenden hoogmoed en minachting. De heeren lieten zich steeds aan haar voorstellen, maar zoo zij zich soms aan hun dames liet voorstellen, was een vage verwonderde hoofdknik de eenige tegemoetkoming. Het kon haar zelve weinig schelen, maar zij had medelijden met Urania. Want zij zag duidelijk, soms op Urania's eigen soirées, hoe zij haar nauwlijks als de gastvrouw telden, hoe zij Gilio omringden en fêteerden, maar zijn vrouw alleen even gaven de beleefdheid, die haar als de prinses di Forte-Braccio toekwam, zonder ooit te vergeten, dat zij miss Hope was. En voor Urania was die kleinachting moeilijker door te maken dan voor haarzelve. Want zij nam haar rol van gezelschapsdame aan. Zij hield Mrs. Uxeley steeds in het oog, voegde zich in den loop van den avond telkens een oogenblik bij haar, haalde in een ander salon een waaier, dien Mrs. Uxeley vergeten had, bewees telkens den een of anderen kleinen dienst. Dan zette zij zich, alleen in het druk gonzende salon, tegen den muur en zij zag onverschillig voor zich uit. Zij zat, steeds zeer elegant gekleed, in een houding van gracieuze onverschilligheid en matte verveling, tippende met haar voetje, of ontplooiende haren waaier. Zij nam van niemand notitie. Soms kwamen dan een paar heeren naar haar toe, en zij sprak met ze, of danste even, onverschillig als verleende zij een gunst. Eens, dat Gilio met haar sprak, zij zittende en hij staande, en de hertogin di Luca en de gravin Costi beiden op hem toekwamen, en met hem, staande, begonnen uitbundig gekheid te maken, zonder haar met een woord, met een blik te verwaardigen, bleef zij de dames eerst met een spottende ironie aankijken, van het hoofd tot de voeten, en weêr van de voeten tot het hoofd, stond eindelijk langzaam op, nam Gilio's arm en zeide, met haar blik, die uit haar toegeknepen oogen hatelijk uitpriemde als een naald:

—Pardon ... maar u zult mij excuzeeren als ik u den prins di Forte-Braccio weêr ontneem, want ik heb even intiem met hem te spreken....

En met den drang van haar arm deed zij Gilio twee passen voortgaan, zette zich, dadelijk, weêr neêr, deed hem naast zich zitten en begon heel vertrouwelijk met hem te fluisteren, terwijl zij de hertogin en de gravin op twee meter afstand in stupefactie over haar brutaliteit met open mond liet alleen staan en nog daarenboven tusschen haar en die dames haar sleep wijd uitplooide en haar waaier wijd wuivend tewoog, als om een afstand te bewaren. Zij kon zoo iets doen met zoo veel kalmte, zooveel tact en hoogheid, dat het Gilio dol amuzeerde, en hij er met haar om gichelde van genot.

—Zoo moest Urania ook eens kunnen doen, zeide hij, dankbaar als een kind voor dit amuzement, dat zij hem gegeven had.

—Urania is te lief om zoo hatelijk te kunnen zijn, antwoordde zij.

Zij maakte zich niet bemind, maar men werd bang voor haar, bang voor haar rustige hatelijkheid en men vermeed haar in het vervolg te kwetsen. Daarbij, de heeren vonden haar mooi en aardig, tevens toegelokt door haar onverschillige hoogheid. En zonder het eigenlijk te willen, veroverde zij zich een pozitie, schijnbaar met de grootste diplomatie en in werkelijkheid natuurlijk, geleidelijk-weg. Terwijl Mrs. Uxeley's egoïsme gestreeld werd door haar kleine attenties, die zij plichtmatig nooit vergat en die zij bewees met iets alleraardigst jong-moederlijks, waartegen Mrs. Uxeley het eenvoudig heerlijk vond als een jong meisje te minaudeeren, kreeg zij langzamerhand op die avonden een cour van heeren om zich heen, en werden de dames zoetsappig beleefd. Urania zeide haar dikwijls hoe knap zij haar vond, hoeveel tact zij toch had. Cornélie haalde de schouders op: het ging alles van zelve, en eigenlijk kon het haar niet schelen. Maar toch, langzamerhand, herwon zij iets van hare vroolijkheid. Als zij zich staan zag in den spiegel over haar, kon zij zich niet anders dan bekennen, dat zij zoo mooi was, als zij nog nooit was geweest, niet als jong meisje, niet als pas getrouwde vrouw. Haar lang rank figuur had een lijn van fierheid en loomte, die haar een bizondere gratie gaf; haar hals was edeler, haar boezem voller, haar middel in deze nieuwe toiletten, slanker, haar heupen waren zwaarder, haar armen molliger geworden, en al had zij niet meer dien glans, dat geluk over haar gelaat, als zij het te Rome gehad had, de spotglimlach, de onverschillige ironie, gaven haar voor die vreemde mannen iets aantrekkelijks, iets dat lokte en tartte, als de grootste coquetterie niet gedaan zoû hebben. En Cornélie had hier niet naar verlangd, maar nu het van zelve kwam, nam zij het aan. Het was niet in haar bloed het te weigeren. En daarbij, Mrs. Uxeley was tevreden met haar. Cornélie kon zoo lief tegen haar fluisteren: mevrouwtje, u heeft gisteren zoo een pijn gehad, zoû u van avond niet wat vroeger naar huis gaan? en dan minaudeerde Mrs. Uxeley, als een meisje, dat door haar moeder vermaand werd van avond niet te veel te dansen. Zij vond die maniertjes heerlijk, en Cornélie, onverschillig, gaf haar wat zij verlangde. En ze amuzeerden haar meer die avonden, maar ze amuzeerden haar met zelfverwijt zoodra zij aan Duco dacht, aan hun scheiding, aan Rome, aan het atelier, aan het geluk der verledene dagen, dat zij door hare zwakte verloren had.

