Zij was plotseling heel bleek geworden als onder een plotselinge emotie. Zij bedekte haar gezicht met haar wuivenden waaier en hare vingers trilden hevig; haar geheele lichaam sidderde.
—Dat is mooi van u gedacht, zeide Mrs. Holt. Het doet mij pleizier u ontmoet te hebben. Er is voor mij in Hollanders altijd een charme. Dat vage, dat wij niet vatten kunnen, en dan zoo op eens een licht, dat er uit schiet als uit een wolk.... Ik hoop u toch nog eens te ontmoeten. Ik ontvang iederen Dinsdag, vijf uur. Komt u eens aan met Mrs. Uxeley?
—Heel gaarne, met heel veel pleizier....
Mrs. Holt gaf haar de hand, die zij drukte, en verloor zich tusschen andere gasten. Cornélie was opgestaan, terwijl hare knieën knikten. Zij bleef staan, half naar de zaal gekeerd, kijkende in den spiegel. Op de console speelden hare vingers met de orchideeën in een Venetiaansch glas. Zij was nog wat bleek, maar beheerschte zich, hoewel haar hart klopte, haar borst hijgde. En zij zag in den spiegel. Zij zag eerst haar eigen gedaante, hare ranke, mooie vormen in haar toilet van zwarte en witte Chantilly, de witte kanten sleep, schuimende van volants; de zwarte kanten tuniek er over heen geschulpt en bezaaid met staalpailletten en blauwe steenen, een tak orchideeën aan het geheel mouwlooze corsage, dat haar hals en armen en schouders bloot liet. Drie parelen Grieksche banden hielden heur haar omspannen, en haar witte veêren waaier—een geschenk van Urania—was als een schuim tegen haar hals. Zij zag het eerst zichzelve en toen in den spiegel zag zij hèm. Hij naderde haar. Zij bewoog niet, alleen hare vingers speelden met de bloemen in het glas. Zij had een gevoel van te willen vluchten, maar hare knieën knikten en hare voeten waren als verlamd. Zij was als vastgenageld, zij was als gehypnotizeerd. Zij kon zich niet bewegen. En zij zag hem steeds dichter naderen, terwijl zij den rug half keerde tegen de zaal. Hij naderde, en uit zijne nadering scheen een web uit te stralen, waarin zij als gevangen bleef. Hij was nu vlak bij haar, hij stond vlak achter haar. Werktuigelijk hief zij de oogen op en zag in den spiegel, en ontmoette in het glas zijne oogen. Zij dacht flauw te zullen vallen. Zij voelde zich als geprangd tusschen hem en het glas. In den spiegel draaide de zaal, duizelden-om de kaarsen, als een dansend firmament. Hij zeide nog niets. Zij zag alleen zijn oogen kijken en zijn mond onder zijn snor glimlachen. En hij zeide nog niets. Toen, in die onuithoudbare engte tusschen hem en den spiegel, die zelfs niet beveiligde als een muur had gedaan, maar die hem weêrkaatste zoodat hij als dubbel haar gevangen had, achter en voor—wendde zij zich langzaam om en zag hem in de oogen. Maar zij sprak ook niet. Zij zagen elkaâr sprakeloos aan.
—Daar hadt je nooit aan gedacht ... me hier eens te zien, zei hij eindelijk.
Zij had nu in meer dan een jaar zijn stem niet gehoord. Maar zij voelde zijn stem in zich.
—Neen, zeide zij eindelijk, hoog, koud, ver. Hoewel ik je een paar keer gezien heb, in de stad, op de Jetée.
—Ja, zeide hij. Had ik je moeten groeten, vindt je?
Zij haalde haar bloote schouders op, en hij zag naar ze. Zij voelde voor het eerst, dat zij half naakt was, dien avond.
—Neen, antwoordde zij, steeds koud en ver. Evenmin als je me nu hoefde aan te spreken.
Hij glimlachte haar toe. Hij stond voor haar als een muur. Hij stond voor haar als een man. Zijn kop, zijn schouders, zijn borst, zijn beenen, zijn geheele figuur rees voor haar op als éene mannelijkheid.
—Natuurlijk behoefde ik dat niet te doen, antwoordde hij, en zij voelde zijn stem in zich: zij voelde zijn geluid zinken in haar als gesmolten brons in eene vaas. Als ik je in Holland ook ergens ontmoet had, had ik alleen mijn hoed afgenomen, maar je verder niet aangesproken. Maar hier zijn we in een vreemd land....
—Wat doet er dat toe?
—Ik had lust je aan te spreken ... Ik woû eens wat met je praten. Kunnen we dat niet doen als vreemden?
—Als vreemden ... herhaalde zij.
—Nou, ja, we zijn niet vreemd voor elkaâr. We kennen elkaâr zelfs verbazend intiem, hè? Kom nu eens naast me zitten en vertel me hoe je het gemaakt hebt. Is het je bevallen in Rome?...
—Ja, zeide zij.
Hij had haar als met zijn wil geleid naar een chaise-longue achter een Louis-XV-paravent, half damast, half glas—en zij liet zich neêrvallen in een rozigen schemer van kaarsen, om zich heen bouquetten van roze rozen in allerlei Venetiaansche glazen. Hij zette zich op een pouffe, een beetje buigende naar haar toe, de armen over de knieën, de handen gevouwen.
—Ze hebben flink over je gekletst in Den Haag. Eerst over je brochure. En toen over je schilder.
Haar oogen priemden hem toe als naalden. Hij lachte.
—Je kan nog even boos kijken als vroeger. Zeg, hoor je wel eens wat van de oudelui? Ze zijn er slecht aan toe.
—Nu en dan. Ik heb ze verleden wat geld kunnen zenden.
—Dat is verdomd aardig van je. Ze verdienen het niet. Ze hebben gezegd, dat je niet meer voor ze bestond.
—Mama schreef mij, dat ze zoo moesten tobben. Toen heb ik ze honderd gulden gezonden. Meer was mij niet mogelijk.
—O, nou als ze zien, dat je geld zendt, zal je wel weêr voor ze bestaan.
Zij haalde de schouders op.
—Dat kan me niet schelen. Ik had medelijden met ze. Het speet me, dat ik niet meer kon zenden.
—Neen, als je er ook zoo verbazend chic uitziet....
—Dat betaal ik niet....
—Ik zeg het zoo maar. Ik waag me aan geen kritiek. Ik vind het verdomd mooi, dat je ze geld zendt. Maar je bènt verbazend chic. Zeg, wil ik je eens wat zeggen. Je bent een verdòmde mooie meid geworden.
Hij zag haar aan, met zijn glimlach, waarnaar ze kijken moest.
Toen antwoordde zij, heel kalm, haar waaier licht wuivende over haar naakten hals, zij schuilende in het schuim van haar waaier:
—Dat doet me verdomd veel pleizier.
Hij lachte, dik luid.
—Zoo, dat mag ik, je hebt nog altijd je geestige repartie. Altijd ad rem. Verdomd leuk van je!
Zij stond op, nerveus, verwrongen.
—Ik moet je verlaten, ik moet naar Mrs. Uxeley.
Hij breidde de armen wat uit.
—Blijf nog wat zitten. Het doet me goed wat met je te praten.
—Hoû je dan een beetje in en "verdom" niet zoo veel. Ik ben daar niet meer gewend aan.
—Ik zal mijn best doen, blijf dan zitten.
Zij viel neêr en school achter haar waaier.
—Laat me dan zeggen, dat je bepaald ... een heéle ... een heéle mooie vrouw bent geworden. Is het nu iets als een compliment?
—Het heeft er iets meer van.
—Nou maar, mooier kan ik het niet, hoor. Zoo moet je het nu maar goed vinden. Vertel me nu eens iets van Rome. Hoe leefde je daar?
—Waarom moet ik je daarover vertellen?
—Omdat ik er belang in stel.
—Je hebt niet in mij belang te stellen....
—Ja, maar dat doe ik nu eenmaal. Heelemaal vergeten heb ik je nooit. En het zoû me verwonderen als jij dat gedaan hadt.
—Heelemaal, zeide zij koel.
Hij zag haar aan met zijn glimlach. Hij antwoordde niets, maar zij voelde, dat hij beter wist. Zij was bang hem verder te overtuigen.
—Is het waar wat ze in Den Haag vertellen. Van Van der Staal?
Zij zag hem hoog aan.
—Nou, vertel nou eens....
—Ja....
—Je bent toch een brutale meid. Kan je de heele boel niets meer schelen?
—Neen....
—En hoe doe je hier, bij dat wijf?
—Hoe meen je?
—Nemen ze dat zoo hier in Nice aan?
—Ik blagueer niet op mijn onafhankelijkheid en niemand kan op mijn gedrag hier iets aanmerken.
—Waar is Van der Staal?
—In Florence.
—Waarom is hij niet hier?
—Ik heb geen lust je meer te antwoorden. Je bent indiscreet. Je hebt daar niets meê noodig en ik laat me niet ondervragen.
Zij werd heel zenuwachtig en stond weêr op. Hij breidde de armen uit.
—Heusch, Rudolf, laat me gaan, smeekte zij. Ik moet naar Mrs. Uxeley toe. Er wordt een pavane gedanst in de groote zaal, en ik moet eenige orders vragen en geven. Laat me gaan.
—Dan zal ik je brengen. Mag ik je mijn arm prezenteeren?
—Rudolf, toe ga weg. Zie je niet, hoe nerveus je me maakt? Zoo onverwachts heb ik je hier weêr ontmoet. Toe, ga weg, laat me alleen, ik kan me anders niet meer houden. Ik ga huilen.... Waarom heb je me aangesproken, waarom ben je hier gekomen, waar je wist dat je me ontmoeten zoû.
—Omdat ik een feest bij Mrs. Uxeley woû zien, en omdàt ik je ontmoeten woû.
—Je begrijpt toch wel, dat je terugzien me nerveus maakt. Wat heb je er aan. Wij zijn dood voor elkaâr.... Wat heb je er aan mij zoo te plagen.
—Dat is het juist wat ik weten woû. Of we dood zijn voor elkaâr.
—Dood, dood, heelemaal dood! riep zij hevig.
Hij lachte.
—Kom, wees niet zoo theatraal. Je begrijpt toch wel, dat ik nieuwsgierig was je eens terug te zien en met je te spreken. Ik zag je in de straten, in je rijtuig, op de Jetée, en het deed me pleizier, dat je er zoo goed uitzag, zoo chic, zoo gelukkig, en zoo mooi. Je weet, dat ik nu eenmaal een groot zwak heb voor mooie vrouwen. Je bent veel mooier dan vroeger, toen je mijn vrouw was. Als je toen zoo geweest was als nu, was ik nooit van je gescheiden.... Kom, wees geen kind. Niemand kent ons hier. Ik vind het verdomd leuk je hier te ontmoeten, met je te kletsen en je aan mijn arm te hebben. Neem mijn arm. Zanik niet langer, dan breng ik je waar je zijn moet. Waar vinden we Mrs Uxeley...? Stel me voor ... als een kennis uit Holland....
—Rudolf....
—Ach, ik wil het, zanik niet. Wat is er nou aan. Het amuzeert me, en het is leuk met je gescheiden vrouw rond te wandelen op een bal in Nice. Heerlijke stad hè? Ik ga iederen dag naar Monte-Carlo, en ben verdomd gelukkig geweest. Gisteren drieduizend francs gewonnen. Ga je eens met me meê...?
—Je bent dol!
—Ik ben niet dol. Ik wil me amuzeeren. En ik ben er trotsch op je aan mijn arm te hebben.
Zij trok haar arm terug.
—Je hebt op niets trotsch te zijn....
—Word nu niet kwaadaardig, het is allemaal gekheid; laten we ons nu amuzeeren. Daar heb je het oude wijf.... Ze kijkt naar je uit.
Zij was aan zijn arm eenige zalen door gegaan, en zij zagen bij een tombola, waar men zich verdrong om cadeautjes en surprises te trekken, Mrs. Uxeley, Gilio en de dames di Rosavilla, Costi, Luca. Men was er zeer vroolijk, doende als kinderen om de pyramide van snuisterijen, wanneer men zijn nummer op een roulette had gewonnen.
—Mrs. Uxeley, begon Cornélie en hare stem trilde; mag ik u een landgenoot voorstellen, baron Brox....
Mrs. Uxeley minaudeerde, en zei een paar vriendelijke zinnen, en vroeg of hij geen nummer trekken wilde.... De roulette draaide.
—Een landgenoot, Cornélie?
—Ja, Mrs. Uxeley.
—Hoe zeg je ... zijn naam?
—Baron Brox....
—A splendid fellow! Een mooie kerel! Een verbazend mooie kerel. Wat is hij, wat doet hij?
—Hij is officier, eerste luitenant....
—Welk wapen?
—Van de huzaren....
—In Den Haag?
—In Den Haag.
—Een verbazende mooie kerel. Ik hoû van zulke groote, flinke mannen.
—Mrs. Uxeley, gaat alles goed?
—Ja, darling.
—Voelt u u wel?
—Ik heb een beetje pijn, maar het gaat wel.
—Moet de pavane niet gauw worden gedanst?
—Ja, zorg, dat de meisjes zich gaan verkleeden. De kapper heeft toch nog wel de pruiken gebracht voor de jongelui?
—Ja....
—Verzamel de jongelui dan, en laten ze zich haasten. Ze moeten niet later dan over een half uur beginnen....
Rudolf Brox kwam van de tombola terug, waar hij een zilveren lucifersdoos had getrokken. Hij bedankte Mrs. Uxeley, die minaudeerde, en toen hij zag, dat Cornélie zich verwijderde, volgde hij haar.
—Cornélie....
—Ik bid je, Rudolf, laat me; ik moet de meisjes en de jongelui voor de pavane verzamelen. Ik heb veel te doen....
—Ik zal je helpen....
Zij wenkte een paar meisjes, zij liet een paar knechts de jongelui opzoeken door de zalen en hen verzoeken naar de kleedkamers te gaan. Hij zag, dat zij bleek was en trilde over haar lichaam.
—Wat is er?
—Ik ben moê.
—Laten wij dan wat gaan drinken.
Zij voelde zich niet van zenuwachtigheid. De muziek van het onzichtbare orkest boem-boemde woest tegen hare hersens aan, en soms duizelden de ontelbare kaarsen voor hare oogen als een dansend firmament. Het was stampvol in de zalen. Men verdrong er zich, men lachte, luid, toonde elkaâr zijn cadeaux, men trapte op de sleepen der dames. Een bedwelmende benauwdheid van bloemen en feestatmosfeer en lauwen geparfumeerden vrouwengeur hing als een wolk door de zalen. Cornélie liep hier, zocht daar, had eindelijk de meisjes verzameld. De dansmeester kwam haar iets vragen. Een hofmeester kwam haar iets vragen. En Brox week niet van haar zijde.
—Laat ons nu wat gaan drinken.... herhaalde bij.
Werktuigelijk nam zij zijn arm en haar hand trilde op zijn zwarte mouw. Hij duwde met haar door de foule en zij gingen langs Urania en de Breuil. Urania zei een paar woorden, die Cornélie niet verstond. In de buffetzaal ook was het stampvol, gonzend van hooge lachende stemmen. Achter de lange tafels stond de hofmeester als een minister. Hij beheerschte de geheele service. Er was geen gedrang, geen gevecht om een glas wijn of een broodje. Men wachtte tot een lakei het gevraagde prezenteerde.
—De boel is netjes geregeld, zei Brox. Doe jij dat allemaal...?
—Neen, dat is alles al zoo jaren lang.... Zij viel neêr in een stoel, bleek.
—Wat wil je hebben?
—Een glas champagne.
—Ik heb honger. Ik heb slecht gedineerd in mijn hôtel. Ik wil wel wat eten.
Hij bestelde voor haar de champagne. Hij at eerst een pasteitje, toen nog een, en toen een châteaubriand met erwtjes. Hij dronk een paar glazen rooden wijn, en toen een glas champagne. De lakei bracht hem alles een voor een op een zilveren blad. Zijn mooi mangezicht was van een steenroode tint van gezondheid en animale kracht. Op zijn zwaren ronden kop was het harde haar geheel kort geknipt. Zijn groote grauwe oogen lachten, helder, recht brutaal van blik. Een zware, goed verzorgde snor kroesde vol boven zijn mond, waar de witte tanden in glansden. Hij stond een beetje wijdbeens, militair stevig in zijn rok, dien hij droeg met een eenvoudige correctheid. Hij at langzaam en met pleizier, genietende zijn goed glas fijnen wijn.
Werktuigelijk, nu, uit haar stoel, zag zij hem aan. Zij had een glas champagne gedronken en vroeg een tweede, en deze prikkeling bracht haar bij. Hare wangen gloeiden wat op, hare oogen tintelden.
—Het is hier een verdòmde goeie boel, zeide hij, haar naderend met zijn glas in de handen. En hij dronk het uit.
—De pavane moet gauw worden gedanst, murmelde zij.
En zij gingen door de drukke zaten, naar een grooten corridor buiten, als een allée van camelia-heesters. Zij waren daar even alleen.
—Hier moeten de danseurs zich verzamelen....
—Laten wij dan hier op ze wachten. Het is hier lekker frisch.
Zij zetten zich op de bank.
—Ben je beter? vroeg hij. Je deedt zoo raar in de zaal.
—Ja ... ik ben beter....
—Vindt je het nu niet leuk je ouden man weêr eens te ontmoeten?
—Rudolf ... ik begrijp niet hoe je zoo spreken kan, me achtervolgen kan, me plagen kan.... Na alles wat er gebeurd is....
—Nou ja, dat is nou gebeurd....
—Vindt je het discreet van je ... en kiesch?
—Neen. Noch discreet en noch kiesch. Je weet, dat zijn nu eenmaal van die lieve dingen, die ik nooit ben; dat heb je vroeger genoeg naar mijn hoofd gegooid. Maar als het niet kiesch is, amuzant is het wel. Ben jij je gevoel voor humor kwijt? Er is een verduiveld leuke humor in onze ontmoeting hier.... En luister nou eens naar me. We zijn gescheiden, goed. Voor de wet is dat zoo. Maar een wettelijke scheiding is alleen iets voor wet en vorm en maatschappij. Voor geldzaken en dergelijke. Wij zijn te veel man en vrouw samen geweest, om niet bij een latere ontmoeting, zooals hier, iets voor elkaâr te voelen. Jawel, ik weet wel, wat je zeggen wil. Het is eenvoudig niet waar. Je bent te verliefd op me geweest, en ik op jou, dan dat alles dood zoû zijn. Ik herinner me nog alles. En jij moet je ook nog alles herinneren. Herinner je, toen wij eens....