Er waren zoo een paar maanden voorbij gegaan, het was Januari en het waren drukke dagen voor Cornélie, want Mrs. Uxeley zoû spoedig een van hare beroemde feesten geven, en Cornélie's vrije morgenuren waren thans ingenomen met het doen van allerlei boodschappen. Meestal reed Urania met haar meê en vond zij bij Urania steun. Zij moesten gaan bij behangers, bij banketbakkers, bij bloemisten en bij juweliers, waar Cornélie en Urania cadeaux uitkozen voor den cotillon. Mrs. Uxeley ging er nooit voor uit, maar bemoeide zich thuis met iedere kleinigheid en het waren eindelooze besprekingen, en het waren na die besprekingen weêr ritten naar de winkels, want de oude dame was alles behalve gemakkelijk, ijdel op haar feestroem, en bang dien door de kleinste nalatigheid te verliezen.

Op een van die ritten, terwijl de victoria de Avenue de la Gare insloeg, schrikte Cornélie zoo hevig, dat zij Urania bij den arm vastgreep en een uitroep niet weêrhouden kon. Urania vroeg haar wat zij gezien had, maar zij kon niet spreken, en Urania deed haar uitstappen bij een confiseur, om een glas water te drinken. Zij was op het punt flauw te vallen en zag spierwit. Het was haar niet mogelijk hare boodschappen verder af te doen, en zij reden terug naar de villa van Mrs. Uxeley. De oude dame was niet tevreden over die plotselinge flauwte en bromde zoo, dat Urania alleen de verdere boodschappen ging doen. Dien middag echter was Cornélie hersteld, maakte zij hare excuses, en vergezelde Mrs. Uxeley naar een afternoon-tea.