Hij lachte, schoof dichter bij haar en fluisterde vlak aan haar oor. Zij voelde zijn adem over haar vleesch trillen als een warme bries. Zij bloosde rood en werd zenuwachtig. En zij voelde met heel haar lichaam, dat hij haar man was geweest, dat zij hem had in haar bloed. Zijn stem zonk als gesmolten brons langs hare gehoorzenuwen, diep in haar binnen. Onder den bries van zijn adem sidderde haar geheele vleesch. Zij kende hem heelemaal. Zij kende zijn oogen, zijn mond, zij kende zijn borst en zijn dijen. Zij kende zijn handen, breed, goed verzorgd, met de groote, ronde nagels en met den donkeren zegelring—als zij lagen op zijn knieën, vierkant spannende in de buiging van zijn zwarte broekspijp. En zij voelde, als een plotselinge wanhoop, dat zij hem kende en voelde in heel haar lichaam. Hoe grof hij ook vroeger tegen haar was geweest, hoe hij haar mishandeld had, geslagen met zijn dichte vuist, gekwakt tegen een muur ... zij was zijn vrouw geweest. Zij was, maagd, zijn vrouw geworden, door hem gewijd tot vrouw. En zij voelde zich door hem als gestempeld tot het zijne, zij voelde het tot in haar bloed en haar merg. Zij bekende het zich, zij had hem nooit vergeten. In de eerste eenzaamheid te Rome, had zij verlangd naar zijn zoen, had zij aan hem gedacht, zijn beeld van man zich geroepen voor den geest, zich wijsgemaakt, dat zij met tact en geduld en wat leiding zijn vrouw had kunnen blijven...!
Toen was het groote geluk gekomen, het zachte geluk der volkomen harmonie...!
Het ging alles bliksemsnel door haar heen.
O, in het groote zachte geluk had zij alles vergeten kunnen, had zij het verleden niet in zich gevoeld. Maar nu voelde zij, dat het verleden altijd blijft, en onherroepelijk is, onuitwischbaar. Zij was zijn vrouw geweest en zij behield hem in haar bloed. Nù voelde zij het met iederen ademtocht. Zij was verontwaardigd omdat hij fluisteren durfde van vroeger, aan haar oor, maar het was geweest, als hij zeide. Onherroepelijk, onuitwischbaar.
—Rudolf! smeekte zij en zij vouwde de handen. Spaar me!!
Ze gilde het bijna uit, in een kreet van angst en wanhoop. Maar hij lachte en vatte in zijn eene hand hare beide gevouwen handen van smeeking.
—Als je zoo doet, als je me zoo smeekend aankijkt met die mooie oogen, dan spaar ik je zelfs hier niet en zoen ik je tot....
Zijn woorden woeien over haar heen als een heete wind. Maar stemmen lachten aan, en een paar jonge meisjes, een paar jongelui, al gekleed als Henri IV, Marguérite de Valois, voor de pavane, kwamen de trap af.
—Waar blijven nu de anderen! riepen zij, omkijkende op de trap. En zij naderden Cornélie vroolijk, met een danspas. Ook de dans meester naderde. Zij verstond niet wat hij zeide.
—Waar blijven nu de anderen, herhaalde zij werktuigelijk, met een heesche stem, de meisjes na.
—Daar komen ze aan.... Nu zijn we er allemaal....
Het praatte en lachte en schitterde en gonsde om haar heen. Zij verzamelde al hare arme kracht, gaf eenige orders. In de groote danszaal stroomden de gasten, zetten zich vóór op stoelen, drongen in de hoekjes elkaâr op. De pavane werd gedanst in het midden der zaal, op de sleeping eener oude wijze: een langzaam krinkelende arabesk van sierlijke pas, diepe nijging en porceleinachtig opglansend satijn.... de wuiving van een schoudermanteltje een lange lichtglans op een degen....
—Urania, ik smeek je, help mij!
—Wat is er?
—Kom meê....
Zij had Urania bij de hand als weggesleept van de Breuil en trok haar meê in een der verlaten salons. De suite der zalen was bijna geheel verlaten, de dichte drom der gasten stond opgehoopt langs de zijden der groote danszaal om er de pavane te zien dansen.
—Wat is er, Cornélie?
Cornélie sidderde over hare leden en klemde zich aan Urania's arm. Zij trok haar naar den versten hoek van het salon. Er was niemand.
—Urania, smeekte zij, in een uiterste trilling van zenuwachtigheid. Help mij! Wat moet ik doen? Ik heb hem onverwacht ontmoet. Weet je niet wie? Mijn man. Mijn man, van wien ik gescheiden ben. Ik had hem al een paar keer gezien, in de straat en op de Jetée. Dien keer, toen ik zoo schrikte, je weet wel, toen ik bijna flauw viel ... dat was om hem. Nu, hier, zoo even, heeft hij mij aangesproken. En ik ben bang voor hem. Ik weet niet wat het is, ik ben bang voor hem. Hij sprak me heel vriendelijk aan, hij had behoefte met mij te praten. Het was zoo vreemd. Alles was uit tusschen ons. We waren gescheiden. En in eens ontmoet ik hem, en hij spreekt met mij, hij vraagt hoe ik het dien tijd gehad heb; hij zegt, dat ik er goed uitzie, dat ik mooi ben geworden. Zeg mij, Urania wat moet ik doen. Ik ben bang. Ik heb koorts van angst. Ik wil weg. Ik zoû het liefst dadelijk weg willen, naar Florence, naar Duco. Ik ben zoo bang, Urania. Ik wil naar mijn kamer. Zeg Mrs. Uxeley, dat ik naar mijn kamer wil.
Zij wist nauwlijks wat zij zeide. De woorden ijlden haar over de lippen in koorts. Mannestemmen naderden. Het waren Gilio, de Breuil, de hertog di Luca en de jonge journalisten, die zich pousseerden in de wereld.
—Waar blijft de signora De Retz: wij missen haar overal, sprak de hertog, en de journalisten, in de schaduw van die groote heeren, beaamden het: zij misten haar overal....
Roep Mrs. Uxeley hier, fluisterde Urania Gilio in. Cornélie is ziek, geloof ik.... Ik kan haar niet alleen laten. Zij wil naar haar kamer. Het is goed, dat Mrs. Uxeley het weet, anders wordt zij misschien boos.
Cornélie schertste zenuwachtig, koortsachtig vroolijk, met den hertog en met de Breuil en de journalisten.
—Wil ik u liever dadelijk naar Mrs. Uxeley brengen? fluisterde Gilio in.
—Ik wil naar mijn kamer! fluisterde zij smeekend terug achter haar waaier.
De pavane scheen gedanst te zijn. Stemmen gonsden aan, alsof de gasten zich weêr verspreidden door de zalen.
—Daar zie ik Mrs. Uxeley, zei Gilio.
Hij ging naar haar toe, hij sprak met haar. Zij minaudeerde eerst, steunend op den gouden knop van haar stok. Toen trokken hare rimpels boos te zamen. Zij kwam nader. Cornélie schertste door met den hertog: de journalisten vonden alles even geestig.
—Ben je niet wel? fluisterde Mrs. Uxeley, nader gekomen, verstoord. En hoe dan met den cotillon?
—Ik kan wel voor alles zorgen, Mrs. Uxeley, zeide Urania.
—Onmogelijk, lieve prinses: ook zoû ik het niet durven aannemen.
—Stel mij eens voor aan je vriendin, Cornélie klonk achter Cornélie een diepe stem.
Zij voelde die stem ais brons in zich. Zij wendde zich werktuigelijk om. Hij was het. Zij scheen hem niet te kunnen ontvluchten. En onder zijn blik, als gehypnotizeerd, scheen zij, zoo vreemd, haar kracht te herwinnen. Hij scheen het niet te willen, dat zij ziek was....
Zij murmelde:
—Urania, mag ik je ... een landgenoot ... voorstellen ... Baron Brox ... De prinses di Forte-Braccio.
Urania kende zijn naam, zij wist wie hij was.
—Lieveling, fluisterde zij tot Cornélie. Laat mij je naar je kamer brengen. Ik zorg voor alles.
—Het is niet meer noodig, zeide zij. Ik ben veel beter. Ik wil alleen wat champagne drinken. Ik ben veel beter, Mrs. Uxeley.
—Waarom ben je van me weggeloopen? vroeg Rudolf Brox met zijn glimlach, en zijn oogen in Cornélie's oogen.
Zij glimlachte en zeide, zij wist niet wat.
—Het bal is begonnen, zei Mrs. Uxeley. Maar wie dirigeert straks mijn cotillon?
—Als ik u van dienst kan zijn, Mrs. Uxeley, zeide Brox. Ik heb een klein talent voor cotillon-directeur....
Mrs. Uxeley was verrukt. Men sprak af, dat de Breuil en Urania, Gilio en de gravin Costi, Brox en Cornélie om beurten de figuren zouden dirigeeren.
—Arme lieveling, sprak Urania aan Cornélie's oor. Is het je mogelijk?
Cornélie glimlachte.
—Ja, ja zeker, ik ben beter, fluisterde zij. En zij begaf zich aan den arm van Brox naar de danszaal. Urania zag haar in stupefactie na.
Het was dien morgen twaalf uur toen Cornélie wakker werd. De zon schoot door de gouden reet der even opengeweken gordijnen met wemelatoompjes binnen. Zij voelde zich doodmoê. Zij bedacht, dat Mrs. Uxeley haar een morgen na zulk een feest vrij gaf om uit te rusten: ook de oude dame zelve bleef dan in bed, hoewel zij niet sliep. En Cornélie miste alle kracht om op te staan. Zij bleef liggen, zwaar van moêheid. Hare oogen dwaalden door de ordelooze kamer; hare mooie baljapon sleepte radeloos, slap, over een stoel en herinnerde haar dadelijk aan gisteren. Trouwens, alles in haar dacht aan gisteren, alles in haar dacht aan haar man met een strakke, gehypnotizeerde denking. Zij voelde zich als na een nachtmerrie, een dronkenschap, een bezwijmeling. Alleen met glas na glas champagne te drinken had zij zich kunnen ophouden, kunnen dansen, met Brox; op hun beurt een figuur kunnen dirigeeren. Maar niet alleen met champagne. Zijn blik ook had haar opgehouden, had haar weêrhouden van flauw te vallen, van in snikken uit te barsten, van op te gillen en krankzinnig de armen te zwaaien. Toen hij afscheid genomen had, toen iedereen weg was, was zij gezonken in-een, had men haar naar bed gebracht. Dadelijk weg uit zijn oog, had zij gevoeld hare ellende en hare zwakte en had de champagne haar als eensklaps bewolkt.