Den volgenden dag, toen zij met Mrs. Uxeley en een paar kennissen zat op de Jetée, scheen zij ook weêr dat zelfde te zien. Zij werd spierwit, maar hield zich goed, en lachte en praatte vroolijk. Het waren de dagen der toebereidselen. De datum van het feest naderde; eindelijk was de avond daar. Mrs. Uxeley trilde van zenuwachtigheid als een jong meisje, en vond de kracht de geheele villa door te loopen, die één licht was en één bloem. En met een zucht van voldoening zette zij zich een oogenblik. Zij was gekleed. Haar gezicht was glad als porcelein, het haar, geönduleerd, schitterende van diamanten pinnen. Zij was laag gedecolleteerd in een japon van lichtblauw brokaat, en zij schitterde als een reliquie-schrijn. Een telkens omslingerend snoer van fabuleuze parelen hing tot over haar buik. In de hand—de handschoenen nog niet aan—had zij een wandelstok met gouden knop, haar onmisbaar om op te staan. En alleen als zij opstond, had zij haar ouderdom, als zij zich gymnastisch werkte omhoog, met die pijn op haar gezicht, dien rhumatiekscheut, die haar doorkrinkelde. Cornélie, nog ongekleed, na een laatsten blik over de villa, blakend van licht, bezwijmelend van bloemen, repte zich naar hare kamer, en zonk, al moê, in den stoel voor haar toilet, om zich vlug te laten kappen. Zij was zenuwachtig en haastte de kamenier. Zij was juist klaar, toen de eerste gasten kwamen, en zij zich kon voegen bij Mrs. Uxeley. En de rijtuigen rolden aan; Cornélie, boven aan de monumentale trap, blikte in de hal-vestibule, waar men binnenstroomde, de dames nog in hare lange sorties—bijna nog kostbaarder dan hare japonnen,—en die zij met zorg afgaven in de druk gonzende vestiaire. En de eerste gasten kwamen de trappen op, wachtende om niet de allereerste te zijn, en tegengeglimlacht door Mrs. Uxeley. De salons vulden zich spoedig. Behalve de receptiezalen waren de eigen kamers der gastvrouw open en schakelde zich een suite van twaalf vertrekken. Waren de gangen en trappen gedecoreerd met alleen bosschages van roode en witte en roze camelia's, in de vertrekken was de bloemdecoratie aangebracht in honderden vazen en bekers en schalen, die overal neêrgezet waren, en met het licht der omschermde kaarsen een intimiteit gaven aan het feest. Dat was de eigenaardigheid van Mrs Uxeley's versiering van feestzalen; het electrische licht niet op, maar overal de kaarsen in schermpjes, overal de coupes en glazen vol bloemen, en het werd er om als een feeëntuin. Was de groote lijn misschien verbroken, gewonnen was een allerliefste gezelligheid, overal konden zich groepjes vormen, achter een paravent, in een loggia, telkens vond men een plekje voor vertrouwelijkheid; en dit was misschien de reden van de vogue van Mrs. Uxeley's feesten. De villa, geschikt tot het geven van een hofbal, gaf slechts feesten van een luxueuze intimiteit aan honderden menschen, die elkaâr in het geheel niet kenden. De côterietjes kozen zich een hoekje uit, en waren daar als thuis. Een heel klein boudoirtje, geheel van Japansch lak en Japansche zijde, werd algemeen beoogd, maar dadelijk door Gilio ingenomen, de gravin di Rosavilla, de hertogin di Luca, de gravin Costi. Zij kwamen zelfs niet in de comediezaal, waar een concert het eerste nummer was. Faderewski speelde er, Sigrid Arnoldson zoû er zingen. Ook de concertzaal was zoo verlicht, met kaarsen in schermpjes, en men fluisterde algemeen, dat in dit teedere licht Mrs. Uxeley veertig was. In de pauze minaudeerde zij tegen twee heele jonge journalisten, die haar feest beschrijven zouden. Urania, naast Cornélie, werd aangesproken, door een Franschman, dien zij aan hare vriendin voorstelde: de chevalier de Breuil. Cornélie wist, dat zij hem kende van Ostende, en dat zijn naam met dien van de prinses di Forte-Braccio genoemd werd. Urania had haar nooit over de Breuil gesproken, maar Cornélie, nu, aan haar glimlach, haar blos, de schittering van haar oogen, zag, dat men gelijk had. Zij liet henbeiden alleen, met een treurigheid om Urania. Zij begreep, dat het jonge prinsesje zich troostte over de onverschilligheid van haar man—en zij vond dit heele leven van schijn plotseling om van te walgen. Zij verlangde naar Rome, naar het atelier, naar Duco, naar onafhankelijkheid, liefde, geluk. Zij had het alles gehad, maar het had niet mogen blijven. Zij was terug gedwongen in dien schijn, de conventie, de walgelijke comedie van het leven. Het was om haar heen als één leugen, schitterender dan in Den Haag, maar nog valscher, brutaler, perverser. Men gaf zelfs niet meer voor, dat men aan de leugen geloofde: hierin was een brutale oprechtheid. De leugen werd geëerbiedigd, maar niemand geloofde aan ze, niemand drong de leugen als waarheid op; de leugen was niets dan een vorm. Cornélie liep alleen door de zalen, voegde zich—volgens hare gewoonte—even bij Mrs. Uxeley, vroeg fluisterend hoe zij het maakte, of zij iets noodig had, of alles goed was—en liep alleen weêr de zalen door. Zij stond bij een vaas en schikte een paar orchideeën, toen een vrouw, in het zwart fluweel, blond, met een vollen hals, haar aansprak in het Engelsch:

—Ik ben Mrs. Holt; u kent mijn naam misschien niet, maar ik ken den uwe. Ik verlang zeer met u kennis te maken. Ik ben dikwijls in Holland geweest en ik lees een beetje Hollandsch. Ik heb uwe brochure gelezen over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw, en ik vond heel veel interessants in wat u schreef.

—U is heel vriendelijk; willen wij een oogenblik gaan zitten.... Ik herinner mij ook uw naam.... Was u niet een van de leidsters van het Vrouwencongres in Londen?

—Ja.... Ik heb er gesproken over de opvoeding van het kind.... Kon u niet in Londen komen?

—Neen, ik heb er wel over gedacht, maar ik was toen in Rome, en ik kon niet.

—Dat was jammer. Het congres is een groote stap voorwaarts geweest. Was uw brochure er vertaald, bekend geworden, dan had u groot succes gehad.

—Ik streef zoo weinig naar succes van dien aard....

—Natuurlijk, dat begrijp ik. Maar het succes van uw boek is toch ook voordeel voor de groote zaak.

—Meent u dat waarlijk? Is er iets goeds in mijn boekje?

—Twijfelt u daar dan aan?

—Heel dikwijls....

—Hoe is het mogelijk.... Het is toch zoo met zekere pen geschreven.

—Misschien juist daarom.

—Ik begrijp u niet. Er is in Hollanders soms een vaagheid, die wij Engelschen niet begrijpen. Iets als de weêrspiegeling van uw mooie luchten in uw karakters.

—Twijfelt u nooit? Is u zeker van uw ideeën over de opvoeding van het kind?

—Ik heb kinderen bestudeerd in scholen, in crêches, thuis, en ik heb zeer gedecideerde ideeën gekregen. En naar die ideeën werk ik voor de menschen, die in de toekomst zullen zijn. Ik zal u mijn brochure zenden, de quintessence van mijn redevoeringen op het congres. Is u nu bezig aan een andere brochure?

—Neen, helaas niet....

—Waarom niet? Wij moeten allen dicht aaneensluiten om te overwinnen.

—Ik geloof, dat ik uitgezegd ben.... Ik heb geschreven uit een impulsie, uit eigen ondervinding. En toen.

—Toen....

—Toen is het anders geworden.... Alle vrouwen zijn verschillend, en ik vond het nooit goed te generalizeeren. En gelooft u, datvelevrouwen met de doorzetting van een man kunnen werken voor een werelddoel, als zij een klein doel voor zichzelve hebben gevonden, een klein geluk, bij voorbeeld een liefde voor haar eigen ik, en waarin zij gelukkig zijn. Gelooft u niet, dat er in iedere vrouw sluimert een egoïsme voor haar eigen liefde, geluk, en dat, als zij dàt gevonden heeft ... de wereld en de toekomst haar belang verliezen.

—Misschien.... Maar hoe weinig vrouwen vinden het.

—Ik geloof niet vele.... Maar dit is een andere kwestie. En ik geloof wel, dat het belang voor wereldkwesties bij de meeste vrouwen pis-aller is.

—U is een afvallige geworden. U spreekt heel anders dan u een jaar geleden schreef....

—Ja. Ik ben heel nederig geworden, omdat ik oprechter ben. Natuurlijk, ik geloof wel in enkele vrouwen, in enkele groote geesten. Maar, zoû het meerendeel niet in vrouwelijkheid blijven: vrouw en zwak....

—Niet, met een verstandige opvoeding.

—Ja, ik geloof wel, dat het dat is: de opvoeding....

—Van het kind, van het meisje....

—Ik geloof het wel, dat ik nooit ben opgevoed, en dit zal wel mijn zwakte zijn.

—Aan onze meisjes moet al heel jong van den strijd des levens verteld worden.

—U heeft gelijk. Wij: mijn vriendinnen, mijn zusters en ik, werden zoo gauw mogelijk op de huwelijksveiligheid gewezen.... Weet u wie ik het meest te beklagen vind? Onze ouders! Hebben zij niet gedacht, dat zij ons alles leeren lieten wat noodig was? En nu? op dit oogenblik, moeten zij inzien, dat zij de toekomst niet geraden hebben, en dat hunne opvoeding geen opvoeding was, omdat zij hunne kinderen niet wezen op den strijd, die vlak voor hunne oogen al gestreden werd. Het zijn onze ouders, die zijn te beklagen. Zij kunnen niets meer herstellen. Zij zien ons, meisjes, jonge vrouwen, van twintig tot dertig, overstelpt worden door het leven, en zij hebben er ons niet sterk voor gemaakt. Zij hebben ons zoo lang mogelijk veilig gelaten in het ouderlijk hoekje, en toen hebben zij gedacht aan ons huwelijk. Volstrekt niet om ons kwijt te zijn, maar voor ons geluk, voor onze veiligheid en onze toekomst. Wij zijn wel ongelukkig, wij meisjes en vrouwen, die niet, als onze jongere zusjes, werden gewezen op den strijd daar vlak bij ons, maar ik geloof, dat wij nog de hoop hebben op onze jonge jaren, en ik geloof, dat onze arme ouders ongelukkiger zijn en meer te beklagen dan wij, omdat zij niets meer kunnen hopen, omdat zij zich in stilte, bekennenmoeten, gedwaald te hebben in hun kinderliefde. Zij voedden ons nog op volgens het verleden, terwijl de toekomst al zoo dicht bij was. Ik heb medelijden met onze ouders, en ik zoû ze er bijna liever om hebben, dan ik ze ooit gehad heb....


Back to IndexNext