Nu dacht zij aan hem in de geslagen loomte van hare verpletterende morgenvermoeidheid. En het werd haar als was haar geheele Italiaansche jaar een tusschendroom geweest. Zij zag zich terug in Den Haag; het jonge meisje, dat veel uitging, met haar aardig gezichtje en haar flirtmaniertjes en hare woordjes altijd ad rem. Zij zag hunne eerste ontmoetingen en hoe zij dadelijk onder hem gebogen had en met hèm niet had kunnen flirten, omdat hij lachte om hare vrouweverwerinkjes. Hij was dadelijk te sterk geweest. Toen hun engagement. Hij schreef haar de wet voor en zij stond op, driftig, met hevige scène's, niet beheerscht willende worden, gekrenkt in hare verwendheid van gevierd en bedorven jong meisje. En als met de plompe kracht van zijn vuist—en altijd met den lach om zijn mooien mond—hield hij haar onder. Tot zij getrouwd waren, tot zij schandaal had gemaakt en was weggeloopen. Hij had eerst niet willen scheiden, hij had later toegegeven, voor het schandaal. Zij had zich bevrijd, zij was gevlucht!
De Vrouwenbeweging, Italië, Duco.... Was het een droom? Was het groote geluk, de dierbare harmonie een droom en ontwaakte zij na een jaar van droomen? Was zij gescheiden of was zij het niet? Zij moest zich met geweld herinneren de formaliteiten: ja, zij waren wettig gescheiden. Maar wàs zij gescheiden, was tusschen hen alles uit? En wàs zij waarlijk niet meer zijn vrouw?!
Wat had hij er aan gehad; haar te zoeken toen hij haar eenmaal in Nice gezien had? O, hij had het haar gezegd, gedurende dien cotillon, dien eindeloozen cotillon! Hij was trotsch op haar geworden toen hij zag hoe mooi zij was en hoe chic, hoe gelukkig zij scheen in de elegante victoria van Mrs. Uxeley of van de prinses—hij had haar zoo gezien, mooi, chic, en gelukkig—en hij was jaloersch geworden. Zij, mooie vrouw, was zijn vrouw geweest! Recht had hij op haar gevoeld, trots de wet! Wat was de wet? Maakte de wet haar vrouw, of had hij haar vrouw gemaakt? En zijn recht had hij haar laten voelen, tegelijk met de onherstelbaarheid van het verleden. Onherstelbaar, onuitwischbaar, was het geweest....
Zij zag om zich rond, radeloos. En zij begon te weenen, te snikken.... Toen voelde zij iets in zich sterken, een onwil in haar opgieren als een veer, die eindelijk weêr spande, nu zij uitrustte en niet meer was onder zijn blik. Zij wilde niet. Zij wilde niet. Zij wilde hem in haar bloed niet voelen. Mocht zij hem een volgenden keer ontmoeten, dan zoû zij hem, kalmer, te woord staan, heel kort, en hem bevelen haar te verlaten, hem de deur wijzen, hem de deur uit laten gooien.... Hare handen balden zich in woede. Zij haatte hem. Zij dacht aan Duco En zij dacht hem te schrijven, alles. En zij dacht zoo spoedig mogelijk tot hem terug te gaan. Hij was geen droom, hij bestond, al leefde hij ver van haar, in Florence. Zij had wat geld gespaard, zij zouden hun geluk in het atelier te Rome terug vinden. Zij zoû hem schrijven en zij wilde zoo spoedig mogelijk weg. Bij Duco zoû zij veilig zijn. O, ze verlangde naar hem, zoo zacht en kalm en weldadig te liggen in zijn arm, aan zijn borst, als in de omhelzing van éen wonderdadig geluk. Was het wàar geweest, hun geluk, hunne liefde en harmonie? Ja, het had bestaan, het was geen droom. Daar was zijn portret; daar aan den wand een paar zijner waterverven: de zee van Sorrente en de luchten boven Amalfi, gewasschen in die dagen, die waren geweest als gedichten. Zij zoû veilig zijn bij hem. Zij zoû bij Duco Rudolf niet voelen, haar man in haar bloed.... Want zij voelde Duco in hare ziel, en hare ziel zoû sterker zijn! Zij zoû Duco voelen in hare ziel, in haar hart, in geheel haar innigste leven en uit hèm verzamelen haar opperste kracht, als een bundel glanzende zwaarden! Nu al, dat zij zoo aan hem dacht met zulk verlangen, voelde zij zich sterker worden. Zij had nu met Brox kunnen spreken. Gisteren had hij haar overvallen, haar geprangd tusschen zich en dien spiegel, tot zij hem dubbel gezien had en niet meer geweten had en verloren was geweest. Dat zoû nu nooit meer zijn. Dat was alleen de verrassing geweest. Als zij hem nu weêr sprak, zoûzijzegevieren met wat zij aangeleerd had als vrouw, die op zichzelve had gestaan. En zij stond op, en opende de vensters en kleedde zich in een peignoir. Zij zag naar de blauwe zee, naar de kleurige beweging op de Promenade. En zij zette zich en schreef aan Duco. Zij schreef alles, haar eerste ontmoetingen van schrik, hare verrassing en nederlaag op het bal.... Hare pen ijlde over het papier. Zij hoorde niet, dat er geklopt werd, dat Urania voorzichtig binnenkwam, denkende haar nog in slaap te vinden en willende weten, hoe zij zich voelde. Opgewonden las zij een gedeelte voor van haar brief en zij zeide zich te schamen over hare zwakte van gisteren. Hoe hàd zij zoo kunnen zijn: zij begreep het zelve niet.
Neen, zij begreep het zelve niet. Nu zij zich voelde wat uitgerust, met Urania sprak, die haar Rome herinnerde, in de hand haar langen brief aan Duco, nu begreep zij het alles zelve niet en vroeg zij wàt droomen was: haar Italiaansche jaar van geluk of die nachtmerrie van gisteren?
Zij bleef een dag thuis, moê, en diep in zich, bijna onbewust, toch bang hem te zullen ontmoeten, maar Mrs. Uxeley, die van geen ziekte of vermoeienis weten wilde, was zoo verstoord, dat Cornélie haar den volgenden dag vergezelde naar de Promenade des Anglais. Kennissen kwamen haar aanspreken en waren druk om hare stoelen heen; en onder hen Rudolf Brox. Maar Cornélie ontweek alle vertrouwelijkheid. Een week daarna echter kwam hij op den receptie-dag van Mrs. Uxeley, en in de volte der visites—beleefdheidsbezoeken na het feest—wist hij haar een oogenblik alleen te spreken. Hij naderde haar met dien lach, of het zijn oogen waren, die lachten, of het zijn snor was, die lachte. En zij verzamelde hare gedachten, om sterk te zijn tegenover hem.
—Rudolf, zeide zij hoog. Het is eenvoudig belachelijk. Als je het niet onkiesch vindt, probeer het dan toch eens belachelijk te vinden. Het amuzeert je gevoel voor humor, maar bedenk eens hoe men in Holland hierover zoû spreken.... Verleden op het feest heb je me verrast en ik heb—ik weet nog niet hoe—kunnen toegeven aan je vreemd verlangen om met mij te dansen en cotillon-figuren te dirigeeren. Ik beken ronduit, ik was in de war. Nu zie ik alles klaar en duidelijk in en zeg ik je: ik wil je niet weêr ontmoeten. Ik wil niet met je spreken. Ik wil van de hooge ernst van onze scheiding geen vaudeville probeeren te maken.
—Je weet van vroeger, zeide hij; dat je met dien hoogen toon, en die airs en die deftigheid niets van me verkrijgt en me integendeel prikkelt juist te doen wat jij niet hebben wilt....
—Als dat zoo is, dan zal ik eenvoudig Mrs. Uxeley vertellen welke mijne verhouding tot je is en haar verzoeken je haar huis te ontzeggen....
Hij lachte. Zij werd driftig.
—Ben je van plan je te gedragen als een gentleman? Of als een ploert?
Hij werd rood, zijn vuisten balden zich.
—Verdomd! siste hij, in zijn snor.
—Zoû je me soms willen slaan en mishandelen? ging zij minachtend door.
Hij beheerschte zich.
—We zijn nu in een vol salon, tartte zij door. Wat als we alleen waren? Je vuist balt zich al! Je zoû me ranselen als dien eenen keer. Bruut! Bruut!!
—En jij bent dapper in dat vol salon! lachte hij, met zijn lach, die haar opwond tot drift, als zij er niet door bedwongen werd. Neen, ik zoû je niet ranselen, ging hij door. Ik zoû je zoenen....
—Het is nu de laatste keer, dat je tegen me spreekt! siste zij razend. Ga weg! Ga weg! Ik weet niet wat ik doe, ik maak een scène!
Hij ging kalm zitten.
—Ga je gang, zeide hij rustig.
Zij stond trillende voor hem, onmachtig. Men sprak haar aan, de knecht prezenteerde thee. Zij was in een cirkel van heeren, en, zich beheerschende, schertste zij, hoog zenuwachtig vroolijk, flirtte zij, coquetter dan ooit. Het was de kleine cour om haar heen, waarin de hertog di Luca het vrijpostigst was. Vlak bij zat Rudolf Brox en dronk, schijnbaar kalm, zijn thee, als in afwachting. Maar zijn bloed van kracht en overheersching ziedde dol in hem op. Hij had haar kunnen vermoorden en hij zag rood van ijverzucht. Die vrouw was van hem, trots de wet. Hij zoû voor geen schandaal meer bang zijn. Zij was mooi, zij was als hij wenschte en hij wilde haar hebben, zijn vrouw. Hij wist hoe hij haar terug winnen zoû en dàn wilde hij haar niet meer verliezen: dan was ze van hem, zoolang hij het verkoos. Zoodra het hem mogelijk was haar alleen te woord te staan, wendde hij zich weêr tot haar. Zij wilde zich juist naar Urania begeven, die zij bij Mrs. Uxeley zag zitten, toen hij zeide aan haar oor, streng, kort, barsch:
—Cornélie....
Zij wendde zich werktuigelijk om, maar met haar hoogen blik. Zij had liever willen doorgaan, maar zij kon niet: iets weêrhield haar, een geheimzinnige macht en meerderheid, die klonk uit zijn stem en in haar viel met een bronzen zwaarte, die hare energie verloomde, verlamde.
—Wat is er?
—Ik wil je even alleen spreken.
—Neen.
—Jawel. Hoor me nou eens even kalm aan als je kan. Ik ben ook kalm, dat zie je. Je hoeft niet bang voor me te zijn. Ik verzeker je, dat ik je niet zal mishandelen, en zelfs niet zal vloeken. Maar spreken moet ik je, alleen. We kunnen na onze ontmoeting, en na het bal van verleden week, zoo niet van elkaâr gaan. Je hebt zelfs geen recht me zoo de deur te wijzen, nadat je verleden met me gesproken hebt en gedanst. Het heeft geen reden en geen logica. Jij bent driftig geworden.... Maar laten we nu eens geen van beiden meer driftig zijn. Ik woû je spreken....
—Ik kan niet: Mrs. Uxeley wil niet, dat ik mij verwijder uit het salon, als er menschen zijn. Ik ben afhankelijk van haar.
Hij lachte.
—Je bent bijna nog afhankelijker van haar, dan je vroeger van mij was. Maar een oogenblik kan je me wel toestaan, in de kamer hiernaast.
—Neen.
—Jawel.
—Waarover heb je me te spreken?
—Dat kan ik hier niet zeggen.
—Ik kan je niet alleen te woord staan.
—Wil ik je eens wat zeggen? Je bent bang.
—Neen.
—Jawel, je bent bang voor me. Met al je airs en je deftigheid ben je eenvoudig bang een oogenblik alleen met me te zijn.
—Ik ben niet bang.
—Je bent het wel. Je staat niet vast in je schoenen. Je hebt me ontvangen met een mooie fraze, die je van te voren hebt bestudeerd. Nu je die gezegd hebt ... is het uit en ben je bang.
—Ik ben niet bang....
—Ga dan even meê, dappere schrijfster van den Maatschappelijken Toestand ... hoe is het ook weêr? Kom, ga nu even meê. Ik beloof je, ik zweer je, dat ik kalm zal zijn, kalm zal zeggen, wat ik je te zeggen heb en je op mijn woord van eer niet zal slaan.... In welke kamer kunnen wij gaan...? Wil je niet? Hoor eens: als je niet even met me meê gaat is het nog niet uit. Anders is het misschien uit en zie je me nooit meer terug.
—Wat kan je me te zeggen hebben.
—Ga meê....
Het was om zijne stem, niet om zijn woorden.
—Maar niet langer dan drie minuten.
—Niet langer dan drie minuten.
Zij bracht hem op den corridor en in een leêg salon.
—Wat is er? vroeg zij, bang.
—Wees niet bang, zeide hij, met zijn snorlach. Wees niet bang. Ik woû je alleen maar zeggen ...DAT JE MIJN VROUW BENT. Begrijp je dat? Probeer niet tegen te spreken. Ik heb het verleden op het bal gevoeld, toen ik je in mijn arm had, om met je te walsen. Probeer niet tegen te spreken, dat je je toen een oogenblik tegen me aan hebt gedrukt.JE BENT MIJN VROUW. Ik heb dat toen gevoeld, en ik voel het nu. En jij voelt het ook, al wil je het ontkennen. Maar dat helpt je niets. Er is niets te veranderen aan wat geweest is, en wat geweest is ... is nog altijd in je. Durf nu eens zeggen, dat ik niet netjes spreek en kiesch. Geen vloek en geen onvertogen woord komt over mijn mond. Want ik wil je niet driftig maken. Ik wil je alleen laten bekennen ... dat het waar is, wat ik zeg: enDAT JE MIJN VROUW NOG BENT. Die wet beteekent niets. Er is een andere wet, die ons beheerscht. Er is een wet, die jou beheerscht, vooral. Een wet, die ons, zonder dat wij het ooit hadden kunnen denken, weêr tot elkaâr brengt, al is het langs een heel vreemden omweg, waarlangs jij, jij vooral, hebt gedwaald. Jou vooral beheerscht die wet. Ik ben overtuigd, dat je nog van mij houdt, ten minste, dat je nog verliefd op me bent. Ik voel dat, ik weet dat zeker: probeer het niet te ontkennen. Het helpt je allemaalniets, Cornélie. En wil ik je nu nog wat zeggen? Ik ben ook verliefd op je en meer dan vroeger. Als je met die kerels flirt, voel ik dat. Ik zoû je dan kunnen worgen, ik zoû die kerels kunnen ranselen.... Wees niet bang, ik zal het niet doen: ik ben niet driftig. Ik heb juist kalm met je willen spreken en je eens de waarheid willen laten zien. Zie je ze voor je ... en on ... om ... stoo ... telijk...? Zie je, je kan me niets tegenwerpen. Het is ook als het is. Wijs je me nog de deur? Praat je nog met Mrs. Uxeley? Ik zoû het liever niet doen. Je vriendin, de prinses, weet wie ik ben: laat dat genoeg zijn. Had de oude nooit mijn naam gehoord, of was ze hem vergeten? Zeker vergeten. Scherp haar nu maar niet haar oude geheugen. Laat het zoo. Het is beter, dat je niets zegt. Neen, belachelijk is de toestand niet en komisch is het ook niet. Het is heel ernstig geworden: de zuivere waarheid is altijd ernstig. Het is wel vreemd, ik had het nooit gedacht. Het is mij ook een openbaring.... En nu heb ik met je uitgesproken. Op mijn horloge nog geen vijf minuten. Ze zullen je nauwlijks gemist hebben in het salon. En nu ga ik weg, maar geef eerst een zoen aan je man, want je man, dat blijf ik altijd.
Zij stond sidderend voor hem. Het was zijn stem, die viel als gesmolten brons in haar ziel, in haar lichaam, en verloomde haar en verlamde haar. Het was zijn stem van overreding, van overredende verleiding, de stem, die zij kende van vroeger, de stem, die haar tot alles dwong wat hij wilde. Onder die stem was ze als een voorwerp, een ding, dat hem toebehoorde, nadat hij haar eerst voor altijd gestempeld had tot zijn vrouw. Zij was onmachtig hem uit zich te werpen, hem van zich af te schudden, het stempel van zijn bezit, het brandmerk van zijn eigendom zich af- en uit te wisschen. Zij was van hem, en alles wat anders haarzelve was, had haar verlaten. Er was in haar hersens geen herinnering meer en gedachte....
Zij zag hem naderen en om haar heen zijn armen slaan. Hij nam haar langzaam maar zoo vast aan zijn borst, dat het was als nam hij haar geheel in zijn bezit. Zij voelde zich weggesmolten in zijn armen als in een vlam van warmte. Zij voelde op hare lippen zijn mond, zijn snor drukken, drukken, drukken, tot zij de oogen sloot, half flauw. Hij sprak nog zacht aan haar oor, met die stem, waaronder zij als niet telde, als was zij niets, als bestond zij alleen door hem. Toen hij haar losliet, wankelde zij.
—Kom, hoû je goed, hoorde zij hem zeggen, kalm, almachtig en zeker. En neem het aan zooals het is. Het is nu eenmaal zooals het is. Er is niets aan te veranderen. Dank je, dat je me even met je hebt laten spreken. Nu is tusschen ons alles in orde, daar ben ik zeker van. En nu tot ziens. Tot ziens....
Hij zoende haar nog eens.
—Geef mij een zoen terug, vroeg hij, met zijn stem...
Zij sloeg om zijn lichaam haar arm en zoende hem op den mond.
—Tot ziens, zeide hij nog eens.
Zij zag hem lachen, zijn snorlach, en zijn oogen lachten goudvlammend haar toe en hij ging. Zij hoorde zijn stap de trap afloopen, toen klinken op het marmer van de hal, met de kracht van zijn stevigen tred.... Zij stond als wezenloos. In het salon, naast de kamer, waarin zij zich bevond, gonsde het van lachende stemmen, hoog op. Zij zag Rome voor zich, Duco, in een korten weêrlichtflits.... Weg was het.... En in-een zinkende op een stoel, slaakte zij een onderdrukten wanhoopkreet, sloeg de handen voor het gezicht en snikte, voor al die menschen inhoudend haar radeloosheid, dof op, als uit een keel, die stikte.
Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Te vluchten, weg uit zijn meesterschap, te vluchten uit de emanatie dier overheersching, die, geheimzinnig, maar onomstootelijk, alles wat in haar wil, energie en haarzelve was, wegwischte met zijn liefkoozing. Zij herinnerde zich dat vroeger ook zoo gevoeld te hebben: opstand en drift, als hij driftig en grof werd, maar eene annihilatie van zichzelve als hij haar liefkoosde, een onmacht te denken, als hij zijn hand maar legde op haar hoofd, eene wegflauwing in éen groot niets, als hij haar nam in zijn arm en zoende. Zij had het gevoeld, van den eersten keer, dat zij hem zag, dat hij voor haar stond en op haar neêrkeek met die lichte ironie in den lach van zijn oogen en van zijn snor, alsof hij pleizier had in hare weêrstreving—toen nog van flirt en aardigheid, weldra van kribbigheid, later van drift en razernij—alsof hij pleizier had in hare tevergeefsche vrouwepogingen om aan zijn heerschappij te ontkomen. Hij had het dadelijk doorzien, dat hij deze vrouw overheerschte. En zij had gevonden in hem haar meester, haar eenige. Want geen andere man drukte over haar neêr met dit koningschap, dat was uit het bloed, uit het vleesch. Integendeel, zij was meestal de meerdere. Zij had een koele onverschilligheid over zich, die haar steeds tartte tot afbrekende kritiek. Zij had behoefte aan scherts, aan een vroolijk gesprek, aan coquetterie en flirt, en steeds meester van het antwoord, lokte zij de gelegenheid uit tot antwoorden, maar verder waren de mannen haar weinig waard, en zag zij in ieder het belachelijke: vond zij dezen te klein, dien te lang, den een onhandig, den ander dom, vond zij in ieder iets, dat haar lach en haar spotlust en kritiek opwekte. Zij zoû nooit een vrouw zijn, die zich gaf aan velen. Zij had Duco ontmoet en zij had hem hare liefde gegeven geheel en al, als éen onverdeelbaar groot gouden geschenk, en zij zoû na hem nooit meer liefhebben. Maar vóor Duco had zij Rudolf Brox ontmoet. Misschien als zij hem na Duco ontmoet had, had zijn meesterschap haar niet overheerscht.... Zij wist het niet. En wat gaf het, dat te bedenken. Nu was het als het was. Zij was in haar bloed geen vrouw voor velen: zij was in haar bloed geheel echtvrouw, echtgenoote, gemalin. Van den man, die haar man geweest was, was zij in haar vleesch, in haar bloed de vrouw, en was zij zijn vrouw, ook zonder liefde. Want zij kon dit geen liefde noemen; zij noemde liefde alleen dat andere, dat hooge en teedere, dat innig volmaakte van levensharmonie, dat gaan van twee langs een gouden lijn, samengesmolten uit twee glinsterende lijnen.... Maar in een wolk waren om hen heen de handen als opgespookt, hadden de handen geheimzinnig, noodlottig hun gouden lijn uit een doen springen, en de hare, kronkelende arabesk, was teruggesprongen, trillende spiraal, en had gekruist een donkere lijn van vroeger, een sombere weg van het verleden, een duistere laan vol onbewustbaarheid en noodlottige slavernij. O, van die levenslijnen het vreemde, het allergeheimzinnigst vreemde toch: terug te krullen, terug te dwingen naar haar eerste uitgangspunt! Waarom was het alles noodig geweest?
Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Zij zag niet de geleidelijkheid der lijnen, en het noodlot van die wegen, en zij wilde niet voelen den drang der spokende handen. Te vluchten, om te keeren op den duisteren weg, terug naar het punt van scheiding, terug naar Duco, en met hem samen vlechten, wringen de twee verlorene richtingen tot weêr éen zuivere beweging, tot weêr éen lijn van geluk....
Te vluchten, te vluchten. Zij zeide het Urania, dat zij ging. Zij smeekte Urania haar te vergeven, omdat deze haar had aanbevolen aan de oude vrouw, die zij nu plotseling verliet.
En zij zeide het Mrs. Uxeley, zonder zich te storen aan haar boosheid, haar drift en haar scheldwoorden. Zij bekende het, dat zij ondankbaar scheen. Maar er was een levensbelang, dat haar dwong Nice plotseling te verlaten. Zij zwoer, dat het er was. Zij zwoer, dat zij haar ongeluk, haar verderf zoû voelen naderen als zij bleef. Met een enkel woord verklaarde zij het aan Urania. Maar de oude vrouw verklaarde zij het niet, en zij liet haar in een drift van machteloosheid, die haar verwrong van rheumatische pijnen. Zij liet alles achter wat zij van Mrs. Uxeley ontvangen had, hare rijke garderobe van afhankelijkheid. Zij trok een ouden japon aan. Zij ging als een misdadigster stil naar het spoor, rillende hem te zullen ontmoeten. Maar zij wist: op dit uur was hij steeds te Monte-Carlo. Zij ging toch in een gesloten fiacre, en zij nam een kaartje tweede klasse Florence. Zij telegrafeerde aan Duco. En zij vluchtte. Zij had niets dan hem. Op Mrs. Uxeley kon zij nooit meer rekenen, en ook Urania was koel geweest, niet begrijpende die zonderlinge vlucht, omdat zij niet begreep de eenvoudige waarheid: de heerschappij van Rudolf Brox. Zij vond, dat Cornélie het zich moeilijk maakte. In den kring, waarin Urania leefde, wankelde haar gevoel van maatschappelijke zedelijkheid, sedert haar liaison met den chevalier de Breuil. Hoorende fluisteren om zich heen de Italiaansche liefdewet, dat de liefde zoo eenvoudig is, als een roos, die opengaat, begreep zij niet den strijd van Cornélie. Zij nam Gilio niets kwalijk meer, en hij, hij liet haar vrij. Wat ging er om in Cornélie? Hoe eenvoudig was het niet, als zij nog hield van haar gescheiden man! Waarom vluchtte zij naar Duco, en maakte zij zich belachelijk voor al hunne kennissen! En zoo was zij koel van Cornélie gescheiden, maar zij miste toch hare vriendin. Zij was de prinses di Forte Braccio, en verleden, op haar verjaardag, had prins Ercole haar gezonden een groote smaragd, uit de zorgvuldig bewaarde familie-juweelen, als werd zij ze, langzamerhand, steen voor steen, waardig! Maar zij miste Cornélie, en zij voelde zich eenzaam, doodeenzaam, trots haar smaragd en haar amant....
Cornélie vluchtte: zij had niets dan Duco. Maar in hem zoû zij alles hebben. En toen zij hem zag in Florence, aan het station Santa Maria Novella, stortte zij zich aan zijn borst, als aan een kruis van redding, als aan een Heiland van veiligheid. Hij bracht haar snikkende naar een fiacre, en zij reden naar zijn kamer. Daar zag zij zenuwachtig om zich rond, òp van overspanning na haar lange reis, telkens denkende, dat Rudolf haar achtervolgen zoû. Zij vertelde Duco alles, zij opende zich geheel voor hem, als was hij haar geweten, als was hij haar ziel, haar god. Zij nestelde tegen hem aan als een kind, zij streelde hem, zij aaide hem; zij zeide, dat hij haar moest helpen. Het was, als bad zij tot hem; haar angst steeg als een gebed tot hem op. Hij kuste haar, en zij kende die wijze van troosten, zij kende dat zachte streelen. Zij viel in eens mat tegen hem aan, en bleef liggen en sloot de oogen. Het was of zij verzonk in een meer, in een blauw heilig meer, mystiek als het meer van San Stefano in den slapenden nacht, bepoeierd met sterren. En zij hoorde hem zeggen, dat hij haar helpen zoû. Dat het niets was, haar angst. Dat die man geen macht over haar had. Dat hij nooit macht over haar zoû hebben, als zij zijn, Duco's, vrouw werd. Zij zag hem aan, en begreep niet. Zij zag hem koortsachtig aan, als maakte hij haar plotseling wakker, terwijl zij zalig sliep een oogenblik in de blauwe kalmte van het mystieke meer. Zij begreep niet, maar doodmoê school zij weêr weg in zijn arm en sliep zij in.
Zij was doodmoê. Zij sliep een paar uur onbewegelijk tegen zijn borst, met eene diepe ademhaling. Als hij zijn arm verschikte, bewoog zij even loom het hoofd als een bloem aan een matten stengel, maar sliep door. Hij streelde haar voorhoofd, heur haar, en zij sliep door, hare hand in zijn hand. Zij sliep als had zij in dagen, in weken niet geslapen.
Er is niets geen reden om bang te zijn, Cornélie, sprak hij overtuigend. Die man heeft geen macht over je, als je niet wilt, met een sterke wil niet wilt. Ik zoû niet weten tot wat hij in staat zoû kunnen zijn. Je bent geheel vrij, geheel los van hem. Dat je zoo overhaast bent weggegaan, is zeker niet verstandig, het zal hem een vlucht toeschijnen. Waarom heb je hem niet rustig verklaard, dat hij geen rechten op je kan doen gelden? Waarom heb je hem niet gezegd, dat je van mij hieldt? Had desnoods gezegd, dat wij waren verloofd. Hoe heb je zoo zwak kunnen zijn, en zoo bang. Ik herken je niet meer. Maar nu ben je hier, nu is het, goed. Nu zijn wij samen. Willen wij morgen naar Rome teruggaan, of willen wij eerst nog hier blijven? Ik heb altijd verlangd je Florence te laten zien. Kijk, daar voor ons vloeit de Arno, daar is de Ponte-Vecchio, daar zijn de Uffizie. Je bent hier al geweest, maar toen kende je Italië nog niet. Nu zal je meer genieten. O, het is hier zoo mooi. We zullen hier eerst een paar weken blijven. Ik heb een beetje geld, je hoeft niet bang te zijn. En het is hier goedkooper dan in Rome. Hier op deze kamer verteeren wij bijna niets. Bij dit raam heb ik licht genoeg om nu en dan wat te schetsen. Of ik ga werken in San Lorenzo of San Marco, of boven, bij San Miniato. Het is heerlijk kalm in de kloosters, nu en dan passeeren een paar toeristen, maar dat hindert me niet. En jij gaat met me meê, met een boek, een boek over Florence: ik zal je zeggen, wat je lezen moet. Je moet Donatello leeren kennen, Brunelleschi, Ghiberti, maar vooral Donatello. Wij zullen hem zien in het Bargello. En de Annonciatie van Lippo Memmi, de gouden Annonciatie! Je zal zien hoe onze engel er op lijkt, onze mooie geluksengel, dien jij mij gegeven hebt! Het is hier rijk; we zullen niet voelen, dat we arm zijn. We hebben zoo weinig noodig. Of ben je verwend door je luxe in Nice? Maar ik ken je, je vergeet dat dadelijk weêr, en met elkaâr strijden wij het alles door. En later gaan wij naar Rome terug. Maar dan ... getrouwd, mijn lieveling, en heelemaal jij van mij, ook volgens de wet. Het moet nu, je mag nu niet langer weigeren. Wij zullen morgen naar den consul gaan en vragen welke papieren wij noodig hebben uit Holland, en hoe wij het gauwst kunnen trouwen. En in dien tusschentijd beschouw je je als mijn vrouw. Totnogtoe zijn wij wel heel gelukkig geweest,... maar je was niet mijn vrouw. Envoelje je mijn vrouw—ook al wachten we nog een paar weken op die papieren om onze handteekening te kunnen zetten,—dan zal je je veilig voelen en rustig. Er is niemand en niets, dat macht over je hebben zal. Je moet ziek zijn om zoo te denken. En dan wed ik, dat als we getrouwd zijn, mama zich met ons verzoenen zal. Het zal alles goed worden, mijn lieveling, mijn engel.... Maar je mag niet weigeren, wijmoetenzoo gauw mogelijk trouwen.
Zij zat naast hem op een divan en zag starend naar buiten, waar, in de vierkante lijst van het hooge raam, de slanke campanile als een marmeren lelie oprees tusschen de koepelende harmonieën, van Dom en Battisterio, terwijl terzijde het Palazzo Vecchio, een kanteelvesting, massaal lag tusschen de warreling van straten en daken, en opstak zijn van boven plotseling breed uitgebouwde torentin,—de heuvelen met Fiesole er wazende achter-af in avondviolet. De edele stad van gratie bronsde dofgoud op in een allerlaatsten zonneweêrschijn.
—Wijmoetenzoo gauw mogelijk trouwen? herhaalde zij met een weifelende vraag.
—Ja, zoo gauw mogelijk, mijn lieveling....
—Maar Duco, mijn beste Duco, het kan nu minder dan ooit. Zie je niet, dat het niet kan? Het is onmogelijk, onmogelijk.... Het had nog gekund, vroeger, maanden geleden, een jaar geleden.... Misschien ... misschien ook toen niet. Misschien toch had het nooit gekund. Het is zoo moeilijk dit te zeggen. Maar nu kan het heusch niet....
—Hoû je niet genoeg van mij....
—Hoe kan je dat vragen.... Hoe kan je dat vragen, mijn lieveling. Maar dat is het niet.... Het is.... Het is ... het kan niet, omdat ik niet vrij ben....
—Niet vrij....
—Ik bèn niet vrij.... Misschien voel ik me later vrij.... Misschien ook niet, misschien nooit.... Mijn beste Duco, het kan niet. Ik heb je immers geschreven, die eerste ontmoeting op het bal.... Het was zoo vreemd.... Ik voelde toch, dat....
—Dat wat....
Zij nam zijn hand, en streelde die, hare oogen vaag, hare woorden vaag.
—Zie je ... hij is toch mijn man geweest.
—Maar je bent van hem gescheiden, geheel, gedivorceerd!
—Gedivorceerd, ja. Maar dat is het niet....
—Maar wat dan, mijn kind....
Zij schudde het hoofd en verborg het gelaat tegen hem aan.
—Ik kan het niet zeggen, Duco....
—Waarom niet.
—Ik schaam mij....
—Zeg me, hoû je nog altijd van hem?
—Neen, het is niet hoûen. Ik hoû van jou.
—Maar wat dan, mijn kind Waarom schaam je je?
Zij begon tegen hem aan te weenen.
—Ik voel....
—Wat....
—Dat ik niet vrij ben, al ben ... al ben ik gescheiden. Ik voel ... mij toch zijn vrouw.
Zij fluisterde het bijna onhoorbaar.
—Maar dan hoû je van hem, en meer dan van mij.
—Neen, neen, ik zweer je van niet!
—Maar hoe kan dat dan, mijn kind!
—Ja, dat kan.
—Neen, dat kan niet! Dat is onmogelijk!
—Dat kan. Dat is zoo. En hij zei het mij ... en ik voelde het.
—Maar hij hypnotizeert je!
—Neen, het is geen hypnoze. Het is geen bedwelming ... het is een werkelijkheid, diep in me, diep in me. Zie je ... je kent me: je weet hoe ik ben. Ik hoû alleen van jou. Dat alleen is liefde. Ik heb nooit iemand anders liefgehad. Ik ben geen vrouw, die gevoelig is voor ... die hysterisch is. Maar met hem.... Geen enkele man, niemand, dien ik ooit ontmoet heb ... wekt dat gevoel in me op, dat gevoel, dat ik mezelve niet ben. Dat ik hem toebehoor. Dat ik zijn eigendom ben, zijn ding.
Zij sloeg om hem heen haar armen, zij school weg als een kind aan zijn borst.
—Het is zoo vreemd.... Je kent me, niet waar.... Ik kan toch wel flink zijn, en ik ben onafhankelijk, en ik weet mijn antwoord altijd te vinden. Met hem weet ik niets meer, ben ik niets meer. En ik doe wat hij zegt....
—Dat is hypnoze: daar kan je je, als je ernstig wilt, aan onttrekken. Ik zal je helpen....
—Het is geen hypnoze. Het is een waarheid, diep in me. Het leeft diep in me. Ik weet, dat het zoo is, dat het niet anders kan.... Duco, het kan niet zijn. Ik kan je vrouw niet worden. Ikmagje vrouw niet worden. Nu minder dan ooit. Misschien....
—Misschien?
—... heb ik het altijd zoo gevoeld, onbewust in mij. Dat ik niet mocht. Zoowel voor jou ... als voor mij ... als voor hem.... Misschien was het dat, wat ik onbewust voelde, terwijl ik mijn frazes zei: mijn antipathie tegen het huwelijk.
—Maar die antipathie sproot toch voort uit je huwelijk ... met hem!
—Ja. Dat is het vreemde. Hij is mij niet sympathiek ... en toch....
—Toch ben je verliefd op hem!!
—Toch behoor ik hem toe....
—En je zegt, dat je mij liefhebt!!
Zij vatte zijn hoofd tusschen haar handen.
—Probeer het te begrijpen. Ik word zoo moê als je het niet begrijpt. Ik heb jou lief.... Maar ik ben zijn vrouw....
—Vergeet je, wat je, in Rome, voor mij geweest bent...!
—Je alles, liefde, geluk, innig geluk.... Een harmonie, zoo innig: ik zal het nooit vergeten.... Maar ik was niet je vrouw.
—Niet mijn vrouw!!
—Ik was je maîtresse.... Ik was hem ontrouw.... Stoot mij niet af! Heb medelij!
Hij had, zonder te weten, een gebaar gehad, dat haar verschrikte.
—Laat mij nog blijven, zoo tegen je aan ... Mag ik...? Ik ben zoo moê, en ik voel me kalm, zoo tegen je aan, mijn lieveling. Mijn lieveling, mijn lieveling ... het zal nooit meer zoo worden, als het was. Wat moeten wij doen?!
—Ik weet het niet, sprak hij wanhopig. Ik woû je trouwen, zoo gauw mogelijk. Je wilt niet.
—Ik kan niet. Ik mag niet.
—Dan weet ik het niet.
—Wees niet boos. Laat mij niet alleen! Help mij, wil je? Ik heb je lief, ik hoû van je, ik hoû van je!
Zij omhelsde hem eensklaps geheel in haar armen, als in radeloosheid en wanhoop. Hij zoende haar woest terug....
—O God, zeg mij, wat ik doèn moet!! bad zij radeloos in zijne omhelzing.
Toen Cornélie den volgenden dag met Duco door Florence ging en zij den cour van het Palazzo Vecchio binnenliepen, de Loggia dei Lanzi zagen en even in de Uffizie de Annonciatie van Memmi gingen zien, voelde zij aan zijn zijde als de gewaarwordingen van vroeger onweêrstaanbaar opbloeien. Het was of zij hun uit elkaâr gesprongen lijnen met menschelijk geweld weêr samen hadden gebogen tot éen weg, en langs dien weg de witte madelieven, de witte leliën opschoten met een teederheid van zacht mystisch herkennen, dat bijna was als een droom. En toch was het iets anders dan vroeger. Een druk als van een grauwe wolk hing tusschen haar en de diepblauwe lucht, die als repen van ether, banen van optrillende hoogte van lucht spande boven de nauwe straten, boven de koepels en torens en tinnen. Zij voelde niet meer de bezorgdheid van vroeger; een nagedachtenis was in haar, een zware peinzing op hare hersenen, en een benauwdheid voor wat gebeuren zoû. Zij had als een onweêrzwoel voorgevoel, en toen zij na hunne wandeling wat gegeten hadden en naar huis gingen, sleepte zij zich zoo moê, als zij zich in Rome nooit had gevoeld, de trappen op, naar Duco's kamer. En zij zag aanstonds een brief liggen op tafel, een brief aan haar adres. Maar welk adres! Zij schrikte ervan zoo hevig, dat zij begon te trillen over hare leden, den brief, nog voor Duco achter haar was binnengetreden, gestopt had in haar zak.... Zij zette haar hoed af, en zeide Duco, dat zij even iets uit haar koffer moest hebben, die stond op de gang. Hij vroeg of hij haar helpen zoû. Maar zij weigerde en ging uit de kamer, op den nauwen corridor. Bij het kleine raam, dat zag op de Arno, haalde zij den brief te voorschijn.... Het was daar de eenige plaats, waar zij even, ongestoord, kon lezen. En zij las weêr dat adres, geschreven met zijn hand, die zij kende, de groote dikke zware letter.... De naam, dien zij droeg in het buitenland was haar jonge meisjes-naam, en zij noemde zich: Madame De Retz van Loo. Maar op dit adres las zij kort: Baronne Brox, 37 Lung'Arno Torrignani, Florence. Een hevige kleur sloeg op naar haar gezicht. Een jaar had zij dien naam gedragen.... Maar nu: waarom noemde hij haar zoo? Waar was de logica van dien titel, dien zij volgens de wet toch niet meer droeg? Wat meende hij, wat wilde hij...? En bij het kleine raam, las zij zijn korten maar gebiedenden brief. Hij schreef haar, dat hij haar vlucht ten hoogste kwalijk nam, vooral na hun laatste onderhoud. Hij schreef haar, dat zij, in dat laatste onderhoud, hem alle recht op haar had gegeven, dat zij hem niet tegengesproken had en dat zij, met haar zoen, en met haar omhelzing, getoond had zich als zijn vrouw te beschouwen, zooals hij haar als zijn vrouw beschouwde. Hij schreef, dat hij haar niet kwalijk zoû nemen haar onafhankelijk leven, een jaar lang in Rome, omdat zij toen nog vrij was geweest. Maar dat hij beleedigd was, dat zij zich nu nog vrij beschouwde, en dat hij die beleediging van haar vlucht niet aannam. Dat hij haar sommeerde terug te keeren. Dat hij geen recht had volgens de wet dit te doen, maar dat hij het deed, omdat hij toch een recht had, een recht, dat zij niet kon weêrspreken, dat zij ook niet weêrsproken had, dat zij integendeel door haar zoen had erkend. Haar adres had hij te weten gekomen van den portier van de Villa Uxeley, aan wien zij het achtergelaten had. En hij eindigde, met haar nogmaals te zeggen, dat zij terug te keeren had in Nice, bij hem, in het Hôtel Continental. Dat zoo zij het niet deed, hij te Florence kwam en zij verantwoordelijk was voor de gevolgen van haar weigering.
Hare knieën knikten: zij dreigde in-een te vallen. Zoû zij den brief aan Duco toonen, of zoû zij hem verzwijgen...? Maar zij moest beslissen. Hij riep haar uit de kamer toe, wat zij zoo lang deed, op de gang. En zij trad binnen en was te zwak zich niet te storten aan zijn borst. Zij toonde hem den brief. Leunende tegen hem aan, snikkende, voelde zij hem woedend, razend worden, zag zij zwellen aan zijn slapen de aderen, zijn vuisten zich ballen, tot hij den brief in een prop op den grond smeet. Hij zeide haar niet bang te zijn; hij zei, dat hij haar beschermen zoû. Hij ook, hij beschouwde haar als zijn vrouw. Alles kwam er maar op aan, hoe zij zichzelve voortaan beschouwde. Zij sprak niet, zij snikte maar, gebroken van vermoeienis, van schrik, van hoofdpijn. Zij kleedde zich uit, zij legde zich te bed: zij klappertandde van koorts. Hij duisterde de kamer wat, met de gordijnen dicht te plooien en zei haar te gaan slapen. Zijn stem was boos en zij dacht, dat hij boos was om hare weifelmoedigheid. Zij snikte zich in slaap. Maar in haar slaap voelde zij in zich den schrik en voelde zij weêr den onafwendbaren dwang. Slapende droomde zij wat zij zoû kunnen antwoorden, schreef zij Brox, maar het was haar niet duidelijk wat; het bleef de vaagheid eener machtelooze smeeking om genade. Toen zij wakker werd, zag zij Duco bij haar bed. Zij vatte zijn hand, er was een kalmte in haar. Maar zij had geen hoop. Zij had geen vertrouwen op de dagen, die komen zouden.... Zij zag hem aan, en zij zag hem somber, streng geserreerd in zichzelven, zooals zij hem nooit gezien had.... O, hun geluk was voorbij! Dien noodlottigen dag, toen hij haar in Rome naar den trein had gebracht, hadden ze afscheid genomen van hun geluk. Voorbij, voorbij! Voorbij de lieve wandelingen door ruïnes en muzea, de tochten naar Frascati, Napels, Amalfi! Voorbij het lieve innige leven van armoede in het groote atelier, tusschen de flonkerkleuren der oude brokaten en kazuifels, der oude zilveren en bronzen! Voorbij het samen turen op de aquarel der Banieren, zij met haar hoofd op zijn schouder, in zijn arm, levende met hem samen zijn kunst, genietende met hem samen zijn werken! Voorbij de extaze van den nacht in de pergola, in den met starren bepoeierden nacht, het heilige meer aan hunne voeten! Men herhaalde het leven niet meer! Zij herhaalden het hier tevergeefs, in deze kamer, in Florence, in het Palazzo Vecchio, tevergeefs zelfs voor den heiligen engel van Memmi, schietend zijn gouden straal! Zij herhaalden hun leven tevergeefs, hun geluk, hun liefde; tervergeefs hadden zij samen gedwongen de uit elkaâr gesprongene lijnen! Nog even cirkelden ze om elkaâr, met eén wanhopige arabesk.... Het was voorbij, het was voorbij...! Somber en streng zat hij naast haar bed, en zij wist het, hij voelde zich machteloos, omdat zij zich niet voelde zijn vrouw. Zijn maîtresse...! O, ze had dien onwillekeurigen afstoot gevoeld, toen zij dat woord had uitgesproken. Had hij haar niet altijd willen trouwen? Maar onbewust had zij het steeds gevoeld, dat het niet kon, en dat het niet mocht. Onder het uitgewoeker van hare scherpe frazes van feminisme, was dat de onbewuste waarheid geweest. Zij, vloekend tegen het huwelijk, had zich, diep in, altijd gehuwd gevoeld. Niet volgens de wet en een handteekening, maar volgens een al-oude wet, een oer-oud recht van man op vrouw, wet en recht van bloed en vleesch en allerinnigste merg! O, boven die onverwrikbare fyzieke waarheid had haar ziel heur bloei gebloeid van witte madelieven en leliën, en ook die bloei was de innige waarheid, de hooge waarheid van geluk en van liefde. Maar de madelieven en leliën bloeiden uit: de ziel bloeit maar een enkelen zomer. De ziel bloeit geen leven lang. Zij bloeit misschien vóór het leven, zij bloeit er misschien nà, maarinhet leven zelve bloeit de ziel maar één enkelen zomer! Zij had gebloeid, het was voorbij! En in haar lijf, dat leefde, in haar lichaam, dat overleefde, voelde zij de waarheid tot in het merg! Hij zat naast haar bed, maar hij had geen recht, nu de leliën waren gebloeid.... Zij brak van medelijden voor hem.... Zij nam zijn hand en kuste die innig en snikte er over heen. Hij zeide niets. Hij wist niets te zeggen. Het zoû hem alles eenvoudig geweest zijn, als zij zijn vrouw had willen worden. Nu kon hij haar niet helpen. Nu zag hij zijn geluk verongelukken, en hij zag toe: er was niets aan te doen. Als een ruïne, die brokkelde, stortte het langzaam in elkaâr.... Het was voorbij! Het was voorbij!
Zij bleef in bed, deze dagen, zij sliep, zij droomde, zij ontwaakte weêr, en de afwachting was niet van haar af. Nu en dan had zij een lichte koorts en het was beter in bed te blijven. Meestal bleef hij bij haar. Maar eens toen Duco weg was om in de apotheek iets te gaan halen, klopte men aan de deur. Zij sprong op in bed, bang, bang hèm te zien, aan wien zij altijd dacht.... Half flauw van schrik, opende zij op een kier de deur. Maar het was de brievenbesteller met een aangeteekenden brief. Van hèm! Nog korter dan den vorigen, schreef hij, dat zij aanstonds bij ontvangst van zijn brief, telegrafeeren moest, den dag, dat zij kwam. En dat, zoo hij dien en dien dag—hij zoû uitrekenen welken,—haar telegram niet ontving, hij 's nachts vertrok naar Florence, en hij haar amant dood zoû schieten, als een hond, voor haar voeten. Dat hij zich geen ogenblik bedenken zoû. Het kon hem niet schelen wat er dan gebeurde. Uit dien korten brief woedde zijn drift, zijn razernij, als een roode storm haar met zijn slag in het gezicht. Zij kende hem, en zij wist, dat hij het doen zoû. Zij zag, als in een flits, het ontzettend tooneel en Duco vermoord neêrstorten, badende in zijn bloed. En zij was zich niet meer meester. Zij was, van verre, door de roode woede van dien brief, geheel zijn object, zijn ding. Zij had den brief haastig opengescheurd, nog voor zij het boek van den besteller had afgeteekend. De man wachtte op de gang. Het ging duizelsnel door haar heen, het draaide door haar als een kolk. Als zij een oogenblik nog bedacht, zoû het te laat zijn, te laat voor Duco.... En zij vroeg aan den besteller, zenuwachtig:
—Kan je oogenblikkelijk een telegram voor mij bezorgen?
Neen, hij kon niet: het was niet zijn weg uit.
Maar zij smeekte het hem te doen. Zij zeide, dat zij ziek was, dat zij oogenblikkelijk moest telegrafeeren. En zij vond in haar beursje een goudstukje van tien francs en zij gaf hem dat als fooi. Zij gaf hem daarenboven het geld voor het telegram. En de man beloofde. En zij schreef het telegram: Ik vertrek morgen, sneltrein.